Monthly Archives: January 2014

Groenlinks moet in de oppositie

Een partij als GroenLinks zou zich de fundamentele vraag moeten stellen: waarom zijn wij eigenlijk voor GROEI? de volgende alinea is uit het nieuwe verkiezingsprogramma geplukt.

“Utrecht is volop in ontwikkeling. De stad groeit. Dat is niet zo vreemd want Utrecht is een gewilde woon- en werkplek. GroenLinks zet zich in om de stad aantrekkelijk te houden. Tegelijk bieden we ruimte aan groei, nieuwbouw en hergebruik van panden. Helaas zit op dit moment de bouwsector in het slop”.

In 1972 verscheen het rapport van de Club van Rome “Grenzen aan de groei”. Ruim veertig jaar later bestaat GroenLinks het zich uit te spreken voor GROEi. Duurzame en organische groei, dat wel. Maar dat beweert tegenwoordig iedereen die voor economische groei is.

Waarom moet de stad Utrecht zo nodig groeien? Kunnen we niet beslissen dat er geen verdere uitbreiding meer plaatsvindt en geen verdere verdichting? Waarom moet elke vierkante meter in de stad bebouwd worden en waarom moet groen overal wijken voor steen, beton en asfalt? De werkelijke reden daarvan is dat de verkoop van bouwgrond (en erfpacht) een van de belangrijkste bronnen is van het geld dat nodig is om een topzwaar ambtelijke apparaat in stand te houden en de prestigeprojecten te financieren die door de ambtelijke bureaucratie worden bedacht. Maar dat terzijde.

GroenLinks ging in de gemeenteraad van 26 september 2013 mee met een motie om een parkeerkeervoorziening mogelijk te maken voor 50 parkeerplaatsen bij de Mereveldseweg. Een groene rustige fietsroute buiten de bebouwde kom. Horeca ondernemer Boerderij Mereveld wilde dat zo graag om bereikbaar te zijn voor steeds meer bezoekers die met de auto komen.

GroenLinks ging eind 2006 akkoord met het structuurplan stationsgebied: 205.000 m2 extra kantoren, 45.000 m2 extra winkels, 33.000 m2 extra cultuur, 70.000 m2 extra vermaak, 8.800 m2 hotels en ruim 6400 extra parkeerplaatsen. GroenLinks ging akkoord met de uitbreiding van wegen in Utrecht-west om het stationsgebied voor de auto beter bereikbaar te maken (bijvoorbeeld fly-over 24 Oktoberplein, uitbreiding Europaplein en uitbreiding Majellaknoop).

Hoe geloofwaardig ben je als groene partij als je niet tegen elke uitbreiding stemt van het aantal parkeerplaatsen in de stad en zeker in het landelijke gebied? En hoe betrouwbaar ben je als groene partij als je je niet keert tegen nog meer kantoren, nog meer winkels, nog meer asfalt en nog meer woningen ten koste van groen en ruimte?

GroenLinks heeft een probleem. GroenLinks is van oudsher een partij met een groene ideologie. Een groene ideologie die botst met een gemeentelijk beleid dat al tientallen jaren in het teken staat van expansie, ruimtelijke ontwikkeling en het faciliteren van steeds meer autoverkeer. GroenLinks zou vanuit haar idealen daar eigenlijk consequent actie tegen moeten voeren, maar binnen GroenLinks is er helaas een sterke stroming die aanstuurt op deelname aan het college.

Actievoeren tegen plannen van de gemeente én in het college zitten, dat gaat natuurlijk niet samen. In het college zitten betekent compromissen sluiten, verantwoordelijkheid nemen voor plannen en besluiten die eerder zijn vastgesteld en beleid aan het publiek uitleggen waar je als groene partij eigenlijk tegen bent of zou moeten zijn.

Een groene partij die ernaar streeft in het college te zitten trekt mensen aan die heel erg graag wethouder o.i.d. willen worden en stoot actievoerende burgers af. Daarmee gaat samen dat er een kloof groeit tussen de aanvankelijke idealen en het beleid waar de partij verantwoordelijkheid voor draagt. GroenLinks is na 8 jaar (met een korte onderbreking) in het college gezeten te hebben als groene partij totaal ongeloofwaardig geworden.

GroenLinks moet nu aan het publiek verkopen dat het groen is, terwijl het 8 jaar lang volop heeft meegewerkt aan de realisering van plannen die alles behalve groen zijn. En dat leidt dan tot verhalen over “duurzame” en “organische” groei, waarmee groei wordt recht gepraat waar de Club van Rome in 1972 al tegen waarschuwde. Vrome en broodje aap verhalen die moeten verhullen dat GroenLinks door in het college te willen zitten niets bereikt heeft en niets zal bereiken van waar GroenLinks voor staat.

Voor de groene idealen waar GroenLinks voor staat valt het te hopen dat GroenLinks niet in het college terugkeert, maar in de oppositie terecht komt. Kiezers die om GroenLinks geven zouden alleen op GroenLinks moeten stemmen als GroenLinks belooft niet in het college te zullen zitten en weer actie te zullen voeren.

 

 

 

 

Op mailberichten en publicaties over de berekening van de luchtverontreiniging in Utrecht, die ik namens de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht sinds 2005 naar het college en de gemeenteraad stuur heb ik, voorzover ik kan nagaan, nooit een inhoudelijk reactie gehad. Hooguit een enkele keer misschien iets in de trant van: “wij hebben uw bericht ontvangen” of “uw bericht is aan het college in handen gesteld ter afdoening”. Maar meestal wordt er in het geheel niet gereageerd, althans niet door partijen die in het college zitten. Politieke discussies over luchtverontreiniging blijven altijd heel erg aan de oppervlakte. Dan gaat het over de goede bedoelingen van partijen (vooral in verkiezingstijd), maar niet over de feiten en zeker niet over de luchtkwaliteitsberekeningen van de gemeente. Dat ligt niet aan het onderwerp, want ook op mailberichten over onjuiste criminaliteitsstatistieken (die altijd uitwijzen dat de stad steeds veiliger wordt), over gebrekkige berekeningen over de CO2-uitstoot in Utrecht of over problemen die burgers hebben door willekeurige en ondoordachte besluiten van de gemeente wordt doorgaans niet door raadsleden of wethouders) gereageerd. Vandaar de vraag: waarom gaan collegepartijen, i.c. PvdA, GroenLInks en D66, de discussie uit de weg als het aankomt op feiten, cijfers en berekeningen?

