De kwestie reis- en pensioenkosten Wolfsen

Ingaande 18 januari 2008 declareerde Wolfsen 1440 euro pensionkosten per maand. Dat bleef hij in elk geval doen tot 17 januari 2009. In totaal ging het om het bedrag van 23.194,80 euro. Eén en ander blijkt uit brief van 7 april 2009 een opgesteld door bestuursadviseur mr. Jan van der Valk en ondertekend door de gemeentesecretaris en de loco-burgemeester. Op 2 januari 2008 werd Wolfsen burgemeester in Utrecht. Hij woonde in Amsterdam en had nog geen woning in Utrecht.

Volgens het toen geldende rechtspositiebesluit burgemeesters art. 31 lid 2 kon hij aanspraak maken op een vergoeding van reis- en pensionkosten indien hij na benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente beschikte. Hoewel Wolfsen pensionkosten mocht declareren, declareerde hij in werkelijkheid de huur (althans 90% daarvan) voor een ingericht appartement aan het Vondelparc.

De journalist HPA van het AD kwam daar eind 2008 achter en besloot uit te zoeken of Wolfsen al die tijd (inmiddels bijna 12 maanden) wel terecht pensionkosten had gedeclareerd. Aanleiding was waarschijnlijk de affaire die eind 2008 in Den Helder speelde: burgemeester Hulman had in Rotterdam (waar hij wethouder was geweest) een woning en declareerde niettemin de kosten van zijn woning in Den Helder.

Zoals bekend reageerde Wolfsen furieus op het voornemen van het AD om over de kwestie pensionkosten te schrijven. Wolfsen wist te bereiken dat het AD van publicatie afzag en toen Ons Utrecht erover zou gaan schrijven en de weekkrant al gedrukt was, besloot de uitgever van Ons Utrecht op verzoek van Wolfsen de hele oplage van ruim 120.000 ex. te vernietigen. Interessante vraag is waarom Wolfsen per sé publicatie wilde voorkomen?

Als Wolfsen er werkelijk van overtuigd was dat hij de huur van het appartement terecht als pensionkosten had gedeclareerd, waar maakte hij zich dan zorgen over? Als Wolfsen echt zo zeker van zijn zaak was had hij de kwestie gewoon aan de rechter voor kunnen leggen. Dat hij de publicatie per sé  wilde voorkomen kan eigenlijk alleen maar betekenen dat hij er zelf niet van overtuigd was dat zijn pensiondeclaratie in overeenstemming was met de toepasselijke regelgeving.

 brief aan Wolfsen

Opmerkelijk is dat Wolfsen pas op 7 januari 2009 een door de gemeentesecretaris en de loco-burgemeester ondertekende brief kreeg waarin stond dat hij maandelijks 90% van zijn pensionkosten mocht declareren én dat de huur van een woning  onder het begrip pension-kosten viel. Die brief werd dus geschreven toen hij al een jaar had gedeclareerd. Kennelijk had men er op het stadhuis lucht van gekregen dat HPA van het AD de kwestie aan het uitzoeken was en besloot men Wolfsen snel nog even en met terugwerkende kracht toestemming te geven voor zijn pensiondeclaraties.  Uit de mailwisseling tussen HPA en het stadhuis blijkt overigens dat er door het college geen besluit was genomen om Wolfsen’s pensionkosten te vergoeden. Op 3 februari 2009 berichtte de woordvoerder van het stadhuis “Noch in het college, noch in het presidium is het een besluit of agendapunt geweest.” Met andere woorden dat Wolfsen zijn pensionkosten zou declareren werd geregeld tussen Wolfsen en een paar ambtenaren en buiten het college om.

De vraag waarom het college niet betrokken werd bij de toekenning van de pensionvergoeding wordt in een brief van 30 maart 2009  opgesteld door bestuursadviseur mr. Jan van der Valk beantwoord met het argument: “(…) omdat die aanspraak rechtstreeks voortvloeit uit landelijke regelgeving (…) Er is niet afgesproken of besloten dát hij een beroep op de onkostenregeling kan doen, er is wel besproken en uitgelegd op welke wijze en tot welke hoogte hij volgens de die landelijke regelgeving aanspraken op pensionkosten en reiskosten kan maken en op welke wijze hij die vergoed krijgt”.

Het argument rammelt. Immers, als die aanspraak werkelijk rechtstreeks voortvloeit uit de landelijke regelgeving, dan hoeft er niet “besproken en uitgelegd” te worden op welke wijze en tot welke hoogte volgens die landelijke regelgeving aanspraak op de pensioenkosten kan worden gemaakt. En bovendien weten wij uit het eerdere bericht van 3 februari 2009 dat in het college geen besluit is genomen en dat het zelfs geen agendapunt is geweest. Er was dus in het college niets besproken en uitgelegd, terwijl dat uitgerekend in een geval als dit, waarbij de vergoeding dus niet rechtstreeks en ondubbelzinnig uit de regelgeving voortvloeit, wel zou moeten.

Dat het allerminst vanzelf sprak dat Wolfsen aanspraak maakte op de pensionregeling blijkt uit de toelichting bij de “Regeling rechtspositie burgemeesters”. Daar valt te lezen: “Indien geen gebruik wordt gemaakt van hotel of pensioen dan betreft de vergoeding uitsluitend gemaakte reiskosten”. En verder staat er dat de pensionkosten bedoeld zijn voor het geval “dat niet over- al dan niet tijdelijke – woonruimte in de gemeente” wordt beschikt. Dus ook de huur voor tijdelijke woonruimte, waarvan i.c. sprake was, zou volgens de toelichting niet voor vergoeding van pensionkosten in aanmerking komen.

