Druk op "Enter" om naar de inhoud te gaan

Witte Onschuld, racisme en kapitalisme

Witte Onschuld van Gloria Wekker is een belangrijk maar moeilijk leesbaar boek. Je moet thuis zijn in het onderwerp, vertrouwd met het jargon en je moet er de tijd voor nemen. Een citaat:

Ik begrijp  het Nederlandse metropolitane zelf, in zijn diverse historische incarnaties, als een geracialiseerd zelf, met ras als een organiserende grammatica van een imperiale orde waarin moderniteit is gevangen” (p.35).

Wekker schrijft over reacties op haar boek in de pers (p.244)  “aan de inhoud van en de argumentatie in het boek [is] in veruit de meeste reacties in veel dagbladen niet of nauwelijks aandacht besteed. Het lijkt erop dat men er kennis van heeft genomen dat het boek verschenen is, men heeft twee of drie steekwoorden opgepikt en baseert zijn/haar mening op merkwaardige conclusies die aan mij worden toegeschreven”. Die indruk heb ik ook. Ik heb daarom een samenvatting gemaakt  Witte Onschuld (samenvatting) voor hen die niet van de pers afhankelijk willen zijn. Ik hoop dat de samenvatting een aanmoediging is om het boek zelf te lezen.

Wat Wekker in het boek probeert duidelijk te maken is dat racisme gebaseerd is op opvattingen en beelden waarmee we zijn grootgebracht, die  van generatie op generatie zijn overgedragen en deel zijn gaan uitmaken van wat zij navolging van Edward Saïd het ‘cultureel archief’ noemt. Dat cultureel archief zou in het geval van witte Nederlanders in hoge mate gevormd zijn door hun geschiedenis als koloniale supermacht en houders en handelaars in slaven. Wekker omschrijft het cultureel archief als alles wat tussen de oren zit en hoe witte Nederlanders in het algemeen zichzelf en niet-witte Nederlanders zien, ook zon­der dat ze daar erg in hebben en terwijl ze het verontwaardigd ontkennen.

Dat racistische opvattingen een belangrijke rol spelen in het denken van witte Nederlanders en dat veel wit­te Nederlanders dat verontwaardigd ontkennen behoeft wat mij betreft geen betoog. Wat denk ik niet vanzelfsprekend is is dat dat racisme grotendeels moet worden toege­schre­ven aan een in de loop van eeuwen gevormd cultureel archief. Daar gaat zij als vanzelfsprekend van uit, maar de grote vraag is of dat terecht is. Dat er zoiets bestaat als een cultureel archief, dat de inhoud ervan veelal ont­leend is aan lang­durige kolo­niale ver­hou­dingen en slavernij is weliswaar aanneme­lijk, maar het verklaart daarom nog niet waarom witte Nederlanders zich dat cultureel archief eigen (blijven) maken en er geen afstand van doen, alsof daar geen keuze aan te pas komt. En het verklaart evenmin de verontwaardigde ontken­ning als ze daarop gewezen wor­den.

Het zit tussen hun oren’, ‘zo zijn ze opgevoed’, ‘het zit hem in hun cultureel archief’  is een vergoei­lijkende verklaring voor racistisch gedrag. Dat heb ik er op tegen: ze kunnen er eigenlijk niet zoveel aan doen, ze weten niet beter’. Het is een manier om de ver­ant­­woordelijkheid voor wat mensen doen en denken bij de omgeving, de ouders, de geschiedenis te leggen in plaats van bij henzelf. Het is ook een argument dat gebruikt wordt om onwelgevallige verandering tegen te houden: het volk zou de kluts kwijtraken doordat die veranderingen hun cultureel archief in de war brengen. De onderliggende aanname is dat de culturele bagage waarmee men­sen wor­den grootgebracht een bijzonder taai leven leidt, maar voor die taai­heid bestaat weinig bewijs en er zijn veel voorbeelden van veranderingen die door de burger juist gretig worden geaccepteerd ook als hun cultureel archief daardoor op de helling moet. Of dat culturele archief er al of niet bij wordt gehaald hangt denk ik erg af van de vraag of de veranderingen die niet met het culturele archief stroken gewild worden of niet.

