Argumenten hoger beroep belediging, aflevering 1

29 december 2008

De poppenkast van Wolfsen

Inleiding

1. In het kort geding dat Haarsma, Baggen en Segaar, werkzaam bij de gemeente Utrecht als experts op het gebied van luchtkwaliteit, tegen Van Oosten hebben aangespannen ter zake van onrechtmatige (onnodig grievende) uitlatingen op websites (dagvaarding d.d. 30 juni 2008, productie 1), heeft de voorzieningenrechter Van Oosten in het ongelijk gesteld en hem opgedragen de gewraakte uitlatingen van de websites te verwijderen en een rectificatie te plaatsen op www.keesvanoosten.nl en www.allesoverutrecht.nl. Van Oosten heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 juli 2008 (LJN:BD8861, productie 2).

"4.3. De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling van het geschil als uitgangspunt dat het gevorderde een beperking vormt op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting dat aan [gedaagde] op grond van artikel 10 lid 1 EVRM toekomt. Dit recht kan volgens het tweede lid van dat verdragsartikel slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 BW. Bij de beantwoording van de vraag of dit zich hier voordoet staan twee, ieder voor zich hoogwaardige maatschappelijke en persoonlijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang van [eisers] dat zij niet worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen die afbreuk doen aan hun integriteit, geloofwaardigheid, eer en goede naam, en aan de andere kant het belang van [gedaagde] dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend, en/of waarschuwend moet kunnen uitlaten ter voorlichting van het publiek omtrent misstanden die de samenleving raken. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van alle terzake dienende omstandigheden van het geval (zie ook HR 18 januari 2008, NJ 2008, 274). In dit geval zijn de volgende omstandigheden relevant: de aard van de geuite verdenkingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben, de ernst van de misstand welke de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen, de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen, de aard van het programma waarin de uitlatingen zijn gedaan en het gedrag van de benadeelde.

4.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de aan uitlatingen als door [gedaagde] op de website geplaatst te stellen grenzen genuanceerd liggen en niet altijd duidelijk zijn aan te geven. De voorzieningenrechter is in dit geval van oordeel dat [gedaagde] met zijn meerdere uitlatingen op genoemde websites de grens die in artikel 10 lid 2 EVRM is gesteld aan de vrijheid van meningsuiting, heeft overschreden. De artikelen op de websites www.allesoverutrecht.nl en www.[gedaagde].nl bevatten ernstige beschuldigingen aan het adres van [eiser sub 2], [eiser sub 3] en met name [eiser sub 1] van fraude, misleiding, dood door schuld, mishandeling met voorbedachten rade en corruptheid van ambtenaren. De beschuldigingen, die verder strekken dan het aan de kaak stellen van het beleid van de gemeente met betrekking tot de luchtkwaliteit, zijn zeer diffamerend en voor [eisers] uiterst schadelijk voor onder meer de uitoefening van hun beroep en/of bedrijf. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat de uitlatingen niet bedoeld zijn als een feitelijk oordeel maar als een door [gedaagde] aan de feiten verbonden waardeoordeel, moet geoordeeld worden dat [gedaagde] hier de grenzen van het rechtens betamelijke heeft overschreden en zich onnodig grievend heeft uitgelaten, zonder zich in de vereiste mate rekenschap te geven van de te verwachten gevolgen ervan voor [eisers]. De door [gedaagde] gestelde noodzaak om tot de gebruikte kwalificaties over te gaan, kort gezegd gelegen in de omstandigheid dat hij jarenlang tevergeefs heeft geprobeerd langs reguliere wegen gehoor te vinden bij de gemeente, rechtvaardigt de uitlatingen niet. De vraag of en in hoeverre de aantijgingen van [gedaagde] steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal in de discussie over de luchtkwaliteit in Utrecht wordt in het kader van het onderhavige kort geding in het midden gelaten. Op grond van het bovenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de uitlatingen van [gedaagde] op de websites www.allesoverutrecht.nl en www.[gedaagde].nl, zoals hiervoor onder 2.2. tot en met 2.5. weergegeven, als onrechtmatig jegens [eisers] moeten worden aangemerkt."