In de brief van 7 januari 2009 die Wolfsen ontving van het college (zie boven), waarin hem dus met terugwerkende kracht van een jaar de vergoeding werd toegezegd, werd duidelijk naar art. 31 lid 2  van het rechtspositiebesluit burgemeesters verwezen met citeren van de toelichting. “Dit artikel regelt de reis- en pensionkosten die de burgemeester maakt indien deze na de benoeming nog niet over – al dan niet – tijdelijke woonruimte in de gemeente beschikt (…)“.

Als er geen sprake is van hotel of pension, dan is er dus volgens de regeling sprake van huur van al dan niet tijdelijke woonruimte. Daar is echter een andere artikel van de regeling op van toepassing, namelijk art 3 lid c van de regeling rechtspositie burgemeesters: “kosten in verband met dubbele woonlasten tot maximaal 272,27 en gedurende een periode van ten hoogste vier maanden”. Het simpele feit dat de regeling in een ander en apart artikel voorziet in het geval van dubbele woonlasten wijst er ook nog eens op dat de vergoeding voor pension niet bedoeld is om tegemoet te komen in die dubbele woonlasten. In plaats van aanspraak te maken op 12 maal 1440 euro (pensionvergoeding), zou hij dus eigenlijk maar aanspraak kunnen maken op 4 maal 272,27 euro.

Overigens, Wolfsen bleek zich op 2 juni 2008 in de gemeente Utrecht te hebben laten inschrij- ven. De regeling is echter bedoeld voor burgemeesters die nog niet in de gemeente wonen en dus nog niet ingeschreven zijn in de gemeente waarin zij als burgemeester benoemd zijn. Dus ook al zou men de huur van de kennelijk als tijdelijk bedoelde woning als “pension” mogen opvatten, vanaf het moment dat Wolfsen in Utrecht woonde had hij daar geen recht meer op.

Over de vraag of Wolfsen aanspraak kon maken op de pensionvergoeding was kontakt geweest tussen de ambtenaren van Utrecht en die van het ministerie BZK. Telefonisch werd aan de ambtenaar van BZK de vraag voorgelegd of aan de burgemeester een huurwoning ter beschikking kon worden gesteld en of daar dan de pensionkostenregeling op van toepassing was. Daar werd door BZK in een mailbericht van 27 november 2007 bevestigend op geantwoord. Aan de BZK-ambtenaar blijkt niet de vraag voorgelegd te zijn of Wolfsen ook nog recht op de pensionvergoeding zou hebben vanaf het moment dat hij zowel feitelijk als formeel (dus ingeschreven) in Utrecht zou wonen, wat vanaf 2 juni 2008 het geval zou zijn.

In een nadere toelichting van het ministerie (die zich in het dossier bevond dat door de gemeente na een Wob-verzoek werd vrij gegeven) stond: “Wordt er een woning gehuurd met als doel dat de burgemeester in de gemeente kan verblijven, dan kan onder een vergoeding van de pensionkosten worden verstaan de huur van van een tijdelijk appartement/woning. (….) Het is primair aan de burgemeester en het gemeentebestuur om te beoordelen of de situatie van de burgemeester valt onder het geschetste kader. (…)”. Het college noch de gemeenteraad waren er echter aan te pas gekomen.

Prof. Twan Tak, 40 jaar ervaring met staats- en bestuursrecht, kwam tot het oordeel dat Wolfsen 17.000 euro behoorde terug te geven. “Op het moment dat Wolfsen een appartement in Utrecht betrok, hadden de declaraties moeten stoppen”. Dat de bij de kwestie betrokken ambtenaren van de gemeente Utrecht en van BZK daar hun eigen mening over hadden en de regeling probeerden op te rekken, deed er volgens Tak niet toe. Ook dat de toenmalige minister Guusje ter Horst haar partijgenoot te hulp schoot door te verklaren dat Wolfsen geen misbruik van de regeling had gemaakt was naar het oordeel van Tak niet relevant. Als de wet en de regelgeving moeten worden uitgelegd omdat daar verschil van mening over bestaat, dan moet een onafhankelijke rechter dat doen. Aldus Tak.

Wolfsen is een ervaren jurist. Hij was rechter, zelfs vice-president van de rechtbank in Haarlem en hoofd afdeling juridische zaken en beleid, directe rechtspleging, ministerie van justitie. Als er nu iemand is die moet hebben begrepen dat de door hem gedeclareerde pensionkosten allerminst vanzelf spraken, dan is dat Wolfsen. Hij had de beslissing om hem pensionkosten te doen vergoeden voor zijn tijdelijk appartement om die reden uitdrukkelijk aan het college en de raad moeten voorleggen en dat niet buiten het gemeentebestuur in een onderonsje met zijn ondergeschikte medewerkers (die gelet op de gezagsverhouding zich er voor zullen hoeden om de burgemeester tegen te spreken) moeten regelen.

Over de gedeclareerde pensionkosten en over hoe dat buiten het gemeentebestuur om geregeld was had hij duidelijk een slecht geweten, anders valt niet te verklaren waarom hij zoveel gezichtsverlies riskeerde in een poging de kwestie in de doofpot te stoppen.

Zie voor het dossier van vrijgegeven stukken: http://www.utrecht.nl/CoRa/BGS/Bijlagen/2009/mei%2009/Verzoekominformatiecompleet.pdf

Zie het gewraakte artikel in de vernietigde editie van Ons Utrecht: http://www.wouterdeheus.nl/wp-content/uploads/artikelWolfsen-wdh-Apr2009.pdf