De burger moet leren omgaan met flex-werk, moet er maar aan wennen dat hij langer moet werken voordat hij met pensioen mag, moet er maar aan wennen dat hij regelmatig moet worden omgeschoold. Zijn ruimtelijke omgeving wordt voortdurend op de schop genomen. Hoewel mobieltjes, computerspelletjes, auto’s en betaalbare vliegvakanties, de toegenomen koopkracht, de producten van de vermaakindustrie zijn leven ingrijpend veranderen en hem dwingen zijn cultureel archief te herzien is dat voor de meeste mensen in het geheel geen reden om al die nieuwigheid niet gretig te accepteren. Wat ik probeer duidelijk te maken is dat mensen niet overgeleverd zijn aan een bepaald cultureel archief, maar het daar in hoge mate zelf naar maken en er dus zelf voor kiezen. De reden dat men zich een bepaald cultureel archief eigen maakt en waarom men daar geen afstand van wil doen is voor de vraag waarom racisme (voort)bestaat minstens zo belangrijk als de vraag op de beantwoording waarvan Wekker zich toelegt, namelijk hoe dat culturele archief er precies uitziet en hoe dat in de loop van vier eeuwen vorm heeft gekregen.

Anil Ramdaz wees in de NRC 31-1-2005 op het onderzoek van Elias en Scotson waarin de relatie werd beschreven tussen ‘gevestigden’ en ‘buitenstaanders’. In beide gevallen ging het om witte Engelse ar­beiders. Het verschil was dat de gevestigden ‘van hier’ waren en de buitenstaanders nieuwkomers die zich kort ge­leden in de wijk hadden gevestigd. De negatieve beelden die gevestigden zich van de nieuwkomers ontwikkelden onderscheidden zich nauwelijks van de beelden die witte Neder­landers zich van migranten vormen en van de bevolking van voormalige koloniën. Kennelijk zijn zulke negatieve beelden dus ook mogelijk zonder kleurverschil, zonder de komst van migranten en zonder (koloniaal) cultureel archief. Waarschijnlijk is dat de gevestigden de neiging hadden de nieuwkomers buiten te sluiten en te stigmatiseren omdat ze die zagen als een bedreiging voor hun banen, woningen en posities in het sociale leven.

Europese landen als Zwitserland, Noorwegen, Polen, Hongarije hebben geen verleden als koloniaal overheerser. Niettemin lijkt de komst van vluchtelingen daar min of meer dezelfde racis­tische vooroordelen op te roepen als in landen die wél een koloniaal verleden hebben. Overigens, de eerste Europese kolonisten/conquistadoren in de zestiende eeuw ontpopten zich meteen al toen ze voet aan wal zetten als wrede onderdukkers. Hun koloniaal archief moest zich toen nog vormen. Lees  het Zeer Beknopt Relaas van de Verwoesting van de West-Indische Landen van de Spaanse priester Bartholomé de Las Casas (1552). *

Het onderzoek van Elias en Scotson, het racisme in landen zonder koloniaal verleden en de wrede onderdrukking door de eerste kolonisatoren/conquistadoren wijzen erop dat het cultureel archief dat door Wekker in Witte Onschuld aan de kaak wordt gesteld in plaats van oorzaak gezien moet worden als het gevolg van wreed en onderdrukkend gedrag.: als een rechtvaardiging. Opmerkelijk is dat Wekker, die het cultureel archief dus presenteert als oorzaak van en ver­klaring voor wit racisme, een treffend voorbeeld geeft waaruit juist het omgekeerde valt op te maken: dat de wrede en egoïstische behandeling van onderworpenen en slaafgemaakten er eerst is/was en de ra­cistische stereotyperingen daarna.

Wekker schrijft op p. 185/186 over de Britse plantageplanter Thistlewood omstreeks 1750. Die dwong in de loop van 10 jaar vrijwel alle 27 tot slaaf gemaakte zwarte vrouwen plus 15 van hun dochters tot seks.  Wat hem dreef was  o.a. ‘de bedwelming van een onbelemmerd eigendom van de tot slaaf gemaakte vrouwen’. Maar om zichzelf niet als een brute verkrachter te hoeven zien, maakte hij zich wijs dat zwarte vrouwen excessief genieten van seks. Kortom: eerst zijn er de verkrachtingen en om de wreedheid daarvan te kunnen ontkennen wordt bedacht dat zwarte vrouwen wild zijn van seks en dus krijgen wat ze willen als ze worden verkracht.

Thistlewood was in 1750. Américo Vespucio stierf in 1512 en had toen naar zijn zeggen vier reizen ondernomen naar Amerika. Hij schreef er in el-nuevo-mundo over waarschijnlijk zoals hij zich het paradijs voorstelde: prachtige welgevormde naakte vrouwen, die door hun excessieve lust maken dat de private delen van hun partner zo enorm opzwellen dat het hen noodlottig wordt. Krijgen ze de kans met christenen te copuleren, dan worden het beesten (se pervertian staat er in de Spaanse tekst). Wat er eerder was, het koloniaal cultureel archief of de seksuele fantasie van de eerste witte conquistadores die op zoek waren naar het paradijs, daar lijkt weinig discussie over mogelijk.

