Welzijnswerk om mensen onder de duim te houden

De meest door professionele welzijnswerkers verachtte auteur is Dalrymple, die het uitstekende boek “Leven aan de Onderkant” schreef. Het boek heeft de veelzeggende ondertitel “Het systeem dat de onderklasse instandhoudt”. Dat systeem, maar dat zal wel duidelijk zijn, is de bedrijfstak van welzijnswerkers, opvoedingstherapeuten, hulpverleners en noem maar op.

Voor de bedrijfstak van het welzijnswerk geldt wat voor elk bedrijf geldt: zorg dat er vraag is naar je diensten anders hou je niet genoeg werk op de plank. Dus wat doet het welzijnswerk? Aan de mensen vertellen dat ze zonder hulp en begeleiding hun problemen niet kunnen oplossen. Het welzijnswerk dringt de mensen het idee op dat ze hulpbehoevende stakkers zijn en ondermijnt op die manier hun zelfvertrouwen.

Het verenigingsleven en de hulpverlening draaide vroeger volledig op enthousiaste en hulpvaardige vrijwilligers. Door de komst van professionele welzijnswerkers zijn er nauwelijks meer vrijwilligers meer over: eruit gewerkt. En de openingstijden van buurthuizen en speeltuinen zijn afgestemd op de werktijden van beroepskrachten en niet op die van de gebruikers. In het welzijnswerk staat niet het welzijn van de bewoners centraal, maar de werkgelegenheid en de werktijden van de welzijnswerkers.

Het welzijnswerk maakt de mensen ook wijs dat problemen met opvoeding en gezin niets met achterstelling en discriminatie te maken hebben, maar dat het door eigen tekortkomingen komt: een verkeerde culturele achtergrond, een verkeerd geloof, taalachterstand, te weinig onderwijs, onvermogen om met eigen emoties om te gaan. En burgemeester Wolfsen gaat met ouders praten om ze erop te wijzen dat ze wel eens beter op hun kinderen mogen passen. Volgens het welzijnswerk en Wolfsen komen de problemen in Kanaleneiland, Hoograven en Overvecht in de wereld omdat de opvoeding door allochtone ouders tekortschiet.

Waarom wordt de schuld van opvoedingsproblemen en van overlast eenzijdig bij de ouders gelegd? Dan kunnen de scholen, het wijkbureau, de politie en de gemeente tenminste volhouden dat het niet aan hun ligt of aan hun verkeerde beleid. Als er problemen zijn ligt het nooit aan de school, nooit aan de politie, nooit aan de gemeente. De gemeente roept al jaren dat er in Kanaleneiland een veiligheidsprobleem is. Als bij een groot bedrijf al jaren problemen zijn bij de afdeling verkoop, wordt de chef van die afdeling gewoon ontslagen. Bij de gemeente werkt dat anders: de burgemeester, de politie, de wijkmanager hebben het altijd goed gedaan. Het stomme volk deugt niet en daarom is er steeds meer welzijnswerk en politie nodig.

Het welzijnswerk wordt bewust aangewend om bewoners onder de duim te houden. Als de gemeente een wijk wil slopen tegen de zin van de bewoners in, dan worden er een stel opbouwwerkers op af gestuurd om de bewoners te “organiseren”, dat wil zeggen een paar praatclubjes op poten te zetten van naïeve buurtbewoners die met Mitros, BO-EX, Portaal en de gemeente mee willen werken. Deze bewonerscommissies worden dan door die opbouwwerkers gewaarschuwd voor actiegroepen die tegen de sloop zijn.

Het welzijnswerk wordt heel doelbewust gebruikt om actieve bewoners/informele leiders (die uitdrukking kunnen geven aan de onvrede in de buurt en de mensen op de been kunnen brengen) het zwijgen op te leggen door ze een mooi baantje te bieden. Het mes snijdt aan twee kanten. Want niet alleen worden de bewoners beroofd van hun voorhoede, zodat de buurt tot apathie vervalt. Maar bovendien heeft de gemeente (en in Utrecht de PvdA) er dan weer een paar figuranten bij, waar ze goeie sier mee kunnen maken en die het bewijs moet zijn van het feit dat je goed terecht komt als je maar meewerkt en goed luistert.

Er is een tijd geweest dat het welzijnswerk in het teken stond van emancipatie, van zeggenschap voor de bewoners en voor “baas in eigen wijk”. Maar dan moet je wel tientallen jaren terug. Het welzijnswerk van nu is niets anders dan een verlengstuk van de gemeente, van Mitros, BO-EX en Portaal.