Hoe en waarom de Jongerenhuiskamer Geuzenkwartier wordt tegengewerkt

De dienst Maatschappelijke Ondersteuning weigerde financieel bij te dragen aan de Jongerenhuiskamer, maar de gemeenteraad krijgt te horen dat het de Jongerenhuiskamer is die een oplossing in de weg stond.

Tijdens de nieuwjaarsreceptie januari 2018 werd het boekje Over de Jongerenhuiskamer Geuzenwijk aan burgemeester Van Zanen aangeboden, waarvoor hij zelf het voorwoord had geschreven en waarin een foto prijkt waar hij samen met de initiatiefnemers op staat. Een boekje vol lof. Lof met name van de burgemeester en de politie. Aan het boekje werd door de gemeente vreemd genoeg weinig ruchtbaarheid gegeven. Reden waarom ik  Over de Jongerenhuiskamer Geuzenwijk als bijlage bijvoeg. Het is het lezen bijzonder waard.

Omdat de Jongerenhuiskamer zijn huisvesting in 2017 kwijtraakte en de gemeente er niet in slaagde een andere huisvesting te vinden in de wijk, terwijl het initiatief aan alle kanten zo de hemel werd ingeprezen, besloot ik een wob-verzoek te doen om erachter te komen waarom die andere huisvesting zogenaamd niet gevonden werd. Het resultaat is een dik dossier. Als je dat dossier doorleest [1], dringen zich om te beginnen drie conclusies op.

De eerste conclusie is: als het College meteen in mei 2017, toen de Jongerenhuiskamer op straat werd gezet door de stichting Youké, omdat het pand zou worden verkocht, voor een alternatief in de Geuzenwijk had gezorgd had dat zoveel ambtelijke tijd gescheeld dat daar de huur zeker 10 jaar lang van zou kunnen worden betaald.

Overigens, in 2015 werd al over een ander onderkomen voor de Jongerenhuiskamer heen en weer gemaild. Maatschappelijke Ontwikkeling (MO) schrijft op 16-9-2015: “Maar mocht Youké ze inderdaad op straat gaan zetten, dan kloppen ze natuurlijk bij ons aan voor een ruimte (…)”. Het zoeken naar een alternatief, althans het heen en weer mailen daarover, daarvan was dus al in 2015 sprake.

De tweede conclusie die zich opdringt is dat het niet de burgemeester en wethouders zijn die uitmaken of er voor de Jongerenhuiskamer een alternatief gevonden wordt. Het zijn beleidsambtenaren van het Wijkservicecentrum Noordwest, Maatschappelijke Ontwikkeling (‘MO’)en de Afdeling Veiligheid die daar jarenlang over heen en weer mailen, waarbij de dienst MO duidelijk aan het langste eind trekt. Het dossier laat zien wat er gebeurt als wethouders en burgemeesters qua informatie alleen afhankelijk zijn van ambtelijke diensten die zij geacht worden te controleren. Die controle is dan een wassen neus.

Als wethouder Maarten van Ooijen het dossier zelf zou doorlezen (waar hij als wethouder natuurlijk de tijd niet voor heeft), zou hij al snel tot de conclusie komen niet correct door MO te zijn voorgelicht. Anders dan de wethouder op 13-2-2020, bij de beantwoording van vragen van het raadslid Ismail el Abassi voorlas van zijn door de ambtelijke dienst opgestelde beantwoording, blijkt de Jongerenhuiskamer bereid te zijn de oplossing te onderzoeken van een plek in de Speeltuin[2] en hebben zij een oplossing dus niet geblokkeerd.

De derde conclusie is dat Maatschappelijk Ontwikkeling duidelijk niet gediend is van een initiatief buiten de gevestigde door MO gesubsidieerde instellingen. In een mail van 11 oktober 2018 wordt het standpunt van MO door de afdeling Veiligheid helder omschreven: “MO is niet voornemens om financieel bij te dragen aan een Jongerenhuiskamer 2.0.” De opgave om de jongeren in de Geuzenwijk te bereiken ligt volgens MO bij de stichting JoU. En als die het niet goed doet moet die het beter doen.

