Monthly Archives: December 2013

Politici als moderne farizeeërs

Ruim tien jaar schrijf ik nu bezwaarschriften voor Utrechters die op een of andere manier gedupeerd zijn door een besluit van de gemeente. En omdat de gemeente zelden of nooit in een bezwaarschrift reden ziet om op een besluit terug te komen, stel ik even zo vaak beroep in bij de bestuursrechtbank.

Die bezwaren gingen tegen van alles en nog wat: strafkorting op uitkeringen, bestuursdwang om een schuurtje af te breken dat iets te groot was, bestuursdwang omdat gebruik werd gemaakt van een container zonder bouwvergunning, intrekken van een woonvergunning, vernietiging van opgeslagen inboedel na huisuitzetting, vergunning om een helikopterlandingsplaats aan te leggen op het dak van een bedrijfsgebouw, weigering om op te treden tegen agressie van buren, het kappen van bomen, het toestaan van detailhandel door de Jaarbeurs, sloopvergunningen die waren verstrekt zonder onderzoek te doen naar asbest, bouwvergunning voor de uitbreiding van Hoog Catharijne zonder onderzoek te doen naar overbewinkeling, verkeersplannen die voor extra luchtverontreiniging zorgen enz. enz.

In veel gevallen stuurde ik de gemeenteraad en de betreffende wethouder een kopie van het bezwaarschrift of een berichtje waarin ik de raadsleden/wethouders er op wees dat de gemeente toch wel erg onverschillig om gaat met de belangen van burgers. In verreweg de meeste gevallen reageren raadsleden en wethouders daar niet op en doen ze er ook niets mee. Voor mij staat het daarom vast dat het raadsleden (een enkele uitgezonderd) en wethouders totaal onverschillig laat of de burger onrecht wordt aangedaan door de gemeente. Het bericht dat volgens het RIVM en de GG&GD elk jaar 315 mensen voortijdig overlijden door fijnstofblootstelling en dat veel kinderen daar astma en ouderen copd van krijgen, dat raakt de meeste raadsleden, wethouders en de burgemeester kennelijk niet, want ze reageren niet eens op zulke verschrikkelijke berichten.

Ik heb mij vaak afgevraagd hoe die onverschilligheid verklaard moet worden. Je zou zeggen dat mensen die zich beschikbaar stellen voor publieke functies, volksvertegenwoordiger worden of in een college gaan zitten, dat doen uit idealisme. Dat beweren ze tenminste als je vraagt waarom ze zich beschikbaar stellen. Dat idealisme blijkt echter niet uit de onverschilligheid die zij aan de dag leggen voor gezondheid, welzijn en burgerrechten. Dat idealisme van raadsleden en van politici in het algemeen, daar geloof ik dus al lang niet meer in.

Waarom willen mensen in een gemeenteraad en in een college zitten als de gezondheid en het welzijn van de burgerij ze niet kan schelen? En waarom beweren ze dat ze zo idealistisch zijn? Het antwoord is dat mensen die raadslid, wethouder, burgemeester willen worden (of een ander publiek ambt willen bekleden) over het algemeen hele ijdele en ambitieuze mensen zijn. Mensen die graag in het middelpunt van de belangstelling staan, graag in de krant staan en op de tv komen. Mensen die belangrijk gevonden willen worden en graag gezien willen worden in het gezelschap van andere belangrijke mensen. En bij veel van die ijdeltuiten speelt natuurlijk een belangrijke rol dat de politiek een leuke opstap is naar een goed betaalde baan als (hoge) ambtenaar of als bestuurder in het bedrijfsleven. En hoe word je raadslid of wethouder? Door hoog op te geven over je idealisme, het volk te vertellen wat het horen wil, moeilijke discussies uit de weg te gaan en vooral geen kritiek te uiten op je eigen wethouder, je eigen partij, je eigen college of regering, want dan lig je er in je eigen kring snel uit. Politici zijn in mijn ogen dus eigenlijk, een enkele uitzondering daargelaten, een soort moderne farizeeërs. (Mat: 23: 1-12).

Voor de meeste mensen heeft het begrip “politiek” een negatieve lading. Het wordt door veel mensen geassocieerd met geslepenheid, hypocrisie, zakken vullen, vriendjespolitiek, baantjes jagerij. En een “politiek” antwoord is het synoniem voor een ontwijkend antwoord. Dat mensen zo over politiek en politici denken is niet voor niets. En ik vrees dat de mensen die zo graag raadslid, wethouder of politicus willen worden deze “politiek” juist aantrekkelijk vinden en dat dat dus uitgerekend niet de mensen zijn die we zouden moeten hebben.

De dierenboerderij, politici en Robert Michels

George Orwell publiceerde in 1945 zijn bekende Animal Farm. In 1947 in het Nederlands vertaald en uitgebracht met de titel “De boerderij der dieren, een sprookje voor grote mensen”. Nog altijd zeer de moeite waard als je iets van politiek wilt begrijpen. Het verhaal wil dat het in vertaling boven Rusland werd uitgestrooid om de Russen te waarschuwen tegen het communisme. Animal Farm is echter ook heel leerzaam als je iets wilt begrijpen van linkse politici die hun leiderschap aan de bevolking opdringen om de maatschappij radicaal te hervormen.

Het komt er in het kort op neer dat de dieren onder aanvoering van de varkens in opstand komen tegen de boer, hem verjagen en op de boerderij een zelfbestuur van dieren instellen. De varkens nemen daarbij de leiding, maar beginnen steeds meer op mensen te lijken. Het eind van het sprookje is dat de overige dieren door de varkens onderdrukt worden en dat de varkens het eigenlijk heel goed kunnen vinden met de boeren van boerderijen in de omgeving, ook op hun achterpoten gaan lopen en steeds meer op mensen gaan lijken.

In 1911 publiceerde de Duitse socioloog Robert Michels “Zur Soziologie des Parteiwesens in der modernen Demokratie. Untersuchungen über die oligarchischen Tendenzen des Gruppenlebens”. De conclusie van Michels is min of meer dezelfde als die van Orwell. Alleen heeft hij er 400 bladzijden voor nodig. Hij heeft ze kernachtig onder woorden gebracht als de ijzeren wet van de oligarchie. Gelukkig is er ook een verkorte Nederlandstalige uitgave, tot stand gekomen onder supervisie van en ingeleid door J. A. A. van Doorn, bij leven hoogleraar sociologie. Het werd uitgegeven in 1969 bij de Universitaire Pers Rotterdam en moet nodig herdrukt en opnieuw uitgegeven worden.

Een oligarchie is de staatsvorm waarbij de macht in handen is van een kleine groep mensen. Politieke partijen zijn volgens Michels altijd oligarchisch. Het schijnt niet anders te kunnen. Socialistische partijen, waar hij zijn onderzoek op concentreerde, zijn daarop volgens Michels geen uitzondering.

Er zijn altijd een handjevol lieden die zich geroepen voelen in een politieke partij de lakens uit te delen. Ze roepen uiteraard dat ze zoveel mogelijk leden er bij betrekken willen, maar zorgen er ondertussen voor de touwtjes stevig in eigen hand te houden. Leden die zich aanbieden mee te denken worden zoveel mogelijk buiten de deur gehouden omdat ze worden beschouwd als mogelijk rivalen. Het is dus geen wonder dat hooguit 1% van de bevolking lid is van een politieke partij.

Soms lukt het bazen in een partij alleen om opstandige leden koest te houden door er een paar van in het bestuur op te nemen en daar de macht mee te delen. Dat is dan ook meteen  het einde van de oppositie, omdat die opstandige leden, zodra ze in de macht delen, precies zo blijken te denken en handelen als de bazen waar ze tegen in opstand kwamen. Dat het allemaal totaal anders moet (vooral meer gelijkheid!) riepen ze alleen om genoeg achterban te mobiliseren, zodat de leiding van de partij gedwongen wordt hen in hun midden op te nemen.

De boodschap van Orwell is dat je goed moet uitkijken voor lieden die staan te trappelen om de macht over te nemen. De boodschap van Michels is dat politieke partijen een bedreiging vormen voor de democratie, omdat de lieden die het in die partijen voor het zeggen hebben er altijd op uit zijn dat zo te houden: de ijzeren wet van de oligarchie.

College aanvaardt grote kans vroegtijdige sterfte door luchtverontreiniging

De antwoorden van het college van B en W Utrecht (20 december 2013) op de schriftelijke vragen van de raadsleden Schipper (SP) en Oldenborg (Stadspartij LU) geven een wel zeer ontluisterend beeld van de besluitvorming in het college en van de prioriteiten van dit college. Kennelijk wilde het college zich niet, vlak voor zijn vertrek als burgemeester, van Wolfsen distantiëren, die in dit dossier, vanaf dat hij burgemeester werd, een hoofdrol heeft gespeeld.

Schipper en Oldenborg vroegen of het college de beschuldigingen die ik in 2008 uitte aan het adres van drie medewerkers (luchtkwaliteitsdeskundigen) inhoudelijk had beoordeeld alvorens op 16 juni 2008 te beslissen “hun” juridische actie tegen mij te financieren. Het antwoord was: nee, de beschuldigingen waren beledigend (antwoord op vraag 13).

Eerder was gebleken dat het college zich destijds ook niet door een deskundige had laten adviseren over de vraag of mijn beschuldigingen misschien gegrond waren. Uit stukken die het college pas na een jaar en na een beroep op de rechter vrij gaf bleek dat het college zelfs niet aan de medewerkers gevraagd had mijn beschuldigingen te weerleggen. Onnodig te vermelden, dat het college ook niet aan mij vroeg mijn beschuldigingen hard te maken.

In een paar columns had ik, kort en zakelijk samengevat, de luchtkwaliteitsdeskundigen verweten de lucht schoon te rekenen en de wethouder en de gemeenteraad verweten daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Daarbij had ik als mijn mening gegeven dat ze daardoor verantwoordelijkheid droegen voor aanzienlijke gezondheidsschade in Utrecht door luchtverontreiniging.

De strekking van en het woordgebruik in de columns waren inderdaad beledigend, maar dat hoeft, zoals het gerechtshof naderhand stelde, niet onrechtmatig te zijn. Het gerechtshof overwoog: “Anders dan [  ] c.s. betogen, maakt dit enkele oogmerk van het op de man spelen door middel van opzettelijke beledigingen de uitingen nog niet onrechtmatig”(…). Maar, zo overwoog het gerechtshof, daar moet dan wel een feitelijke onderbouwing voor zijn.

Dus, of je iemand publiekelijk mag uitmaken voor iets lelijks (bijvoorbeeld leugenaar) hangt er in de eerste plaats van af of je aannemelijk kunt maken dat hij inderdaad iets lelijks gedaan heeft (liegen bijvoorbeeld). Of je iemand mag uitmaken voor dief, hangt er vanaf of je aannemelijk kunt maken dat hij gestolen heeft. En of je iemand of de gemeente publiekelijk mag verwijten dat zij de lucht schoonrekenen, waardoor mensen een groot gezondheidsrisico lopen, hangt er dus van af of dat schoonrekenen aannemelijk valt te maken.

