Institutioneel racisme in Utrecht, een praktijk voorbeeld

Een pleidooi voor tegendenkers in de ambtelijke dienst.

In mijn bijdrage voor de raadsinformatiebijeenkomst over institutioneel racisme heb ik aangevoerd dat je dat alleen maar goed aan het licht kan brengen door je te verdiepen in de uitvoering in indivi­duele gevallen, omdat regels, beleidsdocumenten en collegeprogramma’s doorgaans een veel te rooskleurig beeld geven van de praktijk: hoeveel de gemeente er wel aan doet om het probleem op te lossen. Zo ook ik in de begeleidende raadsbrief 2-2-2022. “Voor zover bekend is Utrecht de eerste Overheidsinstantie in Nederland die een extern onafhankelijk onderzoek laat uitvoeren naar institu­tio­neel racisme”. En “Het onderzoek heeft binnen de gemeentelijke organisatie geen insti­tutioneel racisme aangetoond”. Volgens de Nationale Ombudsman komt Etnisch profileren voor in alle lagen van de overheid, maar Utrecht is volgens de raadsbrief natuurlijk weer een voorbeeldige uitzon­de­ring. Zolang je je niet in individuele casussen verdiept, kan je dat blijven roepen.

Op 3 november 2021 vernietigde de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2021:2445) het besluit de horeca­vergunning in te trekken van de eigenaar van het Turkse koffiehuis Transwijk. De burgemeester had niet aangetoond dat bij het bingo spelen tijdens de Ramadan om veel geld werd gespeeld, evenmin dat de openbare orde was verstoord, de eigenaar van slecht levensgedrag was en het bingo spelen had proberen te ver­hullen. Gevolg van de uitspraak was dat de burgemeester opnieuw moest beslis­sen en met andere feiten en omstandigheden moest komen dan waarop het vernietigde besluit was gebaseerd, want die konden het besluit immers niet schragen.

Zo’n pijnlijke uitspraak (pijnlijk voor Van Zanen en de betrokken inspecteurs, juristen en leidingge-venden van VTH en Juridische Zaken), daarin kon de gemeente natuurlijk niet berusten. En dus werd alles uit de kast gehaald om aan te tonen dat er wél om veel geld gespeeld werd, dat de openbare orde wel degelijk was verstoord en de eigenaar wel degelijk van slecht levensgedrag was. Daar werd heel wat werk en ambtelijke tijd in gestoken. Het nieuwe besluit werd immers pas 19 april genomen: vijf en een halve maand later.

Opmerkelijk en in dit verband relevant (institutioneel racisme) is dat ook in het nieuwe besluit alleen dié feiten en omstandigheden worden genoemd die uitgelegd kunnen worden als een aanwijzing of bewijs van de schuld en het slechte levensgedrag. Systematisch niet worden genoemd feiten en om-standigheden die de eigenaar juist zouden kunnen vrijpleiten. Of VTH/Jur. Zaken wil die niet zien of ziet ze wel, maar noemt ze opzettelijk niet om maar gelijk te kunnen krijgen. Het verschil tussen niet kunnen en niet willen is moeilijk aan te geven, vaak is het een combinatie van beide. Zie de klassieke studie Dubieuze zaken (Crombag et al., 1994) over tunnelvisie.

Boekhouding
– tijdens de inval in het koffiehuis op 25 mei 2019 kreeg de eigenaar de opdracht om zijn boekhou-ding naar VTH te sturen. Die werd 30 mei (die datum had de instemming van de inspecteur) door de boekhouder ingeleverd, maar VTH besloot daar niet op te wachten en deed de 28e de vooraankon­diging de deur uit. De verantwoordelijke jurist daarover: er was meer dan voldoende bewijs, daar zou die boekhouding niets aan toe voegen. M.a.w. VTH was enkel en alleen geïnteresseerd in feiten die iets aan het bewijs konden toevoegen en niet in feiten die daar iets aan af konden doen. De inge­leverde boekhouding werd ook daarna niet aan het dossier voor de rechtbank toegevoegd en niet door VTH/Jur. Zaken ingezien/onderzocht en gebruikt. Ook uit het nieuwe besluit blijkt dat VTH/Jur. Zaken het niet nodig vonden de boekhouding te (laten) bekijken (inclusief alle kasbonnen en fac­turen). Uit die boekhouding blijkt echter dat de eige­naar zich van geen kwaad bewust was (niet wist dat bingo eigenlijk niet mag) en dus niets probeerde te verhullen. Zo zit er bijvoorbeeld een factuur in voor het bingo apparaat (300 euro). Die factuur neem je niet in de boekhouding op als je de bingo stiekem probeert te doen. Ook zitten er in de boekhou­ding kasbonnen waaruit blijkt dat de eigenaar wel degelijk veel inkopen gedaan heeft voor de iftar-maaltijd op 16 mei en ontbreken bonnen waar­uit blijkt dat de bingo-deelnemers betaald hebben om aan die maaltijd mee te doen. En dus is het aannemelijk dat de iftar-maaltijd betaald werd uit de opbrengst van de bingo en dat de bingo niet bedoeld was om er flink aan te verdienen. Kenne­lijk voor VTH/ Jur. Zaken niet relevant, want die waren en zijn niet geïnteresseerd in aanwijzin­gen die de eigenaar zouden kunnen vrijpleiten.

