Monthly Archives: April 2018

Meindert Fennema heeft niet veel op met Cuba

De geschiedenis zou Fidel Castro niet vrijspreken. Althans de kans daarop is volgens Fennema klein, zo schrijft hij in The Post Online 24-4-2018. Fennema’s oordeel over Fidel Castro is kennelijk geba­seerd op het vergelij­ken van het socialistische Cuba met de Dominicaanse Republiek dat voor het socialisme gespaard is gebleven. Want daar gaat het in de column over.

Waarom nu juist de vergelijking tussen Cuba en de Dominicaanse Republiek? Fennema legt uit: In 1965 toen Fidel Castro het socialisme in Cuba invoerde, vond de Amerikaanse interventie plaats in de Dominicaanse Republiek zodat Balaguer, jarenlang de rechterhand van de vermoorde dictator Trujillo, aan de macht kwam. Inderdaad, een goed idee om deze twee landen te vergelijken.

Fennema’s  oordeel dat de geschiedenis Castro waarschijnlijk niet gaat vrijspreken betekent dat hij niet veel op heeft met het Cuba zoals Fidel Castro dat heeft nagelaten.

Fennema schrijft “De sociale voorzieningen en vooral de gezondheidszorg zijn op Cuba veel beter dan op Santo Domingo.  De gemiddelde levensverwachting op Cuba is 79 jaar: dat is heel hoog. In de Dominicaanse Republiek is dat maar 73. De gemiddelde Cubaan gaat 10 jaar naar school, de gemid­del­de Dominicaan maar 7 jaar. Doordat de inkomensverschillen relatief klein zijn (in Santo Domingo bedraagt die rond 15 procent) zijn de armste Cubanen veel beter af dan de armste Dominicanen”.

Als je dat leest vraag je je af wat Fennema eigenlijk tegen Castro heeft. Dat is toch geweldig wat hij over het socialistische Cuba schrijft? En het houdt niet op. Een paar alinea’s verder : “huisvesting, scholen, universiteiten, theaters en concertzalen – en de gezondheidszorg niet te vergeten – vrijwel gratis zijn”. En weer een paar alinea’s verder:  “Bijna iedereen in Cuba heeft een eigen huis (…) is er vrijwel geen criminaliteit. De politie op straat is niet corrupt. Havana is vele malen veiliger dan Santo Domingo”.

De column blijkt een reisverslag te zijn uit 2011. Maar Fennema blijkt in 2016 ook in Cuba te zijn geweest. Daar schreef hij over in The Post Online van 12-8-2016. Daar schreef hij dat de criminaliteit in de Dominicaanse Republiek “schrikbarend” hoog is en die in Cuba juist laag. Zijn bezoek in 2016 heeft zijn oordeel uit 2011 niet veranderd. Waarom valt de vergelijking met de Dominicaanse Republiek bij Fennema dan toch in het nadeel van Cuba uit?

Fennema: “Santo Domingo krijgt steeds meer de kenmerken van een Amerikaanse stad, het uitge­breide wegennet kan de stroom van auto’s nauwelijks meer verwerken. Dominicanen staan soms uren in de file. Een file? Die heb ik in Havana nooit gezien”. In Santo Domingo heeft een zodanige economische groei plaatsgevonden dat de “middenklasse een grote sprong voorwaarts heeft gemaakt”. Waarom het lijken op een Amerikaanse stad, het uitgebreide wegennet, de stroom van auto’s en de uren in de file tekens zijn van een succesvolle ontwikkeling is de vraag. Voor het kli­maat en het milieu zijn ze dat in elk geval niet. Fennema zat tot 2014 voor GroenLinks in de gemeenteraad van Bloemendaal.