Iemand uitmaken voor leugenaar, dief, oplichter o.i.d. is inderdaad beledigend, maar of die belediging onrechtmatig is of niet hangt af van de vraag of die belediging voldoende feitelijk kan worden onderbouwd. Dat was het oordeel van het gerechtshof en dat is vaste jurisprudentie. Dat zou dus ook voor het college de vraag hebben moeten zijn.

Het college volstond met vast te stellen dat mijn beschuldigingen beledigend waren en stelde zich daarbij niet de vraag of ik die beschuldigingen feitelijk kon onderbouwen. Het college was en is totaal niet in de feiten geïnteresseerd. Het vroeg zelfs niet aan de medewerkers mijn beschuldigingen te weerleggen. Het college heeft inmiddels ruim 110.000 euro uitgegeven aan de juridische actie van de medewerkers en heeft zich tot op heden niet de vraag gesteld of mijn beschuldigingen ook maar enigszins gegrond waren.

Het college had echter meer dan voldoende redenen om zich af te vragen of mijn beschuldigingen met feiten zouden kunnen worden onderbouwd. Niet alleen had de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht (SSLU) al jaren geroepen dat de berekeningen niet deugden, tussen oktober 2005 en mei 2008 had de gemeente bovendien een tiental procedures verloren bij de bestuursrechter waarbij het ging om de berekening van luchtkwaliteit. Terwijl het dus juist erg voor de hand lag te onderzoeken of mijn beschuldigingen terecht waren, besloot het college de medewerkers zelfs niet om een weerlegging te vragen, laat staan mij te vragen mijn beschuldigingen hard te maken.

Voor het huidige college komt er nog een hele goede reden bij om zich af te vragen of mijn beschuldigingen over schoonrekenen terecht waren. De op die berekeningen gebaseerde voorspelling (in 2006 en 2007) dat Utrecht in 2010 zeker aan de luchtkwaliteitsnormen zou voldoen (de NO2-norm) en dat er geen aanvullende maatregelen nodig waren, bleek er helemaal naast te zitten. Volgens de meest recente  berekeningen is het zelfs de vraag of Utrecht (ondanks versoepeling van meet- en rekenvoorschriften!) in 2015 alsnog aan de NO2-norm kan voldoen. Overigens toonde de SP in 2009 door middel van metingen aan dat er inderdaad schoon gerekend werd (http://utrecht.sp.nl/nieuws/2009/09/stop-het-schoonrekenen) en werd door Kema een vernietigend rapport uitgebracht over de luchtkwaliteitsberekening in Utrecht. Niet voor niets besloot de gemeenteraad daarna een meetnet op te zetten.

Het college had en heeft verder nóg een reden, de meest dringende reden. Uit studies van het RIVM (Trends in the environmental burden of disease) in 2005 kwam naar voren dat er mogelijk elk jaar 18.000 mensen in Nederland vroegtijdig overlijden door luchtverontreiniging. Daarbij zou sprake kunnen zijn van een gemiddelde levensduurverkorting van ca. 10 jaar. De GG&GD Utrecht rekende in april 2008 uit dat het dan om 315 vroegtijdige sterfgevallen zou gaan alleen al in Utrecht. Je zou zeggen, dat dat op zichzelf al meer dan voldoende reden zou moeten zijn om zich grote zorgen te maken en wél te onderzoeken of mijn beschuldigingen soms grond van waarheid bevatten. Dat was en is het voor het Utrechtse college kennelijk niet. (*)

Waarom weigert een college (ook het huidige college), terwijl daar alle aanleiding toe bestaat, zich de vraag te stellen of de beschuldiging van schoonrekenen (en de ernstige gevolgen daarvan voor de gezondheid van Utrechters die langs drukke wegen wonen) grond van waarheid bevatten? Waarom gaat een college de discussie daarover uit de weg? Waarom heeft wethouder Lintmeijer (GroenLinks) met geen woord gereageerd op de kritiek in het Zwartboek Gebakken Lucht dat hem op 4 februari 2012 werd aangeboden? En waarom financiert een college de juridische actie van de medewerkers zonder hen ook maar te vragen mijn beschuldigingen te weerleggen? (**)

Het antwoord kan slechts zijn: omdat de aanmerkelijke kans dat er schoongerekend werd door het Utrechtse college bewust werd aanvaard om de ruimtelijke ambities van de gemeente (die een zeer forse toename van het autoverkeer van en naar het stationsgebied met zich meebrengen), ondanks de aantoonbare schadelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit en de gezondheid, toch te kunnen realiseren. Het college bestond destijds uit PvdA, GroenLinks, Christenunie en CDA. Partijen die, afgezien van het CDA, hun mond vol hebben over schone lucht en milieu.

Uit de antwoorden van het college op de vragen van Schipper en Oldenborg blijkt dat dat ook voor het huidige college van PvdA, GroenLinks en D66 geldt. Vandaar dat het , ook weer zonder enig onderzoek naar de feiten, blijft bij het standpunt van het vorige college en nog  steeds weigert te onderzoeken of de beschuldigingen gegrond waren. Daarbij speelt voor de PvdA en GroenLinks uiteraard een belangrijke rol dat voor alles moet worden voorkomen dat uit een onderzoek blijkt dat partijgenoten in het vorige college medeverantwoordelijk waren voor een kostbaar, ongefundeerd en ongezond besluit.

Dan maar liever doorgaan met het subsidiëren van de juridische actie van de drie medewerkers. De teller staat op 110.000 euro. Partijpolitiek mag wat kosten, de belastingbetaler betaalt toch wel. Dat gaat dus nog jaren door. En het vroegtijdig overlijden van 315 burgers per jaar (GG&GD Utrecht april 2008)? Daar liggen de coalitiepartijen PvdA, GroenLinks en D66 kennelijk niet wakker van. Ook in de afgelopen collegeperiode heeft er weer geen onderzoek plaatsgevonden naar de omvang van de gezondheidsschade en het vroegtijdig sterven door luchtverontreiniging langs drukke wegen in Utrecht. De GG&GD krijgt daar geen geld voor. Wat niet weet wat niet deert.

(*) Noch het vorige college, noch het huidige college heeft het nodig gevonden Uberhaupt onderzoek te laten doen naar gezondheidsschade door luchtverontreiniging bij bewoners langs drukke wegen. Het lijkt wel of het college dat helemaal niet weten wil.

(**) De vraag of er wel of niet werd schoongerekend bij Utrechtse luchtkwaliteitsberekeningen is in de verschillende procedures tot op heden door de rechters in het midden gelaten.

Waarom controleert de gemeenteraad niet?

Met de wet op dualisering (2002) werd beoogd de controlerende functie van de gemeente- raad te versterken. Ruim 10 jaar later moeten we vaststellen dat er van de controlerende functie van de gemeenteraad nog steeds weinig terecht komt. De dienst bij de gemeente, de provincie en het rijk wordt nog steeds uitgemaakt door wat sinds de oratie van hoogleraar en staatsraad Crince Le Roy (1969) de “vierde macht” is gaan heten: de macht van de ambtelijke bureaucratie.

In 2000 kwam de hoogleraar Bovens op het onderwerp terug. In zijn oratie “De vierde macht revisited” stelde hij vast dat de vierde macht niets van haar macht had ingeboet sinds Crince Le Roy die in 1969 ter discussie had gesteld. Zowel Crince Le Roy als Bovens verklaren die macht voornamelijk uit de kennisvoorsprong van de ambtelijke dienst. Utrecht had tot voor kort ruim 4000 ambtenaren. Daar moet dan leiding aan gegeven worden door zes wethou- ders en een burgemeester, die op hun beurt gecontroleerd moeten worden door 45 part- time raadsleden.

Leidinggeven en controleren aan zo’n overweldigende meerderheid van ambtenaren waarvan de meesten over gespecialiseerde kennis beschikken over de (groeiende) wet- en regelgeving stelt hoge eisen aan het politiek bestuur. Het is met name de taak van de gemeente- raad als volksvertegenwoordiging om zoveel tegenwicht te bieden dat de ambtelijke dienst niet compleet haar eigen gang gaat. De wet op de dualisering moest ervoor zorgen dat de gemeenteraad haar controlerende taak beter zou gaan uitvoeren, want daar kwam naar het oordeel van de bedenkers van de wet niet veel van terecht.

De belangrijkste verandering die de wet op de dualisering bracht is dat wethouders niet langer deel uitmaken van de gemeenteraad. Ze hoeven ook niet meer uit de gemeenteraad gekozen worden of zelf lid te zijn van een politieke partij. De gemeenteraad kan dus besluiten wethouders te benoemen om hun vakkennis en bestuurlijke ervaring. Deze verandering was bedoeld om ervoor te zorgen dat de gemeenteraad zich onafhankelijker zou opstellen tegenover het college.

Voordat de wet op de dualisering werd ingevoerd vormden de wethouders één blok met hun raadsfractie, waar ze zelf deel van uitmaakten. Dat betekende in de praktijk dat de fractie het altijd voor de eigen wethouder opnam als daar kritiek op kwam en dat er dus geen redelijke discussie in de gemeenteraad mogelijk was. Anders de bedenkers van de wet op de dualisering hadden verwacht, heeft de wet op de dualisering niet tot de beoogde verandering geleid. Nog steeds neemt de fractie het doorgaans voor de eigen wethouder op, kan je eigenlijk alleen wethouder worden als je een trouw en prominent lid van een politieke partij en is de onafhankelijk beoordeling door de gemeenteraad van het college ver te zoeken.

Vakkennis is bij de keuze van wethouders nog steeds geen criterium. Mirjam de Rijk (GroenLinks) kreeg de portefeuille financiën, terwijl ze niets van gemeentefinanciën afwist. Lintmeijer kreeg de portefeuille verkeer en luchtkwaliteit, terwijl hij daar nog nooit mee te maken had gehad en er niets van afwist. Everhardt kreeg de portefeuille Stationsgebied, terwijl zijn kennis en ervaring lag op het gebied van psychologie en verslavingszorg. Ook sinds de wet op de dualisering hoef je als wethouder geen specifieke kennis te hebben, als je maar voldoende vrienden in je eigen partij hebt, over een vlotte babbel beschikt en leuk op het publiek overkomt. Er is dus inderdaad niets veranderd.

