Conservatisme of complot, worden wij voorgelogen door de media?

Volgens Rob Wijnberg in de Correspondent (*) berichten de media wel degelijk in het voordeel van hen die aan de macht zijn, maar is er van een complot geen sprake. Volgens Wijnberg is er slechts sprake van conservatisme en dat conservatisme kan verklaard worden uit hoe media nu eenmaal wer­ken. Met andere woorden: journalisten en correspondenten die ons van nieuws voorzien kunnen er ook niets aan doen dat wij misleid worden, het ligt aan het systeem. Ik ben het niet met Wijnberg eens.

Volgens Wijnberg heeft ‘nieuws’ de neiging conservatief te zijn omdat (1) het focust op wat fout is, fout in de zin van een negatieve verandering, (2) omdat het bondig moet zijn, waardoor het al snel conventionele wijsheden herkauwt, (3) omdat voor waar aanneemt wat beweerd wordt door deskundigen die tot de gevestigde orde behoren (4) en omdat nieuws dat niet past in wat de media het publiek pleegt voor te houden nu eenmaal (‘cognitieve dissonantie’) ook door de media verdrongen wordt.

1. De media zouden vooral oog hebben voor wat er fout gaat en dat zou ze conservatief maken. Het is maar wat je als “fout” beschouwt. De politieke elite vindt bijvoorbeeld vluchtelingen fout. Daarom krijgt Frontex extra miljoenen om ze aan de EU-grens tegen te houden. Je zou het echter ook “fout” kunnen vinden dat mensen honger lijden, sterven door luchtverontreiniging of dat de wereld afste­vent op een kernoorlog. Kortom: media hebben niet zozeer oog voor wat er fout gaat maar voor wat er fout gaat volgens lieden die tot de politieke elite behoren. Dat is een keuze voor de optiek van de politieke elite.

‘Nieuws’, omdat dat zou gaan om wat fout gaat, laat volgens Wijnberg zien hoe de wereld ‘ten negatieve verandert’. Dat Wijnberg dat zo ziet komt omdat hij de politieke elite laat uitmaken wat ‘fout’ is. Voor de politieke elite is de wereld zoals die is namelijk normaal: vrije markteconomie, bestendige economische groei, inkomensverschillen die zo groot zijn dat ze competitie in de hand werken, uitwonen van de aarde. Alles wat die ‘normale’ gang van zaken verstoort is volgens de politieke elite negatieve verandering, een stap terug. Vandaar dat het nieuws dat deze ‘negatieve verandering’ tot nieuws maakt conservatief is.

Zou je niet de politieke elite laten uitmaken wat fout en ‘negatieve verandering’ is, maar de mensen die honger lijden en gediscrimineerd worden en de mensen die zich grote zorgen maken in verband met de oorlogsindustrie en klimaatopwarming, en zouden journalisten besluiten om het nieuws dáár over te laten gaan, dan zou dat nieuws opleveren dat helemaal niet conservatief is. Het zou immers laten zien dat de wereld die volgens de politieke elite normaal is ingrijpend moet veranderen. Nieuws hoeft dus niet conservatief te zijn, het kan ook progressief zijn doordat het de aandacht vestigt op misstanden en belangen die bestreden moeten worden om een betere wereld dichterbij te brengen.

2. Nieuws moet bondig zijn anders wordt het niet gevolgd en gelezen. Mee eens. Maar waarom zou dat er makkelijk toe leiden dat conventionele waarheden worden herkauwd? Om klimaatopwarming, armoede, terrorisme en racisme anders uit te leggen dan de politieke elite dat doet heb je weinig woorden nodig. Dat kan heel bondig. Het omgekeerde is het geval: het kost veel meer woorden om recht te praten wat krom is, dan om eerlijk te laten zien wat er aan de hand is. Hoe moet je bijvoor­beeld uitleggen dat de VS er op uit is ISIS in Syrië te bestrijden terwijl iedereen weet dat ISIS door de VS, Israël, Saudi-Arabië, Qatar met wapens in staat wordt gesteld zich te handhaven? Leg dat maar eens bondig uit. Nee, de meest bondige manier om nieuws te brengen is om de feiten eerlijk te brengen en om niet conventionele ‘waarheden’ te herkauwen.

Ander voorbeeld? De Nederlandse regering geeft sinds 2000 honderden miljoenen uit om de lucht verontreiniging te bestrijden. In 2010 had aan de norm moeten worden voldaan. Dat is echter nog steeds niet het geval. De meest adequate en tevens meest bondige verklaring van dat wanbeleid is dat de regering weigert om effectieve maatregelen te nemen omdat die neerkomen op het terugdringen van automobiliteit en het afzien van de aanleg van steeds meer asfalt. De invloed dus van de auto- en asfaltlobby. Als je deze eenvoudige waarheid niet aan het publiek wil brengen moet je als krant dus ingewikkelde verhalen gaan bedenken over ingewikkelde berekeningen.

Het is net als met de belastingaangifte: pas als je gaat sjoemelen met de waarheid wordt het ingewikkeld en moet je blijven sjoemelen. Eerlijk is het bondigst.

3. Nieuwsmedia vallen heel makkelijk terug om deskundigen die tot de gevestigde orde behoren. Dat voert Wijnberg aan om uit te leggen waarom de media nu eenmaal conservatief zijn. De deskundigen van de gevestigde orde (‘universiteiten, onderzoeksinstellingen, planbureaus et cetera’) geven ‘een reflectie van wat de gevestigde orde als ‘redelijk’ of ‘aannemelijk’ beschouwt’ aldus Wijnberg. Natuurlijk is het zo dat het onder deskundigen barst van de ‘experts in het legitimeren’ van de gevestigde orde, maar er zijn ook veel deskundigen die dat helemaal niet doen en juist erg kritisch zijn over de gevestigde orde. Het probleem is alleen dat de media er maar al te vaak voor kiezen om de officiële deskundigen wél aan het woord te laten en de kritische niet. Daar valt een hele bondige verklaring voor te geven: journalisten hebben zelf een bepaalde politieke opvatting (voelen zich althans verbonden met bepaalde politici en partijen) en shoppen dan bij voorkeur bij deskundigen die daar ‘feiten’ en argumenten voor verschaffen.

Er is dus geen sprake van dat journalisten als vanzelf terechtkomen bij ‘de waarheid die per definitie door de machthebbers wordt geproduceerd’, ze kiezen ervoor. En ook daar is een verklaring voor: het is over het algemeen ook hun waarheid. Journalisten hebben de meeste van hun opvattingen gemeen met de wethouder, met kamerleden, beleidsambtenaren en deskundigen van de overheid. Veel meer dan met daklozen, vluchtelingen, allochtone jongeren die met justitie in aanraking komen, krakers en activisten tegen wapenhandel, racisme en steenkolen. Journalisten horen over het algemeen zelf bij de gevestigde orde, net als de Volkskrant, Trouw, de NOS en de NRC.

4. ‘Tot slot is er nog een vierde factor die maakt dat nieuwsmedia de status quo bestendigen: hun eigen cognitieve dissonantie’, aldus Wijnberg: de ongemakkelijke waarheid wordt niet opgemerkt. Jarenlang hebben de media, in het voetspoor van de regering, geschreven dat Griekenland keihard moet bezuinigen. En als het IMF dan schrijft dat dat een heilloze aanpak is gebleken wordt dat niet als nieuws gebracht. Aldus Wijnberg. Het niet opmerken en het verdringen van feiten die je wereldbeeld in de war schoppen. Sinds de psychologie daar het begrip ‘reductie van cogni­tieve dissonantie’ voor heeft bedacht zijn wij min of meer geëxcuseerd. Zo werkt de psyche nu eenmaal, dat kan ons dus niet verweten worden.

Conservatisme is iets waar je journalisten moeilijk een verwijt van kan maken. Het is iemands goed recht om conservatief of progressief te zijn. En als je als journalist dan bovendien werkt in een branche die naar zijn aard niet anders dan conservatief kan zijn, wat valt je dan kwalijk te nemen als je het publiek nieuws voorschotelt waarmee de waarheid wordt onderdrukt? Niets toch? Kortom, het betoog van Wijnberg is een betoog waarmee de media en de journalist van de verantwoordelijkheid ontslagen worden om zo goed mogelijk de waarheid te brengen. Dat de media de leugens reprodu­ceert van de machthebbers, daar zouden wij de media en de journalist dus eigenlijk geen verwijt van mogen maken. Het ligt aan de psyche en het systeem.

Tegen het betoog van Wijnberg valt in te brengen dat een journalist er best voor kiezen kan om de aandacht te vestigen op problemen die inherent zijn aan de gevestigde orde en dus alleen verholpen kunnen worden door de gevestigde orde juist niet in stand te houden. Zijn nieuws hoeft dus niet con­servatief te zijn (1), Anders dan Wijnberg betoogt is het streven naar ‘bondig’ nieuws juist een argument voor eerlijk nieuws, omdat voor niet eerlijk nieuws verhullende verhalen nodig zijn waar geen eind aan komt: als je eenmaal liegt over een kwestie moet je immers blijven liegen (2). Anders dan Wijnberg betoogt hoef je als journalist niet te biecht bij een deskundige die jouw opvatting en die van de machthebber onderschrijft. Er zijn altijd genoeg deskundigen te vinden voor een contra verhaal, zodat je dat andere verhaal ook kunt bieden. Mag het publiek beslissen welk verhaal ze het meest aannemelijk vindt (3). Dat het even slikken is om je van feiten rekenschap te geven die haaks staan op wat je altijd hebt gedacht mag geen reden zijn om dat dan maar niet doen (4).

Kortom, de media en de journalist die het publiek de ‘waarheid’ laten zien zoals de machthebbers willen dat het publiek die ziet om de gevestigde orde te beschermen tegen veranderingen, kunnen niet door conservatisme (noch hun eigen conservatisme noch dat van het systeem) worden vrijge­pleit. Zij kiezen ervoor mee te doen met een complot dat erop gericht is het publiek te bedriegen.

* https://decorrespondent.nl/5031/Waarom-complotdenkers-gelijk-hebben-over-de-media-ook-al-is-van-een-complot-geen-sprake/249056359695-2cc239e5

Verenigde Staten, terrorist nummer 1

Het militair-industrieel complex aan de macht.

siria 2

Volgens de New York Times van 15 oktober 2014 (*) liet Obama de CIA een  onderzoek doen naar wat het stiekem financieren en leveren van wapens (‘covert aid’), met de bedoeling onwelgevallige regimes te ontwrichten en ten val te brengen, de VS had opgeleverd. Dat was omdat hij wilde weten of het zin had Syrische rebellen op te zetten tegen het regime Assad.