Fennema vindt het ook maar niks dat een kunstschilder in Cuba veel meer verdient dan een her­senchirurg en dat het pensioen van een hoogleraar maar 90 euro is per maand (het modale inkomen in Cuba is 25 á 30 euro per maand). “De hogere middenklasse woont nog steeds in grote huizen en rijdt nog steeds in dezelfde Amerikaanse auto’s die hun grootvader ooit had, maar nu moeten ze die auto delen met zes andere passagiers en de chauffeur rijdt vaste routes, waardoor ze van het huis naar de collectieve taxi ver moeten lopen”. Het is toch wat!  “de armste Cubanen zijn veel beter af dan de armste Dominicanen, maar alle andere klassen zijn sinds de revolutie sterk verarmd en zelfs de hogere middenklassen kan de touwtjes nauwelijks meer aan elkaar knopen” Fennema lijkt zich het lot van de midden- en de hogere middenklasse bijzonder aan te trekken, meer dan het lot van de armen.

Wat Fennema in Cuba afkeurt lijkt in de eerste plaats de nagestreefde welvaartsgelijkheid die maakt dat mensen de kans niet krijgen door slimheid en/of afkomst rijker te zijn dan de doorsnee Cubaan. En in de tweede plaats het sociaal-economisch beleid dat sterk gericht is op instand­houding van pu­blieke voorzieningen (onderwijs, gezondheidszorg, cultuur) voor allen in plaats van op verruiming van individuele bestedingsmoge­lijkheden en een door de staat geleide economie waarbij bedrijven grotendeels eigendom zijn van de staat.

Dat het Cubaans economisch systeem niet werkt maakt Fennema niet aannemelijk en het effect van de door de VS in 1962 ingestelde blokkade wordt ten onrechte door hem ontkend. De militaire dreiging vanuit de VS heeft Cuba gedwongen er een kostbaar leger op na te houden. Zonder dat leger was Cuba hetzelfde overkomen als de Dominicaanse Republiek en zoveel andere landen waar de VS meenden en menen orde op zaken te moeten stellen.

Grote internationale banken als de ING weigeren nog steeds geld over te maken naar en geld te ontvangen uit Cuba (zelfs geld dat bij elkaar is gebracht voor noodhulp na de orkaan Irma *) en handelen in strijd met US-regulations en stellen zich daardoor bloot aan sancties door de VS als ze dat wél doen **. De ING is zo bang voor sancties dat de bank zelfs weigert mijn contributie van 25 euro over te maken aan een Belgische ideële club die sympathiseert met het socialisme in Cuba.

Dat Cubanen ten onrechte de schuld van de afhankelijkheid van omvangrijke voedselimport bij de blokkade leggen ‘staaft’ Fennema met een curieus argument: het eiland leefde eeuwenlang (kennelijk dankzij het particuliere grootgrondbezit) op zeer grote voet van de landbouw export. Met andere woorden: de landbouw zou meer opgeleverd hebben dan wat Cuba nodig had om haar bevolking te voeden, zoveel dat het zelfs mogelijk was om een deel van de opbrengst ook nog eens te exporteren. De werkelijkheid was echter dat er voornamelijk rietsuiker en tabak werd verbouwd en alleen maar voor de export. Daar profiteerde een hele kleine elite van en de eigen bevolking leed honger en werd als slaven behandeld, ook na de afschaffing van de slavernij ***. Weinig reden dus om de eeuwen van het particuliere grootgrondbezit als lichtend voorbeeld te beschouwen.

Dat Fennema de Dominicaanse Republiek meer succesvol vindt dan Cuba betekent dat hij de “schrik­ba­rende” criminaliteit, de lagere gemiddelde levensverwachting, minder kansen voor iedereen qua onderwijs, cultuur en gezondheid, niet vindt opwegen tegen de kans die gefortuneerde mensen zouden moeten hebben om zich te verrijken. Fennema zou niet moeten concluderen dat het so­cialistisch experiment Cuba is mislukt, maar dat hij de neoliberale kapitalistische koers verkiest die onder invloed van de VS in de Dominicaanse Republiek wordt gevolgd ondanks schade aan het milieu en ondanks de sociale ellende die daarmee samenhangen.

Overigens, de kop van de column van Fennema verwijst naar het betoog van Fidel Castro in 1953 voor de rechtbank die hem veroordeelde wegens deelname aan opstand. De revolutie vond plaats in 1959 en de keuze voor de socialistische staatsinrichting vond pas plaats nadat de VS Cuba in de armen van de Sovjet Unie had gedreven. De kreet “De geschiedenis zal mij vrijspreken” heeft dus weinig te maken met de keuze voor de socialistische staatsinrichting.