Wat er gebeurt als een wethouder geen autoriteit is in het vakgebied dat binnen zijn portefeuille vallen, laat zich raden. Hij wordt binnen de kortste keren door zijn ambtelijke adviseurs ingepakt, waardoor hij niet veel meer is dan een veredelde woordvoerder van zijn ambtenaren. Door zijn gebrek aan vakkennis kunnen ze hem alles wijsmaken en loopt hij een grote kans stukken te tekenen waar dingen in staan waar hij niets van begrijpt en die hij dus beter niet kan tekenen. Een treffend voorbeeld is Lintmeijer (GroenLinks). Zijn ambtelijke adviseur (“programmamanager luchtkwaliteit”) liet hem op 1 december 2010, de man was sinds april wethouder, het volgende aan de raadscommissie Stad en Ruimte voor zijn reke- ning nemen:

“Wij kunnen u melden dat de door Utrecht aangeleverde gegevens voor de monitor 2010 op gedegen wijze tot stand zijn gekomen. De hieraan ten grondslag liggende documenten worden aan de rijksoverheid beschikbaar gesteld als onderbouwing van de gegevens uit Utrecht. In 2009 is door Kema een audit uitgevoerd op de luchtkwaliteitsberekeningen. Hier is geconcludeerd dat de gemeente dit op gedegen wijze doet. Ook zijn ten aanzien van  het verkeersmodel, geen onvolkomenheden geconstateerd”

Hoe de luchtkwaliteit berekend wordt, welke “aangeleverde gegevens” daarvoor nodig zijn en op wat voor die manier die gegevens verzameld worden, daar had Lintmeijer geen idee van. Dat Kema er juist op gewezen had dat er nogal schortte aan die invoergegevens wist hij niet, want hij kende dat Kema-rapport niet. Dat het RIVM had gerapporteerd dat onderliggende documenten als onderbouwing van “aangeleverde gegevens” juist ontbraken, wist hij ook niet, want hij kende die RIVM-rapportages niet. Dat het verkeersmodel in korte tijd de meest tegenstrijdige intensiteiten had berekend, dat wist Lintmeijer ook niet. Het zou overigens een wonder zijn geweest als Lintmeijer dat allemaal wel had geweten, want hij was er als communicatiesocioloog totaal niet in thuis.

Je hoeft als wethouder, als je ergens helemaal geen verstand van heb, maar één keer in goed vertrouwen op je ambtelijke adviseurs af te gaan en je bent “kat in het bakkie”: je kunt nooit meer iets anders beweren, want dan word je uitgemaakt voor wijfelaar of je krijgt het verwijt dat je de raad niet goed hebt geïnformeerd. En dus ga je door op de weg die je ingeslagen bent toen je in je onwetendheid op het advies van je ambtenaren afging. Lintmeijer houdt dus tot op heden vol dat er niets mis is met die invoergegevens en met het verkeersmodel en vermijdt discussies met critici waarin hij geconfronteerd kan worden met voorbeelden die het tegendeel uitwijzen. Zoals De Rijk discussies vermijdt over de berekening van het resultaat van haar klimaatbeleid, Wolfsen over criminaliteitsstatistieken en Everhardt over het aantal Utrechters dat mogelijk voortijdig overlijdt door luchtverontreiniging.

Dat de “vierde macht” de dienst uitmaakt en er van de controle door de gemeenteraad weinig terechtkomt valt nu te verklaren uit een combinatie van twee factoren.
1. De wethouder (of burgemeester) wordt niet benoemd om zijn vakkennis en is dus een makkelijke prooi voor ambtelijke diensten die hem voor hun karretje spannen.
2. Wethouders (én burgemeesters) komen voort uit politieke partijen en kunnen er daardoor op rekenen dat in elk geval hun politieke partij in de gemeenteraad het voor hen opneemt als ze kritiek over zich heen krijgen. En coalitiepartijen zijn aan elkaar min of meer verplicht  elkaars collegeleden niet te laten struikelen.

Door de leden van het college in te pakken heeft de ambtelijke dienst indirect dus ook de coalitie van partijen in de gemeenteraad (waar het college op steunt) in haar macht: standpunten die de wethouder door zijn ambtenaren worden opgedrongen worden door de raadsfractie overgenomen en verdedigd. Toen Robert Giesberts (GroenLinks) als kersverse wethouder (2006), op advies van zijn ambtenaren met het ongelukkige voorstel kwam de kapverordening af te schaffen, waardoor voor het kappen van bomen geen vergunning meer nodig zou zijn, werd dat standpunt in de gemeenteraad prompt overgenomen en verdedigd door de fractie van GroenLinks. En wie kritiek heeft op de luchtkwaliteitsberekeningen van de afdeling Milieu vindt bij Peter van Corler (GroenLinks) geen gehoor, want partijgenoot-wethouder Lintmeijer is daarvoor verantwoordelijk en dus zijn die berekeningen goed.

De oplossing: benoem alleen nog maar vakbekwame wethouders zonder politieke binding. Dan zal de gemeenteraad zich onafhankelijk en kritisch opstellen. Maar helaas, er zijn teveel raadsleden en politici die graag wethouder of burgemeester willen worden. En dus komt er van de dualisering en de controlerende gemeenteraad niets terecht.

 

 

 

 

Bij het afscheid van Wolfsen

IMGP2673
tekening Pierre Pourchez

Wolfsen en de vrijheid van meningsuiting

Dat Wolfsen er geen probleem mee heeft om de pers de mond te snoeren is inmiddels wijd en zijn bekend. De mailtjes die hij hoofdredacteur Kalmann van het AD stuurde om de publicatie over zijn pensiondeclaraties te verhinderen en het feit dat op zijn dringend verzoek de oplage (120.000 ex.) van Ons Utrecht in de schredder verdween, omdat daarin een artikel over zijn pensiondeclaraties stond, ligt nog vers in het geheugen en de herinnering daaraan zal hem nog vele jaren blijven achtervolgen.

Voor oplettende raadsleden kon Wolfsen’s persbreidel (begin 2009) geen verrassing zijn. Dat hij er niet voor terugdeinst kritische burgers de mond te snoeren bleek namelijk al meteen in het voorjaar van 2008 toen hij net burgemeester was. Ik weet dat zo goed, omdat ik als kritisch en lastig rechtshulpverlener zelf het voorwerp was van zijn pers- en kritiekvijandige chicanes.

Op 16 juni 2008 nam het college het besluit juridische stappen tegen mij te nemen. Dat was twee weken nadat wethouder Tymon de Weger (Christenunie) in een interview in de NRC liet weten dat ik er alleen maar op uit was de gemeente dwars te zitten. Zo werd kennelijk gedacht in het Utrechtse college over iemand wiens beroep het is rechtsbijstand te verlenen aan burgers die naar de bestuursrechter stappen om te bereiken dat de gemeente zich aan de wet houdt.

 interview nrc de weger

De gemeente had toen net weer een zaak over luchtkwaliteit verloren (over de Majellaknoop) en moest bovendien 3000 euro dwangsom betalen aan de Stichting Stop Luchtverontreiniging. Het getergde college besloot dus om mij flink te grazen te nemen. In dat college zaten, laten we dat vooral niet vergeten ook twee wethouders van GroenLinks (Robert Giesberts en Cees van Eijk) en van de PvdA (Harrie Bosch en Rinda den Besten).

Nu valt het voor een overheid in een democratische rechtsstaat niet mee juridische stappen te nemen tegen een rechtshulpverlener die lelijke dingen zegt en schrijft over de gemeente. Dat had ik namelijk gedaan: over de wethouder, over de gemeenteraad en over een paar medewerkers. Het college had al geprobeerd het OM over te halen om mij strafrechtelijk te vervolgen, maar het OM bedankte ervoor om zich voor het karretje van het Utrechtse gemeentebestuur te laten spannen.

Wolfsen had overigens al eerder uitgelegd in een brief waarvan de voorzitters van de raadsfracties een kopie ontvingen: “Helaas is de kans dat de aangifte wordt gevolgd door een vervolging 10%. In het wetboek van strafrecht is kort gezegd opgenomen dat belediging niet strafbaar is als het gaat om een oordeel over het behartigen van het openbare belang (artikel 266, tweede lid, van het wetboek van Strafrecht)”. Voor Wolfsen (gewezen rechter en – hoofd afdeling juridische zaken en beleid, directe rechtspleging, ministerie van justitie) bekende kost. Let overigens vooral op het woordje “helaas“! Als het aan Wolfsen lag, zou het tweede lid van artikel 266 dus geschrapt mogen worden en zouden al te kritische journalisten en rechtshulpverleners gewoon strafrechtelijk vervolgd moeten kunnen worden.

Wolfsen had ook al eens overwogen en gedreigd mij als belangenbehartiger te weigeren. De Algemene wet bestuursrecht (art. 2:2) voorziet in die mogelijkheid als de belangenbehartiger herhaaldelijk de normale gang van zaken, eventueel onder bedreiging van geweld, verstoort of blijk geeft van evidente en ernstige ondeskundigheid (aldus de memorie van toelichting), waarin verder staat dat van die mogelijkheid in geen geval gebruik mag worden gemaakt om zich van een “bekwame en daardoor lastige” tegenstander te ontdoen. Deze maatregel viel ook niet tegen mij in stelling te brengen, want het probleem met mij was dat ik niet gewelddadig, niet evident incompetent en alleen maar erg lastig was.

Een civiele procedure tegen mij beginnen wegens belediging en het dwarszitten van de gemeente zou ook al kansloos zijn. Rechters moeten namelijk uiterst terughoudend zijn de kritiek van burgers op overheidsdienaren en de overheid inhoudelijk te beoordelen. Dat is (dankzij het EVRM) de jurisprudentie, omdat anders niemand meer kritiek op de overheid durft te uiten. In dictaturen kan je als kritisch journalist of rechtshulpverlener zo maar vervolgd en veroordeeld worden wegens kritiek op de overheid, maar in een democratische rechtsstaat kan dat niet. Althans niet zolang figuren als Wolfsen daar de kans niet toe krijgen.

Om toch iets tegen mij te kunnen ondernemen bedacht het college, dat niet de gemeente zelf zich bij de rechter over mij moest beklagen, maar dat een paar “individuele burgers” dat moesten doen. Heel slim, want de rechter is wel bereid om kritiek op en beschuldigingen aan het adres van individuele burgers te beoordelen (of die feitelijk gefundeerd is), maar dus niet als de overheid het voorwerp is van kritiek en beschuldigingen.

Een goed voorbeeld daarvan is de uitspraak in de zaak van de huisarts Van der Linde, die het RIVM en Coutinho ervan beschuldigde naar de pijpen van de farmaceutische industrie te dansen. Ook al kon de huisarts zijn beschuldigingen niet hard maken, de rechter besliste dat hij niet onrechtmatig had gehan­deld, want het voorwerp van de kritiek was immers de overheid (het RIVM) en een medewerker van die overheid (Coutinho).

Om mij in een civiele procedure aan te kunnen pakken moest de gemeente daar zelf dus beslist niet aan meedoen: de schijn moest worden vermeden dat de overheid er iets mee te maken had, laat staan het initiatief tot de actie zelf genomen had. De rechter moest er van overtuigd worden dat het hier echt ging om een paar individuele burgers die door mij in hun privacy en goede naam waren aangetast. Dat deze individuele burgers bij de gemeente Utrecht werkten als luchtkwaliteitsdeskundigen moest als een irrelevante bijkomstigheid gebracht worden.

Waarschijnlijkheid hadden die drie medewerkers niet zoveel zin om zich voor het karretje van het college te laten spannen, want zij zouden daardoor zeker negatief in de publiciteit komen. Daar hebben zij zich achteraf ook vaak over beklaagd. Maar toen het college aanbood de kosten van juridische actie te vergoeden konden ze moeilijk nee zeggen. Een weigering om dankbaar gebruik te maken van dit “goed werkgeverschap” zou het college zeker niet gewaardeerd hebben. Twee van de drie medewerkers werkten met een eigen commercieel adviesbureau voor de gemeente en wilden dat natuurlijk graag zo houden.

