Monthly Archives: November 2013

Bestuursrecht als fopspeen

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als stille knecht van de regering

De meeste politici worden er niet koud of warm van. Burgers, voor zover ze er al van op de hoogte zijn, evenmin. Totdat ze zelf een keer een verschil van mening hebben met de overheid. Dan moeten ze beroep of hoger beroep instellen bij…….. de adviseur van de regering. En dan moeten ze geloven dat er onafhankelijk recht wordt gesproken. Die adviseur is de Raad van State. Nu heeft de Raad van State twee afdelingen. De ene afdeling adviseert en de andere spreekt recht in bestuurszaken. Die scheiding is aangebracht omdat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat de Raad van State niet voldeed aan de eisen die je aan onafhankelijke rechtspraak mag stellen. Maar de aangebrachte scheiding is slechts cosmetisch. De ‘staatsraden’ van de Afdeling advisering zijn namelijk precies dezelfde als die van de Afdeling bestuursrechtspraak: de ene dag adviseren ze de regering en de dag daarna figureren ze als rechter. Met andere woorden: onafhankelijke rechtspraak in kwesties waarin de burger het moet opnemen tegen de overheid is een illusie. De hoogste adviseur van de regering mag uitmaken of de burger een zaak heeft. Doorgaans wordt het beroep dus ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard.

Maar het is nog erger. Je zou verwachten dat er alleen recht wordt gesproken door professionele rechters, die niet in allerlei (politieke) netwerkjes zitten. Maar bij de Afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State is dat niet altijd het geval. Daar treffen we namelijk ook ex-burgemeesters aan (bijvoorbeeld Deetman, die overigens geen jurist is) en ex-ministers (de net benoemde vice-voorzitter Donner). Meerdere prominente politici werden aan het eind van hun politieke carrière beloond met een baantje bij de Raad van State. En die baantjes werden en worden evenredig verdeeld onder de grote gevestigde politieke partijen, zodat er daar weinig behoefte aan bestaat een eind te maken aan deze politieke rechtspraak. En ook hoog- leraren treffen we er aan. Van elke juridische faculteit wel één. Heel slim, want dat is natuurlijk de beste manier om ervoor te zorgen dat de rechtspraak van de Raad van State niet al te kritisch wordt gevolgd door universitaire rechtsgeleerden. Premier Mark Rutte heeft Herman Tjeenk Willink bij diens afscheid als vicepresident van de Raad van State geprezen als ‘de grote stille knecht’. Een uitstekende typering, die geldt voor de Raad van State in het algemeen en met name voor de afdeling bestuursrechtspraak.

Het bestuursrecht is nog niet zo oud en werd in de vorige eeuw ontwikkeld om de burger te beschermen tegen onrechtmatige overheidsbesluiten. Inmiddels heeft het zich echter zodanig ontwikkeld dat de overheid effectief wordt beschermd tegen burgers. In het gros van de gevallen wordt het beroep namelijk afgewezen en vaak om allerlei heel flauwe, niet ter zake doende (procedurele) redenen. Het huidige bestuursrecht is daarom niet meer dan een fopspeen. Je geeft de burger de illusie dat er onafhankelijk recht wordt gesproken, geleerde rechters doen alsof ze luisteren en de dossiers bestudeerd hebben en de burger slooft zich verschrikkelijk uit om zijn argumenten zo goed mogelijk naar voren te brengen. Maar in de meeste gevallen staat het bij voorbaat vast dat hij in het ongelijk wordt gesteld en niets bereikt. Maar hij heeft dan elk geval het gevoel er alles aan gedaan te hebben en dat maakt het wat makkelijker te dragen dat hij in het ongelijk is gesteld. Dit systeem geeft de overheid bovendien de mogelijk- heid tegen de burger te zeggen: de onafhankelijke rechter heeft gesproken, nu moet je redelijk zijn en je bij ons besluit neerleggen.