In 2007 publiceerde ik een boekje met de provocerende titel “Domheid, hebzucht, onverschilligheid. Gemeentepolitiek in Utrecht”. Een boekje waarin met name de PvdA en GroenLinks er slecht van afkwamen. Het ging onder andere over de sloop van 10.000 sociale huurwoningen in Utrecht waar ze zonder morren aan meewerken, over criminaliteitsbeleid wat ze helemaal aan de burgemeester over laten en alleen bestaat uit hard optreden, over luchtverontreiniging waar ze niets tegen doen, over allochtonen die ze in de steek laten en over de vriendjespolitiek van de gemeente met de Jaarbeurs en Hoog Catharijne waar ze ook niets tegen doen.

Als oud ex-lid van de PvdA, sympathisant van Pronk en voormalig affiche plakker voor de PSP neem ik vooral partijen de maat die zich als links, groen of progressief presenteren. Grote socialisten als Den Uyl, pacifisten van het eerste uur als Van der Spek en Van der Lek en Van Mierlo, oprichter van D66, moeten zich wel in hun graf omdraaien als ze zien hoe hun idealen verkwanseld worden door de baantjesjagers die zich van de macht in hun partijen meester maken.

Ik had me een tijd lang niet met politiek bemoeid en was daarom nog zo naïef te verwachten met het boekje een politiek debat in Utrecht los te maken. Ik had er duidelijk geen rekening mee gehouden dat raadsleden en politici die tegenwoordig voor links, groen en progressief moeten doorgaan van een totaal ander kaliber zijn als hun voorgangers uit de jaren 60 en 70 die nog echt voor volle zalen moesten debatteren om vriend en vijand te overtuigen, die nog heel goed wisten waar ze het over hadden en het zonder facebook, twitter, reclamemakers en propagandamedewerkers moesten doen. Op het provocerende boekje kwam uit de hoek van GroenLinks en de PvdA geen enkele reactie. Ook op kritische notities die ik naderhand schreef kwam geen enkele reactie.

Meer voorbeelden van discussiemijding
Toen ik Rinda den Besten uitnodigde voor een debat vond ze dat “enig”, maar ze had helaas geen tijd. Froukje van Iperen, die haar als fractievoorzitter opvolgde liet eerlijk weten niets voor zo’n debat te voelen. Gilbert Isabella reageerde niet eens op mijn uitnodiging. Een stevig ouderwets debat, daar waren ze dus niet toe bereid. Marry Mos was niet zo laf, die ging het debat niet uit de weg en kwam uitleggen waarom GroenLinks vóór de verkiezingen van 2006 tegen de fly-over 24 Oktoberplein was en er tijdens de college onderhandelingen mee instemde: een kwestie van geven en nemen. Wat GroenLinks terugkreeg kan ik me niet herinneren. Sinds dat ene debat met Marry Mos gaat GroenLinks elke discussie met mij uit de weg. Voordat GroenLinks in het college zat (vóór april 2006) bestond er nog wel contact, maar sinds GroenLinks collegepartij is, reageert GroenLinks zelfs niet meer op mailtjes van mij of de SSLU aan raadsleden@utrecht.nl. Reacties in de trant van Ik heb kennis genomen van je standpunt, maar ik was niet van plan om er op in te gaan (Steven de Vries, 26-12-2013) daargelaten.

“Schoonrekenen in Utrecht”
Eind 2011 stuurde de SSLU een rapport naar de raadsleden waarin precies werd uitgelegd op wat voor manier de lucht in Utrecht wordt schoon gerekend. De gemeente had jaren lang beweerd dat in 2010 zeker aan de NO2-norm zou worden voldaan, inmiddels (2011) was echter duidelijk geworden dat de lucht langs drukke wegen in Utrecht nog net zo smerig was als in 1999 toen de Europese Richtlijn werd vastgesteld. Bovendien had de gemeente een groot aantal procedures over luchtkwaliteit verloren. Er was dus alle aanleiding om het rapport van de SSLU serieus te nemen. Op het rapport reageerde wethouder Lintmeijer niet en ook de fractiespecialisten van GroenLinks (Peter van Corler), PvdA (Bert vd Roest/Gerry Nalis) en D66 (Bram Fokke) reageerden er niet op.

Peter van Corler verdedigde zich met het argument: “als de SSLU het niet eens is met de berekeningen van de afdeling Milieu, wat kan ik als raadslid dan anders doen dan achter de afdeling Milieu gaan staan?” Dat een raadslid in de gemeenteraad zit om te controleren en zich dus in de (simpele) berekeningen van de afdeling Milieu moet verdiepen, is kennelijk nooit bij Peter van Corler opgekomen. Hij doet het namelijk nog steeds niet. Michel van Eggermont (SP) heeft laten zien dat een raadslid die daar de moeite voor neemt daar heel goed toe in staat is.

“Gebakken lucht, tien jaar luchtkwaliteitsbeleid in Nederland”
In februari 2012 publiceerde ik het zwartboek “Gebakken lucht, tien jaar luchtkwaliteitsbeleid in Nederland”. Ook in dat boek werd het “schoonrekenen” van de gemeente uit de doeken gedaan, maar werd bovendien aangetoond dat de gemeente sinds de vaststelling van de Europese Richtlijn in 1999 eigenlijk helemaal niets gedaan had om de luchtverontreiniging terug te dringen en dat daardoor mogelijk nog steeds elk jaar in Utrecht honderden mensen vroegtijdig overlijden. Wethouder Lintmeijer nam het eerste exemplaar in ontvangst, maar heeft nooit op de kritische inhoud gereageerd. Ook de fractiespecialisten van GroenLinks, PvdA en D66 hebben er totaal niet op gereageerd. Dat er mogelijk elk jaar honderden mensen in Utrecht vroegtijdig overlijden en een veelvoud daarvan ziek wordt door luchtverontreiniging is voor onze groene, linkse en progressieve raadsleden kennelijk niet iets waar je je als raadslid druk over moet maken.

