De volgzame ambtenaar

18 juni 2008

Met de Jaarbeurs werden corrupte erfpachtcontracten afgesloten, waardoor in de loop van jaren een kleine miljard euro belastinggeld in de zakken van de Jaarbeurs verdwijnt. De gemeente maakt wegen en kruispunten groter in strijd met het bestemmingsplan en beschouwt dat als de normaalste zaak van de wereld. Bomen worden gekapt zonder vergunning. Holland Casino mag gewoon open blijven, terwijl in 2004 de tijdelijke vrijstelling verviel. Waarom werken ambtenaren aan deze illegale praktijken mee? Het antwoord is: "Ik doe wat mij wordt opgedragen, de verantwoordelijkheid ligt bij het college." Doen wat je wordt opgedragen en daar geen persoonlijke verantwoordelijkheid voor nemen. Die onverschillige instelling leidt ertoe dat overheden zich misdragen.

In 1961 stond Adolf Eichmann in Israel terecht wegens misdaden tegen de menselijkheid. Eichmann had een belangrijk aandeel in het organiseren van deportaties van joden naar vernietigingskampen. Hanna Arendt schreef Eichmann in Jerusalem, A Report of the Banality of Evil. Ook Harry Mulisch woonde het proces bij en schreef De Zaak 40/61. Abel Herzberg was erbij als verslaggever van de Volkskrant. Alle drie kwamen ze tot dezelfde beangstigende conclusie: Eichmann bleek eigenlijk een doodnormale man te zijn. Een ambitieuze ambtenaar, die zo goed mogelijk zijn plicht probeerde te doen, zodat zijn chefs en zijn collega's hem een goeie vent zouden vinden. Arendt schreef: "Hij heeft er alleen maar nooit bij stilgestaan wat hij eigenlijk deed." Omdat Eichmann een doodnormale man was, is de kans groot dat iedereen in zijn omstandigheden en op zijn positie aan de deportatie en de vernietiging van joden zou hebben meegewerkt.

Ordinary Men van Christopher R. Browning (1992) sluit aan bij de constatering van Arendt, Mulisch en Herzberg. Browning beschrijft het optreden van het Duitse Reserve Police Battalion 101, dat in Polen werd ingezet om Polen "judenfrei" te maken. Zoals de titel van het boek aangeeft: heel gewone mannen. Wat deze case-studie zo interessant maakt, is dat het hier niet ging om afgerichte beroepsmilitairen, maar om reservisten. Bezadigde reservisten nog wel, van rond de veertig. Ze werden op joodse dorpen afgestuurd om arbeidsgeschikte mannen op transport te zetten en bejaarden, vrouwen en kinderen stuk voor stuk dood te schieten. Browning zocht de mannen na de oorlog op om erachter te komen waarom zij zich niet aan deze moordacties hadden onttrokken. Anders dan wel wordt aangenomen, leidde dat namelijk niet tot strenge disciplinaire maatregelen. Dus wat weerhield de mannen ervan om te weigeren mee te doen met het moorden? Browning concludeert: "Within virtually every social collective, the peer group exerts tremendous pressures on behavior and sets moral norms. If the men of Reserve Battalion 101 could become killers under such circumstances, what group of men cannot?"

Wat moeten we ons bij die peer group pressure voorstellen? Weigeren te schieten betekende dat je kameraden voor het vuile werk opdraaiden. De enkeling die het vertikte, riskeerde afkeuring en isolatie. Niet meedoen kon worden uitgelegd als kritiek op de kameraden die wel meededen ("meneer denkt zeker dat hij beter is dan wij"). Niet meedoen betekende dat je werd uitgemaakt voor lafbek. Van de 500 reservisten waren er maar een stuk of twaalf die weigerden mee te doen. Om zijn conclusies te ondersteunen, verwijst Browning naar Zimbardo's Stanford prison experiment en naar het Milgram experiment. Zimbardo stelde uit een aantal proefpersonen een groep cipiers en een groep gevangenen samen en plaatste ze in een gesimuleerde gevangenis. "The prison situation alone, Zimbardo concluded, was a sufficient condition to produce aberrant, anti-social behavior." Eenderde van de cipiers gedroeg zich wreed, genoot van de macht en probeerde de rest van de cipiers aan te zetten om mee te doen. Bij het Milgram experiment ging het erom of proefpersonen zover gebracht konden worden dat ze onder druk van "autoriteiten" bereid waren (zware) elektrische schokken toe te dienen aan mensen. Bij de meeste proefpersonen bleek dat inderdaad het geval.

In elke organisatie schikt de grote meerderheid zich naar de mensen die de macht hebben. Ook als dat inhoudt dat ze regels moeten ontduiken, moeten liegen of zelfs Poolse dorpen "judenfrei" moeten maken. De mensen die het vertikken om zich te misdragen, blijken grote uitzonderingen. Dat is de treurige conclusie van Browning. Er hoeft dus maar een of andere op macht beluste politicus of hoge ambtenaar op te staan en wat trawanten om zich heen te verzamelen en er gebeuren weer de meest vreselijke dingen. Dat is ook wat de socioloog Zygmunt Bauman schrijft in De Moderne tijd en de Holocaust (1989). Het ontstaan van oorlogen en onderdrukking wordt niet afdoende verklaard door het optreden van ontspoorde machthebbers. Er is veel meer voor nodig, namelijk een grote massa van mensen die zich bij de macht neerlegt. Als je Hanna Arendt, Milgram, Browning en Bauman goed leest, ontdek je dat de schuld in feite ligt bij de massa van meelopers, de mensen die de andere kant uitkijken, onverschillig zijn of geen nee durven zeggen omdat ze er dan uit liggen bij hun maten en superieuren. Wie zwijgt stemt toe. De psychologie van de volgzame meeloper is daarom veel relevanter dan de psychologie van de despoot. Boeken vol zijn er geschreven over de moeilijke jeugd van Hitler, maar over de psychologie van de meeloper die zijn mond niet open durft te doen, weten wij weinig. Terwijl dié een beslissende invloed heeft op de loop van de geschiedenis.