Zo af en toe gaan er stemmen op om de bestuursrechtspraak weg te halen bij de Raad van State, zodat die alleen nog maar adviseert aan de regering. Maar als het erop aankomt, is daar geen meerderheid voor, want politieke partijen zijn zuinig op de baantjes waar ze trouwe par- tijgenoten mee kunnen belonen. En waarschijnlijk vinden ze het ook eigenlijk wel beter als bestuursrechters en staatsraden zich opstellen als de grote stille knecht van de overheid.

Wegpesten van autodemontagebedrijf

De gemeente Utrecht had de grond nodig die sinds 1960 aan het autodemontagebedrijf was verhuurd. Het bedrijf was inmiddels van vader op zoon overgegaan. Die had er een modern bedrijf van gemaakt dat aan de modernste milieuvoorschriften voldeed. De gemeente kwam op 30 januari 2008 ineens op het idee dat het onverwijld over de grond moest kunnen beschikken in verband met de bouw van het Leidsche Rijn Centrum. Het bestemmingsplan Leidsche Rijn is van 1999. De gemeente kwam dus wel wat laat op de gedachte dat het bedrijf daar weg moest.  De huur werd opgezegd, het bedrijf moest 1 mei 2008 weg zijn. Tot vergoeding van de kosten van verplaatsing of andere compensatie voelde de gemeente zich niet geroepen. De gemeente wilde gewoon zo snel en zo goedkoop mogelijk over de grond kunnen beschikken. De bouw van het Leidsche Rijn Centrum is overigens nog steeds niet begonnen.

Nadat de ondernemer had laten weten niet met de huuropzegging akkoord te gaan stuurde de gemeente advocaat Tomlow erop af. Die stelde dat er wel een huurovereenkomst was met de vader van de huidige eigenaar maar niet met de huidige eigenaar (die het bedrijf sinds 1973 bestierde), dat de huidige eigenaar dus zonder recht van de grond gebruik maakte en de grond dus meteen moest ontruimen. Dat vond de kantonrechter niet, die oordeelde op 25 september 2008 dat er sprake was van een voortzetting van de huurovereenkomst en dat die bovendien moest worden aangemerkt als een huurovereenkomst in de zin van art. 7:290 BW waarbij van een bijzondere huurbescherming sprake is, min of meer vergelijkbaar met die van de huurder van een woning.

De gemeente liet zich door de uitspraak van de kantonrechter niet uit het veld slaan en deed de ondernemer opnieuw dagvaarden, maar dit keer omdat de ondernemer ernstig zou zijn tekort geschoten in de nakoming van de voor hem uit de overeenkomst voortvloeiende plichten. Om de ondernemer zoveel mogelijk tekortkomingen te kunnen verwijten stuurde de gemeente de afdeling handhaving voor onderzoek op het bedrijf af. Die bracht aan het licht dat er sinds 1973 een wooncaravan stond (was de gemeente de afgelopen 36 jaar kennelijk nooit opgevallen) en dat er zonder toestemming wijzigingen waren aangebracht aan het gehuurde. Overtredingen van de wet milieubeheer konden de inspecteurs niet vinden, want dat was allemaal piekfijn in orde. De gemeente eiste onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming binnen 14 dagen.

Om de arme ondernemer nog verder onder druk te zetten volgden er drie dwangbevelen. In de eerste werd hem gelast onmiddellijk de wooncaravan te verwijderen (die er dus sinds 1973 en bovendien met instemming van de gemeentelijke rentmeester stond). In de tweede stond dat er (mobiele) containers op het terrein stonden waarvoor hij een bouwvergunning had moeten hebben. In de derde stond dat de loods op het terrein in 1960 een paar meter minder groot was (dat die dus illegaal was uitgebreid) en dat de overkapping van de tankinstallatie illegaal was (hoewel het om een overkapping ging van twee vierkante meter zou ook daar een bouwvergunning voor nodig zijn).

De gemeente kon naderhand bij de rechter niet aantonen dat de loods groter was dan in 1960. De gemeente stelde zich op het standpunt dat de rentmeester 36 jaar geleden niet bevoegd was om namens de gemeente met het plaatsen van de caravan akkoord te gaan. Legalisatie van de overkapping van twee vierkante meter van de tankinstallatie werd geweigerd. De containers, die bestemd waren voor sloopmateriaal (banden, glas, e.d.) en regelmatig werden opgehaald en vervangen, moesten blijvend worden verwijderd. Kortom, het werd de ondernemer onmogelijk gemaakt zijn bedrijf voort te zetten.