Het verhaal begint eentonig te worden. Eind 2012 maakte de SSLU bekend naar het gerechtshof in Den Haag te stappen met het verzoek het OM op te dragen de gemeente Utrecht (het college, de gemeenteraad en ambtelijke deskundigen) strafrechtelijk te vervolgen omdat de gemeente zich niet aan de sinds 2005 geldende fijnstofnorm houdt en de lucht schoon rekent (‘valsheid in geschrifte’) en daarom, naar het oordeel van de SSLU, geacht moet worden strafrechtelijke aansprakelijk te zijn voor de slechte gezondheid en vroegtijdige dood van honderden Utrechters langs drukke verkeerswegen. Het verzoek zou in februari 2013 mede namens 86 Utrechters ingediend worden.

“Klaagschrift voor gerechtshof”
Voor het verzoek aan het gerechtshof was een lijvig ‘klaagschrift’ opgesteld, voorzien van vijf omvangrijke bijlagen (o.a. de bijlage “Honderden doden in Utrecht door fijnstof“. Dat werd o.a. naar de wethouders, de burgemeester (Wolfsen) en de raadsleden gestuurd. Luttele minuten later liet Bram Fokke (D66) per mail weten de verwijten in het klaagschrift met klem naar zich neer te leggen. Kennelijk hoefde hij het klaagschrift en de bijlagen (bij elkaar ruim 100 bladzijden), niet eerst te lezen. Van de meest verantwoordelijk wethouders (Lintmeijer en Everhardt) werd helemaal niets vernomen, noch van de overige coalitie raadsleden. Ook niet naderhand.

Het overzicht zou niet volledig zijn zonder de tientallen mailtjes te noemen die ik namens de SSLU vanaf haar oprichting in maart 2005 naar raadsleden@utrecht.nl stuurde om te wijzen op de vele onjuistheden in luchtkwaliteitsberekeningen die door de afdeling Milieu werden gemaakt om ruimtelijke plannen te onderbouwen (fly-over 24 Oktoberplein, reconstructie Majellaknoop, reconstructie Europaplein, tijdelijk muziekcentrum, e.d.). Ook het feit dat de SSLU regelmatig door de bestuursrechter in het gelijk werd gesteld was voor raadsleden (afgezien van de SP, die in 2009 het rapport “Stop het schoonrekenen” schreef) geen reden om op de mailtjes te reageren die ik namens de SSLU schreef. Wolfsen liet in een interview met Jos van Sambeek begin 2009 weten dat hij al die mailtjes ongelezen weggooide. Dat zal bij de meeste raadsleden ook wel het geval zijn geweest, want gereageerd werd er zelden of nooit.

Politici kunnen niet toegeven dat kritiek terecht is
Het simpele feit dat inmiddels vaststaat dat zelfs in 2015 nog niet aan de NO2-norm wordt voldaan en dat zelfs in 2012 niet aan de fijnstofnorm werd voldaan zou voldoende reden moeten zijn voor collegeleden en raadsleden om zich heel erg schuldig te voelen. Aan de fijnstofnorm moest aanvankelijk in 2005 al worden voldaan, aan de NO2-norm in 2010. Omdat ook de gemeente Utrecht niets gedaan had om die normen tijdig te halen en de ernst van de luchtverontreiniging door geflatteerde berekeningen verdoezeld werd, moest er aan de EU uitstel gevraagd worden. Voor fijnstof werd uitstel gekregen tot juni 2011, voor NO2 tot 1 januari 2015. Maar ook na de uitsteltermijn werd (fijnstof) en wordt (NO2) dus in Utrecht nog steeds niet aan de normen voldaan.

Kortom, het college en de gemeenteraad (zowel de vorige als de huidige) zijn dus ernstig in gebreke gebleven. Zij zijn immers uiteindelijk formeel verantwoordelijk voor de geflatteerde en onjuiste berekeningen en zij zijn formeel verantwoordelijk voor het feit dat inmiddels al 15 jaar geen serieus beleid gevoerd wordt om de luchtverontreiniging in Utrecht terug te dringen. En zij zouden het zichzelf dus ook kwalijk moeten nemen dat ze nooit iets gedaan hebben met de kritiek waarmee de SSLU en naderhand ook het Wijk C komitee e.a. de gemeente al jaren, kennelijk volkomen terecht, bestookt. Maar, zoals dat gaat in de politiek, toegeven dat je in gebreke bent gebleven is er niet bij. In de politiek gaat men altijd op de ingeslagen weg voort, hoe schadelijk en uitzichtloos die weg ook is. Terugkomen op een eenmaal ingenomen standpunt en erkennen dat je nalatig bent geweest kan in de politiek nu eenmaal niet. Anders dreigt er gezichtsverlies en dat is niet goed voor de partij en alles wat daarmee samenhangt.