De vraag die Obama niet stelde was waarom de VS het recht zou hebben (anders dan het recht van de sterkste) gewapende opstanden te organiseren in landen waarvan het regime ze niet aanstaat en hoe de VS zou reageren als die landen opstandige groepen in de VS van wapens en training zou voorzien om de Amerikaanse regering ten val te brengen.

Het onderzoek van de CIA gaf Obama weinig reden te verwachten dat hij door opstandige religieuze groeperingen tegen Assad op te zetten en van wapens te voorzien Assad weg zou kunnen krijgen waardoor een Amerika gezind regime daarvoor in de plaats zou kunnen komen. Dat weerhield Obama er niet van om dat toch te doen. Misschien had hij ook andere bedoelingen.

In 1988 mengde de VS zich in de strijd van Angola tegen Zuid Afrika dat Angola was binnen gevallen. De VS voorzagen het terroristische Unita van Savimbi samen met Zuid Afrika van wapens. De UN schatte in 1989 dat de operatie 1,5 miljoen doden had gekost. Met hulp van Cubaanse troepen werd een eind gemaakt aan de opstand en de agressie van Zuid Afrika en de VS. De VS bleek een vriend van het apartheidsregime in Zuid Afrika en voor iedereen die daar nog niet van overtuigd was het duidelijk dat de VS een bedreiging is voor jonge staten die onafhankelijk proberen te zijn.

Na de mislukte door de VS georganiseerde invasie bij de Varkensbaai, besloot Kennedy (zie het hieronder afgedrukte memorandum waaruit blijkt dat de sabotage operatie ‘Mongoose’ de instemming had van de ‘higher authoriy’: de regering Kennedy) het Castro regime ten val te brengen door de handel met Cuba te verbieden (een verbod waar alleen het Oostblok en China zich niets van aantrokken) én door terroristische acties uit te laten voeren in Cuba. Keith Bolender heeft daar uitvoerig over geschreven in “Voices From the Other Side: an Oral History of Terrorism Against Cuba” (2010).

Mangoose

Om de agressie van de VS het hoofd te kunnen bieden riep Cuba de hulp van  Rusland in die raketten op Cuba installeerde waarmee een nieuwe inval door de VS zou kunnen worden afgeslagen. Nadat Kennedy had toegezegd van militaire invasies af te zien werden de raketinstallaties door Rusland weer verwijderd. De terroristische acties gingen echter zeker nog 30 jaar door.

Eigenlijk zijn er in de recente geschiedenis bijna alleen staatsgrepen en contrarevoluties aan te wijzen waar de VS de hand in had of bij betrokken was: Cuba 1898, Puerto Rico 1898, Filipijnen 1889, Panama 1903, Nicaragua 1909, Haïti & Dominicaanse republiek 1915, China 1945 (steun Kwomintang), Korea 1950, Perzïe (die de Sjah aan de macht bracht) 1953, Guatemala 1954, Vietnam 1958, Congo (moord Lumumba) 1960, Cuba 1961, Honduras 1963, Indonesië 1965, Griekenland 1967, Oman 1970, Bolivia 1971, Chili 1973, Argentinië 1976, Afghanistan 1978, Nicaragua 1980, Grenada 1983, Angola 1988, Panama 1989, Somalië 1993, Haïti 1994, Joegoslavië 1999, Afghanistan 2001, Venezuela 2002, Irak 2003, Honduras 2008, Tunesië 2011, Libië 2011, Syrië 2011, Egypte 2013.

Met name onder Obama is de VS zich ook gaan toeleggen op het gebruik van drones waarmee personen die geacht worden een bedreiging te vormen voor de belangen van de VS overal ter wereld kunnen worden gedood. Drones worden met name toegepast in Afghanistan, Pakistan, Jemen, Somalië, Irak en Syrië. Obama heeft zich er een  voorstander van getoond omdat het geen levens kost van Amerikaanse soldaten wat de weerstand van het Amerikaanse publiek tegen oorlogvoering minder maakt. Volgens Obama vindt het gebruik van drones heel secuur plaats zodat alleen de persoon gedood wordt die aan de beurt is om gedood te worden.

Volgens het ‘Bureau of Investigative Journalism’, de NGO ‘Reprieve’ en de site Intercept van Glenn Greenwald (waaraan documenten werden gelekt door medewerkers van het drone programma) zijn die drones helemaal niet zo secuur en bestaat 90% van de slachtoffers uit personen waarvan het niet de bedoeling was ze te doden, waaronder ook veel kinderen. Dat ligt erg voor de hand omdat de persoon die moet worden gedood zich vaak bevindt in gezelschap van familie en buren. Ook blijkt dat gewone boeren vaak ten onrechte worden aangezien voor gevaarlijke terroristen of de broer of de vader van de ‘terrorist’ per ongeluk als doelwit wordt geselecteerd. In Pakistan kwamen 874 mensen om bij pogingen om 24 ‘vijanden’ te treffen. In Jemen zou het gaan om 273 niet bedoelde op 17 bedoelde slachtoffers. Geschat wordt dat de oorlogvoering met drones inmiddels minstens 6000 onbedoelde slachtoffers heeft gemaakt.

De discussie over de vraag of die drones voldoende nauwkeurig zijn en of het technisch mogelijk is om ze preciezer te maken dreigt de principiële vraag aan de discussie te onttrekken waar de VS het recht vandaan haalt om de doodstraf te voltrekken aan iedereen ter wereld waartegen bij de Amerikaanse regering de verdenking bestaat dat die een bedreiging zou kunnen zijn voor de belangen van de VS. En nog wel zonder proces waarbij de schuld bewezen en de doodstraf door een onafhankelijke rechter opgelegd wordt. De VS doet niet eens moeite daar een juridische/morele rechtvaardiging voor te bedenken maar meent wel andere landen de maat te moeten nemen wat betreft de mensenrechtensituatie in hun land.

Over terrorisme gesproken, wat is het verschil tussen de sabotage die door de CIA wordt gepland en door bendes en doodseskaders wordt uitgevoerd die door de CIA worden getraind en bewapend om onwelgevallige regimes te ontwrichten enerzijds en de sabotage van Al Qaida en Taliban anderzijds? In 1996 liet de CIA bommen tot ontploffing brengen in hotels in Havana om het toerisme te ontmoedigen. De VS brengt dictaturen aan de macht die op grote schaal burgers doden, gevangen zetten, martelen en laten verdwijnen. Het doelbewust doden  met drones van burgers in Irak, Syrië, Pakistan, Jemen en Somalië, wat is precies het verschil met aanslagen op de burgerdoelen die door of in naam van Al Qaida en ISIS worden gepleegd? Het ene verschil is dat de VS een erkende staat is en Al Qaida en ISIS niet, het andere dat de schaal waarop de VS terroristische acties pleegt van een totaal andere orde is, namelijk onvergelijkbaar groter. Waarom het terrorisme van de VS minder verwerpelijk zou zijn dan het terrorisme van Al Qaida en ISIS valt moeilijk te begrijpen.

Verdedigers van de VS zullen aanvoeren dat de terreur van de VS uiteindelijk een nobel doel heeft: het verdedigen van vrijheid en democratie door dictatoriale regimes te voorkomen en ten val te brengen. In vrijwel alle gevallen, echter, waarin de VS zich meer of minder openlijk met geweld mengt in anderlands zaken was en is dat juist om democratisering terug te draaien en vazallen en dictators aan de macht te brengen die bereid zijn gemene zaak te maken met grote Amerikaanse bedrijven, ten koste van vrijheid en democratie.

Onder Bush is de strijd tegen het terrorisme steeds meer een doel op zichzelf geworden, een strijd die gestreden wordt onder andere met terreur, maar dan op veel grotere schaal. Het effect van deze ‘war on terror’ is nog veel meer terreur. Om twee redenen. De eerste is dat het omvangrijke leed dat aan burgers wordt aangericht in het kader van de strijd tegen terreur de haat tegen de VS en zijn bondgenoten aanwakkert en het draagvlak vergroot voor terroristische acties gericht tegen burgers in de VS en Europa. Paul Piller, ex CIA analist, wijst op de “resentment-generating impact of the U.S. strikes” in Syrië.

De tweede reden is dat groepen die door de VS getraind en bewapend worden om onwelgevallige regimes van binnen uit te bestrijden vroeg of laat hun eigen plan trekken. De Taliban is voortgekomen uit de Moedjahedien die door de VS bewapend werd om een eind te maken aan de overheersing door de Russen. ISIS is voortgekomen uit een alliantie van opstandelingen die groot zijn geworden door omvangrijke wapenleveranties, in veel gevallen via Saudi Arabië en Qatar, bedoeld om Assad te verdrijven. ISIS, dat door de VS wordt of zou worden bestreden, wordt door bondgenoten van de VS (en met kennelijke instemming van de VS) grootscheeps bevoorraad, wat er belangrijk aan bijdraagt dat de terreur zich uitbreidt.

Dat de door de VS geëntameerde terreur geen democratieën maar dictators aan de macht brengt en tot steeds meer terreur leidt kan moeilijk verklaard worden uit verstandsverbijstering waarvan dan al tientallen jaren sprake moet zijn. De vraag is dus wat de VS beoogt met al die terreur en met het aan de macht helpen van dictators

Volgens veel analisten vinden de gewelddadige interventies en terreur van de VS plaats om Amerikaanse bedrijven te helpen zich meester te maken van schaarse grondstoffen, landbouwgronden (‘land grabbing’ ), goedkope arbeid en nutsbedrijven. Democratie in en de onafhankelijkheid van grondstofrijke lage lonen landen met vruchtbare landbouwgrond staan aan dat streven in de weg omdat overal waar het volk zelf aan de macht komt dat volk er op uit is de opbrengst van grondstoffen, arbeid en landbouwgronden zoveel mogelijk ten goede te laten komen aan de bevolking zelf in plaats van aan buitenlandse ondernemingen en er op uit is nutsbedrijven (drinkwater!) juist niet te privatiseren, uitbuiting van arbeiders tegen te gaan en ervoor te zorgen dat ook buitenlandse bedrijven behoorlijk belasting betalen. Dat verklaart dat met hulp van de VS democratisch gekozen regeringen worden afgezet door kolonels en dat priesters en activisten die zich daartegen verzetten worden gevangengezet, verdwijnen of  worden vermoord. Het verklaart ook dat regimes die met succes het hoofd bieden aan de Amerikaanse inmenging het mikpunt worden van een door de CIA opgezette media oorlog waarin zij worden neergezet als regimes die op grote schaal mensenrechten schenden en een gevaar zijn voor hun buren, waardoor het gerechtvaardigd zou zijn met terreur en openlijke militaire interventie een eind te maken aan die regimes.

