Volgzame ambtenaren

27 september 2008

De afscherming van ambtenaren tegen publieke kritiek past bij een autoritaire organisatie, waarin de individuele verantwoordelijkheid van de ambtenaar niet telt. Wolfsen neemt het helemaal niet voor ambtenaren op, hij neemt het op voor de kolonels in de organisatie, van wie hij zich als burgemeester afhankelijk weet.

Wolfsen vindt dat klachten over ambtenaren van de gemeente bij de wethouder, het college, de gemeenteraad of de burgemeester gedeponeerd moeten worden en dat de betrokken ambtenaar in geen geval persoonlijk het doelwit van kritiek mag zijn van kritische burgers. Ik deel dat standpunt niet. Een ambtenaar die zich misdraagt, moet daarop publiekelijk aangesproken kunnen worden, zoals elke normale burger daar publiekelijk op aangesproken kan worden. Ik zie niet in waarom de ambtenaar zich achter het college zou mogen verbergen en waarom hij tegen publieke kritiek beschermd moet worden. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in de zaken Thorgeirson en Thoma dat "Civil servants acting in official capacity are, like politicians, subject to wider limits of acceptable criticism than private individuals". Thorgeirson had politie-agenten uitgemaakt voor "beasts in uniform", "brutes and sadists to act out their perversions", "individuals reduced to a mental age of new-born child". Het Europese Hof vond dat Thorgeirson, gezien het gedrag van deze politie-agenten en het feit dat bestuurders daar niet tegen optraden, niet te ver was gegaan met zijn kritiek op de ambtenaren. Volgens de Straatsburgse jurisprudentie moeten ook ambtenaren, acting in official capacity, tegen een stootje kunnen. Mogelijkheden om zich te verdedigen hebben ambtenaren te over. Dat de ambtenaar weerloos is en zich niet tegen de kritiek van burgers kan verdedigen, is een fabeltje. Op inspraakavonden en wijkbijeenkomsten blijkt het tegendeel. Daar voeren ambtenaren heel vaak het woord en moeten niet zelden hun wethouder te hulp schieten, die met zijn mond vol tanden staat.

De praktijk

Een praktisch argument om ambtenaren juist wel in het openbaar met naam en toenaam te kritiseren, is dat het klagen bij de burgemeester, het college of de wethouder niets uithaalt. Je kunt het net zo goed niet doen, want je wordt als klagende burger toch in het ongelijk gesteld. Het college neemt het immers altijd voor de ambtenaar en medewerker op. Laatst weer zo'n akkefietje. Meneer H. van Stadswerken besluit dat de complete inboedel van mevrouw M. , die ontruimd wordt, vernietigd moet worden. Stuur je daar een brief over aan het college, dan krijg je als antwoord: de betreffende functionaris treft geen enkel verwijt. Ik klaag als rechtshulpverlener regelmatig namens burgers bij het college over ambtenaren en de standaardreactie is dat de betreffende functionaris geen blaam treft en een integer medewerker is, in wie het college alle vertrouwen heeft. Het heeft dus geen enkele zin om bij het college of de burgemeester over een ambtenaar te klagen en er zit niets anders op dan de betreffende ambtenaar persoonlijk op zijn wangedrag aan te spreken.

Yes, minister

Een interessante vraag is: hoe komt het dat de burgemeester en de wethouder het altijd voor hun ambtenaren opnemen en dat ze de klagende burger in de kou laten staan? Het antwoord is: directeuren en leidinggevende ambtenaren accepteren niet dat de burgemeester of de wethouder hen "laat vallen". De ambtelijke dienst is een hiërarchische organisatie. Als de uitvoerend ambtenaar een fout maakt, dan wordt dat zijn chef en diens directeur aangerekend. En omdat de burgemeester geen ruzie met de directeur durft te maken, "treft de betreffende functionaris geen enkel verwijt". Als het college niet vierkant achter hen staat, voelen directeuren en hoge ambtenaren zich door het college in de steek gelaten en zij hebben vele manieren om het college dat betaald te zetten. De burgemeester en de wethouder zijn voor hun succes als bestuurder volledig van hun hoge ambtenaren afhankelijk. Zie 'Yes, minister'. Als het erop aankomt, zijn ze dus liever goeie maatjes met de ambtelijke top dan recht te doen aan de burger die zich over het gedrag van een ambtenaar komt beklagen. Zo komt het dus dat het klagen bij Wolfsen of het college over de ambtelijke dienst of over een ambtenaar geen enkele zin heeft.

Eigen verantwoordelijkheid

Dat je een ambtenaar nooit publiekelijk zou mogen kritiseren, valt juridisch niet vol te houden. Er is geen wet die dat verbiedt. Bovendien hebben ambtenaren ook een eigen verantwoordelijkheid, namelijk de verantwoordelijkheid die elke gewone burger heeft. Een burger mag niet liegen, dus een ambtenaar mag ook niet liegen. Een burger mag de inboedel van zijn buurman niet vernielen, dus dat mag een ambtenaar van Stadswerken ook niet. Een burger mag geen grote mond opzetten of zich intimiderend gedragen, dus dat mag een ambtenaar ook niet. Het gedrag van een ambtenaar moet langs dezelfde lat gelegd worden als het gedrag van een gewone burger. Het feit dat iemand werkzaam is voor de overheid mag niet betekenen dat hij, anders een gewone burger, zich hufterig en onoprecht mag gedragen zonder dat wij hem daar als persoon rechtstreeks op zouden mogen aanspreken. Wij worden door Balkenende regelmatig aangespoord om onze verantwoordelijkheid te nemen en onze medeburgers op hun asociale gedrag aan te spreken, waarom zouden wij dan de ambtenaar niet op zijn asociale gedrag moeten aanspreken?