Verkapte juridische actie van de overheid
Zoals ik elders heb beschreven (Wolfsen en de gerechtelijke stappen tegen Van Oosten)  besloot het college in april 2008 gerechtelijke stappen tegen mij te nemen. Kritiek moet kunnen, maar het moet niet te dol worden. Nadat de gemeente een tiental procedures bij de bestuursrechter verloren had en de dienst stadsontwikkeling haar plannen ernstig zag gedwarsboomd, besloot het college dat de tijd was aangebroken om gerechtelijke stappen tegen mij te ondernemen. Omdat die gerechtelijke stappen kansloos zouden zijn als de gemeente die zelf zou ondernemen (kritiek op de overheid is in een democratie een grondrecht) besloot het college dat het beter was die stappen niet zelf te nemen, maar dat door een drietal luchtkwaliteitsdeskundigen te laten doen waar ik inderdaad zeer kritisch over had geschreven (zoals ik dat ook gedaan had over de wethouder, het college en de gemeenteraad). Die medewerkers zouden zich dan in de hoedanigheid van individuele burgers bij de rechtbank moeten beklagen. De gemeente zou de juridische actie financieren, maar mocht er zelf onder geen beding aan meedoen, want dan zou het er toch op lijken dat het een actie van de overheid was tegen een lastige rechtshulpverlener. Kortom, het was een verkapte actie van de overheid, naar inmiddels is gebleken, voorbereid door juristen van Juridische Zaken en de Bestuursdienst van het college. De gerechtelijke stappen hebben de gemeente inmiddels ruim 110.000 euro gekost aan advocaatkosten. Dat de juridische actie door de gemeente wordt gefinancierd heeft de uitdrukkelijke instemming van de PvdA, GroenLinks en D66. Op 4 april 2013 weigerde een raadsmeerderheid, waaronder PvdA, GroenLinks en D66 de financiering van de juridische actie ter discussie te stellen.

Of mijn kritiek op de luchtkwaliteitsdeskundigen terecht was of niet (of zij de lucht inderdaad, zoals ik beweerde, schoonrekenden en of dat inderdaad zeer ernstige gevolgen had voor de gezondheid van de Utrechters die langs drukke wegen wonen), was, zo is inmiddels uit de beantwoording van Wob-verzoeken gebleken, in het geheel geen punt van overweging bij het besluit gerechtelijke stappen te nemen. Het kwam het college kennelijk  beter uit geen onderzoek te doen naar de gegrondheid van mijn kritiek op de berekeningen van de deskundigen alvorens te beslissen dat er gerechtelijke stappen tegen mij moesten worden ondernomen en de juridische actie van de drie medewerkers te financieren.

Kritiek moet kennelijk ontmoedigd worden
Om een lang verhaal kort te maken: kritiek op zoiets als luchtkwaliteitsberekeningen *, daar gaan groene, linkse en progressieve partijen (althans in Utrecht) dus niet op in. Ook niet als de gemeente een tiental procedures over luchtkwaliteit verloren heeft. En ook niet als die luchtkwaliteitsberekeningen heel erg belangrijk zijn voor de gezondheid van de Utrechtse bevolking. Aanhoudende kritiek is irritant en lastig. Vooral het feit dat die kritiek ook nog eens terecht blijkt te zijn (zie de vele verloren procedures bij de bestuursrechter, zie het feit dat er nog steeds niet aan de normen wordt voldaan) is onze groene, linkse en progressieve wethouders en raadsleden een doorn in het oog. Dat wijst er namelijk op dat ze hun werk als wethouder en als controlerend raadslid niet goed gedaan hebben. En bovendien wordt de ruimtelijke ontwikkeling, zoals de luchtcoördinator van de gemeente destijds verzuchtte, door al die kritiek “hevig in de vertraging” gebracht.

In de opvatting van PvdA, GroenLinks en D66 (althans in Utrecht) is kritiek kennelijk iets waar je zo min mogelijk op in moet gaan en wat moet ontmoedigd worden door die door de rechtbank te laten rectificeren. Niet in een geding natuurlijk dat door het college en de gemeenteraad wordt aangespannen, want dat hoort niet in een democratie. Nee, de procedures bij de rechtbank en het gerechtshof, die mochten de drie medewerkers van de gemeente opknappen. Die moesten zich als individuele burgers bij de rechtbank beklagen. De gemeente zou net doen alsof ze daar helemaal buiten stond en staat. En, zoals de raadsleden inmiddels heel goed weten, wordt in de vervolgprocedure feitelijk geëist dat ik mij in het geheel niet meer mag uitlaten over het luchtkwaliteitsbeleid van de gemeente, wat neerkomt op niets minder dan een heus Berufsverbot. De procedure wordt door de gemeente gefinancierd. Zoals nog recentelijk bleek (4 april 2013), met instemming van GroenLinks, de PvdA en D66.

Waarom controleert het gemeentebestuur niet?
In het voorgaande heb ik betoogd dat de politiek niet op kritiek ingaat, discussie uit de weg gaat en de kritiek probeert te ontmoedigen omdat ze er niet op gewezen wil worden dat de politiek in gebreke is gebleven (de ambtelijke dienst zijn gang heeft laten gaan). De vraag die nu rijst is: hoe en waarom is het gemeentebestuur in gebreke gebleven? Meer concreet: waarom controleerde (en controleert) het gemeentebestuur de luchtrapportages en berekeningen niet en waarom neemt het de kritiek daarop niet in overweging? Wat is daar nu eigenlijk zo moeilijk aan?

Luchtkwaliteitsberekening
Voor de berekening van concentraties fijnstof en stikstofdioxide wordt een rekenmodel gebruikt dat eenvoudig viel te downloaden op de site www.infomil.nl. Het zgn. CAR II model. CAR staat voor Calculation of Air pollution from Road traffic. Tegenwoordig is het alleen in web-based versie te gebruiken. Het rekenmodel wordt elk jaar aangepast, zodat het werkt met de meest recente gegevens over de uitstoot van auto’s, vrachtwagens en bussen. Om de jaargemiddelde concentraties fijnstof en stikstofdioxide te berekenen moet voor elk wegvak apart (een wegvak is pakweg 100 meter) een aantal verkeersgegevens ingevoerd worden: de etmaalintensiteit, het percentage zware en middelzware vrachtwagens, het aantal bussen, de gemiddelde snelheid en de mate van stagnatie. En verder moet ingevoerd worden: het wegtype (smal of breed, hoge of lage bebouwing, bebouwing aan één of aan beide zijden), de bomenfactor (geen, weinig of veel bomen) en de X- en Y- coördinaten. Het rekenmodel berekent op basis van die invoer de concentraties in het heden en in een aantal toekomstige jaren. Het model is zo simpel, dat kinderen van een jaar of tien er mee om kunnen gaan. Voor wethouders en raadsleden moet dat dus geen probleem zijn.