Nawoord: er staan meer feitelijke onjuistheden in het verhaal van Fennema, maar om mij niet in details te verliezen ben ik daar niet op ingegaan. Eén is toch aardig om te noemen: er is geen sprake van dat Cubanen geen toegang zouden hebben tot Google. Bij mijn eerste bezoek in 2015 veil het mij al op hoeveel vooral jongeren met hun mobieltje op wifi-pleintjes zitten en daar de hele wereld naar binnen halen. Ik kon vanuit Cuba van internet gebruikmaken zoals ik dat in Nederland doe. Veel Cubanen zitten ook op Facebook. Het enige probleem is dat internetten een euro per uur kost en dat is voor een Cubaans inkomen veel geld..

* https://informatiecuba.wordpress.com/2017/09/22/ing-blokkeert-donaties-aan-cuba/

** https://www.treasury.gov/resource-center/sanctions/Programs/pages/cuba.aspx

*** Eduardo Galeano. De aderlating van een continent. Vier eeuwen economische exploitatie van Latijns Amerika. 1980. 88-91

Waternet trekt na bezwaar beoordelingsbesluit in

Waternet is een grote organisatie in Amsterdam, een bundeling van waterschappen. Nadat Waternet een officiële berisping na bezwaar terug had moeten nemen omdat die ongefundeerd was, werd de berisping uit rancune omgezet in een ‘waarschuwing’ waar je geen bezwaar tegen kan maken (bestuursrecht). Daar bleef het niet bij.

De ambtenaar die het betrof, ik noem hem Paul, kreeg vervolgens over 2017 een slechte beoordeling op grond van feiten die Waternet niet hard had kunnen maken (reden waarom de berisping terug genomen moest worden).

Toen Waternet het bezwaarschrift ontving tegen de beoordeling besloot Waternet, die zich laat bijstaan door Vijverberg Juristen, het niet op een hoorzitting aan te laten komen en het  beoordelingsbesluit terug te nemen en nam daartoe een ‘intrekkingsbesluit’. Dat was 3,5 maand ná de datum van de beoordeling.

In het ‘intrekkingsbesluit’ stond als reden alleen dat Waternet er nog eens over nagedacht had. Er werd niet naar het ingediende bezwaar verwezen. Waarschijnlijk om niet de kosten te hoeven vergoeden voor mijn ‘beroepsmatig verleende rechtskundige bijstand’ die Paul in had  geroepen, want in het besluit werd over die kosten niet gerept.

Omdat Waternet kennelijk weigerde de kosten voor rechtsbijstand te vergoeden had Paul er belang bij dat er ondanks de intrekking toch een hoorzitting zou plaatsvinden en een besluit op bezwaar genomen zou worden.

Zes dagen vóór de hoorzitting liet Waternet, die zich laat bijstaan door Vijverberg Juristen, weten eventueel en onder voorwaarden bereid te zijn alsnog de kosten voor rechtsbijstand te vergoeden. Tijdens de hoorzitting kwam Vijverberg daar namens Waternet weer op terug.
Het argument: door de intrekking was er geen besluit meer en waar geen besluit is kan geen bezwaar gemaakt worden. Het bezwaar zou volgens Vijverberg/Waternet om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

De absurde consequentie van het standpunt van Vijverberg/Waternet is dat een bestuursorgaan dus eigenlijk nooit meer een besluit op bezwaar hoeft te nemen als het ongelijk moet bekennen. Zodra je immers een bezwaar krijgt wat hout snijdt, neem je gewoon een ‘intrekkingsbesluit’ zodat het bestreden besluit nooit heeft bestaan. Hoef je niet alleen nooit meer ongelijk te bekennen, maar ook nooit meer de kosten voor rechtskundige bijstand te vergoeden die de ambtenaar heeft moeten maken om bezwaar te maken tegen het besluit wat ongedaan wordt gemaakt.

Als Waternet de vreemde logica volgt van Vijverberg wordt zeker beroep ingesteld.