Of voor containers die regelmatig opgehaald en vervangen worden een bouwvergunning nodig is de vraag. Op de twee afvalstations van de gemeente worden dezelfde containers op dezelfde manier gebruikt. Uit de beantwoording van de WOB-verzoek bleek dat de gemeente daar ook geen bouwvergunning voor had.  De gemeente bleef er echter bij dat de containers van de  ondernemer illegaal waren ivm het ontbreken van een bouwvergunning. Quod licet lovi non licet bovi (Wat Jupiter is toegestaan, is het rund nog niet toegestaan).

De ondernemer kreeg ernstige hartproblemen, liep leeg op advocatenkosten en besloot zijn verlies te nemen. Zoals dat met veel kleine ondernemers het geval is, was het bedrijf zijn pensioen. Dat was hij kwijt. De gemeente scheepte hem af met een bedrag dat nauwelijks voldoende was om zijn advocaat te betalen. En dus ging hij nog maar niet met pensioen. De kosten die de gemeente maakte voor de inhuur van advocaten en voor tijd die er in werd gestoken door de ambtenaren van Juridische Zaken, Toezicht en Handhaving, Grondbedrijf en Projectbureau Leidsche Rijn moeten zeer aanzienlijk zijn geweest. Als de gemeente dát geld had uitgetrokken om de ondernemer te compenseren, had die waarschijnlijk gezond en wel met pensioen kunnen gaan.

Verantwoordelijk wethouder was Harrie Bosch (PvdA). De SP, D66, Leefbaar Utrecht en GroenLinks vroegen Bosch in een open brief of hij de ondernemer niet wat meer tegemoet kon komen. Daar was Bosch niet toe bereid. Partijgenoot-raadsleden Beerlage en Engberts wisten van de hoed en de rand, maar deden hun mond niet open.

Ik schreef op 17 september 2009 een boze column over de kwestie in de De Nieuwe Utrechter: De dictatuur van de PvdA De PvdA had geen behoefte om daar op te reageren.

 

Handhaven als ambtelijke werkverschaffing

Handhaven betekent in het juridisch taalgebruik het door bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom doen beëindigen van een illegale situatie. Denk aan het schuurtje dat stiekem is neergezet en daarom weer afgebroken moet worden. Of aan de illegale bewoning. Volgens de wet moet de gemeente handhaven. Daar valt alleen aan te ontkomen als er alsnog een vergunning kan worden gegeven óf als de gevolgen van de handhaving te erg en te ingrijpend zijn voor de “overtreder”. Dat laatste blijkt nooit het geval, want besluiten waarin de handhaving wordt meegedeeld staat altijd dezelfde mantra: het belang van de betrokkene weegt niet op tegen de met het handhaven beoogde doel.

Mevrouw X kreeg in 2003 met bestuursdwang te maken. Ze moest binnen veertien dagen haar huurwoning verlaten omdat haar verhuisbericht bij Burgerzaken niet was aankomen dan wel zoek was geraakt. Ze stond dus niet op het nieuwe adres ingeschreven. Dat schreef ze ook, maar dat mocht niet baten. “Uw zienswijze geeft ons geen aanleiding op het besluit terug te komen”, schreef de heer Kuilenburg terug. Voor een normaal mens gaat het veel te ver om iemand vanwege zo’n futiele aanleiding uit zijn huis te zetten. Voor de gemeente Utrecht niet, er moest een verzoek bij de rechtbank aan te pas komen om de bestuursdwang te verhinderen.

Fred P. kreeg in 2009 met bestuursdwang te maken omdat hij in 1991 een schuurtje had neergezet dat volgens het naderhand (2009) vastgestelde bestemmingsplan 1,4 vierkante meter te groot was. De gemeente had daar 18 jaar lang geen probleem van gemaakt, maar nu opeens moet er gehandhaafd worden. Een mooie blokhut op een betonnen fundering, waar nog nooit iemand zich aan geërgerd heeft. De gemeente was niet te vermurwen en de rechter moest er aan te pas komen om de bestuursdwang te voorkomen.