Het controleren van berekeningen
Berekeningen worden elk jaar voor alle wegen en wegvakken uitgevoerd waar mogelijk een overschrijding van de norm zou kunnen plaatsvinden. Van die berekeningen wordt verslag gedaan in jaarrapportages. Berekeningen worden ook uitgevoerd voor bouwplannen e.d. die eventueel negatieve gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit doordat ze tot extra verkeer leiden. Van zulke berekening wordt verslag gedaan in luchtrapportages (luchtrapportage fly-over 24 Oktoberplein, luchtrapportage Majellaknoop, e.d.). De rapportages die door de gemeente Utrecht worden verzorgd hebben altijd een bijlage waarin voor elk wegvak de gebruikte invoergegevens worden vermeld. Dat maakt het heel eenvoudig om rapportages met elkaar te vergelijken. En als je dat doet ontdek je al gauw dat er met die invoergegevens iets niet klopt. De rapportages geven namelijk “niet wenselijke verschillen” te zien (Kema rapport 2009, p. 21). Ik geef wat illustraties.

– Voor de jaarrapportage 2003 werd bijvoorbeeld voor de M.L. KInglaan “stagnerend verkeer” ingevoerd, in de jaarrapportage 2006 “doorstromend verkeer”. Dat scheelt in de berekening aanzienlijk.
– Voor de jaarrapportage 2003 werd voor de Europalaan gerekend met 4% zwaar verkeer, voor de rapportage 2010 nog maar met 1%, terwijl het vrachtverkeer van en naar het stationsgebied juist toeneemt. Of je 4% of 1% invoert scheelt ook aanzienlijk.
– Voor de jaarrapportage 2003 werd voor de M.L. Kinglaan gerekend met 46.000 mtv.etmaal. Terwijl Utrecht een snel groeiende gemeente is (i.v.m. Leidsche Rijn) was de intensiteit op de M.L. Kinglaan volgens de jaarrapportage 2006 nog maar 35.000 mvt/etmaal. Ook dat scheelt in de berekening flink.

Uit de volgende tabel blijkt dat het creatieve rekenwerk niet alleen in het recente verleden (2006 en 2008) heeft plaatsgevonden, maar dat daarvan nog steeds sprake is. Om in 2015 aan de normen voor NO2 te kunnen voldoen (althans op papier) zijn de intensiteiten na 2008 opnieuw naar beneden gerekend.

Intensiteiten berekend voor 2015
Kortom: als je de rapportages goed met elkaar vergelijkt zie je dat de invoergegevens, naarmate het jaar waarin aan de norm moet worden voldaan dichterbij komt, steeds meer naar beneden worden bijgesteld: minder stagnatie, minder zwaar verkeer, lagere intensiteiten. Dat valt door wethouders en raadsleden eenvoudig te controleren. Maar hoewel de SSLU daar al vaak op gewezen heeft deden en doen ze dus niet. Als je ze op “onwenselijke verschillen” (Kema rapport 2009, p. 21) wijst, wordt daar niet op gereageerd. Laat staan dat de vraag gesteld wordt hoe en door wie die intensiteiten, stagnaties en percentages zwaar verkeer voor elk wegvak op hun beurt vastgesteld worden en of dat niet beter zou kunnen gebeuren door onafhankelijke onderzoekers in plaats van medewerkers die betrokken zijn bij de voorbereiding van plannen en besluiten.

De keuze van de politiek voor niet-weten
Wat weerhoudt wethouders en raadsleden ervan om luchtrapportages en -berekeningen te controleren en in te gaan op kritiek op die berekeningen, terwijl het toch om hele simpele berekeningen gaat? Waarom vraagt raadslid Peter van Corler (GroenLinks) geïrriteerd of we ooit loskomen van de discussie over het berekenen van luchtkwaliteit (30-9-2012), terwijl die discussie nooit gevoerd is, althans niet door hem of andere raadsleden en wethouders van GroenLinks, PvdA en D66? Ook niet nadat de gemeente ettelijke procedures over luchtkwaliteit verloren had en Kema een zeer kritisch rapport schreef: “Extern onderzoek werkprocessen luchtkwaliteit Utrecht” (2009). Het antwoord is: de politiek wil helemaal niet weten dat en wat er aan die berekeningen schort. De politiek wil horen dat de beslissingen die zij hebben genomen (of willen nemen) door deskundig onderzoek werden ondersteund.

De gemeenteraad is in de loop van jaren in grote meerderheid akkoord gegaan met een aantal beslissingen (plannen) die de luchtkwaliteit hebben verslechterd en er bovendien toe geleid hebben dat niet tijdig aan de normen voor fijnstof en NO2 kon worden voldaan. Ook zijn ze akkoord gegaan met het Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht 2006-2012 en de daarop volgende actieplannen (2008, 2009) die alles behalve effectief zijn gebleken. Het waren actieplannen die tegelijk het belang van de luchtkwaliteit én de autobereikbaarheid én de ruimtelijke ontwikkeling heetten te behartigen, maar in feite bedoeld waren om juist niet de noodzakelijke maatregelen voor betere lucht te hoeven nemen (namelijk gericht op beperking autoverkeer). Plannen die de suggestie moesten wekken dat de negatieve gevolgen van autobereikbaarheids- en ruimtelijke plannen ruimschoots zouden worden gecompenseerd door maatregelen voor schone lucht en daardoor aan de eisen van de regelgeving zouden voldoen. Het betreft hier vooral het Structuurplan Stationsgebied dat eind 2006 werd vastgesteld (inclusief Investeringsplan Autobereikbaarheid Stationsgebied Utrecht), waarvan inmiddels ook door de gemeente (“Regio in beweging”, 2012) wordt erkend dat het leidt en heeft geleid tot een “extreme” groei van het autoverkeer van en naar het stationsgebied (een verdubbeling van de intensiteit tussen 2010 en 2020).