2. Aanleiding voor het kort geding vormde de column Boeventuig, gepubliceerd op 1 juni 2008, waarin wethouder T. de Weger, de gemeenteraad en de luchtkwaliteitspecialisten van de gemeente, Haarsma, Baggen en Segaar, worden aangeduid als "boeventuig en gewetenloze sukkels", wegens wat door Van Oosten wordt aangemerkt als "frauduleus" luchtkwaliteitonderzoek, als gevolg waarvan de luchtverontreiniging in Utrecht niet wordt aangepakt en naar zijn oordeel slechts erger wordt. Voor de gemeente was deze column aanleiding stappen tegen Van Oosten te ondernemen, waarbij hem ook drie eerdere columns werden verweten: Ir. Hans Haarsma, luchtcoördinator van de gemeente Utrecht (22-2-2008), De gemeenteraad en de Euthanasielaan (19 maart 2008) en De meeloper (5 juni 2008). De laatste column gaat over volgzame ambtenaren in het algemeen. De heren Haarsma, Baggen en Segaar worden er niet in genoemd. Zie voor de originele tekst van de vier columns productie 2a.

3. Hoewel niet alleen de luchtkwaliteitspecialisten Haarsma Baggen en Segaar het in de columns van Van Oosten moesten ontgelden, maar ook wethouder De Weger en de gemeenteraad (m.a.w. de gemeentelijke overheid moest het ontgelden), bepaalde het college van burgemeester en wethouders in overleg met de advocaat van de betreffende medewerkers dat een juridische actie gevoerd door de medewerkers zelf de meeste kans van slagen zou hebben. De juridische actie van de medewerkers wordt door de gemeente gefinancierd (productie 52). Op 25 oktober en 6 november vond in de gemeenteraad een discussie plaats over de vraag waarom de gemeente de juridische actie van de drie 'individuele' medewerkers betaalde (van wie er twee externe adviseurs zijn) en of er niet afgezien kon worden van het incasseren van de dwangsommen die door Van Oosten waren verbeurd omdat hij onvoldoende zou hebben gerectificeerd.

Het college schreef op 6 november aan de gemeenteraad: "Vervolgens hebben wij in overleg met de advocaat bepaald hoe het door college en de medewerkers gewenste resultaat kon worden bereikt (...) Het voor de gemeente en de betrokken medewerkers te behalen resultaat kon naar inschatting het beste worden bereikt als de medewerkers zelf de juridische strijd zouden aangaan."

Van belang is te vermelden dat het college op 23 januari 2008 aan de voorzitters van de gemeenteraadsfracties schreef:

"Op ons verzoek is de kans ingeschat dat het Openbaar Ministerie (OM) daadwerkelijk tot vervolging zal overgaan van dit feit, indien de betrokken medewerker (uiteraard ondersteund vanuit het college) aangifte zou doen. Helaas is de kans dat de aangifte wordt gevolgd door vervolging 10%. In het wetboek van Strafrecht is kort gezegd opgenomen dat belediging niet strafbaar is als het gaat om een oordeel over het behartigen van het openbare belang (artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht." (productie 52 a).

Het moge duidelijk zijn, dat het in hier in feite dus gaat om een juridische strijd tussen Van Oosten en een overheid die zich beledigd acht, maar drie van haar medewerkers in de gedaante van 'private individuals' de juridische strijd laat aangaan omdat op die manier, gelet op de EVRM-jurisprudentie, het "voor de gemeente en de betrokken medewerkers te behalen resultaat naar inschatting het beste kon worden bereikt".