Wat als verklaring voor de Amerikaanse interventies en terreur weinig aandacht krijgt is de enorme invloed van de oorlog- en terreurindustrie. Een groot land dat vrijwel onafgebroken in oorlog is en meent gewelddadig in te moeten grijpen ook aan de andere kant van de wereld, is een ideaal oord voor overheidsdiensten en industrieën die zich toeleggen op bewapening, veiligheid, intelligence. Amerika gaf in 2010 700 miljard uit aan defensie (35 miljoen van de 320 miljoen Amerikanen leeft in armoede) . Amerika is de grootste wapenexporteur. Dat betekent dat het een enorme bedrijfstak is, een bedrijfstak waar heel veel mensen werken, waar heel veel geld om gaat en waarin particulieren, banken en financiële instellingen heel veel geld beleggen. Om te zorgen dat het een winstgevende bedrijfstak blijft waarin mensen niet bang hoeven te zijn voor hun baan (ook als het een baan is bij de CIA en bij ‘defensie’) doet de bedrijfstak er alles aan de vraag naar meer en nieuwe wapens aan te wakkeren, de vraag naar meer defensie, veiligheidsbeleid en grensbewaking te bevorderen, congresleden en publiek te beïnvloeden met verhalen waarin gewezen wordt op de Russische,  Chinese, Iraanse dreiging, het islamitisch gevaar, het gevaar dat schuilt in drugs en vluchtelingen. Voor alles waar het publiek bang voor te maken is, daar wordt het publiek bang voor gemaakt met als doel de verhoging van uitgaven voor bewapening en ‘veiligheid’ waardoor de oorlogs- en terreurindustrie winst kan blijven maken. Een industrie met veel invloed doordat politieke partijen zich er door laten sponsoren en invloedrijke overheidsfunctionarissen er niet zelden financieel belang bij hebben: “Cheney’s Halliburton Made $39.5 Billion on Iraq War”. International Business Times, 20 maart 2013.

Hoe meer geld een staat uitgeeft aan defensie, veiligheid, grensbewaking (het tegenhouden van vluchtelingen), hoe meer werk, winst en inkomens daarvan afhankelijk is en hoe meer gewicht het belang daarvan in de schaal legt bij politieke beslissingen om geweld en terreur in te zetten. Het gaat niet alleen om olie, land grabbing, goedkope arbeid en het afdwingen van ‘vrije’ handel. Het gaat ook en steeds meer om het verdienen aan oorlog en terreur als zodanig en daarvoor is het nodig dat er uitbarstingen van geweld zijn die dan met geweld bestreden moeten worden en als die uitbarstingen er niet zijn dan moeten die  georganiseerd worden door bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten, verzet te organiseren tegen onwelgevallige regimes, doodseskaders op te leiden en aanslagen te laten plegen waarvan de schuld met veel publiciteit bij de vijand gelegd kan worden. Belangrijk is natuurlijk wel een pers die de officiële lezing van de overheid overneemt, maar daar is over het algemeen geen gebrek aan.

 

(*) https://chomsky.info/the-leading-terrorist-state/

La lucha contra las drogas

vice news

La lucha contra las drogas que Richard Nixon anunció en 1969, la que fue continuada y extendida por sus sucesores ha hecho mucho daño, no solo dentro de los Estados Unidos pero también y mucho más fuera los EE.UU. Como la ley seca, aprobada en 1920 y abolida en 1933, la lucha contra las drogas ha contribuido en gran medida a la aparición y el desarrollo de las bandas crimi­nales que toman ventaja de la prohibición. Bandas que se combaten violentamente, aterrorizan al pueblo y pro­vocan la violencia militar y policiaca lo que causa una vez más muchas víctimas civiles.

En un país como México hay mientras tanto más de 70.000 personas asesinadas, han desapare­cido más de 22.000 personas y huído unas 280.000.[1] También en Colombia, Guatemala, Pana­má, Honduras y otros países de América Central y de América del Sur la lucha contra las drogas ha causado muchas más víctimas que el consumo de las drogas. Mucho daño ha sido causado también al medio ambiente y a la salud por las fumigaciones aéreas de cultivos sospechosos con glifosato. El comercio de las drogas rinde tanto que las cartelas de drogas tienen suficiente dinero para sobornar fun­cionarios de los gobiernos. Y tanto dinero de drogas circula que es atractivo para los bancos de lavar el dinero negro ganado con el comercio de drogas. Así, los bancos cumplen un rol importante haciendo posible la compra de armas por las carteles de drogas. Finalmente, tanto instituciones gubernementales, bancos y empresas dependen para su existencia de la lucha contra las drogas lo que conlleva que terminar la lucha contra las drogas no es una opción..

Miles de familias en países que sufren bajo la lucha de las drogas, cuyas familias y amigos han desapare­cido y matado, empezaron una marcha a partir de Honduras a través de El Salvador, Guate­mala, México y Texas hacia Nueva York, donde tendría lugar la asamblea sobre las drogas de la ONU  el 9 abril de 2016. Con su Caravana de la Paz, la Vida y la Justicia apuntaron a la violencia y a la violación de los derechos humanos vinculado a la lucha contra las drogas.

morales masticando
Evo Morales siempre se ha presentado como un adversario de la lucha contra las drogas iniciada por los EE.UU. En 2008 echó el Drug Enforcement Administration (DEA) de las EE.UU fuera de Bolivia, acusando los EE.UU de usar la lucha contra las drogas como una justificación para intervenir en los asuntos interiores de los países de Centro y Sur América con el objetivo de llevar a cabo un nuevo colonialismo norteamericano y una nueva dependencia económica de las economías centro y sur americano de los EE.UU. También los gobiernos como Guatemala, México, Uruguay, Jamaica, Panamá, Colombia Perú, se oponen a la lucha contra las drogas como iniciado y abogado por los EE.UU.

La resistencia creciente a la lucha contra las drogas no ha sido solamente motivada por la critica sobre el método represivo y nocivo de la luche, pero también sobre la demonización de las drogas. En primer lugar, no es comprensible porque surgen tantos problemas con las drogas, mientras el uso del tabaco y del alcohol, los cuales causan mucho más daño a la salud, no han sido prohibidos. La razón  sobre todo parece ser que empresas norteamericanas y europeas ganan enormemente en la exportación del tabaco y del alcohol, que es bueno para la balanza comercial de estos países respectivos. Aparentemente la inquietud para la salud no es lo que importa, como también no fue importante cuando, en el siglo diecinueve, las potestades coloniales (especialmente Inglaterra y los Países Bajos) iniciaron e hicieron su fortuna con el comercio de opio en sus colonias y en los países derrotadas[2], y atacaron a  China para imponer al pueblo chino la compra de opio.

El hecho qua la cocaína es nociva para la salud no significa que sea el caso con masticar las hojas de coca lo que es una costumbre después miles de años en culturas indígenas por ejemplo en Perú, Colombia y Bolivia. Las hojas de coca contienen un pequeño porcentaje de materia que es el ingrediente principal de la cocaína. Por otra parte las hojas contienen también vitaminas  y nutrientes. En el caso hipotético que se debiera de erradicar todas las plantas que podrían usarse para destilar las materias con concentraciones nocivas, habría poca naturaleza que sobreviviría.

Pablo Kundt apunta en su artículo web 500 años de difusión de las drogas por el capitalismo [3] que en los EE.UU en el comienzo del vigésimo siglo los chinos solián usar como droga el opio, los negros la coca  y los mexicanos la marihuana. La clase dominante blanca relacionaría, según Kundt, el uso de esas drogas con “sexualidad desenfrenada, delincuencia, corrupción de las costumbres y vagancias”, que han sido supuestos a ser típico para las razas  no blancas. En otras palabras, se han sido atribuido los efectos viciosos a las drogas usadas por los no blancos.

Nixon decidió anunciar en 1969 su lucha contra las drogas. Su asistente de entonces John Ehrlichman explicó en una entrevista  en 1994  que Nixon lo decidió a fin de descreditar los negros, hippies y manifestantes contra la guerra en Vietnam, usando la opinión reinante entre muchos blancos que las drogas tuviera una influencia muy mala, provocando un relajamiento moral y falta de patriotismo.

En resumen. Faltan los argumentos racionales para luchar contra la coca, el opio y la marihuana, mientras que no hay una lucha contra el tabaco y el alcohol. Es plausible que esas drogas han sido consideradas nocivas, contrario al tabaco y al alcohol, porque no se han usado por la clase dominante de los blancos pero si por la clase menospreciada de los chinos, los negros y los mexicanos. Después las experiencias con la ley seca se pudo esperar con certeza que la lucha contra las drogas fracasaría y que daría origen al crecimiento de la mafia de las drogas. La cuestión es porque, a pesar de todo, miles de millones han sido gastados en la lucha de las drogas y porque terminar la lucha no es una opción.

La respuesta de la cuestión es que hay aparentemente muchos bancos, empresas, instituciones, partidos políticos y líderes para los que la lucha contra las drogas ofrece muchas oportunidades para ganar dinero y poder. Los bancos porque pueden lavar el dinero negro de la mafia de las drogas, la industria de las armas porque pueden vender armas a la mafia y al gobiernos para combatir a la mafia. Las empresas como Monsanto porque pueden vender los productos químicos para la erradicación por fumigación aérea de los cultivos ilícitos de la coca. Las prisiones privadas en los EE.UU que prosperan por la creciente cantidad de los delincuentes de las drogas. Funcionarios de los gobiernos que pueden elaborar regulaciones para prohibir el consumo y el comercio de las drogas. Servicios de la aduana, policía e inteligencia para investigar y perseguir violadores. Y final­mente, los líderes políticos que han conectado su popularidad con la lucha contra las drogas.
[1] Christiano Morsolin. http://contralapropagandamediatica.blogspot.nl/2016/04/bolivia-ungass-asamblea-general-de-las.html

[2] https://es.wikipedia.org/wiki/Guerras_del_Opio

[3] https://lahaine.org/internacional/500_capitalismo.htm

Strijd tegen de drugs

vice news

De strijd die Nixon in 1969 aankondigde tegen de drugs en die door zijn opvolgers werd voortgezet en uitgebreid heeft uitsluitend kwaad gedaan in, maar vooral ook buiten de VS. Evenals als het in 1920 in de VS ingevoerde verbod op alcohol, dat in 1933 weer ongedaan werd gemaakt, heeft de strijd tegen drugs belangrijk bijgedragen aan de vorming van criminele bendes die verdienen aan het overtreden van het verbod. Criminele bendes die elkaar met geweld bestrijden, de bevolking terrori­seren en politieel en militair geweld uitlokken waarmee nog eens zeer veel burgerslachtoffers worden gemaakt.