Heel anders ligt het als de ambtenaar uitvoering geeft aan instructies die door het bevoegd gezag zijn gegeven op basis van een beleid dat democratisch tot stand is gekomen. De ambtenaar die mijn bouwvergunning afkeurt omdat die in strijd is met het bestemmingsplan, doet wat hij moet doen en het zou niet in me opkomen om hem dat kwalijk te nemen. Maar als hij zich onbeschoft gedraagt of als hij liegt, mag ik daar als burger wat van zeggen, want die bevoegdheid heeft hij niet en het is hem niet bevoegd opgedragen. Als zijn superieur hem zou vragen te liegen en met cijfers te knoeien, dan heeft hij dat domweg te weigeren, want hij weet dat zijn superieur hem dat niet mág opdragen. Liegt hij toch, om zijn chef te behagen, dan is hij daar persoonlijk voor verantwoordelijk en kan hij zich niet achter zijn superieuren verschuilen. De verantwoordelijkheid van de burgemeester, de wethouder en het college voor wat de ambtenaar doet, beperkt zich dus tot wat hij doet of behoort te doen volgens bevoegd gegeven instructies, en alleen voorzover de ambtenaar handelt volgens die instructies kan hij tegen de klagende burger zeggen: "Als je klachten hebt, moet je niet bij mij zijn, maar bij het college en de gemeenteraad."

Autoritaire organisatie

De opvatting dat de burgemeester, de wethouder of het college verantwoordelijk is voor alle gedragingen van de ambtenaar onder werktijd, die daar dus niet persoonlijk door burgers op mag worden aangesproken, is de ideologie van een autoritaire organisatie, waarin geen plaats is voor vrije en zelfstandige ambtenaren. Het Utrechtse college verbood eens alle 5000 gemeenteambtenaren om 's avonds, nota bene in hun eigen vrije tijd, mee te doen aan een Tumult-debat over 'de vierde macht'. In een autoritaire organisatie worden ambtenaren afgeschermd tegen normale publieke sociale controle niet om ze te beschermen, maar om te bereiken dat zij gedwee opdrachten van hogerhand opvolgen, ook als die opdrachten bij burgers grote weerstanden oproepen. Als een ambtenaar rekening te houden heeft met normale sociale controle door burgers, verschaft hem dat een sterk argument om niet alles te hoeven doen wat hem wordt opgedragen. Als zijn superieuren druk op hem uitoefenen om het publiek te misleiden of met cijfers te knoeien, dan kan hij daartegen aanvoeren: "Ze zien me aankomen. Bekijk het maar." Het feit dat de ambtenaar zelf door het publiek kan worden aangesproken op zijn gedrag, versterkt zijn positie ten opzichte van zijn superieuren.

Wat voor de publieke sociale controle geldt, geldt ook voor de strafrechtelijke vervolgbaarheid van de ambtenaar. Als de individuele ambtenaar strafrechtelijk wordt vervolgd in plaats van de gemeente, dan heeft de ambtenaar daarmee een heel krachtig argument om te weigeren aan illegale opdrachten van hogerhand gehoor te geven. Burgemeester Wolfsen is daar dan ook tegen: in het Voorstel van Wet van het lid Wolfsen tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten in verband met het opheffen van de strafrechtelijke immunitiet van publiekrechtelijke rechtspersonen (Kamerstuk 30 538, nr. 3) acht hij het ongewenst "als wel de individuele ambtenaar aangesproken kan worden, maar niet de publieke rechtspersoon" (blz.13). Daarmee wordt de vervolging van de ambtenaar in feite afhankelijk gemaakt van de vervolging van de overheid. En omdat de overheid in de praktijk niet wordt vervolgd, wordt de individuele ambtenaar dus ook niet vervolgd. En dus zal zijn superieur tegen hem zeggen: "Je hebt het maar te doen, want ik ben verantwoordelijk."

Individuele aansprakelijkheid van ambtenaren en het blootstaan aan normale publieke sociale controle komt de vrijheid en de zelfstandigheid van de individuele ambtenaar ten goede. Hij krijgt daardoor de ruimte om zijn eigen geweten te laten spreken. De 'fatsoensregel' dat je voor klachten over ambtenaren altijd bij het college moet zijn in plaats van de ambtenaar zelf aan te spreken, heeft niets met fatsoen te maken en heeft ook helemaal niet de bedoeling om ambtenaren te beschermen. De bedoeling is slechts te voorkomen dat ambtenaren ontvankelijk zijn voor kritiek van burgers, er een eigen mening op na gaan houden en niet meer bereid zijn om blindelings opdrachten van hogerhand op te volgen. Wolfsen neemt het dus helemaal niet voor ambtenaren op, hij komt alleen maar op voor de kolonels die het in de ambtelijke dienst voor het zeggen hebben en van wie hij zich als burgemeester afhankelijk weet.