Wie de Actieplannen 2006-2012 en de daarop volgende actieplannen bestudeert wordt al snel bevangen door grote twijfel. De effecten van autobereikbaarheid- en ruimtelijke plannen voor de luchtkwaliteit worden niet gekwantificeerd en hetzelfde geldt voor de effecten van compenserende maatregelen. Dat het effect van maatregelen ruimschoots voldoende is om de autobereikbaarheids- en ruimtelijke ambities van de gemeente te compenseren wordt in de actieplannen in het geheel niet aangetoond. Een beetje raadslid zou vragen om de onderliggende berekeningen. Hetzelfde geldt voor de verantwoordelijke wethouder. Maar dat deden ze niet. Het zijn kritische burgers die die berekeningen met een Wob-verzoek wel opvragen en zich erin verdiepen. Wethouders en raadsleden geven er de voorkeur aan niets van die onderliggende berekeningen te weten. Dat stelt hun in staat de beslissingen te nemen die ze geacht worden te nemen en de verantwoordelijkheid voor de gevolgen af te schuiven op de deskundigen die de berekeningen hebben opgesteld.

In de greep van de vierde macht
Ik schreef “het stelt hun in staat de beslissingen te nemen die ze geacht worden te nemen”. Willen ze die beslissingen dan niet uit zichzelf nemen? De beslissingen die een wethouder, college of gemeenteraad neemt liggen voor 90% vast voordat ze er aan te pas komen. Er zijn jaren van ambtelijke voorbereiding aan vooraf gegaan. Verreweg de meeste ruimtelijke en verkeersplannen worden door de ambtelijke dienst geïnitieerd. De politiek (laat staan de bevolking) heeft niet gevraagd om het herstel van de singel, om de herstructurering van het stationsgebied, de fly-over bij het 24 Oktoberplein, om een nieuwe muziekpaleis en om een nieuwe bibliotheek. Al die initiatieven komen bij de ambtelijke dienst vandaan, al of niet ingefluisterd door projectontwikkelaars en bouwend Nederland.

Elke vier jaar springen er weer wethouders en raadsleden op een rijdende trein. Die worden snel van de agenda (“de staat van de stad”) en de dienstregeling op de hoogte gebracht en hebben dan nauwelijks de ruimte om iets anders te beslissen dan de plannen en besluiten die door de ambtelijke dienst zijn voorgekookt. En voordat ze het weten hebben ze een groot aantal plannen vastgesteld waarvan ze de gevolgen niet hebben kunnen overzien. Maar doordat ze die hebben vastgesteld zijn ze er formeel voor verantwoordelijk, worden ze er door het publiek op aangesproken, gaan ze die uitleggen en verdedigen en gaan ze er ook achter staan. In veel gevallen ook als ze er, toen ze nog niet in de raad zaten, kritisch tegenover stonden. Het excuus is dan dat ze, sinds ze raadslid zijn, over meer informatie beschikken en er daardoor toch anders tegenaan zijn gaan kijken. Of dat je in de politiek nu eenmaal compromissen moet sluiten. Zie de prijs die GroenLinks in 2006 betaalde om aan het college mee te mogen doen: accepteren van de fly-over 24 Oktoberplein. Dat de politiek het beleid bepaalt is nauwelijks het geval: de ambtelijke dienst bepaalt 90% van het beleid en de politiek laat zich met de verantwoordelijkheid daarvoor opzadelen en gaat er achter staan.

Onwenselijke loyaliteiten
Wat er belangrijk aan bijdraagt dat raadsleden en wethouders verantwoordelijkheid nemen voor het beleid dat door de ambtelijke dienst is ontwikkeld, is dat zij zich in allerlei opzichten onder druk laten zetten om loyaal te zijn. Volgens de grondwet en de gemeentewet stemmen volksvertegenwoordigers zonder last of ruggespraak. Dat betekent dat zij naar eigen inzicht en overtuiging moeten oordelen. In de politieke praktijk is daar echter geen sprake van.

In politieke partijen die al wat langer in de macht delen en in het college zitten zijn lokale ambtenaren relatief sterk vertegenwoordigd. Vooral bij de PvdA en GroenLinks, maar ook steeds meer bij D66 is dat het geval. Dat komt namelijk hun loopbaan ten goede: je maakt meer kans op promotie als je lid bent van de partij van één van de coalitiepartijen. Het gevolg is dat het standpunt van de fracties van die partijen sterk wordt beïnvloed door opvattingen in de ambtelijke dienst, dat wil zeggen van partijgenoten in de ambtelijke dienst. Het gevolg is ook dat raadsleden zich minder kritisch en controlerend opstellen tegenover beleidsvoorstellen en onderzoeken die door de ambtelijke dienst worden geproduceerd en het voor ambtelijke diensten opnemen als die het voorwerp zijn van publieke kritiek. Dat van GroenLinks raadsleden nooit een kritisch geluid wordt vernomen over de luchtkwaliteitsberekeningen van de afdeling Milieu kan ongetwijfeld worden verklaard door de relatief grote aanhang van GroenLinks onder medewerkers van die afdeling. Vandaar Peter van Corler: “als de SSLU het niet eens is met de berekeningen van de afdeling Milieu, wat kan ik als raadslid dan anders doen dan achter de afdeling Milieu gaan staan?” Met het eigen inzicht van GroenLinks raadslid Peter van Corler heeft dat niets te maken, hij wil afdeling Milieu niet afvallen. De loyaliteit die hij betracht met de afdeling Milieu weerhoudt hem ervan de luchtrapportages kritisch te controleren die door die afdeling worden geproduceerd en en weerhoudt hem er van kritiek op die rapportages ook maar in overweging te nemen.