In een land als Mexico zouden inmiddels ruim 70.000 mensen zijn gedood, worden er meer dan 22.000 vermist en zijn er ruim 280.000 gevlucht.[1] Ook in Colombia, Guatemala, Panama, Honduras en andere Midden en Zuid Amerikaanse landen heeft de strijd tegen de drugs aanzienlijke aantallen slachtoffers gemaakt. Ook is grote schade aangericht aan het milieu door het be­sproeien vanuit de lucht met bestrijdingsmiddelen van velden waarvan aangenomen werd dat zich daar cocaplantages bevinden. De handel in drugs brengt zoveel op dat drugsbendes voldoende geld hebben om overheidsfunctionarissen om te kopen en banken bereid zijn om al dat drugsgeld wit te wassen waarmee die bendes zich van moderne wapens kunnen voorzien. En ten­slotte, er zijn inmiddels zoveel ambtelijke diensten en bedrijven wier bestaan afhankelijk is van de strijd tegen de drugs, dat het staken van die strijd politiek niet bespreekbaar is.

Honderden families in landen die het meest te lijden hebben onder de strijd tegen de drugs zijn in maart 2016 vanuit Honduras een mars begonnen via Honduras, El Salvador, Guatemala en Mexico om 19 april in New York aan te komen waar een bijeenkomst plaatsvond van de VN over drugs. Met hun Caravana de la Paz, la Vida y la Justicia wilden zij de aandacht vestigen op het geweld en schen­ding van mensenrechten die met de strijd tegen de drugs samenhangen.

morales masticando

Evo Morales heeft zich altijd al laten kennen als een tegenstander van de door de VS geïnitieerde strijd tegen de drugs. In 2008 heeft hij de Drug Enforcement Administration van de VS Bolivia uitgezet. Hij beschuldigt de VS ervan de strijd tegen de drugs aan te grijpen als een rechtvaardiging om zich te bemoeien met de binnenlandse aangelegenheden van Midden- en Zuid Amerikaanse landen en om die landen economisch afhankelijk te maken van de VS. Ook regeringen van landen als Guatemala, Mexico, Uruguay, Ecuador, Jamaica , Panama, zijn zich gaan keren tegen de ‘war on drugs’.

Het groeiende verzet tegen de  strijd tegen drugs wordt niet alleen ingegeven door kritiek op de wijze waarop die strijd gevoerd wordt, namelijk door repressie, maar ook door het demoniseren van drugs. In de eerste plaats valt niet in te zien waarom zoveel drukte wordt gemaakt over drugs, terwijl het ge­bruik van tabak niet en alcohol niet meer verboden wordt. De VS en Europa verdienen enorm aan de export van ta­bak, maar landen waar coca, hasj en opium verbouwd wordt mogen die niet exporteren. Kennelijk is bezorgdheid over gezondheidsschade niet waar het bij de strijd om drugs om gaat. Dat is ook al onaannemelijk omdat koloniale landen als Nederland en Engeland de handel in opium in de 19e tot grote bloei hebben gebracht en zich daar aanzienlijk mee hebben verrijkt.

Overigens, de cocaïne die uit cocabladeren wordt gehaald mag dan schadelijk zijn voor de gezond­heid, voor cocabladeren hoeft dat niet te gelden. In een cocablad zit gemiddeld namelijk maar 0,1% tot 0,9% grondstof voor cocaïne. Daarnaast zitten er ook voedingsstoffen en vitaminen in. Het wordt al eeuwen gebruikt door de inheemse bevolking door er op te kauwen. Het valt ook daarom niet in te zien waarom het verbouwen van cocaplanten verboden zou moeten wor­den. Als je alle gewassen zou willen uitroeien waaruit grondstoffen zouden kunnen worden gedestilleerd voor schadelijke producten, zou er weinig van de natuur overblijven.

Pablo Kundt wijst er in 500 años difusión de las drogas por el capitalismo [2] op dat in het Amerika van begin 20e eeuw chinezen opium plachten te gebruiken, de zwarte bevolking coca en mexicanen marihuana en dat de dominante witte klasse het gebruik van deze middelen in verband bracht met seksuele ongeremdheid, delinquentie, lanterfanten en verlies van goede zeden waarvan naar het vooroordeel van de witte klassen sprake was bij bevolkingsgroepen die niet geacht werden te behoren tot het witte ras. Met andere woorden, aan opium, coca, marihuana werd een verderfelijke invloed toegeschreven om racistische redenen.

Nixon besloot in 1969 de strijd tegen de drugs uit te roepen. Zijn assistent Ehrlichman verklaarde in 1994 dat Nixon daartoe besloot om zwarten, hippies en tegen de oorlog in Vietnam demonstreren­de studenten in een kwaad daglicht te kunnen stellen, waarbij Nixon inspeelde op de al veel langer bij het Amerikaanse witte publiek bestaande opvatting dat drugs iets te maken moesten hebben met de zedenverwildering die in het racistische Amerika aan alles en iedereen werd toegeschreven die niet tot het witte ras behoorde.

Rationele argumenten om wél tegen coca, opium en marihuana te strijden en niet tegen tabak en alcohol ontbreken. Het is alleszins aannemelijk dat deze drugs wél schadelijk werden geacht en tabak en alcohol niet, omdat ze niet door de dominante witte klasse gebruikt werden en wél door de in de VS gediscrimineerde chinezen, zwarten en mexicanen. Dat de strijd tegen drugs wei­nig kans zou hebben en een drugsmaffia zou doen ontstaan had men na de ervaring met de drooglegging kunnen verwachten. De vraag is waarom er niettemin miljarden dollars in werden geïnvesteerd en waarom het staken van die strijd in de VS niet bespreekbaar is.

Het antwoord op de vraag is dat er kennelijk veel banken, bedrijven, instellingen en politici zijn en waren voor wie de strijd tegen de drugs economisch voordeel biedt: banken omdat ze het geld van de drugsmaffia kunnen witwassen, de wapenindustrie omdat ze zowel de drugsmaffia als regeringen van wapens kunnen voorzien, Monsanto omdat die bestrijdingsmiddelen kan leveren om cocaplantages te vernietigen, commerciële gevangenissen om drugsdelinquenten op te kunnen sluiten, ambtenaren die anti-drugsregelgeving kunnen maken, politici die hun reputatie met de strijd tegen de drugs verbonden hebben, wetenschappers die zich laten betalen om aan te tonen dat drugs veel schadelijker zijn dan tabak en alcohol. En, zoals dat van begin af aan het geval is geweest in de VS, een blanke bovenlaag waarvoor de strijd tegen de drugs in feite een strijd is tegen alles wat niet blank is.

[1] Christiano Morsolin. http://contralapropagandamediatica.blogspot.nl/2016/04/bolivia-ungass-asamblea-general-de-las.html

[2] https://lahaine.org/internacional/500_capitalismo.htm

De actualiteit van Che Guevara

ill resumen
Voor de bevolking in Latijns-Amerikaanse landen is
Che Guevara nog steeds actueel.(1)

Wie de redevoering leest van Che Guevara van 11 december 1964 voor de VN zal de gedachte niet kunnen onderdrukken dat er niets veranderd is in de wereld. In zijn redevoering wees hij op openlijke en stiekeme militaire interventies van de VS in Vietnam, Cambodja, Puerto Rico, Guadeloupe, Martinique, Guayana, Congo, Panama, Guatemala, Colombia, Nicaragua, Haïti, Santo Domingo, Cuba.

Zou hij de redevoering 50 jaar later gehouden hebben, dan zou hij ook nog op de openlijke en stiekeme militaire interventie van de VS gewezen hebben die nadien plaatsvonden in Indonesië (2), Chili, Afghanistan, Irak, Libië, Syrië, Oekraïne, Jemen, Grenada, Somalië, Bosnië, Liberia, Pakistan. Hij zou ook gewezen hebben op alle autoritair en dictatoriaal geregeerde staten die door de VS gesteund worden: Saudi Arabië, Jordanië, Egypte, Marokko, Turkije, Bahrein en op Israël, op de bezetting van Palestina door Israël en van West-Sahara door Marokko.

Volgens Wikipedia (Nederlandse versie) is de populariteit van Che te danken aan zijn fotogenieke uitstraling, zijn vroegtijdige dood en aan de hippiebeweging die van hem een cultfiguur maakte. In de westerse pers is Che Guevara altijd afgeschilderd als een branieschopper die alleen serieus kan worden genomen door naïeve geesten die nog in idealen en in communisme geloven. Dat de VS nog steeds en steeds meer de wereld onveilig maken zou een reden moeten zijn om de redevoering van Che Guevara uit 1964 serieus te nemen.

De redevoering valt ook te beluisteren (3). Momenten waarop hij door applaus werd onderbroken waren toen Che Guevara de namen noemde van Pedro Albizu Campos (4) en Fidel Castro en toen hij wees op de bezetting door de VS van Guantánamo. Het applaus kwam naar valt aan te nemen van derde wereld landen. Europa liet zich altijd leiden door de VS en hield zich braaf aan de door de VS opgelegde boycot van Cuba, waardoor zelfs geen medicijnen aan Cuba geleverd mochten worden.

De redevoering gaat grotendeels over de strijd voor onafhankelijkheid en soevereiniteit. Niet vreemd als je bedenkt dat Angola, Mozambique en Zuidelijk Afrika destijds nog streden voor onafhankelijkheid en dat veel landen die die strijd net achter de rug hadden geconfronteerd werden/worden met subversieve inmenging door westerse mogendheden die het op hun grondstoffen gemunt hadden/hebben.

Zo wees Che Guevara op Congo dat in 1960 onafhankelijk werd en waar vrijwel meteen een door de CIA georganiseerde staatsgreep plaatsvond door het leger (Mobutu) tegen de democratisch gekozen Lumumba (die werd vermoord) om ervoor te zorgen dat westerse bedrijven vrijelijk konden blijven beschikken over de bodemschatten waaraan Congo rijk is.

“Wie waren de daders? Belgische parachutisten, vervoerd door Noord-Amerikaanse vliegtuigen die vertrokken van Engelse luchthavens”, aldus Che Guevara.

De redevoering gaat ook in op de blindheid van Latijns-Amerikaanse regeringen voor de imperialistische bedoelingen van de VS. Blindheid die volgens Che Guevara werd veroorzaakt door de haat van de dominante klasse jegens de Cubaanse revolutie en de vrees dat die in hun landen navolging zou vinden. Vrees “die het product is van de oogverblindende schittering van de God Mammon”.

