De rechten van de mens in Cuba

En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? Mattheus 7:3

Als we de westerse pers moeten geloven is het slecht gesteld met de rechten van de mens in Cuba. De VS voert het aan als argument om de in 1959 ingestelde internationale economische blokkade van Cuba af te dwingen, waar ook de Nederlandse regering braaf aan meedoet. Ook het oordeel van Human Rights Watch en Amnesty International is negatief, net als dat van Reporters sans Frontières. Zeer negatief over het regime in Cuba is Cuba Glasnost die ons wekelijks met CubaTips op de hoogte brengt van alles wat er mis is met het communisme.

Wat opvalt in alle kritiek op de mensenrechtensituatie in Cuba is dat daarin de rechten van de mens min of meer worden vereenzelvigd met vrijheid van meningsuiting en de vrijheid om aan politiek te doen zoals dat in westerse landen gebruikelijk is: kiezen tussen en meedoen met politieke partijen die strijden om de meerderheid in het parlement. Op al die kritiek valt wel wat af te dingen. Dat is hoognodig om de mensenrechtensituatie in Cuba én bij ons in het westen eerlijker te beoordelen.

Sociale mensenrechten
Anders dan de in het westen gebruikelijke kritiek op Cuba doet denken zijn er veel meer mensen­rechten: recht op voeding, recht op een woning, recht op onderwijs, recht op gezondheid, recht op zinvolle arbeid, recht op rechtshulp, recht op sociale zekerheid.  Waarom worden die ‘sociale’ men­senrechten niet in de beoordeling betrokken?  Als dat wél zou gebeuren, dan zouden veel wes­terse landen misschien een lagere totaal score hebben dan Cuba.

Ziekenhuiszorg  en onderwijs in Cuba zijn gratis. Mensen die hun huur of hun hypotheek niet kunnen betalen en op straat worden gezet zijn in rijke welvarende  westerse landen niet ongewoon, in Cuba komt het vrijwel niet voor. Kindersterfte ligt lager dan in de VS. De levens­verwachting is gelijk aan die in Nederland. Vergeleken Nederland en de VS is Cuba echter een arm land. In 2010 was het BNP in dollars in Cuba 10.200, in Nederland 40,300 en in de  VS 47,200.[1]

Indrukwekkende prestaties voor een arm land dat sinds 1959 geplaagd wordt door een internatio­nale economische blokkade en bovendien gedwongen wordt veel geld uit te geven voor defensie en veiligheid omdat de VS er met alle middelen naar streeft, inclusief militaire middelen en sabotage acties, om de situatie van voor de revolutie te herstellen waarin het door de VS werd gekoloniseerd. [2]

Dat de sociale mensenrechten niet in de beoordeling worden betrokken door critici van het regime in Cuba valt met name  te verklaren doordat rechten die de vrijheid  moeten garanderen, de zo­ge­naam­de klassieke of liberale grondrechten, in het liberale westen hoger worden aan­gesla­gen en worden  be­schouwd als de essentie van de mensenrechten. Die vrijheid houdt in het niet te worden gedwars­boomd door de overheid. Niet bij het uiten van zijn mening en het zich politiek of anderszins organi­se­ren en niet bij het ondernemen en handel drijven.

Mensen die van honger dreigen om te komen en geen dak boven hun hoofd hebben zullen eten en onderdak echter belangrijker vinden dan het recht om hun mening te uiten, maar intellectuelen en politici in het westen die zich druk maken over mensenrechten in Cuba oordelen misschien teveel vanuit een positie van relatieve welvaart. Maar dat is niet alles.

Persvrijheid en onafhankelijke pers
Het is waar, de pers, de tv en radio in Cuba zijn in staatshanden. De media in westerse landen als de VS, Nederland en België zijn officieel onafhankelijk van de staat. Kranten worden uitgegeven door bedrijven die van de opbrengst moeten bestaan. De vraag is echter of de berichtgeving waar wij aan gewend zijn wel zó onafhankelijk is dat je inderdaad kan spreken van persvrijheid. Om een aantal redenen moeten we aan de persvrijheid en de onafhankelijke pers in het Westen sterk twijfelen.