Kolossaal bingo apparaat
Bij de controle op 25 mei 2019 trof de inspecteur een kolossaal bingo apparaat aan. Zo groot dat je die niet snel even verstopt. Volgens het proces verbaal van de inspecteur stonden de zonen buiten op de uitkijk om te zien of er geen politie of toezichthouders in de buurt waren en waren ook de be­veiligingscamera’s buiten bedoeld om de politie of de inspecteur aan te zien komen. Hoe je, als je er zo ernstig rekening mee houdt dat er elk moment kan worden gecontroleerd, een kolossaal bingo apparaat (dat onmogelijk snel verstopt kan worden) kan huren, is onbegrijpelijk. De omvang van dat grote bingo apparaat (én de factuur daarvoor die de eigenaar al tijdens de controle aan de inspecteur liet zien) zou dus een aanwijzing voor de inspecteur moeten zijn dat de eigenaar de bingo niet pro­beerde te verhullen en zich van geen kwaad bewust was. Die aanwijzing wordt echter nog steeds genegeerd, hoewel daar vaak door of namens de eigenaar op gewezen is.

Nauwelijks overlastmeldingen
Volgens het nieuwe besluit gaf het koffiehuis veel overlast in de buurt. Dat blijkt echter niet uit de in 2016, 2017, 2018, 2019 geregistreerde overlastmeldingen die ik opvroeg (wob-besluit 22-2-2022). In 2016 werd niet geklaagd, in 2017 2 keer, in 2018 2 keer en in 2019 1 keer. Voor een horecazaak is dat opvallend weinig. Waarom hebben VTH/Jur. Zaken zelf niet aan de hand van de meldingsregistratie uitgezocht of er veel of weinig over het koffiehuis werd geklaagd? Of hebben ze dat wel gedaan en hebben ze het feit van het geringe aantal overlastmeldingen opzettelijk verzwegen? In het nieuwe besluit staat dat er op 21 mei 2019 over overlast werd geklaagd. Die melding komt niet voor in de meldingsregistratie (overzicht loopt tot 21-10-2019) en de melding komt voor het eerst pas in het nieuwe besluit april 2022 ter sprake. Kortom VTH/Jur. Zaken zijn wél geïnteresseerd in die ene mel­ding die op 21 mei 2019 zou zijn gedaan, maar niet in het feit dat er in 2016, 2017, 2018 en 2019 volgens de gemeentelijke meldingsregistratie nauwelijks overlast werd gemeld.

Videobeelden mogen wij niet zien
De “anonieme melder” die op 10 mei 2019 de bingo meldde stuurde videobeelden mee. Die mogen wij niet zien, want de identiteit van de melder zou daarmee worden prijsgegeven. Er wordt na veel aandringen wel een stilstaand beeld (een “still”) gegeven, waaruit blijkt dat de anonieme melder zijn opname gemaakt heeft met een mobieltje in de borstzak van zijn blouse. Daarop is te zien hoe hij zelf 50 euro aanreikt aan de organisator van de bingo. Uit het beeld blijkt precies waar hij moet hebben gezeten. Het enige wat de man zou kunnen verraden is zijn stem (als hij iets gezegd zou hebben). Die stem valt uit filmpje weg te halen, maar wij mogen het filmpje niettemin nog steeds niet zien. De eni-ge reden daarvoor moet zijn dat er op het filmpje ook te zien is dat sommige bingo deelnemers maar één of twee bingo kaarten kopen (1 óf 2 euro), dat er niet werd gespeeld om veel geld en dat de bin-go kaarten in de 2e en 3e ronde, anders dan de gemeente beweert, voor dezelfde lage bedragen wer­den verkocht en dat er ergens in het zaaltje een bord stond waarop de “kleine” prijsjes werden ver-meld. Kortom, de videobeelden zouden het tegendeel kunnen laten zien van wat VTH/Jur. Zaken beweren en dus mogen wij ze ook in geanonimiseerde vorm niet zien.

Selectieve perceptie
Inspecteurs zijn ook maar gewone mensen en net als gewone mensen maar al te makkelijk geneigd te zien wat zij denken te zien en te horen wat zij denken te horen. Sinds Karl Popper (grondlegger van de hedendaagse wetenschapsleer) bestaan er geen objectieve feiten, maar alleen waarnemingen van de feiten en die waarnemingen zijn onontkoombaar subjectief.