Invloedrijke specialisten

4. Van Oosten is werkzaam als rechtshulpverlener (Bureau Rechtsbescherming) en verzorgt in die hoedanigheid regelmatig bezwaar- en beroepsprocedures voor burgers en actiegroepen die zich keren tegen bouwvergunningen, vrijstellingen, vergunningen en bestemmingsplannen, als die negatieve gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Bij de voorbereiding van dergelijke besluiten moet de gemeente aan de hand van onderzoek aannemelijk maken dat de luchtkwaliteit per saldo niet verslechtert door de uitvoering van beoogde bouw- en verkeersplannen. Dat onderzoek is altijd een kwestie van berekeningen. Metingen komen er niet aan te pas. De luchtkwaliteit verslechtert als besluiten meer auto- en vrachtverkeer mogelijk maken, omdat luchtverontreiniging in de stad in hoge mate door het auto- en vrachtverkeer wordt veroorzaakt. De heren Segaar en Baggen zijn invloedrijke specialisten, die dergelijke berekeningen uitvoeren en luchtkwaliteitrapporten opstellen waarmee op grond van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (tegenwoordig de Wet milieubeheer) vrijstellingsbesluiten, bestemmingsplannen en milieuvergunningen moeten worden onderbouwd. De heer Haarsma is 'luchtcoördinator'. Hij houdt zich bezig met de coördinatie van werkzaamheden met betrekking tot luchtkwaliteit in en om de stad Utrecht en zorgt voor afstemming met verkeerskundig onderzoek.

Luchtkwaliteitberekening

5. De luchtkwaliteitberekeningen van de gemeente Utrecht zijn de afgelopen jaren, in procedures die door Van Oosten werden verzorgd, meerdere keren door de rechtbank en de Raad van State als onvoldoende beoordeeld, als gevolg waarvan besluiten (plannen en vergunningen) werden vernietigd dan wel geschorst. Van Oosten heeft inmiddels gedetailleerd inzicht in de wijze waarop Haarsma, Baggen en Segaar de gevolgen van besluiten voor de luchtverontreiniging (doen) berekenen en ook van de manier waarop, onder het coördinerend toezicht van de heer Haarsma, verkeersintensiteiten worden berekend door de afdeling Verkeer, die weer als input worden gebruikt voor de berekening van de luchtkwaliteit. Van Oosten meent dat Haarsma en de zijnen systematisch naar de gewenste uitkomst toe rekenen, zodat de gemeente onder de normen kan uitkomen die gelden voor NO2 en fijnstof. Het gevolg is dat plannen en vergunningen die negatieve gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit, zo-als extra wegen, parkeergarages en autoverkeer aantrekkende functies, ten onrechte door het college, de gemeenteraad en de provincie worden goedgekeurd, waardoor de luchtverontreiniging eerder toe- dan afneemt.

Voortijdig overlijden in Utrecht

6. Zoals zal worden aangetoond bij grief 2, valt uit de wetenschappelijke literatuur af te leiden dat er in Utrecht als gevolg van luchtverontreiniging ca. 400 mensen per jaar voortijdig komen te overlijden. Uit de literatuur blijkt dat het gaat om een gemiddelde levensduurbekorting in de orde van 10 jaar. Uit de literatuur blijkt ook dat kinderen die bij een drukke verkeersweg wonen een verhoogd risico lopen om astma te ontwikkelen. De luchtkwaliteit gunstiger voorstellen dan zij is, leidt ertoe dat de groei van het autoverkeer wordt gefaciliteerd, waardoor het sterftecijfer als gevolg van luchtverontreiniging, met name langs drukke wegen, niet af- maar juist toeneemt. Dat geldt evenzeer voor het aantal verloren gezonde levensjaren in Utrecht, dat volgens de literatuur wordt geschat op tien maal het aantal voortijdige sterfgevallen. Van Oosten heeft de wethouder, de gemeenteraad en Haarsma, Segaar en Baggen (onderzoekers en experts met een grote invloed op het gemeentelijke luchtkwaliteitbeleid) in zijn columns verweten dat de luchtverontreiniging minder erg wordt voorgesteld dan die is om maar bouw- en verkeersprojecten te kunnen realiseren. Van Oosten heeft bij de voorzieningenrechter aangevoerd en zal met producties opnieuw aantonen dat het gemeentebestuur al jaren doof is voor zijn kritiek op de luchtkwaliteitberekeningen van de gemeente Utrecht, dat de inspectie van VROM zijn werk niet doet en dat het Openbaar Ministerie (althans totdat hij zijn columns op internet zette) niet heeft gereageerd op zijn aangifte tegen de gemeente, wethouder De Weger en de specialisten Haarsma, Baggen en Segaar. Van Oosten heeft aangevoerd dat hij daardoor geen andere keus had en heeft dan zijn beschuldigingen aan het adres van de gemeente (de gemeenteraad, de wethouder, Haarsma, Baggen en Segaar) in krachtige bewoordingen op zijn website te publiceren. De voorzieningenrechter meent dat Van Oosten daarin te ver is gegaan. Van Oosten bestrijdt dat oordeel.

