De bijklussende bestuursadviseur van de burgemeester

Met mr. Jan van der Valk kreeg ik te maken in 2003/2004. Hij was bestuursadviseur van de toenmalige wethouder Marie Louise van Kleef voor ruimtelijke ordening (PvdA). Die had het woonwagenbeleid in haar portefeuille.. Enkele woonwagenbewoners hadden mij gevraagd om hen bij te staan in hun verzet tegen de opheffing van het woonwagenkamp Huppeldijk.

Het woonwagenkamp Huppeldijk (vlak langs de A2) moest om twee redenen verdwijnen. Het moest plaatsmaken voor een verbreding van de A2 en voor de realisatie van het plan Leidsche Rijn. Op de plaats van de Huppeldijk zouden bedrijven komen te staan. Er was echter nog een andere reden: de gemeente voerde een spreidingsbeleid om de integratie van woonwagen-bewoners te bevorderen. Daar voelden de “kampers” niets voor, want ze waren bang dat ze op den duur in een eensgezinswoning of een flat terecht zouden komen en dat dat het einde zou zijn van hun woonwagenbestaan. Hun vrees leek me terecht. De overheid voert immers al ruim honderd jaar een beleid gericht op de verdwijning van het woonwagenbestaan. Ik verwijs naar “Woonwagenvolk” van Lau Marizel (1987).

Van der Valk leek mij niet alleen de architect van het beleid van Van Kleef, maar hij deed zich aan de woonwagenbewoners ook voor als hun vertrouweling. Ik vertrouwde hem dus niet. Veel later zou ik met één van de vele Nicolich families te maken krijgen. Ook toen leek mij Van der Valk achter de schermen de regie te hebben van de handhaving tegen Nicolich, maar zich tegelijk aan hem voor te doen als zijn vertrouweling. De dubbelrol van Van der Valk, waarvan ook sprake was toen hij was opgeklommen tot de vertrouweling en bestuursadviseur van de burgemeester, was ook het weekblad Elsevier opgevallen: http://www.elsevier.nl/Nederland/nieuws/2012/5/Dubbelrol-rechterhand-Wolfsen-rond-Roma-familie-Utrecht-ELSEVIER338792W/

Van der Valk vond naast zijn drukke en verantwoordelijke baan als bestuursadviseur van de wethouder kennelijk ook tijd om er een eigen juridisch adviesbureau op na te houden in Houten. Mij werd door woonwagenbewoners verteld dat ze daar ook wel ontvangen werden. Niet alleen vond ik Van der Valk Juridisch Advies op internet, maar dat hij er als nevenactiviteit een eigen adviesbureau op na hield werd mij door de gemeente bevestigd op 28 maart 2007. Mijn belangstelling voor Van der Valk was daarmee gewekt. In die tijd las ik veel over de vierde macht (Crince Le Roy, De Vierde Macht: de ambtelijke bureaucratie als machtsfactor in de staat” (inaugurele rede als lector, 1969). Hij leek mij het type ambtenaar dat informeel en achter de schermen veel macht uitoefent. Zeg maar de buikspreker van de wethouder.

Na enig speurwerk kwam ik erachter dat hij voorwerp was geweest van een integriteitsonder- zoek in 2001. Twee ambtenaren (A senior inspecteur bij de Dienst Stadsontwikkeling en B maatschappelijk werker/productchef bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling) bleken panden op te  kopen in de binnenstad om die daarna officieel te splitsen en per zelfstandige etage door te verkopen. Heeft een splitsingsvergunning over het algemeen veel voeten in de aarde, dankzij hun contacten binnen de ambtelijke dienst was dat vaak in een dag voor elkaar (“In één geval zat er een dag tussen de datum van de aanvraag en de verlening” aldus het vertrouwelijke verslag van recherchebureau Hoffman, p.10). Mogelijk speelde daarbij een rol dat A als ambtenaar ook splitsingsprocedures bij Stadsontwikkeling deed. A en B hadden voor hun handel BV-tjes opgericht: Vedo BV en Rens BV. Op naam van de echtgenotes.