J. van M. kreeg in 2009 met bestuursdwang te maken omdat zijn vader ergens in de zestiger jaren, dus een halve eeuw geleden, de werkplaats wat groter zou hebben gemaakt. Of dat waar is valt moeilijk te bewijzen, want de dossiers zijn zoek en de ambtenaren van toen zijn net als de vader van J. van M. al lang overleden. Ook hier moest de rechter aan te pas komen, want de gemeente hield voet bij stuk. Op wat de gemeente Utrecht met J. van M. heeft uitgehaald kom ik in een apart verhaal terug.

Ik herinner me het geval (speelde zich af in Zeist) van een oude vrouw die 200 euro boete kreeg omdat ze een klein plastic zakje met afval naast de betonnen container had gezet. Ik las dat in een ingezonden stuk van haar zoon in de krant en ging het uitzoeken. Bovenop de betonnen container zat de zware ijzeren deksel. Voor kleine en niet zo sterke mensen een hele tour om die deksel op te krijgen. Bovendien was de vrouw kort geleden geopereerd aan borstkanker en had ze maar weinig kracht in haar arm. Dat had ze de gemeente ook geschreven toen ze de  boetebeschikking ontving. Nou, daar had de gemeente niets mee te maken. Regels zijn regels. Voor die mevrouw schreef ik een boze brief aan de gemeenteraad. Ook die vond de bezwaren van mevrouw maar onzin. Pas toen de Zeister Courant er een uitgebreid stuk over schreef ging de gemeente om.

Tientallen voorbeelden kan ik noemen. In al die gevallen zou een normaal mens zeggen: beste gemeente, hebben jullie nu echt niets beters te doen dan ons om zulke pietluttigheden het leven zuur maken? En in al die gevallen kijkt de gemeenteraad of de andere kant op of stellen de raadsleden zich op aan de kant van de ambtelijke dienst: “nee natuurlijk, handhaven moet, want burgers trekken zich steeds minder van de regels aan”.

Interessant is de vraag waar al die handhaving vandaan komt. Ik denk dat het begonnen is toen er een afdeling handhaving & toezicht in het leven werd geroepen. Aanvankelijk werkten daar een, twee of drie mensen. Maar als er een keer zo’n afdeling is, dan groeit dat snel aan. De man of de vrouw die daar de leiding heeft wil namelijk graag promotie maken en om die promotie te kunnen maken moet hij of zij meerdere ondergeschikten aansturen. En die ondergeschikten op hun beurt willen graag aan het werk blijven en dus worden er steeds meer “illegale” situaties opgespoord. De afdeling Juridische Zaken is ook blij, want het bezwaar en beroep dat tegen bestuurlijke boetes en dwangsombeschikking wordt ingesteld brengt ook weer werk op de plank.

De enige manier om het hinderlijke handhaven terug te dringen is dus om het aantal ambtenaren dat daarmee is belast flink uit te dunnen.

De bomen van het Thorbeckeplantsoen

Groen Leefbaar Ondiep had bezwaar gemaakt tegen de kapvergunning van 23 juli 2008 voor het kappen van een paar grote bomen op de hoek van de Marnixlaan en de Van den Hamkade. En tegelijk aan de rechtbank gevraagd om het kappen te verbieden zolang er niet op het bezwaar was beslist. Ze kregen gelijk van de rechtbank. Ook de rechter vond dat de gemeente eerst het besluit op bezwaar moest nemen.

Het bezwaar werd vervolgens door de gemeente ongegrond verklaard. Dat is op zich niet verrassend, want in Utrecht worden vrijwel alle bezwaren ongegrond verklaard. Daar namen de bewoners echter geen genoegen mee. Ze stelden beroep in. Bij de rechtbank voerde de dienstdoende jurist van Juridische Zaken onverwacht aan dat de bewoners niet-ontvankelijk waren, d.w.z. niet als belanghebbend konden worden aangemerkt en dus geen bezwaar en beroep konden instellen.