Spindocters en woordvoerders
Cees Hamelink is emeritus hoogleraar Internationale Communicatie aan de Universiteit van Amster­dam en emeritus hoogleraar Media, Religie en Cultuur aan de Vrije Universiteit. In een filmpje dat te zien is op Youtube legt hij uit dat je niet moet geloven wat er in de krant staat.[3] De krant, zo valt zijn betoog samen te vatten, doet niet veel anders dan de leugens reproduceren van de overheid en het bedrijfsleven die door spindocters en reclamespecialisten worden bedacht om het volk om de tuin te leiden. Hamelink wijdt dat vooral aan het numerieke overwicht van spindocters en woordvoerders: op elke journalist zouden er daar vijftien van zijn.

Commerciële belangen
Noam Chomsky en Andre Vltchek schreven het boekje  On western terrorism, from Hiroshima to drone warfare. Eén van de hoofdstukken is gewijd aan de media in Europa en de VS. Hun voornaamste kritiek is dat de belangrijkste media niet geïnteresseerd zijn in nieuws en opvattingen die een ander verhaal vertellen dan dat van de overheid en dissidenten nauwelijks aan het woord laten. Voor de overheid is het helemaal niet nodig de pers te censureren, de media doen het zelf. Chomsky en Vltchek wijten dat vooral aan de commerciële belangen van de media: afhankelijkheid van inkomsten uit advertenties en het feit dat media vaak eigendom zijn van commerciële instellingen en miljonairs als Murdoch en Berlusconi.

Vriendschap en zelfcensuur
In een uitgebreid gesprek [4] met Cees Hamelink en Janneke Monshouwer, die de omroep 30 jaar van binnen uit heeft meegemaakt en daar kritisch boek over schreef [5], komt nog een ander aspect naar voren, namelijk de vooringenomenheid van de (hoofd)redacteur. Is hij lid van of heeft hij vrienden bij een bepaalde politieke partij, dan bepaalt dat in hoge mate de kleur van zijn verhaal. Woordvoerders en politici zijn er om die reden op uit goeie vrienden te worden met belangrijke verslaggevers. Vaak ook worden verslaggevers ingepakt doordat op hen druk wordt uitgeoefend feiten te verzwijgen of in strijd met de waarheid voor te stellen in het belang van de veiligheid of zelfs censuur te accepteren.[6]

Gedeelde ideologie
Nog een belangrijke factor die de onafhankelijkheid van de pers in de weg staat is de gedeelde ideo­logie. Dat gaat veel verder dan de verbondenheid van de (hoofd)redacteur met een bepaalde politieke partij. De ideologische verschillen tussen links en recht in Nederland zijn veel kleiner dan de overeenkomsten.  Aan een Cubaan is het verschil nauwelijks uit te leggen, want er is geen partij in Nederland die zich uitdrukkelijk tegen het kapitalisme keert. De PvdA deed dat nog in het beginselprogramma van 1977, maar wil daar niet meer aan herinnerd worden. De CPN bestaat niet meer, althans is op gegaan in GroenLinks. Noch in het verkiezingsprogramma van GroenLinks, noch in dat de SP kom je het woord ‘kapitalisme’ nog tegen.

Een paar zaken staan in de Nederlandse politiek niet of nauwe­lijks ter discussie:  de vrije markteco­no­mie, de afkeer van het communisme, de  vriendschap met / althans af­hankelijkheid van de VS (wie pleit er nog voor uit treden uit de NAVO?), het vertrouwen in officiële deskundigen, de integriteit van de overheid en het geloof dat iedereen die zijn best doet voldoende kansen heeft in onze maatschap­pij om te slagen en natuurlijk dat er geen land is waar de mensen zoveel redenen hebben trots te zijn op hun land als Nederland. Inmiddels behoort tot deze gedeelde ideo­logie ook de overtuiging dat on­ze normen en waarden superieur zijn, hoewel niemand precies weet wat die precies zijn, en die van moslims niet. De impact van die gedeelde ideologie is dat wat daar niet mee in overstemming is een geringe kans heeft op aandacht in de media en, omgekeerd, media sterk de neiging hebben in hun berichtgeving en commentaren bij die gedeelde ideologie aan te sluiten.