Achter de schermen deed de gemeente overigens wel degelijk mee. Niet alleen werd de juridische actie door de gemeente gefinancierd, maar ook de afdeling Juridische Zaken was er bij betrokken. In feite ging het dus wel degelijk om een actie van de gemeente zelf, waarvoor dus ook gemeentelijke ambtenaren in werden gezet, maar de bedrieglijke schijn moest bij de rechtbank worden gewekt dat de gemeente er helemaal buiten stond.

Uit stukken die het college met alle geweld geheim probeerde te houden, maar onder druk van de bestuursrechter recentelijk openbaar werden gemaakt, blijkt dat het college Wolfsen het mandaat gaf dit varkentje te wassen, wat overigens aan de medeverantwoordelijkheid van de andere collegeleden niets afdoet. Ook de actieve betrokkenheid van de afdeling Juridische Zaken komt in die stukken duidelijk naar voren.

Toen bekend werd dat het college de juridische actie van de “individuele burgers” / medewerkers financierde (het was toen nog niet bekend dat Juridische Zaken er ook bij betrokken was) werden daar door raadsleden vragen over gesteld. Vooral omdat twee van de drie medewerkers directeur waren van een commercieel adviesbureau, waarvoor de gemeente toch de juridische kosten zeker niet hoefde te betalen.

Het vrome verhaal van Wolfsen was dat de gemeente zich als “goed werkgever” vierkant en voor 100% achter haar medewerkers wenste op te stellen door de kosten van hun juridische actie te vergoeden. Het college zag het kennelijk niet als goed werkgeverschap te controleren of mijn kritiek gegrond was op de gemeentelijke luchtkwaliteitsberekeningen en evenmin om te onderzoeken wat er waar was van mijn beschuldiging dat veel Utrechters voortijdig overlijden doordat de lucht werd schoongerekend en passende maatregelen daardoor niet nodig leken te zijn.

Het verhaal van Wolfsen was buitengewoon hypocriet, alleen al omdat de drie medewerkers  met de door de gemeente gefinancierde juridische actie helemaal niet geholpen waren. Ze kwamen door de procedures juist keer op keer negatief in het nieuws en hebben zich daar ook vaak over beklaagd. Als ervaren jurist wist Wolfsen ook dat dat het geval zou zijn. Wolfsen heeft de drie medewerkers dus gewoon voor de verkapte gemeentelijke actie laten opdraaien, wetende dat zij daar veel schade van zouden ondervinden. Overigens werd één van de externe medewerkers niet lang daarna aan de dijk gezet. En bovendien maakte de gemeente bekend dat hij in vier jaar tijd 1,4 miljoen euro aan de gemeente had verdiend, waar de gemeenteraad erg boos over werd en waar de landelijke pers uitvoerig over schreef.

Dat wat betreft de mythe van het “goed werkgeverschap” van Wolfsen, waar de gemeenteraad (ook de huidige gemeenteraad!) zich graag van liet overtuigen, want net als Wolfsen vindt ook de gemeenteraad het maar lastig als kritische burgers naar de bestuursrechter stappen en als de gemeente gedwongen wordt zich aan de wet te houden. En net als Wolfsen had en heeft het college (inmiddels GroenLinks, PvdA en D66) en de gemeenteraad er geen enkel probleem mee als de gemeente medewerkers (luchtkwaliteitsdeskundigen) van de gemeente in de hoedanigheid van “individuele burgers” een juridische strijd voor de gemeente laat opknappen, die zij dankzij de financiële steun (het is immers toch maar gemeenschapsgeld!) en ambtelijke ondersteuning door de gemeente natuurlijk veel langer (namelijk eindeloos) kunnen volhouden dan de lastige rechtshulpverlener die de procedures uit eigen zak moet betalen en het werk zonder ambtelijke ondersteuning en dus voornamelijk zelf moet doen. Op 4 april 2013 besloot een vrijwel volledige gemeenteraad (alleen de SP was tegen) dat het beter was de zaak aan het college (lees Wolfsen) over te laten en dat het beter was er niet van op de hoogte te zijn.

Dat Wolfsen ruim een half jaar na het besluit (16 juni 2008) mij te laten dagvaarden wegens mijn kritiek op de gemeente, het AD onder druk zette om een hem onwelgevallig artikel niet te publiceren, een uitstekend journalist die al 10 jaar over de gemeentepolitiek schreef het werken voor de redactie Utrecht onmogelijk maakte en er geen been in zag om een hele oplage van Ons Utrecht te laten versnipperen hoefde dus geen verrassing zijn. Hij had immers kort na zijn aantreden als burgemeester, begin 2008, al laten zien listige juridische kunstgrepen niet te schuwen om kritiek en beschuldigingen aan het adres van de gemeente te onderdrukken en hij had bovendien inmiddels begrepen dat de gemeenteraad het, net als hij, niet zo nauw nam met de vrijheid van meningsuiting. Dat de gemeenteraad er een probleem van maakte dat hij de publicatie over zijn pensionkosten verhinderde, had hij duidelijk niet verwacht en dat valt gelet op de eerder gebleken volgzaamheid van de Utrechtse gemeenteraad wel te begrijpen.

De Utrechtse politiek haalt, na de opeenstapeling van incidenten, opgelucht adem nu Wolfsen besloten heeft het na zijn eerste termijn van zes jaar voor gezien te houden. Alsof de problemen met het leiderschap in Utrecht daarmee zouden zijn opgelost. Het grootste probleem is niet dat Wolfsen kennelijk de innerlijke drang mist om de vrijheid van meningsuiting te eerbiedigen en totaal ongevoelig is voor kritiek, maar dat hij niet weggestuurd werd, dat de lokale politiek (alleen de SP, Leefbaar Utrecht en de groep Mossel vonden dat hij weg moest nadat op zijn verzoek de hele oplage van Ons Utrecht werd vernietigd) daar te laf voor is en er kennelijk niet zo zwaar aan tilt dat hij geen boodschap heeft aan de vrijheid van meningsuiting.

De politiek zou zich moeten schamen dat ze het niet nodig vond en de moed niet had Wolfsen weg te sturen. Als Wolfsen niet zelf besloten had er na zes jaar mee op te houden hadden we het nog eens zes jaar met hem moeten doen. En als niemand daar een stokje voor steekt krijgt hij zo weer een invloedrijke publieke functie of wordt hij (weer) rechter of staatsraad. Bij zijn afscheid zullen er echter ongetwijfeld weer vriendelijke en vlijende woorden gesproken worden.

Eerst komt de actie en dan de rede

Actie voeren om beslissingen van de gemeente tegen te houden of te beïnvloeden is een beetje uit de tijd. In de loop van de tachtiger jaren ontdekten bestuurders dat ze weerstanden bij de bevolking beter konden overwinnen door middel van intensieve voorlichting en het organi- seren van zoveel mogelijk inspraak. Ook werden de mogelijkheden uitgebreid om bezwaar te maken en beroep in te stellen tegen beslissingen van de overheid. Sindsdien denken veel mensen dat ze meer kunnen bereiken door aan de overlegtafel aan te schuiven met met de overheid of in klankbordgroepen te gaan zitten dan door protestbijeenkomsten te houden en acties te voeren.

Mijn ervaring en die van veel andere burgers is dat inspraak de burger veel tijd kost en dat het heel weinig uithaalt. De bedoeling van inspraak en overleg met bewoners is ook zelden om echt rekening te houden met de wensen en inzichten van die bewoners. De bedoeling is veeleer om een plan of beleid dat al lang vaststaat door bewoners geaccepteerd te krijgen. En dat doet de gemeente door de suggestie te wekken dat bewoners er invloed op hebben gehad. Overigens zijn inspraakprocedures, net als bezwaarprocedures, een bron van ambtelijke werkgelegenheid.

De afweging ‘dialoog of actie’ kun je op twee manieren maken. Je kunt de vraag stellen: wat hebben we eigenlijk bereikt door aan inspraak en overleg mee te doen en wat met actie voeren? Die discussie heeft weinig zin, want naast veel voorbeelden van mislukte inspraak zijn er veel voorbeelden te vinden van mislukte acties. De discussie zou je fundamenteler kunnen voe- ren door de vraag te stellen of het mens- en maatschappijbeeld dat achter de voorkeur voor de dialoog steekt wel zo realistisch is.

Dialoog veronderstelt dat mensen zich laten leiden door redelijke argumenten, ook als die redelijke argumenten botsen met hun belangen en met opvattingen die in hun kring gangbaar zijn. Het is vaak en uitvoerig onderzocht: daar is geen sprake van. De angst om een ander standpunt in te nemen dan dat van collega’s, meerderen, ambtelijke medewerkers, partijgenoten en de media is zo sterk dat mensen zich maar al te vaak afsluiten voor feiten en inzichten die hen aan het twijfelen kunnen brengen.

De opvatting van Marx dat het denken van mensen nauw verbonden is met hun maatschappelijke positie is in de sociale wetenschappen inmiddels een open deur. Volgens de sociale psychologie hebben mensen bijvoorbeeld sterk de neiging zelfs hun waarneming van feiten in overeenstemming brengen met opvattingen in hun omgeving. De socioloog Mannheim bracht het begrip ‘zijnsverbonden denken’ in omloop. Alleen dacht hij, heel naïef, dat intellectuelen daar geen last van zouden hebben. Zimbardo heeft in Het Lucifereffect allerlei onderzoek beschreven waaruit blijkt dat sociale druk zo allesbepalend is dat mensen niet of nauwelijks ontvankelijk zijn voor redelijke argumenten of een appel aan hun geweten.

Wanneer wethouders en raadsleden niet of alleen maar heel formeel reageren op adviezen en kritiek van bewonersgroepen en wijkraden (“voor kennisgeving aangenomen”), dan is dat niet omdat ze het te druk hebben, maar omdat ze met dat advies of die kritiek in hun maag zitten. Als ze zich er namelijk door zouden laten overtuigen, riskeren ze in de fractie alleen te komen te staan en irritatie op te roepen bij de eigen wethouder. De wethouder die openstaat voor redelijke argumenten van burgers, riskeert tegenwerking van ambtenaren. En als een wethouder of raadslid niet stevig in zijn schoenen staat, kiest hij voor de makkelijkste oplossing: kritische brieven en notities van burgers gaan ongelezen de prullenmand in.

Kortom: de opvatting dat je als burger of als groep van burgers iets zou kunnen bereiken door redelijke argumenten naar voren te brengen in een dialoog met wethouders en raadsleden (zeker als die daar zelf niet om vragen) is naïef. Je zult eerst iets aan de machtsverhoudingen moeten doen. Zorgen dat de gemeente niet alleen maar naar Cório, de Jaarbeurs en de Rabobank luistert, maar ook en vooral naar de gewone burger en ondernemer. Dat bereik je dus niet door wethouders en raadsleden uit te leggen wat de grondprincipes zijn van de democratie, maar alleen door stevig en met zo veel mogelijk medestanders je ongenoegen te laten blijken als de gemeente jouw leefmilieu en jouw gezondheid (envan je (klein)kinderen) ondergeschikt maakt aan de belangen van de gemeentelijke bureaucratie en een klein clubje grote ondernemers.