Het college besloot de zaak uit te laten zoeken. Recherchebureau Hoffman werd ingeschakeld om te onderzoeken of er sprake was van handel in voorkennis, belangenverstrengeling, ongeoorloofde nevenactivteiten, malversaties met bouwaanvragen en vergunningen en om uit te zoeken in hoeverre andere ambtenaren op de hoogte waren en er bij betrokken waren. In het geanonimiseerde verslag van Hoffman komt een ‘DSO-ambtenaar 2’ voor, een jurist die zich met splitsingsvergunningen bezighield (een naaste collega dus van A) en bezig was een eigen juridisch bureautje op te zetten. Dat bleek mr. Jan van der Valk te zijn. Hij zou B een enkele keer juridisch advies gegeven hebben en voor B een stuk geschreven hebben ten behoeve van een juridische procedure. B zou nooit voor zulk advies hoeven te betalen, “DSO-ambtenaar 2 heeft me deze dienst bij wijze van promotie aangeboden, waarschijnlijk in de hoop dat ik bij eventuele latere zaken weer bij hem zou aankloppen”. Van der Valk bevestigde in Ons Utrecht van 28 maart 2007 dat hij tot twee keer toe voorwerp is geweest van onderzoek: “Dat was in 1989 en enkele jaren geleden.”Dat Van der Valk al eerder voorwerp was geweest van onderzoek was nieuw voor mij.

Hoffman kwam ten aanzien van alle onderzochte ambtenaren tot de conclusie dat er niets onrechtmatigs was gebeurd. Dat kon eigenlijk moeilijk anders, want een groot deel van de onderzochte dossiers van de betreffende 22 panden was zoek of onvolledig. Zoals één van de ambtenaren volgens Hoffman verklaarde: “U vraagt mij naar ontbrekende stukken in de door u verzamelde dossiers. Het archief van de gemeente is een ‘zooitje’.” Maar bovendien heeft het particuliere Hoffmann bedrijfsrecherche bureau, anders dan het Openbaar Ministerie, geen enkele opsporingsbevoegdheid. Dus als ambtenaar B verklaart dat Van der Valk geen betaling ontving voor zijn juridische adviezen en dat hij zijn advies slechts bij wijze van promotie had aangeboden dan kon Hofmann dat niet en zou het OM dat wel aan de hand van de giroboekjes en kasbescheiden van B en Van der Valk hebben kunnen controleren. Dat uit het onderzoek van Hoffman bleek dat de er niets onrechtmatigs was gebeurd zegt dus niet zoveel.

Bij de vuilnisophalers en -inzamelaars van de RHD werd wèl meteen aangifte gedaan, bij de witteboord ambtenaren van Stadsontwikkeling en Maatschappelijke Ontwikkeling, die mogelijk betrokken waren bij handel in voorkennis, belangen- verstrengeling, ongeoorloofde nevenactivteiten, malversaties met bouwaanvragen en vergunningen, niet. Het rapport Hoffman zou aanleiding hebben moeten zijn om aangifte te doen, zodat het OM, dat immers wel over opsporingsbevoegdheden beschikt, grondig onderzoek had kunnen doen. De verklaring van ambtenaar B dat Van der Valk zijn adviezen bij wijze van promotie aanbood (om zijn juridisch adviesbureautje te promoten) lijkt mij daar wel aanleiding toe te geven. Te meer omdat Van der Valk (net als A) splitsingsprocedures deed, onder andere naar aanleiding van aanvragen van A en B, waarvan Van der Valk wist dat zij zich met de twijfelachtige handel in panden bezighielden. Je zou zeggen, als je weet dat bepaalde aanvragen niet helemaal kosjer zijn, dan hoor je daar niet zonder meer aan mee te werken en zeker niet ook nog eens je adviezen aan te bieden (ook al zou dat “slechts” zijn om je eigen juridisch bureautje te promoten). Dat het college besloot om het OM niet in te schakelen en te volstaan met het particuliere Hoffman recherche, wekt daarom de indruk dat het college, nu het om witteboord ambtenaren ging, de onderste steen helemaal niet boven wilde hebben. Dat komt meer voor bij de overheid.