Dankzij Marco Polo wist heel Europa van de fabuleuze rijkdom in de Oriënt. Door de val van de Kan dynastie in China en de bekering tot de islam van de Mongolen die Perzië bestuurden, was de route van Marco Polo naar de Oriënt geblokkeerd. Dat bracht de Florentijnse Paolo dal Pozzo Toscanelli er in 1474 toe de koning van Portugal en daarna Columbus voor te stellen de Oriënt te bereizen via de route westwaarts over zee. Aldus Popham. **  De beroemde Latijns Amerikaanse schrijver Eduardo Galeano schrijft “Op 12 oktober 1492 ontdekt het Kapitalisme Amerika. Columbus, gefinancierd door de koningen van Spanje en de banken in Genua, bracht de nieuwigheid (hij bedoelt dus het kapitalisme) naar de Caribische eilanden”. ***

De eerste conquistadores beschouwden Amerika met al zijn rijkdommen en vruchtbare gronden als hun eigendom. Voor zover de oorspronkelijke bevolking niet werd uitgemoord en stierf aan geïmporteerde ziektes werd ze als lijfeigenen behandeld en aan het werk gezet in mijnen en op landerijen. Al vrij snel waren er niet meer genoeg ‘Indios’ en werden slaven aangevoerd uit Afrika. De slavenaanvoer uit Afrika kwam in 1502 op gang. Om mensen af te kunnen slachten, wreed en als slaaf te kunnen behandelen/verhandelen is het nodig ze te kunnen zien als inferieure niet-mensen, als een inferieur ras. Kortom, eerst was er de zucht naar rijkdom, het moorden en de uitbuiting en om daar uitvoering aan te kunnen geven werd bedacht dat het toch maar ging om een inferieur ras.  In 1502 was er nog geen sprake van koloniaal cultureel archief.

Door sommige historici die het nodig vinden om de slavernij en slavenhandel ‘in die tijd’ te vergoeilijken wordt aangevoerd dat de normen op grond waarvan wij tegenwoordig de slavernij veroordelen toen nog niet golden. Uitgerekend in het geval van Europese conquistadores is dat een slecht argument. Die gingen er immers prat op christelijk te zijn en de christelijke religie roept op tot liefde voor de naaste én de vreemdeling omdat elk mens het evenbeeld zou zijn van God. Juist omdát de christelijke norm van naaste- en vreemdelingenliefde betekenis voor hen had was het nodig om slaven en onderworpenen te kwalificeren als niet-mensen, als een inferieur ras. Met andere woorden: die normen waren er toen al wel degelijk.

Conclusie: kennelijk is een koloniaal cultureel archief helemaal niet nodig om racistisch gedrag en denken te verklaren. Eerst is er de drang toe te geven aan de impuls zich machtig, sadistisch en egoïstisch te gedragen en bij wijze van rechtvaardiging worden dan racistische stereotypen omarmd en als die nog niet bestaan worden ze gecreëerd. Zolang het macht, aanzien en geld oplevert bevolkingsgroepen als inferieur te kunnen behandelen, zolang zullen er racistische stereotypen bedacht worden. ‘Je kunt geen kapitalisme hebben zonder racisme.’ (Malcolm X, 1964). In een samenleving die de welvaart steeds ongelijker verdeelt en mensen die op de vlucht zijn voor oorlog en armoede buitensluit is racisme onuitroeibaar. De discussie over het cultureel archief van witte mensen is, hoewel er geen twijfel over mogelijk is dat het bestaat, om twee redenen minder effectief. In de eerste plaats verschaft het witte racisten een excuus (‘ik kan er niets aan doen, het zit nu eenmaal tussen mijn oren’). In de tweede plaats is het symptoombestrijding: de actie moet gevoerd worden tegen uitbuiting, buitensluiting en ongelijkheid én de mensen die daarvan profiteren en daar niet tegen in actie komen.

www.verbodengeschriften.nl
** Peter Popham Relatos picantes de un florentino, origen del nombre del continente americano. La Jornada 29-2-2012
*** América: Textos de Eduardo Galeano sobre el “Descubrimiento” https://www.servindi.org/node/45857

Reacties zijn gesloten.