Om Bertold Brecht te parafraseren: eerst komt de actie en dan komt de rede

400 Doden per jaar in Utrecht door luchtverontreiniging

Op 2 maart 2008 stuurde ik een mailbericht aan het college en de gemeenteraad van Utrecht om de aandacht te vestigen op een RIVM-rapport uit 2005: “Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980-2020”. Volgens dat rapport zouden er elk jaar ca. 18.000 mensen in Nederland overlijden door langdurende blootstelling aan luchtverontreiniging. Om de totale voortijdige sterfte te ramen, moet je daar de sterfte bij op tellen als gevolg van hoge kortdurende blootstelling (bij smog bijvoorbeeld). Hieronder een verkorte weergave van het bericht.

Berekeningen over het jaar 2000 wezen uit dat ca. 5000 mensen in Nederland overleden als gevolg van luchtverontreiniging (blz. 59). Dan kom je voor de stad Utrecht uit op 87,5 per jaar, aangenomen dat Utrecht 280.000 inwoners heeft en Nederland 16 miljoen. Dit aantal betreft echter ‘short-term-exposure’. Wat daaronder verstaan wordt, blijkt uit de tekst op blz. 39. Het gaat om relatief zwakke mensen (meestal ouderen en jongeren) voor wie een kortstondige blootstelling aan verontreinigde lucht fataal is. Kortstondige blootstelling varieert in de berekening tussen de 1 en 5 maanden.

Wat in dit sterftecijfer (87,5 doden per jaar Utrecht) niet is meegenomen zijn de gevallen van langdurige blootstelling. Mensen die bijvoorbeeld langs de Graadt van Roggenweg wonen, de Weg der VN, de M.L. Kinglaan of de Weerdsingel of onze vuilnisophalers die achter vuilniswagens lopen waar nog steeds geen fijnstoffilter op zit, staan jaar in jaar uit bloot aan verhoogde concentraties fijnstof. Daar gaan ze niet meteen aan dood, maar hun leven wordt wel met enige jaren bekort. “For long-term exposure the mortality number is many times higher (around 12.000 to 24.000)” (p. 56).

Belangrijk is te weten wat “voortijdig” is. Is dat een paar dagen, een paar maanden of een aantal jaren? “According to some studies and impact assessments, long-term exposure to particulate matter is associated with a reduction in life expectancy per victim in the order of about 10 years” (p. 16). Op basis van deze informatie moet men er dus rekening mee houden dat uitgaande  van het aantal van 18.000 voortijdige sterften per jaar, de gemiddelde levensduurbekorting 10 jaar is.

Reken je deze onheilspellende cijfers om naar Utrecht, dan kom je dus op ca. 400 sterften per jaar. In ruim 300 van die gevallen kost het de mensen ca. 10 jaar van hun leven. Die mensen wonen (woonden moet ik zeggen) langs drukke verkeerswegen in Utrecht.

De GG&GD bevestigde op 2 april 2008 desgevraagd dat in Utrecht, uitgaande van het RIVM-rapport, elk jaar ruim 300 Utrechters voortijdig overlijden door langdurende blootstelling aan fijnstof (315 om precies te zijn). Het jaarlijks aantal verkeersdoden is een fractie daarvan: ca. 11.

Je zou verwachten dat de GG&GD of de afdeling Milieu het college en de gemeenteraad al eerder over dit uit 2005 daterende rapport had geïnformeerd. Dat was niet gebeurd, hoewel daar alle aanleiding toe was, want ook in “Fijnstof nader bekeken” uit 2005 van het Milieu en Natuurplanbureau stond: “Als bepaalde Amerikaanse studies over langdurende blootstelling geldig zijn voor Nederland, zouden mogelijk tienduizend tot enige tienduizenden mensen ongeveer tien jaar eerder overlijden”).

De gemeenteraad kwam naar aanleiding van mijn bericht niet in spoedzitting bijeen om zo snel mogelijk tot noodzakelijke maatregelen te besluiten om een eind te maken aan de levens-bedreigende situatie langs drukke wegen. Er werd door geen enkel raadslid op het bericht gereageerd. Er werden geen vragen over gesteld aan het college. Kortom, de reactie was: “het is beter om dit niet te weten”. Bij mijn weten wonen er geen wethouders en raadsleden langs wegen die berucht zijn in verband met luchtverontreiniging. Daar wonen vooral mensen met minimum inkomens.


 

Welzijnswerk om mensen onder de duim te houden

De meest door professionele welzijnswerkers verachtte auteur is Dalrymple, die het uitstekende boek “Leven aan de Onderkant” schreef. Het boek heeft de veelzeggende ondertitel “Het systeem dat de onderklasse instandhoudt”. Dat systeem, maar dat zal wel duidelijk zijn, is de bedrijfstak van welzijnswerkers, opvoedingstherapeuten, hulpverleners en noem maar op.

Voor de bedrijfstak van het welzijnswerk geldt wat voor elk bedrijf geldt: zorg dat er vraag is naar je diensten anders hou je niet genoeg werk op de plank. Dus wat doet het welzijnswerk? Aan de mensen vertellen dat ze zonder hulp en begeleiding hun problemen niet kunnen oplossen. Het welzijnswerk dringt de mensen het idee op dat ze hulpbehoevende stakkers zijn en ondermijnt op die manier hun zelfvertrouwen.

Het verenigingsleven en de hulpverlening draaide vroeger volledig op enthousiaste en hulpvaardige vrijwilligers. Door de komst van professionele welzijnswerkers zijn er nauwelijks meer vrijwilligers meer over: eruit gewerkt. En de openingstijden van buurthuizen en speeltuinen zijn afgestemd op de werktijden van beroepskrachten en niet op die van de gebruikers. In het welzijnswerk staat niet het welzijn van de bewoners centraal, maar de werkgelegenheid en de werktijden van de welzijnswerkers.

Het welzijnswerk maakt de mensen ook wijs dat problemen met opvoeding en gezin niets met achterstelling en discriminatie te maken hebben, maar dat het door eigen tekortkomingen komt: een verkeerde culturele achtergrond, een verkeerd geloof, taalachterstand, te weinig onderwijs, onvermogen om met eigen emoties om te gaan. En burgemeester Wolfsen gaat met ouders praten om ze erop te wijzen dat ze wel eens beter op hun kinderen mogen passen. Volgens het welzijnswerk en Wolfsen komen de problemen in Kanaleneiland, Hoograven en Overvecht in de wereld omdat de opvoeding door allochtone ouders tekortschiet.

Waarom wordt de schuld van opvoedingsproblemen en van overlast eenzijdig bij de ouders gelegd? Dan kunnen de scholen, het wijkbureau, de politie en de gemeente tenminste volhouden dat het niet aan hun ligt of aan hun verkeerde beleid. Als er problemen zijn ligt het nooit aan de school, nooit aan de politie, nooit aan de gemeente. De gemeente roept al jaren dat er in Kanaleneiland een veiligheidsprobleem is. Als bij een groot bedrijf al jaren problemen zijn bij de afdeling verkoop, wordt de chef van die afdeling gewoon ontslagen. Bij de gemeente werkt dat anders: de burgemeester, de politie, de wijkmanager hebben het altijd goed gedaan. Het stomme volk deugt niet en daarom is er steeds meer welzijnswerk en politie nodig.

Het welzijnswerk wordt bewust aangewend om bewoners onder de duim te houden. Als de gemeente een wijk wil slopen tegen de zin van de bewoners in, dan worden er een stel opbouwwerkers op af gestuurd om de bewoners te “organiseren”, dat wil zeggen een paar praatclubjes op poten te zetten van naïeve buurtbewoners die met Mitros, BO-EX, Portaal en de gemeente mee willen werken. Deze bewonerscommissies worden dan door die opbouwwerkers gewaarschuwd voor actiegroepen die tegen de sloop zijn.

Het welzijnswerk wordt heel doelbewust gebruikt om actieve bewoners/informele leiders (die uitdrukking kunnen geven aan de onvrede in de buurt en de mensen op de been kunnen brengen) het zwijgen op te leggen door ze een mooi baantje te bieden. Het mes snijdt aan twee kanten. Want niet alleen worden de bewoners beroofd van hun voorhoede, zodat de buurt tot apathie vervalt. Maar bovendien heeft de gemeente (en in Utrecht de PvdA) er dan weer een paar figuranten bij, waar ze goeie sier mee kunnen maken en die het bewijs moet zijn van het feit dat je goed terecht komt als je maar meewerkt en goed luistert.

Er is een tijd geweest dat het welzijnswerk in het teken stond van emancipatie, van zeggenschap voor de bewoners en voor “baas in eigen wijk”. Maar dan moet je wel tientallen jaren terug. Het welzijnswerk van nu is niets anders dan een verlengstuk van de gemeente, van Mitros, BO-EX en Portaal.

Luchtverontreiniging en milieuongelijkheid

Vooral mensen met een laag inkomen hebben te lijden van luchtverontreiniging en hebben daardoor een korter leven. Dat ligt erg voor de hand: mensen die het betalen kunnen, verhuizen naar stadsdelen en gemeenten waar minder luchtverontreiniging is, de mensen die het niet betalen kunnen, blijven achter en zitten met de luchtverontreiniging (en het lawaai) van het groeiende wegverkeer.

Mensen met lage inkomens overlijden gemiddeld 6 à 7 jaar eerder en hebben gemiddeld 16 à 19 jaar minder gezonde levensjaren. Dat staat in “Ongelijkheid in gezondheid, is gezondheidszorg van belang?” van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (2009/2011). In “Preventie van welvaartsziekten” van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg wordt het schrikbarende verschil in gezondheid en levensverwachting tussen arm en niet-arm vooral verklaard door een ongezonde leefstijl, die relatief veel voor zou komen bij mensen met een laag inkomen: weinig bewegen, roken, alcoholgebruik en te veel en te vet eten. De Raad pleit uiteraard voor meer zorg, voor leefstijlinterventie en voor het hoge btw-tarief op voedsel, zodat mensen met een laag inkomen minder gaan eten en minder dik worden. Gelukkig zijn er ook andere geluiden.

De universiteiten van Brussel, Gent, Antwerpen, Leuven en Maastricht onderhouden samen met enkele andere instituten *) een steunpunt Milieu en Gezondheid. In de literatuurstudie “Sociale ongelijkheid en humane biomonitoring” (2008) hebben zij de resultaten samengebracht van internationaal onderzoek. De voor de hand liggende verklaring dat mensen met een laag inkomen het meest worden blootgesteld aan emissies (fijnstof, stikstofdioxide en zwaveldioxide) wordt daarin bevestigd. Ook is de beschikbaarheid van groen (parken, bos waar je uit kunt waaien) voor mensen met lage inkomens veel minder. Daarnaast krijgen mensen met een laag inkomen minder goede gezondheidszorg, wonen ze vaker in vochtige woningen (zonder cv) en staan ze meer bloot aan stress. Dat mensen met een laag inkomen er een minder gezonde leefstijl op na houden, is ook het geval, maar blijkt slechts één van de vele factoren.