Huberts en Nelen signaleren in “Corruptie in het Nederlands Openbaar Bestuur” (2005) een geringe neiging bij de overheid om politie en justitie in te schakelen bij het vermoeden van fraude en corruptie. Liever handelt men de zaken intern en vertrouwelijk af. Daarbij komt, aldus Huberts en Nelen (p. 82) : “De onderzoeken die intern worden afgehandeld, leiden vaak tot het vrijpleiten van de betrokkene(n)”. Nogmaals, als Hoffmann tot de conclusie komt dat géén van de betrokken ambtenaren iets onrechtmatigs heeft gedaan, dan zegt dat dus niets. Voor de betrokken ambtenaren kan dat overigens heel vervelend zijn, want als het OM tot de conclusie zou komen dat er niets onrechtmatigs is gebeurd, dan maakt dat op het publiek veel meer indruk dan wanneer een particulier recherche zonder opsporingsbevoegdheden dat zegt.

Een interessante vraag is:  wat weerhield het college ervan het OM in te schakelen? Daar kunnen twee voor de hand liggende redenen voor zijn. De eerste is dat de betrokken wethouder of het college door de leiding van de betreffende ambtelijke diensten onder druk wordt gezet om dat niet te doen. Zou er namelijk inderdaad iets aan de hand blijken zijn, dan zal ook de leiding daarop worden aangekeken. Die hadden er immers voor moeten zorgen dat er geen onregelmatigheden plaatsvonden. De tweede reden is dat ambtenaren die zich schuldig hebben gemaakt aan integriteitsschendingen en waar sancties tegen worden getroffen tot hun verdediging kunnen aanvoeren dat iedereen er van wist (dat delen A en B ook) en dat zij zeker niet de enigen waren die zich met twijfelachtige praktijken bezighielden en dat het dus niet eerlijk zou zijn om alleen hen aan te pakken. En daarbij zouden ze ook voorbeelden kunnen noemen, ook en vooral van hoger geplaatsten. Twee redenen dus om de kwestie intern af te handelen, zodat de kwestie in vertrouwelijke rapporten kan worden afgedaan.

De gemeentelijke accountantsdienst kwam op basis van het rapport van Hoffman ten aanzien van A en B tot de conclusie dat er van handel in voorkennis en belangenverstrengeling niet was gebleken, maar dat makkelijk de schijn ven belangenverstrengeling kon ontstaan en dat de mannen hun nevenactiviteiten in elk geval hadden moeten melden. De activiteiten zouden van 1997 in de dienst al wel bekend zijn geweest, maar doordat het management geen maatregelen naam (zoals overplaatsing of het aanscherpen van procedures) zou bij A en B de indruk zijn gewekt dat het management hun nevenactiviteiten goedkeurden. Aanbevolen werd om meer aandacht te geven aan het melden van nevenactiviteiten. “Daarbij zal voor elke schijn van belangenverstrengeling een oplossing gezocht moeten worden”. Als ik me wel herinner werd er met A en B een regeling getroffen zodat zij de dienst eervol konden verlieten.

Van der Valk dook een paar jaar later op als de vertrouweling en bestuursadviseur van wethouder van Kleef en nog weer een paar jaar later als de vertrouweling en bestuursadviseur van de burgemeester. Dat hij er nog steeds een eigen juridisch adviesbureautje op na hield zou geen probleem zijn zolang hij zich maar aan de afspraak hield “geen werkzaamheden te verrichten op onderwerpen waarbij de gemeente direct of indirect betrokken is of kan zijn”, aldus Van der Valk zelf in Ons Utrecht van 28 maart 2007. Gelet op de dubbelrol van Van der Valk in het woonwagendossier en in de dossiers Nicolich, trok Van der Valk zich weinig van die afspraak aan. In een gemeente als Utrecht roept dat kennelijk geen vragen op. Niet bij het college en niet bij de gemeenteraad, die door de publiciteit rond de kwesties Nicolich goed van zijn dubbelrol op de hoogte was. Dat is zorgelijk, want als Van der Valk zich niet aan de afspraak blijkt te houden in die dossiers, is het de vraag waarom hij dat in andere vertrouwelijke dossiers wél zou doen.