NRC.next, een uitgaven van de NRC, die in Nederland wordt beschouwd als één van de kwaliteits­kranten, maakt van haar steun aan de gedeelde ideologie in het geheel geen geheim. In de statuten staat met zoveel woorden dat zij voorstander is “van een verenigd Europa, van integere transatlan­tische banden en internationale vrijhandel”.

Experts in het legitimeren[7]
Een belangrijke rol bij de vorming en instandhouding van de gedeelde ideologie is weggelegd voor de media, maar ook voor talloze wetenschappers die werkzaam zijn bij de overheid, bij universiteiten en onderzoek- en adviesbureaus en die in feite als belangrijkste taak hebben wetenschappelijk te bewijzen dat het overheidsbeleid juist is. Een schokkend voorbeeld:

Leidse onderzoekers onder leiding van Prof. Joanna van der Leun kwamen in 2014 tot de conclusie dat de Haagse politie niet structureel etnisch profileert. Van der Leun was lid van de adviesraad van de politie Haaglanden. Met de politieleiding besprak Van der Leun: “Afbreukrisico kan zijn dat het de aan­dacht kan vestigen op (mogelijke) discriminatie door de politie. Dit risico is met prof. Van der Leun besproken. Zij begrijpt de onwenselijkheid hiervan en heeft aangegeven dat zij (en xx naam is zwart­gemaakt) dit punt expliciet zal bespreken met de studenten en dat zij hierop zal letten bij de tussen­tijdse besprekingen van de (concept) scripties.[8]

De overheid en het bedrijfsleven zijn vrijwel de enige opdrachtgevers voor beleidsonderzoek en zijn niet geïnteresseerd in resultaten die een al te kritisch licht werpen op het beleid en het gedrag van de overheid en het bedrijfsleven. Het gevolg is dat met het doen van echt onafhankelijk onderzoek geen droog brood valt te verdienen. Wat voor spindocters en woordvoerders geldt, geldt ook voor wetenschappelijke rapporten: journalisten zijn zo erg in de minderheid dat ze niet bij machte zijn om al die rapporten te lezen en daar kritisch over te schrijven, ook al zouden ze het willen. En dus doen de NOS en de (‘kwaliteits’-) kranten niet veel meer dan de persberichten overschrijven die door de opdracht­gevers van het onderzoek zijn opgesteld en verspreid.

Wat voor beleidsonderzoek geldt,  geldt niet minder voor de sociale- en geesteswetenschappen voor zover die zich meer met theorievorming bezighouden. Die spiegelen ons de maatschappij waarin wij leven voor als min of meer natuurlijk en alles wat daarvan afwijkt als problematisch of onderontwikkeld. De geschiedenisboeken waarmee wij allemaal worden grootgebracht laten ons het westen zien als het geciviliseerde deel van de wereld en hebben de bedoeling gevoelens van nationale trots en – saamhorig­heid te bewerkstelligen, wat onmiskenbaar ook de bedoeling is van het NOS en het Sportjournaal.

Om alle bovengenoemde redenen is het zeer de vraag of de pers zoals wij die kennen in het westen inderdaad zo onafhankelijk is als in het westen wordt gedacht en aan landen als lichtend voorbeeld wordt voorgehouden waar de pers in handen is van de staat. Chomsky en Vltchek zijn het er over eens dat zij voor de staatstelevisie van Iran en China heel wat meer ruimte krijgen om kritiek te uiten op de regimes in die landen dan zij krijgen bij de media in Europa en de VS om kritiek te uiten op de buitenlandse politiek van westerse regeringen.