Loyaliteit speelt raadsleden ook parten als zij een standpunt zouden willen innemen dat tegen de partijlijn ingaat. Een raadslid als Bos (CDA), die recentelijk tegen het plan stemde voor een nieuwe bibliotheek op het Smakkelaarsveld en daarbij tegen het standpunt van de fractie inging, handelde in strijd met de politieke mores, maar geheel in overeenstemming met de grondwet en de gemeentewet. De politieke praktijk is dat raadsleden door hun fracties onder druk worden gezet de partijlijn te volgen en het belang van de partij te stellen boven hun eigen inzicht en overtuiging. Het wordt hun door fractie en partij kwalijk genomen als zij zich al te kritisch opstellen tegenover “hun” wethouder en “hun college”. Het wordt als niet-loyaal beschouwd als zij zich openlijk distantiëren van besluiten die politiek verwante raadsleden in een vorige raadsperiode hebben gesteund, zeker als die raadsleden nog steeds in de raad zitten.

Wie niet naar eigen inzicht en overtuiging handelt, maar zich in plaats daarvan laat leiden door overwegingen van loyaliteit (het standpunt van de fractie volgen, het voor de eigen wethouder opnemen, de afdeling Milieu niet afvallen) kiest er voor niet te beslissen op grond principes, kennis en redelijke overwegingen. Wordt een fractie of raadslid op die beslissingen en op de gevolgen van die beslissingen aangesproken dan zal men dus ook niet in staat en bereid zijn om die beslissingen redelijk te verantwoorden. Men zal zijn toevlucht nemen tot argumenten als “wij mochten toch zeker wel op de deskundigheid van onze ambtenaren vertrouwen?”, “er is naar gekeken door onafhankelijke adviesbureaus als Oranjewoud en DHV en die verzekerden ons dat de berekeningen correct werden uitgevoerd”. Het kennisnemen van de kritiek op de luchtrapportages en berekeningen, laat staan het aangaan van een discussie daarover, zal men inschatten als een veel te riskante onderneming: de kans zit er immers ruim in dat men moet inzien en erkennen verkeerde beslissingen te hebben genomen. Mogelijk zelfs beslissingen waardoor Utrechters die langs drukke wegen voortijdig zijn overleden. En dus is het veiliger om de feiten en de cijfertjes niet onder ogen te zien en niet te weten hoe die worden berekend en discussies daarover uit de weg te gaan.

“Dwarsliggers en zeurpieten”
Hoe verantwoorden politiek verantwoordelijke bestuurders en raadsleden hun irrationele handelen? Hoe leggen zij het publiek uit dat ze kritiek op berekeningen en luchtrapportages stelselmatig uit de weg gaan en hoe verantwoorden zij dat tegenover zichzelf? Als je weet dat er volgens het RIVM (2005) en de GG&GD Utrecht (2008) elk jaar honderden Utrechters vroegtijdig overlijden door luchtverontreiniging, en als je weet dat de gemeente eigenlijk in 2005 al aan de fijnstofnorm en in 2010 aan de NO2-norm had moeten voldoen, en als je ook weet dat de bestuursrechter meerdere plannen en besluiten van de gemeente heeft afgekeurd omdat hij twijfelde aan de betrouwbaarheid van die berekeningen, en als je dan niettemin de moeite niet neemt of genomen hebt om die berekeningen zorgvuldig te controleren, terwijl je notabene als bestuurder of raadslid de verantwoordelijkheid draagt voor die berekeningen en de daarop gebaseerde besluiten, hoe speel je het dan klaar om aan kritische rapporten voorbij te gaan (“Schoonrekenen in Utrecht“, “Honderden doden door fijnstof in Utrecht“, “Klaagschrift voor gerechtshof“), om discussies daarover uit de weg te gaan en zelfs akkoord te gaan met de financiering van een juridische actie die er op gericht is kritiek op gemeentelijke rapporten over luchtverontreiniging onmogelijk te maken? Hoe kan een wethouder, burgemeester of raadslid dat tegenover het publiek, maar ook tegenover  zichzelf verantwoorden?

Dat blijkt geen probleem. Actiegroepen en kritische burgers worden gewoon weggezet als dwarsliggers en zeurpieten, die de gemeente veel werk bezorgen, de ruimtelijke ontwikkeling belemmeren en de gemeenschap handen vol geld kosten. Actiegroepen en activisten die de weg naar de bestuursrechter weten te vinden, regelmatig in het gelijk worden gesteld en maar doorgaan met hun kritiek, roepen bij bestuurders en raadsleden het ongemakkelijke gevoel op dat ze hun plicht verzaken. Dat ongemakkelijke gevoel wekt antipathie op tegen de persoon/personen die de kritiek uiten en naar de rechter stappen. En die antipathie fungeert als een rechtvaardiging om zich van de inhoud van de kritiek af te maken: “die persoon is een lastpost en een zeurpiet, hij is er alleen maar op uit de gemeente dwars te zitten, wat hij zegt en schrijft, daar hoef ik dus geen kennis van te nemen”. Die rechtvaardiging wordt niet alleen aangegrepen als zelfrechtvaardiging maar ook om zich tegenover het publiek te rechtvaardigen en vooral ook om te voorkomen dat het publiek de kritiek serieus neemt. Het is dus heel simpel: als het slechte nieuws een ongemakkelijk gevoel losmaakt, ook als het ernstig, dan is het voldoende om van de boodschapper een dwarsligger en zeurpiet te maken, dan hoef je er verder geen aandacht aan te schenken.

 

* Hetzelfde geldt overigens ook voor kritiek op de berekeningen die gemaakt zijn in het kader van het CO2-beleid van milieuwethouder Mirjam de Rijk. Ook daar doen de coalitie partijen liever het zwijgen toe.

 

 

Benadeling door de overheid

Er is een tijd geweest dat de overheid zorgvuldig de voor- en nadelen tegen elkaar afwoog van beslissingen: ik bedoel de voor- en nadelen voor de burger. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat nog steeds: het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af. Het moet daartoe kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen vergaren. Staat een paar regels hoger.

Ik kan mij eigenlijk geen plan of besluit voor de geest halen, waarin de nadelen voor bepaalde bewoners of ondernemers ook maar enigszins in kaart waren gebracht, laat staan dat daar rekening mee werd gehouden. In de praktijk wordt het aan de bewoners en ondernemers over gelaten om voor hun belangen op te komen, daar maakt de gemeente zich niet druk om. Althans niet de gemeente Utrecht.