Spoedeisend belang

7. Van Oosten heeft bestreden dat er van een spoedeisend belang sprake zou zijn, nu de meeste van zijn uitlatingen al enige maanden op zijn website stonden zonder dat eisers daar problemen over maakten. De column Ir. Hans Haarsma, luchtcoördinator van de gemeente Utrecht stond bijvoorbeeld sinds 22 februari 2008 op de website van Van Oosten. Overigens betoogt Van Oosten al jaren op zijn website dat er sprake is van bedrieglijke luchtkwaliteitberekeningen. De voorzieningenrechter heeft, zeer ten onrechte, de vraag of en in hoeverre de beschuldigingen steun vinden in het ten tijde van het publiceren van de columns beschikbare feitenmateriaal in het midden gelaten, zoals hij in r.o. 4.4. van het vonnis aangeeft. Van Oosten meent dat de voorzieningenrechter, indien hij meende dat de beoordeling van het beschikbare feitenmateriaal in het kort geding niet mogelijk was (waardoor de ernst van de misstand en de gegrondheid van de beschuldigingen van Van Oosten onmogelijk zouden kunnen worden beoordeeld), behandeling in kort geding had dienen te weigeren, omdat het spoedeisend belang van Haarsma, Baggen en Segaar, gezien de ernst van de misstand, niet opwoog tegen het belang van een zorgvuldige behandeling.

8. Nu de voorzieningenrechter niettemin de vordering van Haarsma c.s. in behandeling heeft genomen en heeft toegewezen, zou het niet consequent en dus niet juist zijn om de grieven die Van Oosten daartegen heeft ingebracht vanwege de omvang van het feitenmateriaal in hoger beroep niet in kort geding te behandelen. Van Oosten heeft er belang bij dat het vonnis van de voorzieningenrechter zo spoedig mogelijk wordt vernietigd. De voorzieningenrechter heeft hem immers min of meer het zwijgen opgelegd, hetgeen hem belemmert in zijn functioneren als rechtshulpverlener.

Juridisch kader

9. Het juridische kader waarbinnen het geschil door de voorzieningenrechter werd beoordeeld, is geschetst in r.o. 4.3 van de bestreden uitspraak. Allereerst refereert de voorzieningenrechter aan art. 10 EVRM en vervolgens aan HR 18 januari 2008, NJ 2008, 274. "In dit geval zijn de volgende omstandigheden relevant," aldus de voorzieningenrechter in r.o. 4.3:

1. de aard van de geuite verdenkingen; 2. de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben; 3. de ernst van de misstand welke de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen; 4. de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal; 5. de inkleding van de verdenkingen; 6. de aard van het programma waarin de uitlatingen zijn gedaan; 7. het gedrag van de benadeelde.

Zes grieven

10. Grief 1 betreft het door de voorzieningenrechter "in het midden laten" van het beschikbare feitenmateriaal. Van Oosten meent dat daardoor met name de ernst van de misstand niet kon worden beoordeeld, maar ook niet het gedrag en de positie van Haarsma c.s. als "civil servants acting in official capacity". En zonder een en ander te beoordelen, valt niet uit te maken of de beschuldigingen, in de termen die Van Oosten heeft gebruikt, al of niet excessief en disproportioneel en dus onrechtmatig zijn. (EHRM,Thoma v. Luxemburg, 2001: "Civil servants acting in official capacity are, like politicians, subject to wider limits of acceptable criticism than private individuals.")