Zo gaat dat dus. Eerst vraag je als gemeente aan bewoners om mee te denken over de herinrichting van het Thorbeckeplantsoen. Daar stoppen die mensen heel veel tijd in, ze richten een werkgroep op en gaan zich verdiepen in de Bomenvisie en andere gemeentelijke stukken. Maar als ze bezwaar maken en hangende de bezwaarprocedure gelijk krijgen van de rechtbank, dan dreigt inspraak effectief te worden en dat is de bedoeling natuurlijk niet. Vandaar dat de gemeentelijk juriste, in opdracht van de verantwoordelijke wethouder Giesberts (GroenLinks), bij de rechtbank uit een heel ander vaatje begon te tappen.

Waarom vond de gemeente Groen Leefbaar Ondiep opeens niet-belanghebbend? Omdat de bewoners verder dan 200 meter van de betreffende bomen wonen. Er werd een kaart bij gehaald. En ja hoor, 234 meter. Terwijl ze die grote bomen vanuit hun woning heel goed kunnen zien en terwijl die grote bomen volgens de Bomenvisie zelfs structuurbepalend, beeldbepalend en ecologisch van belang zijn. Dus waar slaat die 200 meter op? De gemeente had een uitspraak gevonden van de rechtbank in Amsterdam waarbij bewoners niet-ontvankelijk waren verklaard omdat ze verder woonden dan 200 meter, en daarmee hadden ze de rechter, Bart-Jan Ettekoven, aan een formeel argument geholpen om de burgers in het ongelijk te stellen.

Wat voor wijze lessen vallen hier nu uit te trekken? De eerste les is dat inspraak alleen bedoeld is als glijmiddel. De tweede les is dat bewoners als belanghebbend worden beschouwd zolang ze niet moeilijk beginnen te doen en dat de juridische spelregels snel worden aangepast als de bewoners op winnen staan. En de derde les is dat het kennelijk niets uitmaakt dat de verantwoordelijke wethouder van GroenLinks is. Sterker nog, het was Robert Giesberts, die kort na zijn aantreden voorstelde om de kapvergunning maar af te schaffen, zodat er vrijelijk gekapt kon worden in Utrecht.

Het Marokkaanse theehuis Feminine

Op 21 juni 2005 kreeg mevrouw El Karouni een exploitatievergunning. Ik noem haar bij haar naam, want de kwestie is destijds met naam en toenaam uitgebreid in het nieuws geweest. Karouni wilde een theehuis beginnen op de Helfrichlaan in Utrecht.

De exploitatievergunning had heel wat voeten in de aarde, de afdeling Bijzondere Wetten was en is niet erg blij met Marokkaanse theehuizen en zocht argumenten om de vergunning niet te geven. Eén zo’n argument was dat de praktijk uitwijst dat daar meestal alleen maar mannen zitten. Bijzondere wetten wilde wel meewerken, maar alleen als zij beloofde er naar te zullen streven dat er ook vrouwen zouden komen. Er zat voor haar weinig anders op dan dat toe te zeggen. Ze gaf het theehuis de naam “Feminine” in de hoop dat er dan ook vrouwen op af zouden komen.

Karouni kreeg de exploitatievergunning, maar onder voorwaarde. Ze kreeg preventief een slui- tingsuur opgelegd: ze moest om 23.00 uur dicht. Dat betekende dat ze net zo goed van het theehuis kon afzien. In Utrecht mag alle horeca het hele etmaal open zijn. Een sluitingsuur wordt alleen opgelegd bij wijze van sanctie. Maar dan moet er dus iets gebeurd zijn waardoor de openbare orde wordt verstoord. In het geval van Karouni werd het sluitingsuur preventief opgelegd. Zelfs tijdens de Ramadan moest het om 23.00 uur dicht.

Karouni diende een bezwaarschrift in tegen het preventieve sluitingsuur. Dat werd afgewezen. Het voornaamste argument waarmee het bezwaar werd afgewezen was dat er in strijd met de (opgedrongen) toezegging van Karouni haar best te zullen doen ook vrouwen naar het theehuis te krijgen, alleen mannen in het theehuis kwamen en dat het in en uitlopen en bij de voordeur blijven hangen van allochtone mannen intimiderend zou werken op voorbijgangers. Het besluit op bezwaar was namens het college door burgemeester Annie Brouwer (PvdA) genomen.