Vrijheid van meningsuiting
Voor een beoordeling van de vraag of er in Cuba niet, maar in het westen wél  vrijheid van menings­uiting bestaat is het belangrijk stil te staan bij wat we eigenlijk moeten verstaan onder vrijheid van meningsuiting.

In veel gevallen is onze vrijheid van meningsuiting niet meer dan een formele vrijheid: je mag zeggen wat je wil, maar de pers, de politiek en de overheid neemt niet de moeite om er ook maar kennis van te nemen. De analogie dringt zich op met de ideeënbus  die lange tijd in veel bedrijven hing. Iedereen kon daar zijn ideeën in kwijt en aan het eind van de week werd die in de prullenbak geleegd. Maar de werknemers hadden tenminste het gevoel dat ze hun zegje konden doen.

De ideeënbus bij de overheid kennen we in Nederland in de vorm van inspraak- en participatieprocedures. Ontwerp besluiten moeten volgens de Algemene wet bestuursrecht ‘ter visie’ gelegd worden. Burgers mogen dan gedurende zes weken zienswijzen kenbaar maken. De praktijk is echter dat die zienswijzen zelden of nooit leiden tot een aanpassing van het besluit. Burgers mogen, nadat het besluit is genomen, ook bezwaar maken. Maar ook daarvoor geldt dat die bezwaren zelden of nooit worden gehonoreerd. De voornaamste functie van inspraak- en participatieprocedures is bij het volk de suggestie te wekken te worden gehoord om, nadat de overheid zich niets van de mening van het volk heeft aangetrokken, het volk voor te houden dat het besluit geaccepteerd moet worden omdat het volk geparticipeerd heeft in de besluitvorming.

De ideeënbus bij de pers kennen we in de vorm van ‘brieven aan de redactie’. Er worden door lezers heel  veel brieven geschreven aan de redactie, zodat de redactie daar een selectie uit moet maken.  Reacties die vallen buiten wat ik heb genoemd de gedeelde ideologie vallen bij die selectie snel af.  Ook hier geldt dus dat het formeel inderdaad mogelijk is om je mening te geven, maar dat dat er niet toe leidt dat die gehoord wordt, laat staan in overweging wordt genomen. Je kunt net zo goed tegen de muur praten.

Burgers die het niet kunnen verdragen dat er niet naar ze geluisterd wordt nemen soms hun toevlucht tot demonstraties. Voor een demonstratie heb je toestemming nodig van de gemeente en die je krijg je vaak niet als je wilt demonstreren in het centrum van de stad waar iedereen je kan zien. De demonstratie verstoort dan namelijk de openbare orde en dat mag niet. Demonstraties die plaatsvinden zonder toestemming hebben vaak hard politie optreden tot gevolg. De wijze waarop Cubaanse autoriteiten optreden tegen de rituele demonstraties van de Damas blancas zijn heilig als je die vergelijkt met de manier waarop de politie in Nederland ingrijpt tegen anti- zwarte piet demonstranten om maar te zwijgen van de manier waar in de VS wordt ingegrepen tegen de demonstraties die zich keren tegen de aanleg van de oliepijpleiding door North Dakota.

Een bijzondere vorm van meningsuiting is het ‘klokkenluiden’: mensen die tot een organisatie horen worden geacht misstanden in de organisatie niet naar buiten te brengen. Doen ze dat wél, dan wordt dat beschouwd als een zeer ernstig vergrijp. Fred Spijkers was maatschappelijk werker bij het leger en kreeg de opdracht aan de vrouw van een bij een explosief ongeluk omgekomen soldaat te gaan vertellen dat het de schuld van de soldaat zelf was. Die zou zich niet aan de instructies hebben gehouden. De waarheid was echter dat de explosieven niet deugden en dat de superieuren ernstig in gebreken waren gebleven. Spijkers weigerde, werd ontslagen en toen hij naar de pers liep werd zijn leven min of meer verwoest. Ad Bos, oud-directeur van Koop Tjuchem, deed een boekje open over de corruptie in de bouwwereld bij overheidsprojecten. Zijn vrijheid van meningsuiting had tot gevolg dat Bos compleet werd geruïneerd.