11. In grief 2 wordt aangevoerd dat de voorzieningenrechter de ernst van de misstand in het geheel geen rol heeft laten spelen. Het gaat in Utrecht om een schrikbarend aantal voortijdige sterfgevallen door luchtverontreiniging: ca. 400 per jaar. Verder gaat het naar het oordeel van Van Oosten om regelontduikend rekenwerk, dat de luchtverontreiniging geringschattend voorstelt. Daardoor kunnen bouwplannen en verkeersplannen worden gerealiseerd die voor nog meer autoverkeer en luchtverontreiniging zorgen. Van Oosten wijst erop dat Haarsma c.s. niets inhoudelijks hebben ingebracht tegen de argumenten waarop Van Oosten zijn beschuldiging baseert dat er van regelontduikend rekenwerk sprake is en ook wijst Van Oosten erop dat de bestuursrechtbank en de Raad van State de luchtkwaliteitberekeningen van de gemeente Utrecht meermalen hebben afgekeurd.

12. Volgens grief 3 heeft de voorzieningenrechter het gedrag en de positie van Haarsma c.s. miskend. Het gaat in hun geval zeker niet om zomaar individuen, maar om invloedrijke overheidsdienaren, experts op het gebied van luchtkwaliteit, die zichzelf bovendien als publieke figuren presenteren. Voor hen geldt: "civil servants acting in official capacity are, like politicians, subject to wider limits of acceptable criticism than private individuals." EHRM 29-3-2001 (Thoma). Overigens voert Van Oosten aan dat hij de overheid heeft beschuldigd in de persoon van de wethouder, de gemeenteraad en met name de drie luchtkwaliteitspecialisten, en niet drie "private individuals" die toevallig bij de overheid werken en van wie het er niet toe zou doen dat zij bij de overheid werken. De overheid kan zich tegenover de burger niet op grondrechten beroepen zoals vastgelegd in het EVRM, omdat die grondrechten bedoeld zijn de burger tegen de overheid te beschermen en niet omgekeerd (productie 3).

13. In grief 4 voert Van Oosten aan dat Haarsma c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt schade te hebben geleden als gevolg van de beschuldigingen van Van Oosten. Van Oosten meent dat wat hun in feite schade doet het feit is dat de gemeente Utrecht de laatste jaren een groot aantal beroepszaken verloren heeft op grond van ondeugdelijke luchtkwaliteitberekeningen. Van Oosten is van oordeel dat het niet de vermeende schade van Haarsma c.s. is waarom de gemeente de juridische actie van haar medewerkers heeft geëntameerd, maar het streven om hem het functioneren als raadsman onmogelijk te maken.

14. In grief 5 betoogt Van Oosten dat de voorzieningenrechter beweringen als beledi-gend heeft aangemerkt terwijl tegen de feitelijke inhoud daarvan door Haarsma c.s. niets is aangevoerd en de voorzieningenrechter de feiten in het midden heeft gelaten, dus kennelijk vanwege de zgn. 'diffamerende' woordkeus. Op de vraag of de woordkeus, gelet op de omstandigheden, onrechtmatig is, wordt in grief 6 ingegaan. Van Oosten is van oordeel dat de voorzieningenrechter, als hij zou vinden dat bepaalde woorden niet door de beugel kunnen, had dienen te volstaan met een verbod van die woorden. Het kan immers niet zo zijn dat een betoog of stukken uit een betoog verboden worden, alleen omdat er een paar zogenaamd diffamerende woorden in staan.

15. In grief 6 bestrijdt Van Oosten dat de beschuldigingen die hij aan het adres van de gemeente, de wethouder, Haarsma, Baggen en Segaar heeft geuit, en de termen waarin hij dat heeft gedaan, onrechtmatig zijn, gelet op de jurisprudentie, de ernst van de misstand en de overige omstandigheden van het geval. Van Oosten voert daartoe in het bijzonder aan dat er wat Haarsma, Baggen en Segaar betreft (het regelontduikende rekenwerk) sprake is van zeer immoreel gedrag en dat er kennelijk geen andere manier is om dat gedrag en de zeer ernstige gevolgen ervan tot de gemeentepolitiek te laten doordringen dan dit in krachtige termen publiekelijk aan de kaak te stellen.