De praktijk is dat er een plan wordt gemaakt naar het inzicht van gemeentelijke plannenmakers, waarin hooguit rekening wordt gehouden met de belangen van enkele invloedrijke ondernemingen (Corio, Jaarbeurs, Casino, Rabo). Bewoners en gewone ondernemers worden er pas bij betrokken als het ontwerp ter visie wordt gelegd. Dan mogen zij hun zienswijze kenbaar maken. En die zienswijzen worden als regel afgedaan met het argument dat bij afweging van belangen het algemeen belang prevaleert. Hoe die afweging heeft plaatsgevonden staat er dan nooit bij.

Juist omdat de overheid er voor iedereen heet te zijn en omdat het nota bene met zoveel woorden in de Awb staat zou je verwachten dat de gemeente zich bij het voorbereiden van een plan rekenschap geeft van alle mogelijke nadelige gevolgen die dat plan kan hebben voor bewoners en ondernemers die daar wonen of gevestigd zijn waar die plannen worden uitgevoerd. Maar zo gaat het dus niet.

Tijdens de behandeling van het voorstel om een milieuzone in te voeren voor personen-wagens en bestelwagens stelde de VVD voor een maatschappelijke kost- en baatanalyse uit te laten voeren. De gemeente had namelijk alleen uitgerekend wat de invoering de gemeente zou kosten, maar niet wat het de burgerij en de ondernemers zou kosten als die hun verouderde auto naar de sloop moesten brengen en een nieuwe moesten kopen. Het antwoord van wethouder Lintmeijer (GroenLinks) was dat er genoeg onderzoek was gedaan en dat hij daar niet toe bereid was.

Een ander voorbeeld is de afsluiting van de op- en afritten van de Vleutenseweg op de A2. Die moesten volgens Rijkswaterstaat en de gemeente vervallen, want die pasten niet in de plannen voor de landtunnel. Voor de bedrijven op het Cartesius Industrieterrein had deze afsluiting enorme gevolgen. Dankzij die op- en afritten zaten hun vrachtwagens vlakbij de A2. In de nieuwe situatie waren ze aangewezen op de op- en afritten bij Hooggelegen en moesten ze dwars door Oog in Al. Ook voor de bewoners langs de Haydnlaan, Lessinglaan en Pijperlaan had de afsluiting dus grote gevolgen. Bij de voorbereiding en vaststelling van de plannen om de op- afritten Vleutenseweg te laten vervallen was met de nadelige gevolgen voor de bedrijven op het Cartesius Industrieterrein, noch met die van de bewoners van Oog in Al rekening gehouden.

Nog een voorbeeld. De Voorstraat en de Nobelstraat hebben destijds bij de aanleg van de busbaan lange tijd open gelegen, waardoor de winkels onbereikbaar waren. Bevoorrading was een groot probleem en klanten konden er niet met de auto komen. Min of meer hetzelfde probleem speelt voor de winkeliers op het Vredenburg. De winkeliers hebben al een paar keer gevraagd wethouder Everhardt (D66) daarover te kunnen spreken, maar die schuift dat op de lange baan. Dat er sprake is van een aanzienlijk omzetverlies ligt voor de hand, daar had op voorhand rekening mee gehouden moeten worden. De kosten voor compensatie hadden in de plankosten meegenomen moeten worden. In plaats daarvan probeert de gemeente zo veel mogelijk aan de kosten voor compensatie te ontkomen, terwijl die maar een fractie zijn van wat er aan plannen en de voorbereiding daarvan wordt uitgegeven.

Hoe gierig de overheid is als het op vergoeding van planschade aankomt blijkt uit het feit dat je eerst 300 euro moet betalen voordat je verzoek in behandeling wordt genomen. Die krijg je terug als de planschade wordt toegewezen, maar daar is de overheid niet scheutig mee.  Dat de woningen langs de Brucknerlaan (vanuit het achterraam kijk je op de fly-over bij het 24 Oktoberplein) aanzienlijk in waarde zijn gedaald door de aanleg van de fly-over zal geen redelijk mens ontkennen. De gemeente laat de waardedaling echter taxeren door een zogenaamd onafhankelijk adviesbureau (dat afhankelijk is van opdrachten van de overheid!)  en die stelt de waardedaling op hooguit 10.000 euro. Pakweg het verschil tussen 320.000 en 310.000 euro. Van die 10.000 euro wordt dan ook nog eens het risico afgetrokken dat de burger zelf geacht wordt te dragen: 2% van 320.000 euro = 6400. De planschade bedraagt na deze aftrek 10.000 – 6400 = 3600 euro. Zou de waardedaling getaxeerd worden op 5000 euro, dan wordt niets uitgekeerd want dat is minder dan het eigen risico.

Hoe gierig de overheid is als het op vergoeding aankomt van de omzetderving van een winkelier, bijvoorbeeld door tijdelijke afsluiting van de weg, blijkt uit het feit dat de winkelier geacht wordt 15% van de omzetdaling te beschouwen als eigen risico  (besluit college Utrecht van 14 december 2010). Sommige ingrijpende werkzaamheden nemen meerdere jaren in beslag, zoals de werkzaamheden rond het Vredenburg. “Geen enkele ondernemer trekt het om jaar op jaar een schadebedrag van 15% van zijn omzet voor eigen rekening te moeten nemen. Die drempel is zo hoog, dat de ondernemer of vertrekt of failliet gaat“, aldus B.J. Van Ettekoven, bestuursrechter en hoogleraar Staats- en bestuursrecht te Amsterdam (oratie 3 december 2010).

Hoe denkt de gemeentepolitiek eigenlijk over het nadeel voor bewoners en ondernemers van gemeentelijke plannen en activiteiten? Daar wordt niet over gedacht: in geen enkel (concept) – verkiezingsprogramma wordt het onderwerp aangeroerd. Een goede reden voor gedupeerde bewoners en ondernemers om het er niet bij te laten zitten. De politiek komt pas in beweging als gedupeerde burgers zich laten horen.