De nadruk op het belang van onafhankelijkheid (“patria o muerte”, vaderland of dood) heeft weinig te maken met nationalistische vadersliefde. Onafhankelijkheid werd door Che Guevara gezien als een noodzakelijke voorwaarde om de opbrengst van bodemschatten aan de eigen bevolking ten goede te kunnen laten komen en om over een goed bewapend eigen leger te kunnen beschikken waarmee roofzuchtige grote mogendheden en huursoldaten van westerse ondernemingen buiten de deur gehouden kunnen worden.

De onafhankelijkheid waar Che Guevara op doelde is in de eerste plaats die van de vele miljoenen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika, die door het rijke westen geacht werden/worden niet tot het blanke ras te behoren en aan wie de rechten op een menswaardig bestaan werden/worden ontzegd.

Met het oog op de onafhankelijkheid die nodig is om zich van het Noord-Amerikaanse “koloniale juk” te vrijwaren wordt in de redevoering geweigerd afstand te doen van moderne nucleaire wapens. Alleen als de VS daar ook afstand van zou doen en ook af zou zien van subversieve inmenging en economische boycot zou Cuba bereid zijn om mee te doen met wapenbeheersing.

Interessant is de volgende tekst: “sinds de commotie over de zogeheten Caribische crisis, kwam de VS met de Sovjet Unie overeen dat bepaalde wapens teruggetrokken zouden worden die de voortdurende agressie van dat land – zoals de aanval van huurlingen van de Playa Girón en de dreiging van invasie van ons land – ons dwongen te plaatsen in Cuba als legitieme verdediging”.

De lezing van de VS, en in het voetspoor van de VS van de westerse pers, is dat de Sovjet Unie van de goede relatie met Cuba misbruik maakte om, in het kader van de Koude Oorlog, op Cuba raketten met kernkoppen te plaatsen waar de VS mee kon worden bedreigd (precies dus wat de VS in alle landen rond de Sovjet-Unie deed en doet!).

De lezing van Cuba is dat er eerst een door de Amerikanen (CIA) georganiseerde militaire invasie plaatsvond in de Varkensbaai (Playa Girón), gevolgd door allerlei subversieve acties en dat de Sovjet raketten op verzoek van Cuba zouden worden geplaatst om militaire invasies door de VS te voorkomen. Met de lezing van Cuba is in overeenstemming dat de Sovjets de raketten terugtrokken in ruil voor de door Kennedy toegezegde territoriale integriteit van Cuba.

Dat de populariteit van Che Guevara in het westen wordt toegeschreven aan zijn fotogenieke uitstraling, zijn vroege dood, hippiecultuur en aan naïeve geesten, is makkelijk te verklaren. Ongemakkelijke analyses, daarvan maakt men zich het makkelijkst af door de woordvoerder daarvan af te schilderen als iemand die je niet serieus hoeft te nemen.

Voor de bevolking in Latijns-Amerikaanse landen en in derde wereld landen in het algemeen én voor mensen die bereid zijn zich in hun wanhopige positie te verplaatsen, is de redevoering die hij in 1964 hield voor de VN nog steeds adequaat en actueel. Daarvan is de tekening bij het artikel van Carlos Fazio in het Latijns-Amerikaanse Resumen een treffende illustratie.

Voetnoten
1 Illustratie ontleend aan La guerra asimétrica y la violencia en Venezuela van Carlos Fazio in Resumen, La otra cara de las noticias de América Latina y el Tercer Mundo, 27-5-2014.
2 Lees Ander Nieuws hoofdstuk 3 van Janneke Monshouwer. https://www.google.nl/?gws_rd=ssl#q=ander+nieuws+wat+het+journaal+niet+uitzond+pdf
3 https://www.youtube.com/watch?v=tg9t4ZqTw7g https://www.marxists.org/espanol/guevara/audiovisual/che-discurso-onu-1964.mp3
4 Streed tevergeefs voor onafhankelijkheid van Puerto Rico en bracht 24 jaar door in gevangenschap.

Een geschiedenis van terrorisme tegen Cuba

Wat maar weinig Nederlanders weten is hoe slecht wij geïnformeerd worden over Cuba. Veel boeken die in Cuba worden gedrukt en uitgegeven zijn hier onbekend en ook niet te krijgen. Ook niet in het Spaans. Veel Spaanstalige boeken over Cuba zijn niet vertaald in het Engels, laat staan in het Neder­lands. Van de Canadese journalist Keith Bolender is “Objetivo: voltear a Cuba, una historia del terro­rismo contra el gobierno de Fidel Castro” met een inleiding van Noam Chomsky.

“Voltear” laat zich in deze titel vertalen door “omver werpen”. Het geeft een overzicht van een groot aantal terreur daden die vanuit de VS, met steun van de VS en in veel gevallen ook op touw gezet door de regering van de VS zijn uitgevoerd in Cuba om een eind te maken aan de onafhankelijkheid die Cuba in 1959 op de VS hebben weten te veroveren.

Wat nauwelijks bekend is in het Westen is dat Cuba zich in 1959 niet alleen bevrijd heeft van dictator Battista, maar ook en vooral van het verkapte kolonialisme van de VS waardoor Battista aan de macht kon komen en blijven. Toen Cuba zich eind 19e eeuw dreigde te bevrijden van de Spaanse kolonisator besloten de VS Cuba te komen helpen om Cuba zelf in te kunnen pikken.

Keith Bolender laat zien dat de VS altijd al vonden dat Cuba bij de VS hoorde. Dat schreef bijvoorbeeld John Quincy Adams al in 1823. Zo dicht voor de kust konden de VS geen onafhankelijk Cuba accepteren en ook kon vanuit Cuba het Caribisch gebied bewaakt worden. In 1901 werden de Cubanen gedwongen akkoord te gaan met onder toezicht stelling door VS volgens het amendement van senator Platt.

DOWN AT LAST

Het poppetje dat over de schutting toekijkt is het Amerikaanse bedrijfsleven dat zich graag meester wilde maken van de natuurlijke rijkdommen van Cuba.

Het amendement Platt hield ook in dat Cuba verplicht was grond af te staan aan de VS voor marine bases “op plaatsen welke daartoe in de toekomst zouden worden aangewezen”.  Daartoe werd onder meer de baai van de Guantánamo aangewezen, waar de Amerikanen heden ten dage gevange­nen martelen omdat dat niet op het grondgebied van de VS is toegestaan.

De houding die de VS volgens Bolender altijd ten aanzien van Cuba hebben aangenomen is dat Cuba helemaal niet in staat is om zichzelf te besturen en dat het daarom ook voor Cuba beter is dat Cuba óf bij de VS zou worden ingelijfd óf onder toezicht van de VS zou blijven.

De geslaagde Cubaanse revolutie in 1959 konden de VS in meerdere opzichten niet accepteren, aldus Bolender. De VS stonden internationaal voor schut omdat ze er door een “bebaarde snotneus” (in de woorden van sena­tor Mendel  Rivera) uit waren gegooid. Senator Barry Golwater vond dat de VS het niet over hun kant konden laten gaan en riep op tot militaire actie.

De VS meenden ook dat hun veiligheid werd bedreigd door het nietige staatje vlak voor de kust en dat het onacceptabel was dat Cuba de enorme Amerikaanse bezittingen in Cuba confisqueerde. Daar kwam natuurlijk bij de vrees dat andere staten in Midden- en Zuid Amerika een voorbeeld aan Cuba zouden nemen.

Om het Castro regime geen kans te geven werden prompt economische maatregelen genomen: de invoer van rietsuiker uit Cuba en de leverantie van olie aan Cuba werd stopgezet. Volgens Richard Nixon (1962) moest “deze kanker uitgeroeid worden uit onze halfrond”. De houding van de VS dreef de Cubanen in de armen van de Sovjet-Unie.

In april 1961 vond de invasie plaats in de Varkensbaai. Uitgevoerd door ruim 1500 door de CIA ge­trainde Cubaanse ballingen en Amerikaans vliegtuigen en schepen. De Amerikanen hadden op de steun van de Cubaanse bevolking gerekend, maar die koos de kant van Castro. De invasie werd een fiasco, waarop de Amerikanen (onder Kennedy) besloten in plaats van openlijke militaire actie over te gaan op sabotage en terreur. Die zouden ertoe moeten leiden dat de bevolking zich van Castro zou ont­doen om daar niet meer bang voor te hoeven zijn.

Richard Helms, ex directeur van de CIA bevestigde in 1978 dat de strategie van de VS erop gericht was elektrische installaties op Cuba in de lucht te laten vliegen en rietsuikerfabrieken te ruïneren. In 1960 hadden de VS al een schip (La Coubre) met munitie in de haven van Havana laten ontploffen waardoor ca. 200 mensen omkwamen.

In het kader van de door de CIA opgezette ‘operatie peter pan’ werd kort na de castristische machts­overname, met behulp van de katholieke kerk, Cubaanse ouders wijs gemaakt dat de revolu­tionaire regering de ouderlijke macht naar zich toe zou trekken van alle Cubaanse kinderen vanaf 6 jaar en dat wie dat wilde voorkomen zijn kinderen kon toevertrouwen aan een organi­satie die ze tijdelijk in de VS zou onderbrengen bij pleegouders. Ruim 14.000 kinderen werden naar Miami over­gevlogen en een groot deel zou hun ouders nooit meer terugzien.

In het begin van de 70-er jaren liet de CIA een virus Cuba binnensmokkelen waardoor onder varkens een epidemie uitbrak, waardoor een miljoen varkens verloren ging. In 1984 verklaarde Eduardo Arocena, een Amerikaans piloot van Cubaanse origine, dat hij ziektekiemen naar Cuba had gebracht. Honderden Cubanen overleden aan de ziekte die daardoor uitbrak.

In 1976 lieten de naar Venezuela uitgeweken Cubanen Luis Posado Carriles en Orlanda Bosch een Cu­baans vlieg­tuig ontploffen waardoor 73 passagiers en bemanningsleden omkwamen. Uit door de CIA vrijgegeven documenten blijkt dat Posada en Bosch in de 60-er jaren door de CIA geworven werden en opgeleid voor sabotagewerk,  ook in het kader van de Operatie Condor die tot doel had Pinochet in Chili aan de macht te brengen en naderhand voor hulp aan de contra’s in de strijd tegen het Sandinistische regime in Nicaraqua.