De burgemeester overwoog verder dat de Helfrichlaan vlakbij Kanaleneiland ligt (aan de andere kant van de Beneluxlaan) en dat het daarom niet ondenkbaar was dat Marokkaanse mannen en jongeren uit Kanaleneiland het theehuis zouden frequenteren. En dat was kennelijk geen wenselijke ontwikkeling.

Ik stelde beroep in voor Karouni en voerde aan dat het onbegrijpelijk was het theehuis (waar alleen thee, koffie en vruchtensap gedronken wordt) een preventief sluitingsuur op te leggen, terwijl horeca waar mensen zich met alcohol vol kunnen laten lopen 24 uur per etmaal open mag zijn. Alcoholgebruik is één van de voornaamste oorzaken van verstoring van openbare orde. En overigens voerde ik aan dat het argument dat allochtone mannen intimiderend zijn voor voorbijgangers ronduit racistisch is.

De bestuursrechter toetst een beslissing van de overheid “marginaal”. Dat wil zoveel zeggen als: als de beslissing niet in strijd is met de letter van de wet, dan wordt het beroep afgewezen. Of de beslissing redelijk is of politiek correct is geen punt overweging, tenzij het de spuigaten uitloopt. Bestuursrechters zijn al snel geneigd om te vinden dat de vraag naar de redelijkheid of de politieke correctheid binnen de beleidsvrijheid valt van het gemeentebestuur en dat het aan de lokale politiek is om daar een oordeel over te geven. Op zich een begrijpelijk standpunt, behalve dat de bestuursrechter dus vond dat de overweging dat allochtone mannen intimiderend werken op voorbijgangers niet de spuigaten uitloopt. Daar valt kennelijk verschillend over te denken.

Karouni liet het er niet bij zitten. Er werd een brief geschreven aan de burgemeester, die door een tiental Marokkaanse mannen (trouwe bezoekers van Feminine) werd ondertekend. In die brief gaven de mannen te kennen het standpunt van burgemeester Brouwer racistisch te vinden. Dat er witte mensen zijn die gekleurde mensen eng vinden mag voor de overheid geen reden zijn om aan die gekleurde mensen beperkingen op te leggen. En dat er autochtone mensen zijn die allochtone mannen intimiderend vinden mag om dezelfde reden geen reden zijn om allochtone mannen en dus aan een Marokkaans theehuis beperkingen op te leggen.

Op de raadsvergadering waar de brief werd behandeld ontplofte burgemeester Brouwer. Hoe die mannen het bestonden om haar racisme te verwijten. De burgemeester was zo ontstemd dat de vergadering geschorst moest worden. Tijdens de schorsing werden de mannen die de brief hadden ondertekend (en op de publieke tribune aanwezig waren) door raadsleden onder druk gezet om hun excuus aan burgemeester Brouwer aan te bieden. Omdat zij niet wilden dat de burgemeester zich op Karouni zou wreken deden ze dat.

De Marokkaanse mannen stelden zich na de hervatting van de vergadering in een kring rond burgemeester Brouwer op en keken schuldbewust. Ze spraken de woorden dat het hun heel erg speet dat ze burgemeester Brouwer zo diep hadden gekwetst en hoopten nu maar dat de burgemeester hen dat wilde vergeven. Daarop antwoordde Brouwer “Dat begint erop te lijken”. En de raadsleden klapten voor de burgemeester, want zij waren opgelucht dat ze nu niet meer boos was. Ze vroegen of de burgemeester zo vriendelijk wilde zijn om er nog eens over na te denken en het woord “racisme” werd verder zorgvuldig vermeden.

In haar goedheid besloot burgemeester Brouwer het door de Marokkaanse mannen betoonde berouw te belonen. Korte tijd later werd het sluitingsuur verruimd. Tot één uur op werkdagen en tot twee uur op zaterdag en tijdens de Ramadan. Nog steeds niet wat een autochtoon bruin café mag, maar dat gehang in zo’n theehuis is toch nergens goed voor: die allochtone mannen moeten de volgende ochtend immers vroeg en fris naar het werk.