Het feit dat VTH/Juridische Zaken nog steeds de boekhouding niet heeft onderzocht, geen acht slaat op het feit van het kolossale niet te verbergen bingo apparaat (en de getoonde factuur daarvoor) en beweringen doet over de overlast zonder te vermelden dat die er in 2016, 2017, 2018 en 2019 nau­we­lijks waren, die videobeelden (ondanks dat ze makkelijk te anonimiseren zijn) niet wil laten laten zien, de vooraankondiging op 28 mei 2019 de deur uitdeed zonder te wachten op  de boekhou­ding, wijst erop dat VTH er van het begin af aan van overtuigd was een criminele goklocatie op het spoor te zijn gekomen. De jurist vond, toen hij op 28 mei 2019 besloot de vooraankondiging al vast de deur uit te doen, toen al dat er meer dan voldoende bewijs was. Als er zo weinig voor nodig is om over­tuigd te zijn (op grond van de aangevoerde feiten en omstandigheden vernietigde de Raad van State het besluit!) dan ben je ook snel geneigd waarnemingen te interpreteren in het licht van verdenking en overtuiging. Voorbeelden:

– de mannen die buiten een sigaretje stonden te roken toen de inspecteur naar het koffiehuis aan kwam lopen werden door de inspecteur gezien als mannen die op uitkijk stonden. Iedereen die wel eens langs een koffiehuis komt kan bevestigen dat daar altijd mannen buiten staan om een sigaretje te roken.

– de beveiligingscamera’s waren volgens de inspecteur bedoeld om de politie aan te kunnen zien komen. Waarom ze niet zouden zijn bedoeld (zoals ze over het algemeen zijn bedoeld en heel vaal als zodanig worden gebruikt) om tegen eventuele inbrekers te beveiligen is onduidelijk.

– de inspecteur werd eerst niet tot het pand niet toegelaten omdat hij zich niet als inspecteur iden-tificeerde. Volgens de inspecteur het bewijs dat de eigenaar iets te verbergen had. Waarom legt hij dat zo uit? Het was net na middernacht. Het zal niet de eerste keer zijn dat een herriezoeker roept dat hij van “handhaving” is om binnen probeert te dringen. Volgens het pv liet de inspecteur zijn identiteitspas niet zien toen hij naar binnen wou (die liet hij pas zien toen hij al binnen was).

– volgens het door VTH verstrekte transcript van de videobeelden spreken de deelnemers van de bingo elkaar soms aan als “jochie”. Voor VTH/Juridische Zaken het bewijs dat er minderjarigen mee deden. Alsof het in Utrecht niet heel normaal is onder mannen elkaar met “jochie” aan te spreken.
De minimum leeftijd is overigens 16 jaar. In wat er gezegd wordt wil VTH dus graag horen dat hun verdenking klopt dat er minderjarigen < 16 jaar mee deden.

Wat deze voorbeelden laten zien is dat VTH/Juridische Zaken niet het verschil weten te maken tussen objectieve feiten en subjectieve impressies: waarnemingen die geïnterpreteerd worden op grond van vermoedens en overtuigingen. In het proces verbaal krijgen die subjectieve impressies de status van objectief feit. De rechter ging op grond van die “feiten” er vanuit dat de eigenaar de controle tegen­werkte. De uitspraak van de rechter werd naderhand door de Raad van State vernietigd. Niettemin staat het nieuwe besluit weer vol met dezelfde als feit gepresenteerde subjectieve impressies.

Kritische tegendenkers
Wat deze casus laat zien is dat er in de organisatie iemand moet zijn die kritisch meedenkt (of liever tegendenkt) en telkens zegt: “dat kan je nu wel denken, maar kan je dat niet ook op andere manier uitleggen? En heb je wel genoeg ook gezocht naar feiten en omstandigheden die jouw vermoeden en verdenking tegenspreken en de man/vrouw vrij zouden kunnen pleiten?” Volgens de sinds Popper algemeen geldende wetenschapsleer wordt een hypothese/vermoeden/verdenking niet serieus getoetst door te laten zien dat feiten en omstandigheden in het licht van die hypothesen, vermoe­dens en verdenkingen kunnen worden gezien (“verificatie”), maar door te zoeken naar feiten en omstandigheden die zo waargenomen en uitgelegd kunnen worden dat ze niet met de hypothese en vermoedens in overeenstemming zijn (“falsificatie”). En pas als dat dan ondanks serieuze pogin­gen niet lukt mag van de voorlopige juistheid van die hypo­thesen en vermoedens uit worden gegaan.

De wijze waarop VTH en Juridische Zaken feiten en omstandigheden menen aan te moeten tonen staat haaks op de manier waarop dat volgens de wetenschap dient te gebeuren en leidt zeker tot het in stand houden van vooroordelen, dus ook van racistische vooroordelen. De organisatie mist kritische tegendenkers.

Overigens: er werd destijds ook bingo gespeeld in meerdere (7) witte café’s. Die zijn, toen ik daar een melding van deed, niet onderzocht, laat staan dat er n.a.v. die melding is gezocht naar antece-denten van de eigenaars van die witte cafe’s (justitiële informatie), zoals dat wél is gebeurd bij de eigenaar van het Turkse koffiehuis.