De sociale wetenschap gaat er doorgaans van uit dat mensen hun gedrag in hoge mate laten bepalen door normen en waarden. Wil je dat gedrag een bepaalde kant op sturen, dan zou je dus bij die normen en waarden moeten beginnen. De ruiltheorie van Homans en Blau daarentegen gaat ervan uit dat mensen hun gedrag laten bepalen door een kost- en baatafweging, dat wil dus zeggen dat zij zich niet zozeer door normen en waarden laten leiden, maar door eigenbelang. Dat is het algemeen geaccepteerde uitgangspunt in de economie. Homans en Blau gaan ervan uit dat het sociale gedrag ook moet worden verklaard doordat mensen hun sociale en psychische belangen najagen. De ambtenaar die zijn mond niet opendoet en er braaf aan meewerkt dat het publiek wordt voorgelogen, doet dat volgens de ruiltheorie dus omdat hij denkt dat hij daar per saldo beter van wordt: hij oogst namelijk waardering van zijn chef en zijn collega's. De ambtenaar die onder druk van zijn superieuren of zijn collega's knoeit met luchtkwaliteitscijfers maakt een egoïstische keuze. De waardering die hij daarvoor krijgt van hogerhand is hem namelijk meer waard dan de gezondheid van de mensen in de stad. De 'kosten' die hij moet maken, bestaan uit bijvoorbeeld een verlies van zelfrespect: dat hij zich geen flinke vent kan voelen en dat hij zich eigenlijk een beetje schaamt voor wat hij doet. Daarom wil hij dat zijn collega's óók liegen en knoeien. Dan kan hij immers zeggen: "Iedereen doet het toch?" Zijn 'baten' bestaan uit de waardering van superieuren en collega's: hij is een fijne en loyale vent om mee samen te werken. Creatief met regels omgaan, leden van de gemeenteraad om de tuin leiden, plannen doordrukken en belanghebbenden buiten spel zetten, als je daaraan meedoet, dan hoor je erbij. Dat schept ook promotiekansen. Doe je niet mee, dan kun je beter een andere baan zoeken. En die normen en waarden? Ach, Marx zei het al, die worden er met de haren bij gesleept om het eigen gedrag te rechtvaardigen.

Als je van de ruiltheorie uitgaat, dan moet je volgzaam gedrag niet als slap kwalificeren, maar als egoïstisch. Mensen hebben sterk de neiging om hun egoïstische keuzes te verpakken als onvermogen. Ik vond wel dat ik er wat van moest zeggen, maar ik ben nu eenmaal niet zo'n held. Ik vond het verschrikkelijk om op jonge kinderen te schieten, maar ik had de kracht niet om te weigeren. Ik wil helemaal niet met cijfers knoeien, maar ik ben een slapjanus die zijn superieuren niet durft tegen te spreken. Een slap karakter of een gebrek aan moed wordt als excuus veel eerder geaccepteerd dan een egoïstische keuze. Een slap karakter of een gebrek aan moed, daar kun je immers weinig aan doen. Dat is je 'natuur'. Niet, echter, volgens de psychiater Dalrymple in Leven aan de onderkant. Hij laat overtuigend zien dat crimineel gedrag (maar hulpeloos gedrag vaak ook!) een kwestie van kiezen is en niet van onvermogen of van een slap of verkeerd karakter. Dat je 'nu eenmaal' niet anders kan, dat het je natuur of je karakter is om geen weerstand te kunnen bieden aan foute impulsen en aan de druk van kameraden of superieuren zijn volgens Dalrymple smoesjes die bedoeld zijn om af te dingen op de verwijtbaarheid van slap, gewetenloos en crimineel gedrag. Daar moeten we dus niet in trappen. Er bestaan geen slapjanussen, wel egoïsten. En die moeten we daarop aanspreken.

Wat is nu de moraal van het verhaal? Ellende en machtsmisbruik kunnen niet alleen verklaard worden door het optreden van ontspoorde machthebbers. Daar lopen er zo veel van rond en bovendien hebben zo veel doodnormale mannen het in zich zich beestachtig te gedragen als ze daartoe de gelegenheid krijgen. Het kwaad is immers banaal. Het gaat erom dat mensen de káns niet krijgen om zich beestachtig te gedragen. En dát is waarom onverschilligheid, zwijgen en meelopen zo schadelijk en gevaarlijk is. Het is bovendien niet een kwestie van verontschuldigbaar onvermogen, het vloeit voort uit een egoïstische keuze. (...). Dan laten ambtenaren het wel uit hun hoofd om te knoeien en de hand te lichten met regels. Dan zullen ze ook wat eerder tegen hun superieuren zeggen: "Als jij de Jaarbeurs en Hoog Catharijne te vriend wil houden door extra wegen en parkeergarages aan te leggen, dan reken jezelf de gevolgen voor de luchtkwaliteit maar uit. Ik heb geen zin om de kluit te belazeren".