Algemeen wordt aangenomen dat Belgen en Nederlanders gemiddeld een jaar eerder overlijden door luchtverontreiniging. Doordat er over een gemiddelde wordt gesproken, zou men kunnen denken dat wij allemaal een jaar minder oud worden. Maar dat is niet zo. Mensen met een laag inkomen staan vaker en meer bloot aan luchtverontreiniging (en verkeerslawaai). Door de levensbekorting uit te drukken voor de gemiddelde Nederlander, wordt gemaskeerd dat mensen met een laag inkomen meerdere jaren eerder overlijden door luchtverontreiniging. Kinderen uit lagere sociaal-economische milieus, zo blijkt uit de literatuurstudie, blijken ook vaker last te hebben van astmatische aandoeningen. Dat dat zo is, ligt voor de hand: ze wonen immers vaker in de buurt van drukke wegen, en ze wonen ook vaker in slecht geïsoleerde, vochtige (sociale huur-)woningen zonder cv.

Waarschijnlijk wordt het verschil in gezondheid en levensverwachting veel sterker bepaald door milieufactoren als verkeerslawaai, luchtverontreiniging en slechte woontoestanden dan door leefstijlfactoren. De overheid en de gezondheidszorg zouden zich daarom druk moeten maken over milieuongelijkheid, in plaats van zich te bemoeien met leefstijlen en zich sterk te maken voor een hoog btw-tarief op voeding.

De kwestie reis- en pensioenkosten Wolfsen

Ingaande 18 januari 2008 declareerde Wolfsen 1440 euro pensionkosten per maand. Dat bleef hij in elk geval doen tot 17 januari 2009. In totaal ging het om het bedrag van 23.194,80 euro. Eén en ander blijkt uit brief van 7 april 2009 een opgesteld door bestuursadviseur mr. Jan van der Valk en ondertekend door de gemeentesecretaris en de loco-burgemeester. Op 2 januari 2008 werd Wolfsen burgemeester in Utrecht. Hij woonde in Amsterdam en had nog geen woning in Utrecht.

Volgens het toen geldende rechtspositiebesluit burgemeesters art. 31 lid 2 kon hij aanspraak maken op een vergoeding van reis- en pensionkosten indien hij na benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente beschikte. Hoewel Wolfsen pensionkosten mocht declareren, declareerde hij in werkelijkheid de huur (althans 90% daarvan) voor een ingericht appartement aan het Vondelparc.

De journalist HPA van het AD kwam daar eind 2008 achter en besloot uit te zoeken of Wolfsen al die tijd (inmiddels bijna 12 maanden) wel terecht pensionkosten had gedeclareerd. Aanleiding was waarschijnlijk de affaire die eind 2008 in Den Helder speelde: burgemeester Hulman had in Rotterdam (waar hij wethouder was geweest) een woning en declareerde niettemin de kosten van zijn woning in Den Helder.

Zoals bekend reageerde Wolfsen furieus op het voornemen van het AD om over de kwestie pensionkosten te schrijven. Wolfsen wist te bereiken dat het AD van publicatie afzag en toen Ons Utrecht erover zou gaan schrijven en de weekkrant al gedrukt was, besloot de uitgever van Ons Utrecht op verzoek van Wolfsen de hele oplage van ruim 120.000 ex. te vernietigen. Interessante vraag is waarom Wolfsen per sé publicatie wilde voorkomen?

Als Wolfsen er werkelijk van overtuigd was dat hij de huur van het appartement terecht als pensionkosten had gedeclareerd, waar maakte hij zich dan zorgen over? Als Wolfsen echt zo zeker van zijn zaak was had hij de kwestie gewoon aan de rechter voor kunnen leggen. Dat hij de publicatie per sé  wilde voorkomen kan eigenlijk alleen maar betekenen dat hij er zelf niet van overtuigd was dat zijn pensiondeclaratie in overeenstemming was met de toepasselijke regelgeving.

 brief aan Wolfsen

Opmerkelijk is dat Wolfsen pas op 7 januari 2009 een door de gemeentesecretaris en de loco-burgemeester ondertekende brief kreeg waarin stond dat hij maandelijks 90% van zijn pensionkosten mocht declareren én dat de huur van een woning  onder het begrip pension-kosten viel. Die brief werd dus geschreven toen hij al een jaar had gedeclareerd. Kennelijk had men er op het stadhuis lucht van gekregen dat HPA van het AD de kwestie aan het uitzoeken was en besloot men Wolfsen snel nog even en met terugwerkende kracht toestemming te geven voor zijn pensiondeclaraties.  Uit de mailwisseling tussen HPA en het stadhuis blijkt overigens dat er door het college geen besluit was genomen om Wolfsen’s pensionkosten te vergoeden. Op 3 februari 2009 berichtte de woordvoerder van het stadhuis “Noch in het college, noch in het presidium is het een besluit of agendapunt geweest.” Met andere woorden dat Wolfsen zijn pensionkosten zou declareren werd geregeld tussen Wolfsen en een paar ambtenaren en buiten het college om.

De vraag waarom het college niet betrokken werd bij de toekenning van de pensionvergoeding wordt in een brief van 30 maart 2009  opgesteld door bestuursadviseur mr. Jan van der Valk beantwoord met het argument: “(…) omdat die aanspraak rechtstreeks voortvloeit uit landelijke regelgeving (…) Er is niet afgesproken of besloten dát hij een beroep op de onkostenregeling kan doen, er is wel besproken en uitgelegd op welke wijze en tot welke hoogte hij volgens de die landelijke regelgeving aanspraken op pensionkosten en reiskosten kan maken en op welke wijze hij die vergoed krijgt”.

Het argument rammelt. Immers, als die aanspraak werkelijk rechtstreeks voortvloeit uit de landelijke regelgeving, dan hoeft er niet “besproken en uitgelegd” te worden op welke wijze en tot welke hoogte volgens die landelijke regelgeving aanspraak op de pensioenkosten kan worden gemaakt. En bovendien weten wij uit het eerdere bericht van 3 februari 2009 dat in het college geen besluit is genomen en dat het zelfs geen agendapunt is geweest. Er was dus in het college niets besproken en uitgelegd, terwijl dat uitgerekend in een geval als dit, waarbij de vergoeding dus niet rechtstreeks en ondubbelzinnig uit de regelgeving voortvloeit, wel zou moeten.

Dat het allerminst vanzelf sprak dat Wolfsen aanspraak maakte op de pensionregeling blijkt uit de toelichting bij de “Regeling rechtspositie burgemeesters”. Daar valt te lezen: “Indien geen gebruik wordt gemaakt van hotel of pensioen dan betreft de vergoeding uitsluitend gemaakte reiskosten”. En verder staat er dat de pensionkosten bedoeld zijn voor het geval “dat niet over- al dan niet tijdelijke – woonruimte in de gemeente” wordt beschikt. Dus ook de huur voor tijdelijke woonruimte, waarvan i.c. sprake was, zou volgens de toelichting niet voor vergoeding van pensionkosten in aanmerking komen.

In de brief van 7 januari 2009 die Wolfsen ontving van het college (zie boven), waarin hem dus met terugwerkende kracht van een jaar de vergoeding werd toegezegd, werd duidelijk naar art. 31 lid 2  van het rechtspositiebesluit burgemeesters verwezen met citeren van de toelichting. “Dit artikel regelt de reis- en pensionkosten die de burgemeester maakt indien deze na de benoeming nog niet over – al dan niet – tijdelijke woonruimte in de gemeente beschikt (…)“.

Als er geen sprake is van hotel of pension, dan is er dus volgens de regeling sprake van huur van al dan niet tijdelijke woonruimte. Daar is echter een andere artikel van de regeling op van toepassing, namelijk art 3 lid c van de regeling rechtspositie burgemeesters: “kosten in verband met dubbele woonlasten tot maximaal 272,27 en gedurende een periode van ten hoogste vier maanden”. Het simpele feit dat de regeling in een ander en apart artikel voorziet in het geval van dubbele woonlasten wijst er ook nog eens op dat de vergoeding voor pension niet bedoeld is om tegemoet te komen in die dubbele woonlasten. In plaats van aanspraak te maken op 12 maal 1440 euro (pensionvergoeding), zou hij dus eigenlijk maar aanspraak kunnen maken op 4 maal 272,27 euro.

Overigens, Wolfsen bleek zich op 2 juni 2008 in de gemeente Utrecht te hebben laten inschrij- ven. De regeling is echter bedoeld voor burgemeesters die nog niet in de gemeente wonen en dus nog niet ingeschreven zijn in de gemeente waarin zij als burgemeester benoemd zijn. Dus ook al zou men de huur van de kennelijk als tijdelijk bedoelde woning als “pension” mogen opvatten, vanaf het moment dat Wolfsen in Utrecht woonde had hij daar geen recht meer op.

Over de vraag of Wolfsen aanspraak kon maken op de pensionvergoeding was kontakt geweest tussen de ambtenaren van Utrecht en die van het ministerie BZK. Telefonisch werd aan de ambtenaar van BZK de vraag voorgelegd of aan de burgemeester een huurwoning ter beschikking kon worden gesteld en of daar dan de pensionkostenregeling op van toepassing was. Daar werd door BZK in een mailbericht van 27 november 2007 bevestigend op geantwoord. Aan de BZK-ambtenaar blijkt niet de vraag voorgelegd te zijn of Wolfsen ook nog recht op de pensionvergoeding zou hebben vanaf het moment dat hij zowel feitelijk als formeel (dus ingeschreven) in Utrecht zou wonen, wat vanaf 2 juni 2008 het geval zou zijn.

In een nadere toelichting van het ministerie (die zich in het dossier bevond dat door de gemeente na een Wob-verzoek werd vrij gegeven) stond: “Wordt er een woning gehuurd met als doel dat de burgemeester in de gemeente kan verblijven, dan kan onder een vergoeding van de pensionkosten worden verstaan de huur van van een tijdelijk appartement/woning. (….) Het is primair aan de burgemeester en het gemeentebestuur om te beoordelen of de situatie van de burgemeester valt onder het geschetste kader. (…)”. Het college noch de gemeenteraad waren er echter aan te pas gekomen.

Prof. Twan Tak, 40 jaar ervaring met staats- en bestuursrecht, kwam tot het oordeel dat Wolfsen 17.000 euro behoorde terug te geven. “Op het moment dat Wolfsen een appartement in Utrecht betrok, hadden de declaraties moeten stoppen”. Dat de bij de kwestie betrokken ambtenaren van de gemeente Utrecht en van BZK daar hun eigen mening over hadden en de regeling probeerden op te rekken, deed er volgens Tak niet toe. Ook dat de toenmalige minister Guusje ter Horst haar partijgenoot te hulp schoot door te verklaren dat Wolfsen geen misbruik van de regeling had gemaakt was naar het oordeel van Tak niet relevant. Als de wet en de regelgeving moeten worden uitgelegd omdat daar verschil van mening over bestaat, dan moet een onafhankelijke rechter dat doen. Aldus Tak.