 

 

 

 

Van Zanen en de dood van een klokkenluider

graaien in het afval

 Van Zanen werd na het echec van Wolfsen als een soort Messias binnengehaald als burgemeester van Utrecht. De opluchting over het vertrek van Wolfsen zal daarbij een grote rol gespeeld hebben, want veel goeds valt er over Van Zanen als voormalig wethouder van de Reinigings- en Havendienst (RHD) niet te melden. In 2004 was hij bijna als wethouder weggestuurd omdat de directeur van de RHD daar al jaren niet naar behoren functioneerde, Van Zanen daarvan op de hoogte hoorde te zijn en verzuimd had in te grijpen.

Op zaterdag 13 september 2003 verscheen er een paginagroot artikel in het Utrechts Nieuwsblad met de kop ‘Graaien in het afval’. Het verhaal begint ermee dat Ton “vuile moordenaars” op de muur van kantoor van RHD (Reinigings- en Havendienst) had gekalkt. Die moordenaars, dat waren de bazen van de RHD die Fred de dood in zouden hebben gedreven. Het verhaal doet verder verslag van een gesprek dat de journalist Marco Willemse had gehad met een aantal medewerkers van de RHD, die uiteraard anoniem wenste te blijven.

artikel marco willemse

De medewerkers waren een maand eerder bij mij langs geweest. De reden daarvan was dat ze hun verhaal bij verschillende raadsleden hadden gehouden, maar dat die raadsleden er kennelijk niet voor voelden om te doen wat een raadslid in zo’n geval behoort te doen: vragen stellen aan de verantwoordelijke wethouders. Dat waren in dit geval wethouder Gispen van personeel en organisatie (Leefbaar Utrecht) en wethouder Van Zanen verantwoordelijk voor de RHD (VVD). De man die nu dus burgemeester van Utrecht wordt.

Hun verhaal kwam er in het kort op neer dat Fred de leiding van de RHD, nadat hem beloofd was door de bedrijfsmaatschappelijk werkster, dat dat geen negatieve gevolgen voor hem zou hebben, er via die maatschappelijk werkster van op de hoogte had gebracht dat er een aantal RHD-medewerkers betrokken was bij een handel in inktpatronen. Die zaten in afgedankte en bij de RHD ingeleverde kopieermachines maar bleken nog best wat waard te zijn. Fred was in dat clubje RHD-medewerkers terecht gekomen, had daar aan meegedaan en had daar spijt van. Anders dan hem beloofd zou zijn werd Fred meteen keihard door de leiding van de RHD aangepakt. Deze houding van de RHD-leiding, het vooruitzicht dat hij strafrechtelijke vervolgd zou worden en de schaamte die hij voelde maakte dat hij zelfmoord pleegde. Dat was ook het verhaal van zijn moeder in een interview in hetzelfde AD.

fred haalde de trekker over, RHD spande de veer

Wat de RHD-mannen dwars zat was niet alleen dat de RHD-leiding keihard had gereageerd op klokkenluider Fred (waardoor ook nooit meer iemand iets zou durven melden), maar ook dat de RHD-leiding zelf bepaald niet brandschoon was en daardoor een cultuur bij de RHD had doen ontstaan van “graaien in het afval”. De mannen vertelden dat de directeur hen aan zijn jacht had laten werken, waarbij ze de uren weg moesten schrijven op vuilniswagens. Ze vertelden dat hij allerlei reparaties door RHD-monteurs had laten doen aan zijn privé auto. Ook zouden leidinggevenden de opbrengst van ouwe accu’s in hun eigen zak hebben gestoken. Een verhaal dat in de krant bevestigd werd door ene ‘Louis’, die de ouwe accu’s had opgekocht.

