Politici als moderne farizeeërs

Ruim tien jaar schrijf ik nu bezwaarschriften voor Utrechters die op een of andere manier gedupeerd zijn door een besluit van de gemeente. En omdat de gemeente zelden of nooit in een bezwaarschrift reden ziet om op een besluit terug te komen, stel ik even zo vaak beroep in bij de bestuursrechtbank.

Die bezwaren gingen tegen van alles en nog wat: strafkorting op uitkeringen, bestuursdwang om een schuurtje af te breken dat iets te groot was, bestuursdwang omdat gebruik werd gemaakt van een container zonder bouwvergunning, intrekken van een woonvergunning, vernietiging van opgeslagen inboedel na huisuitzetting, vergunning om een helikopterlandingsplaats aan te leggen op het dak van een bedrijfsgebouw, weigering om op te treden tegen agressie van buren, het kappen van bomen, het toestaan van detailhandel door de Jaarbeurs, sloopvergunningen die waren verstrekt zonder onderzoek te doen naar asbest, bouwvergunning voor de uitbreiding van Hoog Catharijne zonder onderzoek te doen naar overbewinkeling, verkeersplannen die voor extra luchtverontreiniging zorgen enz. enz.

In veel gevallen stuurde ik de gemeenteraad en de betreffende wethouder een kopie van het bezwaarschrift of een berichtje waarin ik de raadsleden/wethouders er op wees dat de gemeente toch wel erg onverschillig om gaat met de belangen van burgers. In verreweg de meeste gevallen reageren raadsleden en wethouders daar niet op en doen ze er ook niets mee. Voor mij staat het daarom vast dat het raadsleden (een enkele uitgezonderd) en wethouders totaal onverschillig laat of de burger onrecht wordt aangedaan door de gemeente. Het bericht dat volgens het RIVM en de GG&GD elk jaar 315 mensen voortijdig overlijden door fijnstofblootstelling en dat veel kinderen daar astma en ouderen copd van krijgen, dat raakt de meeste raadsleden, wethouders en de burgemeester kennelijk niet, want ze reageren niet eens op zulke verschrikkelijke berichten.

Ik heb mij vaak afgevraagd hoe die onverschilligheid verklaard moet worden. Je zou zeggen dat mensen die zich beschikbaar stellen voor publieke functies, volksvertegenwoordiger worden of in een college gaan zitten, dat doen uit idealisme. Dat beweren ze tenminste als je vraagt waarom ze zich beschikbaar stellen. Dat idealisme blijkt echter niet uit de onverschilligheid die zij aan de dag leggen voor gezondheid, welzijn en burgerrechten. Dat idealisme van raadsleden en van politici in het algemeen, daar geloof ik dus al lang niet meer in.

Waarom willen mensen in een gemeenteraad en in een college zitten als de gezondheid en het welzijn van de burgerij ze niet kan schelen? En waarom beweren ze dat ze zo idealistisch zijn? Het antwoord is dat mensen die raadslid, wethouder, burgemeester willen worden (of een ander publiek ambt willen bekleden) over het algemeen hele ijdele en ambitieuze mensen zijn. Mensen die graag in het middelpunt van de belangstelling staan, graag in de krant staan en op de tv komen. Mensen die belangrijk gevonden willen worden en graag gezien willen worden in het gezelschap van andere belangrijke mensen. En bij veel van die ijdeltuiten speelt natuurlijk een belangrijke rol dat de politiek een leuke opstap is naar een goed betaalde baan als (hoge) ambtenaar of als bestuurder in het bedrijfsleven. En hoe word je raadslid of wethouder? Door hoog op te geven over je idealisme, het volk te vertellen wat het horen wil, moeilijke discussies uit de weg te gaan en vooral geen kritiek te uiten op je eigen wethouder, je eigen partij, je eigen college of regering, want dan lig je er in je eigen kring snel uit. Politici zijn in mijn ogen dus eigenlijk, een enkele uitzondering daargelaten, een soort moderne farizeeërs. (Mat: 23: 1-12).

Voor de meeste mensen heeft het begrip “politiek” een negatieve lading. Het wordt door veel mensen geassocieerd met geslepenheid, hypocrisie, zakken vullen, vriendjespolitiek, baantjes jagerij. En een “politiek” antwoord is het synoniem voor een ontwijkend antwoord. Dat mensen zo over politiek en politici denken is niet voor niets. En ik vrees dat de mensen die zo graag raadslid, wethouder of politicus willen worden deze “politiek” juist aantrekkelijk vinden en dat dat dus uitgerekend niet de mensen zijn die we zouden moeten hebben.