Wegpesten van autodemontagebedrijf

De gemeente Utrecht had de grond nodig die sinds 1960 aan het autodemontagebedrijf was verhuurd. Het bedrijf was inmiddels van vader op zoon overgegaan. Die had er een modern bedrijf van gemaakt dat aan de modernste milieuvoorschriften voldeed. De gemeente kwam op 30 januari 2008 ineens op het idee dat het onverwijld over de grond moest kunnen beschikken in verband met de bouw van het Leidsche Rijn Centrum. Het bestemmingsplan Leidsche Rijn is van 1999. De gemeente kwam dus wel wat laat op de gedachte dat het bedrijf daar weg moest.  De huur werd opgezegd, het bedrijf moest 1 mei 2008 weg zijn. Tot vergoeding van de kosten van verplaatsing of andere compensatie voelde de gemeente zich niet geroepen. De gemeente wilde gewoon zo snel en zo goedkoop mogelijk over de grond kunnen beschikken. De bouw van het Leidsche Rijn Centrum is overigens nog steeds niet begonnen.

Nadat de ondernemer had laten weten niet met de huuropzegging akkoord te gaan stuurde de gemeente advocaat Tomlow erop af. Die stelde dat er wel een huurovereenkomst was met de vader van de huidige eigenaar maar niet met de huidige eigenaar (die het bedrijf sinds 1973 bestierde), dat de huidige eigenaar dus zonder recht van de grond gebruik maakte en de grond dus meteen moest ontruimen. Dat vond de kantonrechter niet, die oordeelde op 25 september 2008 dat er sprake was van een voortzetting van de huurovereenkomst en dat die bovendien moest worden aangemerkt als een huurovereenkomst in de zin van art. 7:290 BW waarbij van een bijzondere huurbescherming sprake is, min of meer vergelijkbaar met die van de huurder van een woning.

De gemeente liet zich door de uitspraak van de kantonrechter niet uit het veld slaan en deed de ondernemer opnieuw dagvaarden, maar dit keer omdat de ondernemer ernstig zou zijn tekort geschoten in de nakoming van de voor hem uit de overeenkomst voortvloeiende plichten. Om de ondernemer zoveel mogelijk tekortkomingen te kunnen verwijten stuurde de gemeente de afdeling handhaving voor onderzoek op het bedrijf af. Die bracht aan het licht dat er sinds 1973 een wooncaravan stond (was de gemeente de afgelopen 36 jaar kennelijk nooit opgevallen) en dat er zonder toestemming wijzigingen waren aangebracht aan het gehuurde. Overtredingen van de wet milieubeheer konden de inspecteurs niet vinden, want dat was allemaal piekfijn in orde. De gemeente eiste onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming binnen 14 dagen.

Om de arme ondernemer nog verder onder druk te zetten volgden er drie dwangbevelen. In de eerste werd hem gelast onmiddellijk de wooncaravan te verwijderen (die er dus sinds 1973 en bovendien met instemming van de gemeentelijke rentmeester stond). In de tweede stond dat er (mobiele) containers op het terrein stonden waarvoor hij een bouwvergunning had moeten hebben. In de derde stond dat de loods op het terrein in 1960 een paar meter minder groot was (dat die dus illegaal was uitgebreid) en dat de overkapping van de tankinstallatie illegaal was (hoewel het om een overkapping ging van twee vierkante meter zou ook daar een bouwvergunning voor nodig zijn).

De gemeente kon naderhand bij de rechter niet aantonen dat de loods groter was dan in 1960. De gemeente stelde zich op het standpunt dat de rentmeester 36 jaar geleden niet bevoegd was om namens de gemeente met het plaatsen van de caravan akkoord te gaan. Legalisatie van de overkapping van twee vierkante meter van de tankinstallatie werd geweigerd. De containers, die bestemd waren voor sloopmateriaal (banden, glas, e.d.) en regelmatig werden opgehaald en vervangen, moesten blijvend worden verwijderd. Kortom, het werd de ondernemer onmogelijk gemaakt zijn bedrijf voort te zetten.

Of voor containers die regelmatig opgehaald en vervangen worden een bouwvergunning nodig is de vraag. Op de twee afvalstations van de gemeente worden dezelfde containers op dezelfde manier gebruikt. Uit de beantwoording van de WOB-verzoek bleek dat de gemeente daar ook geen bouwvergunning voor had.  De gemeente bleef er echter bij dat de containers van de  ondernemer illegaal waren ivm het ontbreken van een bouwvergunning. Quod licet lovi non licet bovi (Wat Jupiter is toegestaan, is het rund nog niet toegestaan).

De ondernemer kreeg ernstige hartproblemen, liep leeg op advocatenkosten en besloot zijn verlies te nemen. Zoals dat met veel kleine ondernemers het geval is, was het bedrijf zijn pensioen. Dat was hij kwijt. De gemeente scheepte hem af met een bedrag dat nauwelijks voldoende was om zijn advocaat te betalen. En dus ging hij nog maar niet met pensioen. De kosten die de gemeente maakte voor de inhuur van advocaten en voor tijd die er in werd gestoken door de ambtenaren van Juridische Zaken, Toezicht en Handhaving, Grondbedrijf en Projectbureau Leidsche Rijn moeten zeer aanzienlijk zijn geweest. Als de gemeente dát geld had uitgetrokken om de ondernemer te compenseren, had die waarschijnlijk gezond en wel met pensioen kunnen gaan.

Verantwoordelijk wethouder was Harrie Bosch (PvdA). De SP, D66, Leefbaar Utrecht en GroenLinks vroegen Bosch in een open brief of hij de ondernemer niet wat meer tegemoet kon komen. Daar was Bosch niet toe bereid. Partijgenoot-raadsleden Beerlage en Engberts wisten van de hoed en de rand, maar deden hun mond niet open.

Ik schreef op 17 september 2009 een boze column over de kwestie in de De Nieuwe Utrechter: De dictatuur van de PvdA De PvdA had geen behoefte om daar op te reageren.