Aan mijn advies aan de mannen hun verhaal aan Marco Willemse te vertellen ging wat vooraf. Ik stuurde een vertrouwelijk mailbericht aan wethouder Gispen met een kopie naar de voorzitters van raadsfracties. Ik schreef Gispen wat mij was verteld en vroeg hem een en ander uit te zoeken. Per kerende mail kreeg ik een vijandige reactie terug, waaruit mij bleek dat mijn vertrouwelijk boodschap niet bepaald welkom was. Omdat ik daardoor niet de indruk had dat het college de kwestie grondig wilde laten uitzoeken adviseerde ik de mannen om met de UN-journalist Marco Willemse te gaan praten. De reactie van Gispen was als volgt:

Geachte heer Van Oosten,
Wij hebben uw bericht ontvangen. Mijn college Van Zanen en ik hebben geconstateerd dat temidden van uw voorstellen, suggesties en verdachtmakingen u een van onze ambtenaren beschuldigt van gedrag dat in strijd is met de door ons nagestreefde integriteit. Wij handelen uw klacht/verdachtmakingen af volgens de hiervoor vastgestelde procedure. Mocht uit ons onderzoek blijken dat de betrokkene zich niet laakbaar heeft gedragen, dan veronderstellen wij dat u een strafklacht wegens smaad, aantasting van eer en goede naam o.i.d tegemoet kunt zien.
T. Gispen
wethouder

Vervolgens kreeg ik de opdracht de namen te noemen van mijn informanten en met bewijzen te komen. De namen van mijn informanten weigerde ik uiteraard te noemen. Verder schreef ik terug dat de regel dat iemand alleen iets mag melden (ook als dat vertrouwelijk gebeurt) als hij ook bereid en in staat is om het waterdichte bewijs te leveren en zijn informanten te noemen slechts de bedoeling kon hebben er voor te zorgen dat niemand meer iets durft te melden. Dat het college van plan was om een strafvervolging tegen mij in te stellen omdat het liever niet door mij vertrouwelijk was geïnformeerd over wat de vier RHD-mannen mij verteld hadden, bleek ook uit uitlatingen die door Trouw werden opgetekend.

trouw-001

Na de publicatie in Trouw en het UN, stelde het college met instemming van de gemeenteraad een “licht” onderzoek voor: een risico -analyse naar de bedrijfsvoering van de RHD. De vraag of de leiding van de RHD zich nu wel of niet schuldig had gemaakt aan fraude en daardoor een cultuur van graaien in de hand had gewerkt, maakte geen deel uit van het onderzoek en mocht kennelijk niet onderzocht worden. Het onderzoek werd uitbesteed aan Ernst & Young. Een kleine groep zou het onderzoek begeleiden. Die groep bestond uit de directeur van de RHD (zelf voorwerp van onderzoek in verband met zijn stijl van leidinggeven), de directeur  van de gemeentelijke accountantsdienst, het sectorhoofd Personeel & Organisatie en de voorzitter van de Ondernemingsraad. De ondernemingsraad stapte er al snel uit omdat ze, zo staat in de Mededelingen O.R. van 13 januari 2004,  geen zin had in een figurantenrol. De uitkomst van het rapport van Ernst & Young was dat de sfeer bij de RHD slecht was door de autoritaire wijze van leidinggeven van de directeur. Met de directeur werd een vertrekregeling getroffen.

De kwestie kostte Van Zanen overigens bijna de kop. Er kwam een onderzoek uit 1988 boven drijven, waaruit bleek dat de directeur toen al een schrikbewind voerde. Leefbaar Utrecht diende bij monde van Vincent Oldenborg een motie van afkeuring in, die door GroenLinks werd gesteund. Bij de stemming staakten de stemmen, zodat Van Zanen kon blijven zitten.

Een diepgaand onderzoek naar mogelijke fraude waar de leiding van de RHD bij betrokken was vond de gemeenteraad echter niet nodig. Van de handel in inktpatronen door het uitvoerend personeel was wel aangifte gedaan, waarop een uitvoering strafrechtelijk onderzoek was gevolgd. Wat de gemeenteraad ook niet nodig vond was een onderzoek naar de omstandigheden die klokkenluider Fred ertoe had gebracht zelfmoord te plegen. Wethouder Gispen liet op een persconferentie weten dat die zelfmoord niets met de RHD-affaire te maken had en daarmee was voor de gemeenteraad de kous af.