Hoezeer ook de vorige wethouder (Victor Everhardt) door MO verkeerd werd geïnformeerd blijkt uit de mail van 23 maart 2019, waarin in strijd met de waarheid staat “De aangeboden locaties werden door de jongerenhuiskamer Geuzenwijk als niet passend bevonden”. En op 14 november 2019: “Mocht Maarten in de staf Jeugd beginnen over de jongerenhuiskamer bij deze nogmaals de stand van zaken op een rij”. En dan volgt de onwaarheid dat de alternatieve locaties door de initiatiefnemers niet passend zijn bevonden. De werkelijke reden kreeg de wethouder niet te horen, namelijk dat MO weigert financieel bij te dragen aan de Jongerenhuiskamer.

Opmerkelijk is overigens hoe weinig het standpunt van burgemeester Van Zanen er toe doet. Op 17 december 2018 brengt ‘Veiligheid’ in dat de “Burgemeester deelt de zorg over het wegvallen van het initiatief. Hij gaat het nog met xxx (bestuursadviseur) bespreken om te kijken of het nog besproken kan worden in de rondvraag van de collegevergadering”. En daar blijft het verder bij. Van een actief zoeken naar een oplossing door het college en de burgemeester blijkt geen sprake.

Hoe valt het te verklaren dat een initiatief waar iedereen zo lovend over was (zie attachment “Over de Jongerenhuiskamer Geuzenwijk” met een voorwoord van de burgemeester) na vijf jaar zoeken niet aan een passend onderkomen in Geuzenwijk geholpen kon worden? Wat was er eenvoudiger geweest dan desnoods als tijdelijke oplossing een flinke schaftkeet neer te zetten in een hoek van de speeltuin?

De verklaring is dat succesvolle vrijwillige niet-professionals door het officiële welzijnswerk als bedreiging worden ervaren. Dat was al vrij snel het geval na het ontstaan van het gesubsidieerde welzijnswerk in de 60-er jaren en dat is altijd zo gebleven. Overal waar welzijnswerkers werden en worden ingezet liep en loopt het door vrijwilligers gerunde verenigingsleven terug en werden en worden vrijwilligers door welzijnswerkers verdrongen. En dat terwijl het welzijnswerk de participatie en het vrijwilligerswerk juist heet te bevorderen.

Dat komt omdat het bestaansrecht van het welzijnswerk wordt gevormd door de onzelfstandigheid van met name zogeheten ‘achtergebleven’ bevolkingsgroepen. Dat betekent dat zodra die ‘achtergebleven’ groepen initiatief beginnen te nemen de welzijnswerker overbodig wordt en zijn werk dreigt kwijt te raken en niet alleen de welzijnswerker, maar ook de directeur en het bestuur van de welzijnsstichting en de MO’s die al dat welzijnswerk financieren en begeleiden. En dat is waarom onzelfstandigheid in stand moet worden gehouden en initiatieven van onderop moeten worden tegengewerkt.

Conclusie: wie serieus probeert de zelfstandigheid en het initiatief in achterstandswijken te bevorderen zou initiatieven als de Jongerenhuiskamer van harte en financieel moeten steunen door gepaste locaties beschikbaar te stellen en het initiatief zoveel mogelijk aan de vrijwilligers over te laten. Juist als een dienst MO daar tegen is, want dan is dat kennelijk hard nodig.

[1] https://www.utrecht.nl/bestuur-en-organisatie/publicaties/openbaar-gemaakte-informatie-na-wob-verzoeken/wob-verzoek/2019-338-wob-besluit-over-de-sluiting-van-de-jongerenhuiskamer-in-de-geuzenwijk/

[2] In de “Verkenning naar mogelijkheden” van december 2018 staat onder punt 4.1. dat de initiatiefnemers van de Jongerenhuiskamer de bereidheid hebben uitgesproken deze mogelijkheid te willen onderzoeken.