In 1992 en 1997 werden bommen geplaatst in Havana en Varadero en tot ontploffing gebracht in ho­tels, restaurants en dis­cotheken om het toerisme te ontmoedigen. Toeristen werden door Alpha 66, een terroristische organisatie, gewaarschuwd dat zij het doelwit zouden zijn van aanslagen. Achter de aanslagen zat de eerder genoemde Posada, sinds 1990 woonachtig in de VS waar hem door toenmalig president Bush en diens zoon Jeb Bush, gouverneur van de staat Florida, asiel was verleend en kwijtschelding van straf die hem was opgelegd voor een bomaanslag in 1968 op een Pools schip in Miami dat Cuba als bestemming had.

De door vanuit de VS geëntameerde sabotage acties vormden een voortdurende bedreiging voor Cuba, dat ook al economisch zwaar getroffen werd door de boycot die zich aanvankelijk beperkte tot de import van en export naar de VS, maar al spoedig door VS aan vrijwel de hele wereld opgelegd werd en waar de EU aan meedeed.

Dat de Cubaanse regering er ondanks de Amerikaanse agressie en terreur en de door de VS opgelegde economische boycot in geslaagd is de bevolking te behoeden voor hongersnood, de gezondheidszorg en onderwijs voor iedereen te garanderen en ook nog eens de middelen vond vrijheidsstrijders in Zuid-Afrika, Angola, Zuid-Sahara te hulp te komen kan moeilijk anders gezien worden dan een bewijs van de doeltreffendheid van het regime. Geweld, armoede en mensenrechtschendingen, op een schaal waarop die in de VS zelf en in Midden-Amerikaanse landen waar de VS de dienst uitmaken, komen in Cuba niet voor.

Psychisch gestoorde politiek

rutte in kamp kapseizende boot

Als ik de foto’s bekijk van Rutte die als een weldoener op bezoek is in een vluchtelingenkamp maar (net als Samsom) er ondertussen voor ijvert dat vluchtelingen worden teruggestuurd naar Turkije en dus andere routes over zee gaan proberen, waarbij duizenden en duizenden vluchtelingen verdrinken, kan ik de gedachte niet onderdrukken dat wij door Psychopaten  worden geregeerd.

Vlak na WO II hielden psychoanalitici als Erich Fromm en Karen Horney zich nog bezig met de vraag hoe het komt dat massa’s van mensen achter regeringsleiders aanlopen die meer of minder ernstig gestoord zijn. Wat ik mij herinner van Karen Horney’s boek ‘De neurotische persoonlijkheid van deze tijd” (1951) is dat ze 3 types onderscheidde. Eén daarvan was het bazige type.

Dat bazige type probeert onzekerheid en een gebrek aan zelfvertrouwen te overwinnen door overal de baas te spelen. Op die manier kan hij mensen dwingen om hem aardig te vinden of hem desnoods te vrezen. Hoe die andere types heetten weet ik niet meer, maar ik kan me herinner dat je ook nog zoiets had als het onderdanige type. Dat zijn de meeste.

Dat onderdanige type heeft voor zijn onzekerheid een andere oplossing: het schikt zich naar die bazige types want dan loopt het de minste risico zelf het slachtoffer te worden van pesterijen van die bazige types en zolang ze naar hun pijpen dansen profiteren ze bovendien een beetje mee.

Van David Owen, minister onder Blair en psychiater, is het boek ‘Zieke wereldleiders’. De strekking daarvan komt aardig overeen met de analyse van Horney. Volgens Owen zijn alle wereldleiders meer of minder gestoord en zitten ze voortdurend onder de dope om nog een beetje normale indruk te kunnen maken op het volk.

Een interessante vraag is: maakt macht leiders gek of moet je gek zijn om macht te willen? Waarschijnlijk is het allebei het geval. Als je in hoogheid bent gezeten en niemand spreekt je tegen is de kans groot dat je jezelf gaat verheerlijken. Maar het omgekeerde is ook waar. Wat al die ego’s doen om belangrijk te worden wijst op een gestoorde persoonlijkheid.

Volgens Owen gaf Blair zijn medewerkers de opdracht om 10 thema’s te bedenken waar hij zich populair mee kon maken. Of hij daar zelf een mening over had was kennelijk onbelangrijk. De standpunten die politici hebben als ze eenmaal de baas zijn, zijn dikwijls tegengesteld aan de standpunten die ze hadden toen ze nog in de oppositie zaten of nog jong waren.

Voor aspirant politici is links of rechts vaak een kwestie van berekening. In een tijd dat bijvoorbeeld GroenLinks in de lift zit melden zich veel ambitieuze studenten aan voor GroenLinks. Zo ken ik iemand die op Clingendael studeerde (buitenlandse betrekkingen) en speeches voor de minister van Verkeer schreef maar bij nader inzien inzette op milieu en een links politica werd.

Voorwaarde voor succes in de strijd om macht en volksgunst is het vermogen om idealistisch en gedreven over te komen. Als de keuze voor idealen een kwestie van berekening is (‘geef mij 10 thema’s waar ik mij populair mee kan maken’), dan komt het dus vooral aan op het vermogen om idealisme overtuigend voor te wenden.

Overtuigend idealisme voorwenden zonder daarnaar te handelen, als je daar goed in moet zijn om in de politiek omhoog te komen, dan moeten we mét Horney en Owen vaststellen dat de bazige types die ons regeren meer of minder gestoord zijn. Evenals, om niet te vergeten, al die de onderdanige types die die bazige types de kans geven om aan de macht komen en te blijven.

 

Rehabilitación viviendas Kanaleneiland no para desfavorecidos y inmigrantes

renovatie kanaleneiland 4

Los apartamentos entre el  canal y el centro comercial del barrio de Kanaleneiland en Utrecht se rehabilitan muy bien.  Estos fueron construidos en el comienzo de los años 70. Mitros y Portal (las asociaciones para alquiler de viviendas sociales) quería en el fondo de demolerlos y reemplazarlos por viviendas para comprar, pero los habitantes (sobretodo de origen marroquís  y turcos) lograron resistirse con éxisto.

Lo cuales, estos  habitantes  están muy hartos (y con razón) es el hecho que el barrio ahora será estar bien restaurado  pero no para ellos. Antes de decidir de no demoler estos apartamentos,  todos los habitantes fueron expulsados con el argumento que la demolición sería  inevitable. Con la salida forzada de los habitantes extranjeros el objetivo  del  ayuntamiento de hecho  fue logrado y los apartamentos ya no tuvieron que desaparecer.

En 2001 el ayuntamiento decidió estar de acuerdo  con la demolición y el reemplazo por nuevos edificios. Eso fue en el marco de la gestión “De Utrechtse Opgave”  DUO (“El tarea de Utrecht”). Este DUO apuntó la disminución del porcentaje de los desfavorecidos en los barrios como Kanalen­eiland y Overvecht (entre los cuales pertenecen relativamente mucho inmigrantes) demoliendo sus apartamentos y reemplazándolos por viviendas las cuales sus precios de compra solamente son accesible para los yuppies.

La gestión de disminuir el porcentaje de los desfavorecidos en Kanaleneiland y Overvecht de hecho fue una gestión para reducir el número de los habitantes de origen marroquí y turco. Tanto marroquíes  y turcos concentrados en el mismo barrio fomentaría  la criminalidad, al menos según el ayuntamiento de Utrecht. En realidad, la demolición de los apartamentos con alquileres baratos forma parte de la dispersión forzada de los inmigrantes.  Es como un veneno que debe ser diluido para que sea menos perjudicial.

El marcado de viviendas de Utrecht consistia en los años 90 casi en la mitad en viviendas de alquiler sociales. Los partidos políticos como el PvdA (“Partido de Trabajo”)  y GroenLinks (“Izquierda verde”), que pretenden  acoger los desafortunados y los grupos minoritarios, opinaron que la proporción de viviendas de alquiler sociales podría reducirse sin ningún problema. Ya que, han sido de acuerdo con todos las planes de reconstrucción con las que han sido ejecutado la gestión de “De Utrechtse Opgave” (“La tarea de Utrecht”).

Cuando la rehabilitación será terminada los habitantes marroquís y turcos estarán invitado a ir admirar las viviendas que el ayuntamiento no les quiere conceder porque son desafortunados y extranjeros.

Obama en Cuba: amigo o enemigo

agresion americadel norte

Hay una grande diferencia entre los reacciones entusiastas  de la prensa occidental y los de la prensa  cínica cubana y latinoamericana sobre la visita del presidente Obama a Cuba y Venezuela. Según los medios occidentales la visita de Obama es el comienzo de la marcha triunfal de la libertad y el fin de la dictadura castrista. El pueblo cubano daría bienvenido a Obama si fuera un liberador, esperando que la prosperidad norteamericana llegaría dentro su alcance.

Los EE.UU han tratado desde la revolución exitosa (1956-1959) de voltear al gobierno de Cuba con medios económicos, militares, terroristas y políticos. Al mismo tiempo se ha desencadenado por los norteamericanos una lucha publicitaria para representar Cuba como una dictadura brutal en que los habitantes sufren bajo opresión, pobreza y un sistema económico estalinista. En Cuba los derechos humanos se violaría a gran escala, especialmente los derechos políticos: libertad de expresión de opinión y el derecho de voto.

Para defender el gobierno de Cuba contra las acusaciones norteamericanas se puede argumentar que no hay nadie que sufre de hambre como gran partes en el mundo y en los EE.UU y el índice de mortali­dad de bebés, un índice para la sanidad pública, es 5 por 1000, por los EE.UU 6 por 1000. La sanidad y la protección contra el hambre también son importantes derechos humanos. Es un cumplimiento enorme del gobierno Cubano de garantizar eso derechos a pesar del bloqueo desde 1959 y a pesar de la agresión militar yanqui y la grande cantidad de atentados terroristas organizados por los EE.UU (CIA) junto con el mundo criminal cubano exiliado.

Se puede también argumentar que los EE.UU es el último para criticar otro estados al respecto de la violación de los derechos humanos. Mira Guantánamo, donde han estado detenidos sospechosos, secuestrados en cualquier país, mucho años sin proceso y condena. Mira las torturas de sospe­chosos instigado por el gobierno estadounidense en las prisiones secretas fuera los EE.UU para evadir las leyes propios, ejecutadas por policías de otro países. Mira las matanzas con drones de gentes en todo el mundo que han considerados como amenazas de los EE.UU, en qué un múltiples de civiles suelen morir. Y mira el porcentaje de los prisioneros negros (40%), mientras el porcentaje de la población negra suma un 13%. (*) Y sin olvidar la violación de derechos humanos en cuadre de ayuda en poder las dictaduras en países que son importantes para los EE.UU  por sus materiales básicos y por razones de estrategia militar.