Kortom, formeel bestaat in het westen het recht op vrije meningsuiting, maar wee degene die daar gebruik van maakt op een manier waarop dat de overheid niet uitkomt.

Politieke rechten
De Cubaanse regering wordt in de westerse pers vrij algemeen als ondemocratisch aangeduid omdat het geen rivaliserende politieke partijen kent. Dat de leden van het hoogste orgaan, de Asamblea National, rechtstreeks gekozen wordt door de bevolking is bij de meeste commentatoren onbe­kend omdat er weinig zijn die de moeite nemen om de Cubaanse Constitución[9]  en de Ley Electo­ral de 1992[10] te raadplegen. Het is makkelijker westerse regeringswoordvoerders na te praten die het ook niet weten. Als beweringen maar vaak genoeg worden herhaald gaan ze vanzelf deel uitmaken van wat ik de gedeelde ideologie heb genoemd. Die westerse gedeelde ideologie is zo krachtig en wordt ook door zoveel door de VS gefinancierde radiostations rond Cuba verspreid, dat er ook Cubanen zijn die geloven dat de democratie zoals die in het westen wordt gepraktiseerd superieur is. En als je dan vertelt dat wij in Nederland ons staatshoofd helemaal niet zelf kunnen kiezen en ook onze pre­mier niet en dat er steeds meer burgers zijn die zich helemaal niet vertegenwoordigd voelen, dan willen ze dat maar nauwelijks geloven.

“Tegen verkiezingen”
Om mijn Cubaanse vrienden uit de droom te helpen vertel ik ze dat de Belgische schrijver David Van Reybrouck een boekje geschreven heeft getiteld “Tegen verkiezingen”, waarin hij ervoor pleit leden van de volksvertegenwoordiging aan te wijzen door middel van loting in plaats van door verkiezin­gen. Loting heeft het voordeel dat iedereen dezelfde kans heeft om gekozen te worden en bij verkie­zingen is dat geenszins het geval. Om gekozen te worden als volksvertegenwoordiger moet er een politieke partij zijn om jou kandidaat te stellen en om door een partij kandidaat gesteld te worden moet je vrienden hebben in die partij, moet je tegenwoordig hoog opgeleid zijn,  welbespraakt en mediageniek, moet je met je ellebogen kunnen werken en geen last hebben van al teveel scrupules. Kortom, ons op verkiezingen geba­seerd systeem waarbij je als kiezer moet kiezen tussen kandida­ten die door politieke partijen zijn ge­selecteerd is een bijzonder elitair systeem waarin het gewone volk geen schijn van kans maakt om zichzelf te vertegenwoordigen en waarvan het bovendien zeer de vraag is of het inderdaad mensen selecteert die geschikt zijn om de belangen van het gewone volk te behartigen en niet alleen die van de intelligentsia, van invloedrijke en financieel krachtige belangengroepen, de ambtelijke bureaucratie of een combinatie daarvan. [11]

De ijzeren wet van de oligarchie
Klassieke sociologen als Vilfredo Pareto, Gaetano Mosca en Roberto Michels wezen er op dat er van echte democratie in wat wij als democratieën beschouwen nauwelijks sprake is omdat wij geregeerd worden door elites die permanent verwikkeld zijn in een strijd om macht en rijkdom. Opkomende of alternatieve elites proberen gevestigde elites te verdringen en doen dat steevast door zich op te werpen als behartigers van het volk dat niet gehoord wordt. Zijn ze eenmaal aan de macht of mogen ze delen in de macht, dan blijkt al gauw dat er geen enkel  verschil is met de oude elite en dat ook de nieuwe elite zichzelf van riante inkomens voorziet en zich weinig gelegen laat liggen aan het volk. Aldus de ijzeren wet van de oligarchie van Roberto Michels die het best geïllustreerd wordt door de fabel “De dierenboerderij” van George Orwell.