Wolfsen is een ervaren jurist. Hij was rechter, zelfs vice-president van de rechtbank in Haarlem en hoofd afdeling juridische zaken en beleid, directe rechtspleging, ministerie van justitie. Als er nu iemand is die moet hebben begrepen dat de door hem gedeclareerde pensionkosten allerminst vanzelf spraken, dan is dat Wolfsen. Hij had de beslissing om hem pensionkosten te doen vergoeden voor zijn tijdelijk appartement om die reden uitdrukkelijk aan het college en de raad moeten voorleggen en dat niet buiten het gemeentebestuur in een onderonsje met zijn ondergeschikte medewerkers (die gelet op de gezagsverhouding zich er voor zullen hoeden om de burgemeester tegen te spreken) moeten regelen.

Over de gedeclareerde pensionkosten en over hoe dat buiten het gemeentebestuur om geregeld was had hij duidelijk een slecht geweten, anders valt niet te verklaren waarom hij zoveel gezichtsverlies riskeerde in een poging de kwestie in de doofpot te stoppen.

Zie voor het dossier van vrijgegeven stukken: http://www.utrecht.nl/CoRa/BGS/Bijlagen/2009/mei%2009/Verzoekominformatiecompleet.pdf

Zie het gewraakte artikel in de vernietigde editie van Ons Utrecht: http://www.wouterdeheus.nl/wp-content/uploads/artikelWolfsen-wdh-Apr2009.pdf

De bijklussende bestuursadviseur van de burgemeester

Met mr. Jan van der Valk kreeg ik te maken in 2003/2004. Hij was bestuursadviseur van de toenmalige wethouder Marie Louise van Kleef voor ruimtelijke ordening (PvdA). Die had het woonwagenbeleid in haar portefeuille.. Enkele woonwagenbewoners hadden mij gevraagd om hen bij te staan in hun verzet tegen de opheffing van het woonwagenkamp Huppeldijk.

Het woonwagenkamp Huppeldijk (vlak langs de A2) moest om twee redenen verdwijnen. Het moest plaatsmaken voor een verbreding van de A2 en voor de realisatie van het plan Leidsche Rijn. Op de plaats van de Huppeldijk zouden bedrijven komen te staan. Er was echter nog een andere reden: de gemeente voerde een spreidingsbeleid om de integratie van woonwagen-bewoners te bevorderen. Daar voelden de “kampers” niets voor, want ze waren bang dat ze op den duur in een eensgezinswoning of een flat terecht zouden komen en dat dat het einde zou zijn van hun woonwagenbestaan. Hun vrees leek me terecht. De overheid voert immers al ruim honderd jaar een beleid gericht op de verdwijning van het woonwagenbestaan. Ik verwijs naar “Woonwagenvolk” van Lau Marizel (1987).

Van der Valk leek mij niet alleen de architect van het beleid van Van Kleef, maar hij deed zich aan de woonwagenbewoners ook voor als hun vertrouweling. Ik vertrouwde hem dus niet. Veel later zou ik met één van de vele Nicolich families te maken krijgen. Ook toen leek mij Van der Valk achter de schermen de regie te hebben van de handhaving tegen Nicolich, maar zich tegelijk aan hem voor te doen als zijn vertrouweling. De dubbelrol van Van der Valk, waarvan ook sprake was toen hij was opgeklommen tot de vertrouweling en bestuursadviseur van de burgemeester, was ook het weekblad Elsevier opgevallen: http://www.elsevier.nl/Nederland/nieuws/2012/5/Dubbelrol-rechterhand-Wolfsen-rond-Roma-familie-Utrecht-ELSEVIER338792W/

Van der Valk vond naast zijn drukke en verantwoordelijke baan als bestuursadviseur van de wethouder kennelijk ook tijd om er een eigen juridisch adviesbureau op na te houden in Houten. Mij werd door woonwagenbewoners verteld dat ze daar ook wel ontvangen werden. Niet alleen vond ik Van der Valk Juridisch Advies op internet, maar dat hij er als nevenactiviteit een eigen adviesbureau op na hield werd mij door de gemeente bevestigd op 28 maart 2007. Mijn belangstelling voor Van der Valk was daarmee gewekt. In die tijd las ik veel over de vierde macht (Crince Le Roy, De Vierde Macht: de ambtelijke bureaucratie als machtsfactor in de staat” (inaugurele rede als lector, 1969). Hij leek mij het type ambtenaar dat informeel en achter de schermen veel macht uitoefent. Zeg maar de buikspreker van de wethouder.

Na enig speurwerk kwam ik erachter dat hij voorwerp was geweest van een integriteitsonder- zoek in 2001. Twee ambtenaren (A senior inspecteur bij de Dienst Stadsontwikkeling en B maatschappelijk werker/productchef bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling) bleken panden op te  kopen in de binnenstad om die daarna officieel te splitsen en per zelfstandige etage door te verkopen. Heeft een splitsingsvergunning over het algemeen veel voeten in de aarde, dankzij hun contacten binnen de ambtelijke dienst was dat vaak in een dag voor elkaar (“In één geval zat er een dag tussen de datum van de aanvraag en de verlening” aldus het vertrouwelijke verslag van recherchebureau Hoffman, p.10). Mogelijk speelde daarbij een rol dat A als ambtenaar ook splitsingsprocedures bij Stadsontwikkeling deed. A en B hadden voor hun handel BV-tjes opgericht: Vedo BV en Rens BV. Op naam van de echtgenotes.

Het college besloot de zaak uit te laten zoeken. Recherchebureau Hoffman werd ingeschakeld om te onderzoeken of er sprake was van handel in voorkennis, belangenverstrengeling, ongeoorloofde nevenactivteiten, malversaties met bouwaanvragen en vergunningen en om uit te zoeken in hoeverre andere ambtenaren op de hoogte waren en er bij betrokken waren. In het geanonimiseerde verslag van Hoffman komt een ‘DSO-ambtenaar 2’ voor, een jurist die zich met splitsingsvergunningen bezighield (een naaste collega dus van A) en bezig was een eigen juridisch bureautje op te zetten. Dat bleek mr. Jan van der Valk te zijn. Hij zou B een enkele keer juridisch advies gegeven hebben en voor B een stuk geschreven hebben ten behoeve van een juridische procedure. B zou nooit voor zulk advies hoeven te betalen, “DSO-ambtenaar 2 heeft me deze dienst bij wijze van promotie aangeboden, waarschijnlijk in de hoop dat ik bij eventuele latere zaken weer bij hem zou aankloppen”. Van der Valk bevestigde in Ons Utrecht van 28 maart 2007 dat hij tot twee keer toe voorwerp is geweest van onderzoek: “Dat was in 1989 en enkele jaren geleden.”Dat Van der Valk al eerder voorwerp was geweest van onderzoek was nieuw voor mij.

Hoffman kwam ten aanzien van alle onderzochte ambtenaren tot de conclusie dat er niets onrechtmatigs was gebeurd. Dat kon eigenlijk moeilijk anders, want een groot deel van de onderzochte dossiers van de betreffende 22 panden was zoek of onvolledig. Zoals één van de ambtenaren volgens Hoffman verklaarde: “U vraagt mij naar ontbrekende stukken in de door u verzamelde dossiers. Het archief van de gemeente is een ‘zooitje’.” Maar bovendien heeft het particuliere Hoffmann bedrijfsrecherche bureau, anders dan het Openbaar Ministerie, geen enkele opsporingsbevoegdheid. Dus als ambtenaar B verklaart dat Van der Valk geen betaling ontving voor zijn juridische adviezen en dat hij zijn advies slechts bij wijze van promotie had aangeboden dan kon Hofmann dat niet en zou het OM dat wel aan de hand van de giroboekjes en kasbescheiden van B en Van der Valk hebben kunnen controleren. Dat uit het onderzoek van Hoffman bleek dat de er niets onrechtmatigs was gebeurd zegt dus niet zoveel.

Bij de vuilnisophalers en -inzamelaars van de RHD werd wèl meteen aangifte gedaan, bij de witteboord ambtenaren van Stadsontwikkeling en Maatschappelijke Ontwikkeling, die mogelijk betrokken waren bij handel in voorkennis, belangen- verstrengeling, ongeoorloofde nevenactivteiten, malversaties met bouwaanvragen en vergunningen, niet. Het rapport Hoffman zou aanleiding hebben moeten zijn om aangifte te doen, zodat het OM, dat immers wel over opsporingsbevoegdheden beschikt, grondig onderzoek had kunnen doen. De verklaring van ambtenaar B dat Van der Valk zijn adviezen bij wijze van promotie aanbood (om zijn juridisch adviesbureautje te promoten) lijkt mij daar wel aanleiding toe te geven. Te meer omdat Van der Valk (net als A) splitsingsprocedures deed, onder andere naar aanleiding van aanvragen van A en B, waarvan Van der Valk wist dat zij zich met de twijfelachtige handel in panden bezighielden. Je zou zeggen, als je weet dat bepaalde aanvragen niet helemaal kosjer zijn, dan hoor je daar niet zonder meer aan mee te werken en zeker niet ook nog eens je adviezen aan te bieden (ook al zou dat “slechts” zijn om je eigen juridisch bureautje te promoten). Dat het college besloot om het OM niet in te schakelen en te volstaan met het particuliere Hoffman recherche, wekt daarom de indruk dat het college, nu het om witteboord ambtenaren ging, de onderste steen helemaal niet boven wilde hebben. Dat komt meer voor bij de overheid.

Huberts en Nelen signaleren in “Corruptie in het Nederlands Openbaar Bestuur” (2005) een geringe neiging bij de overheid om politie en justitie in te schakelen bij het vermoeden van fraude en corruptie. Liever handelt men de zaken intern en vertrouwelijk af. Daarbij komt, aldus Huberts en Nelen (p. 82) : “De onderzoeken die intern worden afgehandeld, leiden vaak tot het vrijpleiten van de betrokkene(n)”. Nogmaals, als Hoffmann tot de conclusie komt dat géén van de betrokken ambtenaren iets onrechtmatigs heeft gedaan, dan zegt dat dus niets. Voor de betrokken ambtenaren kan dat overigens heel vervelend zijn, want als het OM tot de conclusie zou komen dat er niets onrechtmatigs is gebeurd, dan maakt dat op het publiek veel meer indruk dan wanneer een particulier recherche zonder opsporingsbevoegdheden dat zegt.