La representación de la visita de Obama a Cuba por nuestra prensa (norteamericana y europea) corresponde a la imagen que el gobierno de EE.UU difunden por sus portavoces y por las conferen­-cias y discursos del presidente: el estado pacificador por excelencia, conservador de los derechos humanos, el estado que lleva a cabo prosperidad para los pobres gracias al sistema del  libre mer-cado. Por difundir, sin algun espíritu crítico, el evangelio de Obama, nuestra prensa no solo engaña a la población norteamericana y europea, pero también a aquellos cubanos que pensaran, a pesar de los hechos que demuestran los numerosos violencias de derechos humanos por los EE.UU, que todo es mejor con los yanquis.

(*) En los Países Bajos el porcentaje de prisioneros inmigrantes suma 63%, mientras que el porcentaje de inmigrantes en la población entera suma un 12%.

Liegen met verkeersmodellen

Eind 2007 overwoog het college van b en w Utrecht om een strafklacht tegen mij in te dienen dan wel in een civiel kort geding rectificatie te eisen. Ik had de gemeente en ambtenaren van de gemeente er van beschuldigd bedrieglijke berekeningen te hebben opgesteld over de intensiteit van het verkeer die het gevolg zouden zijn van wegverbredingen. Het ging destijds over de verdubbeling van de A2 en over de Fly-over 24 Oktoberplein. Bewoners waren daartegen in verzet gekomen omdat een toename van het verkeer zou leiden tot een toename van de luchtverontreiniging.

Bij de documenten (mailberichten) die na veel juridische gedoe nu door de gemeente zijn vrij gegeven zit een mailbericht, waarin gewezen wordt op het risico dat de gemeente met zo’n juridische actie loopt. De uitkomst zou namelijk zo maar kunnen zijn dat aan het licht komt dat het verkeersmodel niet (meer) gebruikt mag worden en de gemeente bedrog pleegt door gebruik te maken van het model. Verder staat er letterlijk:

“Dat maakt de projecten waarvoor het model is gebruikt nog twijfelachtiger. Denk aan de Fly over Majellaknoop en andere projecten”.

Het mailtje concludeert: “Het is dus niet het vette hert om op te schieten, het is aannemelijk dat wij wat zullen raken, maar we kunnen ons daarbij in de eigen voet schieten”. Het mailtje is zonder twijfel “bijlage d. Mail van hoofd JZ van 22 november 2007” Zie bijlagen besluit 16 juni 2008. Het hoofd dus van Juridische Zaken van de gemeente Utrecht.

hfdjz
Allereerst is het natuurlijk onthutsend dat deze belangrijke ambtelijke mailschrijver er van uitgaat dat de projecten “Fly over Majellaknoop en andere projecten” twijfelachtig zijn. Dat is namelijk wat de bewoners bij de rechtbank aanvoerden en wat namens de gemeente door Juridische Zaken met stelligheid werd ontkend.

En verder is het onthutsend dat de mailschrijver (die zich kennelijk daarover door zijn deskundige collega’s van de afdeling Verkeer heeft laten voorlichten) er weet van heeft dat het model waarmee de berekeningen zijn gemaakt eigenlijk niet (meer) gebruikt mag worden en dat het gebruik van dat model zelfs als bedrog gekwalificeerd zou kunnen worden. In dat oordeel blijkt hij niet alleen te staan, want een andere collega schrijft “het VRU model als zodanig en daar zijn wij het op zich ook over eens, rammelt”. Het heeft de deskundige ambtenaren van de gemeente Utrecht er allemaal niet van weerhouden om bij de rechtbank aan te voeren dat het VRU verkeersmodel het meest uitstekende model is wat er bestaat.

Bij de behandeling van het beroep tegen de Fly-over 24 Oktoberplein werd de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) ingeschakeld: gerechtelijke omgevingsdeskundigen. Die viel erover dat de berekeningen die er in het recente verleden en kort na elkaar waren gemaakt voor het jaar 2015 voor de M.L. Kinglaan zoveel variatie vertoonden. Aanvankelijk werd een intensiteit berekend van 74.500 mvt.etmaal. Dat bleek in de berekeningen daarna in stapjes terug te zijn gerekend naar 59.400 mvt/etmaal. Bij dat aantal zou de norm voor NO2 namelijk net niet overschreden worden. De StAB kwam tot de conclusie dat aan de juistheid van de verkeersintensiteiten moest worden getwijfeld.

De variaties in de berekende intensiteit voor de M.L. Kinglaan zijn nog maar kinderspel vergeleken bij die voor de Weerdsingel. Ihkv het ontwerp ALU 2006 werd voor 2015 een intensiteit berekend van 34.500 mvt/etmaal. Ihkv het ontwerp ALU 2008 werd dat omlaag gerekend naar 20.800 mvt/etmaal. Inmiddels is dat nog verder omlaag gerekend naar 16.000 mvt/etmaal (zonder knip Monicabrug). Op de site van de SSLU staat een vergelijking van intensiteiten die voor het ontwerp ALU 2006 en voor het  ontwerp ALU 2008 zijn berekend   (Toveren met het verkeersmodel), die hieronder wordt weergegeven.

toveren met verkeersmodellen

Het is goed om te weten dat ook belangrijke ambtenaren van de gemeente Utrecht vinden dat het verkeersmodel “rammelt”, dat het eigenlijk niet gebruikt mag worden en dat het gebruiken ervan zelfs als bedrog zou kunnen worden gekwalificeerd. Dat roept een aantal vragen op.

1. Wat mankeert er eigenlijk aan het VRU verkeersmodel?
Het antwoord is: je kunt er de meest de tegenstrijdige uitkomsten mee berekenen. Wil het college voor de Weerdsingel in 2015 34.500 mvt/etmaal horen, 20.800 of 16.000? Het kan allemaal. Je hoeft maar aan een paar knoppen te draaien en er komt precies uit wat de opdrachtgever horen wil. Blijkt dat we in 2015 de EU-norm voor NO2 niet halen? Geen probleem, met behulp van het verkeersmodel wordt de intensiteit op wegen met dreigende overschrijding eenvoudig zo ver omlaag gerekend dat er wél aan de EU-norm wordt voldaan en wethouder Lintmeijer kan volhouden dat dit college heeft gedaan wat het heeft beloofd.

2. Is het gebruiken van een rammelend verkeersmodel bedrog?
Ik verwijs naar de opvatting van een paar belangrijke ambtenaren, die het er met elkaar over eens blijken te zijn dat het model rammelt en dat het gebruik ervan dus als bedrog kan worden gekwalificeerd. Er worden met dat model intensiteiten berekend waarvan de gemeente weet dat ze  “projecten waarvoor het model is gebruikt nog twijfelachtiger [maken] . Denk aan de Fly over Majellaknoop en andere projecten“.

3. zijn de gebruikers van een rammelend verkeersmodel verwijtbaar?
Uit de openbaar gemaakte ambtelijke mailwisseling blijkt dat de ambtelijke mailschrijvers de mening zijn toegedaan dat de ambtenaren die met het verkeersmodel werken en die met de uitkomsten daarvan beleid maken en verdedigen geen verwijt mag worden gemaakt. Dat de uitkomsten niet deugen zou namelijk niet hun schuld zijn, maar de schuld van het model. Als ze uitkomsten gebruiken om twijfelachtige projecten mee te verdedigen (d.w.z. aan de normen voor luchtkwaliteit voldoen), terwijl zij weten dat het model niet deugt, ook dan zou hen geen verwijt gemaakt mogen worden. Een bizar argument. Ik zou zeggen: als je weet dat het verkeersmodel niet deugt, deug je zelf niet als je het niettemin gebruikt. Dat geldt ook voor deskundigen die er luchtkwaliteitsberekeningen mee uitvoeren en dat geldt zeker ook voor wethouders en raadsleden die er hun besluiten op baseren, weten dat de intensiteiten die door het verkeersmodel onbetrouwbaar zijn of moeten weten dat dat het geval is (maar het liever niet weten).

Voor de beoordeling van de verwijtbaarheid van de betreffende ambtenaren en wethouder Lintmeijer (GroenLinks) is het belangrijk te weten dat zij zich verzetten tegen inzage in stukken waaruit kan blijken met welke invoergegevens het verkeersmodel gevoed wordt. Er zouden geen stukken zijn waar dat uit valt op te maken. Op 10 maart wordt het beroep behandeld tegen de herhaalde weigering van wethouder Lintmeijer om openheid van zaken te geven.

 

 

 

 

 

 

Groenlinks moet in de oppositie

Een partij als GroenLinks zou zich de fundamentele vraag moeten stellen: waarom zijn wij eigenlijk voor GROEI? de volgende alinea is uit het nieuwe verkiezingsprogramma geplukt.

“Utrecht is volop in ontwikkeling. De stad groeit. Dat is niet zo vreemd want Utrecht is een gewilde woon- en werkplek. GroenLinks zet zich in om de stad aantrekkelijk te houden. Tegelijk bieden we ruimte aan groei, nieuwbouw en hergebruik van panden. Helaas zit op dit moment de bouwsector in het slop”.

In 1972 verscheen het rapport van de Club van Rome “Grenzen aan de groei”. Ruim veertig jaar later bestaat GroenLinks het zich uit te spreken voor GROEi. Duurzame en organische groei, dat wel. Maar dat beweert tegenwoordig iedereen die voor economische groei is.

Waarom moet de stad Utrecht zo nodig groeien? Kunnen we niet beslissen dat er geen verdere uitbreiding meer plaatsvindt en geen verdere verdichting? Waarom moet elke vierkante meter in de stad bebouwd worden en waarom moet groen overal wijken voor steen, beton en asfalt? De werkelijke reden daarvan is dat de verkoop van bouwgrond (en erfpacht) een van de belangrijkste bronnen is van het geld dat nodig is om een topzwaar ambtelijke apparaat in stand te houden en de prestigeprojecten te financieren die door de ambtelijke bureaucratie worden bedacht. Maar dat terzijde.

GroenLinks ging in de gemeenteraad van 26 september 2013 mee met een motie om een parkeerkeervoorziening mogelijk te maken voor 50 parkeerplaatsen bij de Mereveldseweg. Een groene rustige fietsroute buiten de bebouwde kom. Horeca ondernemer Boerderij Mereveld wilde dat zo graag om bereikbaar te zijn voor steeds meer bezoekers die met de auto komen.