Of er van politieke rechten in het westen meer terecht komt dan in het Cubaanse politieke systeem is de vraag. Zoals gezegd wordt de Asamblea Nacional del Poder Popular rechtstreeks gekozen (evenals de Asamblea Municipal en de Asamblea Provincial). Dat gebeurt doordat elk district afgevaardigden kan aanwijzen. Kandidaten waaruit gekozen kan worden, worden geselecteerd door Comisiones de Candidaturas waarin vertegenwoordigers zitten van de Central de Trabajadores, de Comités de Defensa de la Revolución, de Federación de Mujeres Cubanes, de Asociación Nacional de Africultores Pequeños, de Federación Estudiantil Universitaria en de Federación de Estudiantes de la Enseñanza Media. (Articulo 68).

Commentatoren die beweren dat Cuba een dictatuur is zouden toch eerst de moeite moeten nemen om kennis te nemen van de Constitución en de Ley Electoral de 1992 en zich vervolgens moeten afvragen of het op rivaliserende politieke partijen gebaseerde systeem zoals wij dat kennen beter garandeert dat de regering doet wat het volk wil. Getuige het sterk opkomend populisme in westerse ‘democratieën’ denkt alleen de welvarende en hoogopgeleide elite dat dat zo is en overheerst bij het volk de opvatting dat het niets uitmaakt of je door de hond of door de kat gebeten wordt.

Waarom moet Cuba zwart gemaakt worden?
Het antwoord is eenvoudig: het gewone volk in de VS en Europa zou zich kunnen afvragen: waarom hebben wij geen gratis onderwijs en gratis gezondheidszorg? Waarom accepteren wij extreme inkomensverschillen, Cuba laat zien dat het ook anders kan. Waarom accepteren wij dat multinationals bij ons de dienst uitmaken, in Cuba hebben ze niets te vertellen. Waarom heeft iedereen in het arme Cuba een dak boven zijn hoofd en is niemand ondervoed, terwijl er in het rijke westen mensen dakloos zijn en uit de vuilnisbak moeten eten? Als gewone mensen in het rijke westen zich zulke vragen zouden gaan stellen breekt er opstand uit. Om dat te voorkomen en om het volk er van te overtuigen dat ze in de best denkbare maatschappij leven moet Cuba worden afgeschilderd als een dictatuur waar de mensen geen leven hebben. Daar komt bij dat het nietige Cuba het machtigste land ter wereld sinds 1959 voor schut zet door niet naar de pijpen van de VS te dansen.  Nederland behoort tot de landen die de meest vriendschappelijke banden hebben met de VS en ook de media in Nederland zijn trouw  aan de transatlantische vriendschap en het systeem van vrijhandel, behalve dan wat Cuba betreft want de VS wil niet dat wij daar handel mee drijven.

[1] http://www.indexmundi.com/g/g.aspx?v=67&c=us&l=nl

[2] Vanaf 1898, het einde van de Spaanse kolonisatie.

[3] https://www.youtube.com/watch?v=_tf1FA3gqWE

[4] https://www.youtube.com/watch?v=8V93dg7mM7Y

[5] Janneke Monshouwer, Ander Nieuws, wat het Journaal niet uitzond, http://www.andernieuws.eu/

[6] http://media-ombudsman.nl/embedded-journalism-is-een-oneigenlijke-tak-van-journalistiek-door-jan-van-groesen/

[7] Noam Chomsky. Intellectuals and the state, 1977  http://www.ditext.com/chomsky/is.html

[8] http://www.republiekallochtonie.nl/onderzoek-naar-etnisch-profileren-door-haagse-politie-om-diverse-redenen-dubieus

[9] http://www.cuba.cu/gobierno/cuba.htm

[10] http://pdba.georgetown.edu/Electoral/Cuba/cuba.html

[11] Zie ook Thomas Decreus in Een paradijs waait uit de storm. Over markt, democratie en verzet. 2013