Grief 1 : het beschikbare feitenmateriaal

16. De voorzieningenrechter heeft, zo blijkt uit de beoordeling in r.o. 4.4, de vraag of en in hoeverre de "aantijgingen" steun vinden in het toen beschikbare feitenmateriaal "in het midden gelaten", hoewel Van Oosten daarover de nodige informatie had ingebracht door middel van producties. Van Oosten vindt dat onbegrijpelijk. Hij meent dat de voorzieningenrechter door, zoals de voorzieningenrechter dat noemt, het toen beschikbare feitenmateriaal in het midden te laten behalve de gegrondheid van de als belediging opgevatte beschuldigingen (criterium 4) ook de ernst van de misstand welke de uitlatingen aan de kaak beoogden te stellen (criterium 3) niet heeft kunnen beoordelen, evenmin als het gedrag en de positie van de benadeelde (criterium 7). Van Oosten is daarom van oordeel dat het vonnis van de voorzieningenrechter ongefundeerd is.

Toelichting

17. Van Oosten heeft bij de voorzieningenrechter als producties ingebracht het hoofdstuk over luchtkwaliteit uit zijn boek Domheid, hebzucht, onverschilligheid (productie 4), alsmede de brief die hij aan de officier van justitie heeft gestuurd (productie 5), waarin hij wat hij in zijn columns heeft gekwalificeerd als "gesjoemel" bij de luchtkwaliteitberekeningen, en wat verder zal worden aangeduid als regelontduikend rekenwerk, tot in detail beschrijft. In de brief worden, onder verwijzing naar publicaties van het RIVM, (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, productie 6) het aantal jaarlijkse voortijdige sterfgevallen en het aantal verloren gezonde levensjaren als gevolg van luchtverontreiniging in Utrecht berekend. In de brief wordt ook een opsomming gegeven van beroepszaken die de gemeente de afgelopen twee jaar op het punt van luchtkwaliteit verloren heeft, vijftien in getal. In al die zaken deelde de bestuursrechter het door Van Oosten verdedigde standpunt dat er aan de juistheid van de berekening van de luchtkwaliteit moet worden getwijfeld en dat het bestreden besluit (milieuvergunning, bestemmingsplan, vrijstelling art. 19 wet op de ruimtelijke ordening) daarom niet in stand kon blijven. Ook werd door Van Oosten als productie ingebracht de negatieve conclusie van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak over de luchtkwaliteitrapportage fly-over 24 Oktoberplein (productie 7). Namens Haarsma, Baggen en Segaar is geen enkel inhoudelijk gemotiveerd verweer gevoerd tegen de inhoud van deze producties en tegen het daarop steunende betoog van Van Oosten dat hun luchtkwaliteitberekening grote gebreken vertoont en de luchtverontreiniging die het gevolg is van de plannen geringschattend voorstelt.

( Het StAB schrijft in de samenvatting op blz. 2: "Uit het onderzoek komt naar voren dat aan de juistheid van de verkeersintensiteiten dient te worden getwijfeld" en: "Voorts kan de vraag gesteld worden in hoeverre wordt tegemoetgekomen aan het uitgangspunt dat overal aan de normen moet worden voldaan terwijl over de gehele linie sprake blijkt te zijn van een verslechtering.")

18. Als de voorzieningenrechter meende dat het kort geding niet de mogelijkheid bood om voldoende kennis te nemen van het "toen beschikbare feitenmateriaal", dan had hij dienen te beslissen dat het kort geding zich niet leende voor de behandeling van het geschil. Het beschikbare feitenmateriaal speelt een zo belangrijke rol bij de beoordeling van het onderhavige geschil dat het onbegrijpelijk en onjuist is dat hij dat in het midden heeft gelaten.