Een interessante vraag is:  wat weerhield het college ervan het OM in te schakelen? Daar kunnen twee voor de hand liggende redenen voor zijn. De eerste is dat de betrokken wethouder of het college door de leiding van de betreffende ambtelijke diensten onder druk wordt gezet om dat niet te doen. Zou er namelijk inderdaad iets aan de hand blijken zijn, dan zal ook de leiding daarop worden aangekeken. Die hadden er immers voor moeten zorgen dat er geen onregelmatigheden plaatsvonden. De tweede reden is dat ambtenaren die zich schuldig hebben gemaakt aan integriteitsschendingen en waar sancties tegen worden getroffen tot hun verdediging kunnen aanvoeren dat iedereen er van wist (dat delen A en B ook) en dat zij zeker niet de enigen waren die zich met twijfelachtige praktijken bezighielden en dat het dus niet eerlijk zou zijn om alleen hen aan te pakken. En daarbij zouden ze ook voorbeelden kunnen noemen, ook en vooral van hoger geplaatsten. Twee redenen dus om de kwestie intern af te handelen, zodat de kwestie in vertrouwelijke rapporten kan worden afgedaan.

De gemeentelijke accountantsdienst kwam op basis van het rapport van Hoffman ten aanzien van A en B tot de conclusie dat er van handel in voorkennis en belangenverstrengeling niet was gebleken, maar dat makkelijk de schijn ven belangenverstrengeling kon ontstaan en dat de mannen hun nevenactiviteiten in elk geval hadden moeten melden. De activiteiten zouden van 1997 in de dienst al wel bekend zijn geweest, maar doordat het management geen maatregelen naam (zoals overplaatsing of het aanscherpen van procedures) zou bij A en B de indruk zijn gewekt dat het management hun nevenactiviteiten goedkeurden. Aanbevolen werd om meer aandacht te geven aan het melden van nevenactiviteiten. “Daarbij zal voor elke schijn van belangenverstrengeling een oplossing gezocht moeten worden”. Als ik me wel herinner werd er met A en B een regeling getroffen zodat zij de dienst eervol konden verlieten.

Van der Valk dook een paar jaar later op als de vertrouweling en bestuursadviseur van wethouder van Kleef en nog weer een paar jaar later als de vertrouweling en bestuursadviseur van de burgemeester. Dat hij er nog steeds een eigen juridisch adviesbureautje op na hield zou geen probleem zijn zolang hij zich maar aan de afspraak hield “geen werkzaamheden te verrichten op onderwerpen waarbij de gemeente direct of indirect betrokken is of kan zijn”, aldus Van der Valk zelf in Ons Utrecht van 28 maart 2007. Gelet op de dubbelrol van Van der Valk in het woonwagendossier en in de dossiers Nicolich, trok Van der Valk zich weinig van die afspraak aan. In een gemeente als Utrecht roept dat kennelijk geen vragen op. Niet bij het college en niet bij de gemeenteraad, die door de publiciteit rond de kwesties Nicolich goed van zijn dubbelrol op de hoogte was. Dat is zorgelijk, want als Van der Valk zich niet aan de afspraak blijkt te houden in die dossiers, is het de vraag waarom hij dat in andere vertrouwelijke dossiers wél zou doen.

Het empathisch onvermogen van Wolfsen

Voor veel functies in het bedrijfsleven en bij de overheid komen alleen kandidaten in aanmer- king die psychologisch zijn getest. Of er komt een soort assessment aan te pas waarbij hun geschiktheid wordt beoordeeld. Partijleider, minister of burgemeester kun je echter worden zonder zo’n test of assessment. Als je maar een trouw en vooraanstaand lid bent van een politieke partij. Dat is niet goed. Als het om functies gaat waarin mensen bloot staan aan de verleidingen en geneugten van de macht, zou je kandidaten psychologisch moeten screenen. David Owen heeft in ‘Zieke wereldleiders‘ beschreven hoe overmoed, depressies en andere psychische aandoeningen van invloed zijn op belangrijke politieke beslissingen. Zoals de geschiedenis laat zien, vaak met rampzalige gevolgen. Nu zijn burgemeesters, partijleiders, wethouders en ministers geen wereldleiders, maar ook op kleine schaal kunnen ze veel kwaad aanrichten.

David Owen, neuroloog, lid van het Britse lagerhuis en minister van Volksgezondheid en van Buitenlandse Zaken, schrijft dat zich vooral bij politieke leiders een hoogmoedssyndroom kan ontwikkelen. Dat was volgens Owen bij Blair en Bush het geval. Daarbij speelt een narcistische neiging een grote rol (de politiek trekt vooral mensen aan die graag een voorname rol willen spelen en meer dan gemiddeld ijdel zijn). Die narcistische neiging wordt verstrekt doordat de directe omgeving de leiders naar de mond praat en vaak geen kritiek durft te uiten. Mist  de leider dan bovendien empatisch vermogen dan kan hij zichzelf niet zien door de ogen van zijn om- geving. IJdelheid, gebrek aan kritiek en aan empathisch vermogen vormen samen een ideale voedingsbodem voor hoogmoed. Wolfsen lijkt daar een voorbeeld van te zijn.

Toen hij net burgemeester was schreef Wolfsen op de website van de gemeente “Ik weet alles van veiligheid”. Hij straalt een autoriteit uit die niet tegen wil worden gesproken. Hij begrijpt niet hoe hij overkomt en hij kan zich niet inleven in mensen die door beslissingen van de gemeente of van hem zelf in de problemen komen. Een paar jaar terug kreeg een moeder met dochter een verbod voor een jaar om in hun eigen woonwagen te wonen, omdat de echtgenoot zich bezig had gehouden met drugshandel. Zo van: je man heeft wat misdaan dus jullie krijgen ook straf, had je maar geen familie moeten zijn.  Wat zulke schrijnende onrechtvaardigheid met de moeder en de dochter moest doen, dat voelde hij kennelijk niet aan.

Mobidi en zijn gezin raakte in grote moeilijkheden doordat burgerzaken, tegen de instructies in, de politie tipte toen hij aan het loket kwam. Hij werd opgepakt en dreigde uitgezet te worden. In plaats dat Wolfsen zich bezorgd toonde dacht hij er aanvankelijk (totdat er veel kritiek over hem heen kwam) alleen aan het gedrag van zijn ambtenaren en van zichzelf recht te praten. Wolfsen liet een ME-overmacht op demonstranten los, waardoor er klappen en gewonden vielen. Op het filmpje van DNU valt te zien dat hij er nogal lacherig over deed toen de demonstranten zich daarover kwamen beklagen en één van de demonstranten zijn gebroken arm liet zien. De twee homo’s die uit hun huis in de Utrechtse wijk Terwijde werden weggepest, willen niets meer met hem te maken hebben. Wolfsen, die naar eigen zeggen alles van veiligheid weet, had ze ander- half jaar laten klagen, waarop ze maar naar Nieuwegein verhuisten.

Gebrek aan empathie kan er makkelijk toe leiden dat morele overwegingen op de achtergrond raken. Als je je niet kunt verplaatsen in het verdriet dat je mensen aandoet door ze in de steek te laten of onevenredig te straffen, blijven morele overwegingen regels die je geleerd hebt, maar waarvan je eigenlijk niet begrijpt waarom die zo belangrijk zijn. Overigens spelen bij de morele ontwikkeling de meer of minder subtiele reacties van de omgeving een grote rol en als die niet tot je doordringen, leer je dus niet dat bepaalde gedragingen gewoon echt niet kunnen en tot verontwaardiging aanleiding geven. Wolfsen begreep aanvankelijk helemaal niet dat hij niet zomaar de hele oplage van Ons Utrecht kon laten vernietigen. Hij begreep ook niet dat hij in zijn positie als burgemeester AD/UN-hoofdredacteur Kalmann niet onder druk behoorde te zetten om de publicatie door het AD aan te passen of achterwege te laten over zijn “reis- en pensionkosten” (“ik hoop dat ook jij het moment zo langzaamaan begint te voelen om hier even corrigerend op te gaan treden…”). Hij begreep ook niet dat hij de kaartjes voor de musical Mamma Mia, die hij privé met zijn vrouw bezocht, niet bij de gemeente had moeten declareren.

De vraag is overigens waarom Wolfsen per sé de publicatie van het AD/UN en daarna van Ons Utrecht heeft willen voorkomen. Het ging erover dat hij vanaf 18 januari 2008 tot 17 januari 2009  1440 euro per maand had gedeclareerd voor pensionkosten op grond van de reis- en pensionkostenregeling, maar dat hij die vergoeding had gebruikt voor de huur van een woning in Utrecht (hij huurde ook nog een woning in Amsterdam). Wolfsen stelde zich op het standpunt dat hij die kosten terecht had gedeclareerd, volgens het AD/UN verhaal zou de jurist Prof. Tak van mening zijn dat dat niet het geval was en dat Wolfsen dat geld terug behoorde te geven. Juist het feit dat Wolfsen publicatie met alle geweld probeerde te voorkomen wekt de indruk dat Wolfsen daar zelf een slecht geweten over had. Was hij er werkelijk van overtuigd geweest dat hem geen blaam trof dan had hij niet alles in het werk gesteld om publicatie te voorkomen, maar naar aanleiding van de publicatie zelfverzekerd voorgesteld de kwestie voor te leggen aan  onafhankelijke juristen. Dat was ook wat Prof. Tak (40 jaar hoogleraar staats- en bestuursrecht) voorstelde, die daarop door Wolfsen werd uitgemaakt voor charlatan. Een reactie die treffend  illustreert hoe Wolfsen met kritiek omgaat.

Het probleem met hoogmoedige bestuurders, die menen over superieure kennis te beschik- ken en zich maar moeilijk in andere mensen kunnen verplaatsen, is dat ze niet meer vatbaar zijn voor kritiek (als ondergeschikten dat nog zouden durven) en de neiging ontwikkelen om kritiek als teken van vijandschap te zien. Aan hoofdredacteur Kallman schreef Wolfsen over de journalist die in zijn declaraties reis- en verblijfkosten was gedoken: “De schrijver houdt kenne- lijk de sterke wil om mijn integriteit publiekelijk in twijfel te trekken”. “Het begint van de zijde van (…) wat boosaardige trekjes te krijgen waar ik me serieus zorgen over begin te maken”. En, nadat het AD onder druk van Wolfsen had afgezien van publicatie en Wouter de Heus erover wilde gaan schrijven in Ons Utrecht, schreef  Wolfsen aan hoofdredacteur Kalmann over de “ultieme wraak van (…)”. (…) was de journalist die volgens Wolfsen door Kalmann gecorrigeerd moest worden. Kortom, het is goed dat Wolfsen er mee op houdt. Hij kan beter een baan gaan zoeken waarvoor weinig sociale vaardigheid vereist is en waarin hij niet aan kritiek bloot staat. Voor de man zelf lijkt dat ook beter.

Zie over de kwestie:

http://www.eenvandaag.nl/politiek/34649/hoogleraar_twan_tak_over_aleid_wolfsen

http://www.allesoverutrecht.nl/nieuwsutrecht/2009/april/Persbreidel_slaat_toe_in_Utrecht_%282009-04-14%29.php

http://www.allesoverutrecht.nl/nieuwsutrecht/2009/april/Wolfsen_tracht_publicatie_in_Ons_Utrecht_te_voorkomen_%282009-04-14%29.php