400 Doden per jaar in Utrecht door luchtverontreiniging

Op 2 maart 2008 stuurde ik een mailbericht aan het college en de gemeenteraad van Utrecht om de aandacht te vestigen op een RIVM-rapport uit 2005: “Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980-2020”. Volgens dat rapport zouden er elk jaar ca. 18.000 mensen in Nederland overlijden door langdurende blootstelling aan luchtverontreiniging. Om de totale voortijdige sterfte te ramen, moet je daar de sterfte bij op tellen als gevolg van hoge kortdurende blootstelling (bij smog bijvoorbeeld). Hieronder een verkorte weergave van het bericht.

Berekeningen over het jaar 2000 wezen uit dat ca. 5000 mensen in Nederland overleden als gevolg van luchtverontreiniging (blz. 59). Dan kom je voor de stad Utrecht uit op 87,5 per jaar, aangenomen dat Utrecht 280.000 inwoners heeft en Nederland 16 miljoen. Dit aantal betreft echter ‘short-term-exposure’. Wat daaronder verstaan wordt, blijkt uit de tekst op blz. 39. Het gaat om relatief zwakke mensen (meestal ouderen en jongeren) voor wie een kortstondige blootstelling aan verontreinigde lucht fataal is. Kortstondige blootstelling varieert in de berekening tussen de 1 en 5 maanden.

Wat in dit sterftecijfer (87,5 doden per jaar Utrecht) niet is meegenomen zijn de gevallen van langdurige blootstelling. Mensen die bijvoorbeeld langs de Graadt van Roggenweg wonen, de Weg der VN, de M.L. Kinglaan of de Weerdsingel of onze vuilnisophalers die achter vuilniswagens lopen waar nog steeds geen fijnstoffilter op zit, staan jaar in jaar uit bloot aan verhoogde concentraties fijnstof. Daar gaan ze niet meteen aan dood, maar hun leven wordt wel met enige jaren bekort. “For long-term exposure the mortality number is many times higher (around 12.000 to 24.000)” (p. 56).

Belangrijk is te weten wat “voortijdig” is. Is dat een paar dagen, een paar maanden of een aantal jaren? “According to some studies and impact assessments, long-term exposure to particulate matter is associated with a reduction in life expectancy per victim in the order of about 10 years” (p. 16). Op basis van deze informatie moet men er dus rekening mee houden dat uitgaande  van het aantal van 18.000 voortijdige sterften per jaar, de gemiddelde levensduurbekorting 10 jaar is.

Reken je deze onheilspellende cijfers om naar Utrecht, dan kom je dus op ca. 400 sterften per jaar. In ruim 300 van die gevallen kost het de mensen ca. 10 jaar van hun leven. Die mensen wonen (woonden moet ik zeggen) langs drukke verkeerswegen in Utrecht.

De GG&GD bevestigde op 2 april 2008 desgevraagd dat in Utrecht, uitgaande van het RIVM-rapport, elk jaar ruim 300 Utrechters voortijdig overlijden door langdurende blootstelling aan fijnstof (315 om precies te zijn). Het jaarlijks aantal verkeersdoden is een fractie daarvan: ca. 11.

Je zou verwachten dat de GG&GD of de afdeling Milieu het college en de gemeenteraad al eerder over dit uit 2005 daterende rapport had geïnformeerd. Dat was niet gebeurd, hoewel daar alle aanleiding toe was, want ook in “Fijnstof nader bekeken” uit 2005 van het Milieu en Natuurplanbureau stond: “Als bepaalde Amerikaanse studies over langdurende blootstelling geldig zijn voor Nederland, zouden mogelijk tienduizend tot enige tienduizenden mensen ongeveer tien jaar eerder overlijden”).

De gemeenteraad kwam naar aanleiding van mijn bericht niet in spoedzitting bijeen om zo snel mogelijk tot noodzakelijke maatregelen te besluiten om een eind te maken aan de levens-bedreigende situatie langs drukke wegen. Er werd door geen enkel raadslid op het bericht gereageerd. Er werden geen vragen over gesteld aan het college. Kortom, de reactie was: “het is beter om dit niet te weten”. Bij mijn weten wonen er geen wethouders en raadsleden langs wegen die berucht zijn in verband met luchtverontreiniging. Daar wonen vooral mensen met minimum inkomens.