GroenLinks ging eind 2006 akkoord met het structuurplan stationsgebied: 205.000 m2 extra kantoren, 45.000 m2 extra winkels, 33.000 m2 extra cultuur, 70.000 m2 extra vermaak, 8.800 m2 hotels en ruim 6400 extra parkeerplaatsen. GroenLinks ging akkoord met de uitbreiding van wegen in Utrecht-west om het stationsgebied voor de auto beter bereikbaar te maken (bijvoorbeeld fly-over 24 Oktoberplein, uitbreiding Europaplein en uitbreiding Majellaknoop).

Hoe geloofwaardig ben je als groene partij als je niet tegen elke uitbreiding stemt van het aantal parkeerplaatsen in de stad en zeker in het landelijke gebied? En hoe betrouwbaar ben je als groene partij als je je niet keert tegen nog meer kantoren, nog meer winkels, nog meer asfalt en nog meer woningen ten koste van groen en ruimte?

GroenLinks heeft een probleem. GroenLinks is van oudsher een partij met een groene ideologie. Een groene ideologie die botst met een gemeentelijk beleid dat al tientallen jaren in het teken staat van expansie, ruimtelijke ontwikkeling en het faciliteren van steeds meer autoverkeer. GroenLinks zou vanuit haar idealen daar eigenlijk consequent actie tegen moeten voeren, maar binnen GroenLinks is er helaas een sterke stroming die aanstuurt op deelname aan het college.

Actievoeren tegen plannen van de gemeente én in het college zitten, dat gaat natuurlijk niet samen. In het college zitten betekent compromissen sluiten, verantwoordelijkheid nemen voor plannen en besluiten die eerder zijn vastgesteld en beleid aan het publiek uitleggen waar je als groene partij eigenlijk tegen bent of zou moeten zijn.

Een groene partij die ernaar streeft in het college te zitten trekt mensen aan die heel erg graag wethouder o.i.d. willen worden en stoot actievoerende burgers af. Daarmee gaat samen dat er een kloof groeit tussen de aanvankelijke idealen en het beleid waar de partij verantwoordelijkheid voor draagt. GroenLinks is na 8 jaar (met een korte onderbreking) in het college gezeten te hebben als groene partij totaal ongeloofwaardig geworden.

GroenLinks moet nu aan het publiek verkopen dat het groen is, terwijl het 8 jaar lang volop heeft meegewerkt aan de realisering van plannen die alles behalve groen zijn. En dat leidt dan tot verhalen over “duurzame” en “organische” groei, waarmee groei wordt recht gepraat waar de Club van Rome in 1972 al tegen waarschuwde. Vrome en broodje aap verhalen die moeten verhullen dat GroenLinks door in het college te willen zitten niets bereikt heeft en niets zal bereiken van waar GroenLinks voor staat.

Voor de groene idealen waar GroenLinks voor staat valt het te hopen dat GroenLinks niet in het college terugkeert, maar in de oppositie terecht komt. Kiezers die om GroenLinks geven zouden alleen op GroenLinks moeten stemmen als GroenLinks belooft niet in het college te zullen zitten en weer actie te zullen voeren.

 

 

 

 

Op mailberichten en publicaties over de berekening van de luchtverontreiniging in Utrecht, die ik namens de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht sinds 2005 naar het college en de gemeenteraad stuur heb ik, voorzover ik kan nagaan, nooit een inhoudelijk reactie gehad. Hooguit een enkele keer misschien iets in de trant van: “wij hebben uw bericht ontvangen” of “uw bericht is aan het college in handen gesteld ter afdoening”. Maar meestal wordt er in het geheel niet gereageerd, althans niet door partijen die in het college zitten. Politieke discussies over luchtverontreiniging blijven altijd heel erg aan de oppervlakte. Dan gaat het over de goede bedoelingen van partijen (vooral in verkiezingstijd), maar niet over de feiten en zeker niet over de luchtkwaliteitsberekeningen van de gemeente. Dat ligt niet aan het onderwerp, want ook op mailberichten over onjuiste criminaliteitsstatistieken (die altijd uitwijzen dat de stad steeds veiliger wordt), over gebrekkige berekeningen over de CO2-uitstoot in Utrecht of over problemen die burgers hebben door willekeurige en ondoordachte besluiten van de gemeente wordt doorgaans niet door raadsleden of wethouders) gereageerd. Vandaar de vraag: waarom gaan collegepartijen, i.c. PvdA, GroenLInks en D66, de discussie uit de weg als het aankomt op feiten, cijfers en berekeningen?

In 2007 publiceerde ik een boekje met de provocerende titel “Domheid, hebzucht, onverschilligheid. Gemeentepolitiek in Utrecht”. Een boekje waarin met name de PvdA en GroenLinks er slecht van afkwamen. Het ging onder andere over de sloop van 10.000 sociale huurwoningen in Utrecht waar ze zonder morren aan meewerken, over criminaliteitsbeleid wat ze helemaal aan de burgemeester over laten en alleen bestaat uit hard optreden, over luchtverontreiniging waar ze niets tegen doen, over allochtonen die ze in de steek laten en over de vriendjespolitiek van de gemeente met de Jaarbeurs en Hoog Catharijne waar ze ook niets tegen doen.

Als oud ex-lid van de PvdA, sympathisant van Pronk en voormalig affiche plakker voor de PSP neem ik vooral partijen de maat die zich als links, groen of progressief presenteren. Grote socialisten als Den Uyl, pacifisten van het eerste uur als Van der Spek en Van der Lek en Van Mierlo, oprichter van D66, moeten zich wel in hun graf omdraaien als ze zien hoe hun idealen verkwanseld worden door de baantjesjagers die zich van de macht in hun partijen meester maken.

Ik had me een tijd lang niet met politiek bemoeid en was daarom nog zo naïef te verwachten met het boekje een politiek debat in Utrecht los te maken. Ik had er duidelijk geen rekening mee gehouden dat raadsleden en politici die tegenwoordig voor links, groen en progressief moeten doorgaan van een totaal ander kaliber zijn als hun voorgangers uit de jaren 60 en 70 die nog echt voor volle zalen moesten debatteren om vriend en vijand te overtuigen, die nog heel goed wisten waar ze het over hadden en het zonder facebook, twitter, reclamemakers en propagandamedewerkers moesten doen. Op het provocerende boekje kwam uit de hoek van GroenLinks en de PvdA geen enkele reactie. Ook op kritische notities die ik naderhand schreef kwam geen enkele reactie.

Meer voorbeelden van discussiemijding
Toen ik Rinda den Besten uitnodigde voor een debat vond ze dat “enig”, maar ze had helaas geen tijd. Froukje van Iperen, die haar als fractievoorzitter opvolgde liet eerlijk weten niets voor zo’n debat te voelen. Gilbert Isabella reageerde niet eens op mijn uitnodiging. Een stevig ouderwets debat, daar waren ze dus niet toe bereid. Marry Mos was niet zo laf, die ging het debat niet uit de weg en kwam uitleggen waarom GroenLinks vóór de verkiezingen van 2006 tegen de fly-over 24 Oktoberplein was en er tijdens de college onderhandelingen mee instemde: een kwestie van geven en nemen. Wat GroenLinks terugkreeg kan ik me niet herinneren. Sinds dat ene debat met Marry Mos gaat GroenLinks elke discussie met mij uit de weg. Voordat GroenLinks in het college zat (vóór april 2006) bestond er nog wel contact, maar sinds GroenLinks collegepartij is, reageert GroenLinks zelfs niet meer op mailtjes van mij of de SSLU aan raadsleden@utrecht.nl. Reacties in de trant van Ik heb kennis genomen van je standpunt, maar ik was niet van plan om er op in te gaan (Steven de Vries, 26-12-2013) daargelaten.

“Schoonrekenen in Utrecht”
Eind 2011 stuurde de SSLU een rapport naar de raadsleden waarin precies werd uitgelegd op wat voor manier de lucht in Utrecht wordt schoon gerekend. De gemeente had jaren lang beweerd dat in 2010 zeker aan de NO2-norm zou worden voldaan, inmiddels (2011) was echter duidelijk geworden dat de lucht langs drukke wegen in Utrecht nog net zo smerig was als in 1999 toen de Europese Richtlijn werd vastgesteld. Bovendien had de gemeente een groot aantal procedures over luchtkwaliteit verloren. Er was dus alle aanleiding om het rapport van de SSLU serieus te nemen. Op het rapport reageerde wethouder Lintmeijer niet en ook de fractiespecialisten van GroenLinks (Peter van Corler), PvdA (Bert vd Roest/Gerry Nalis) en D66 (Bram Fokke) reageerden er niet op.

Peter van Corler verdedigde zich met het argument: “als de SSLU het niet eens is met de berekeningen van de afdeling Milieu, wat kan ik als raadslid dan anders doen dan achter de afdeling Milieu gaan staan?” Dat een raadslid in de gemeenteraad zit om te controleren en zich dus in de (simpele) berekeningen van de afdeling Milieu moet verdiepen, is kennelijk nooit bij Peter van Corler opgekomen. Hij doet het namelijk nog steeds niet. Michel van Eggermont (SP) heeft laten zien dat een raadslid die daar de moeite voor neemt daar heel goed toe in staat is.

“Gebakken lucht, tien jaar luchtkwaliteitsbeleid in Nederland”
In februari 2012 publiceerde ik het zwartboek “Gebakken lucht, tien jaar luchtkwaliteitsbeleid in Nederland”. Ook in dat boek werd het “schoonrekenen” van de gemeente uit de doeken gedaan, maar werd bovendien aangetoond dat de gemeente sinds de vaststelling van de Europese Richtlijn in 1999 eigenlijk helemaal niets gedaan had om de luchtverontreiniging terug te dringen en dat daardoor mogelijk nog steeds elk jaar in Utrecht honderden mensen vroegtijdig overlijden. Wethouder Lintmeijer nam het eerste exemplaar in ontvangst, maar heeft nooit op de kritische inhoud gereageerd. Ook de fractiespecialisten van GroenLinks, PvdA en D66 hebben er totaal niet op gereageerd. Dat er mogelijk elk jaar honderden mensen in Utrecht vroegtijdig overlijden en een veelvoud daarvan ziek wordt door luchtverontreiniging is voor onze groene, linkse en progressieve raadsleden kennelijk niet iets waar je je als raadslid druk over moet maken.

Het verhaal begint eentonig te worden. Eind 2012 maakte de SSLU bekend naar het gerechtshof in Den Haag te stappen met het verzoek het OM op te dragen de gemeente Utrecht (het college, de gemeenteraad en ambtelijke deskundigen) strafrechtelijk te vervolgen omdat de gemeente zich niet aan de sinds 2005 geldende fijnstofnorm houdt en de lucht schoon rekent (‘valsheid in geschrifte’) en daarom, naar het oordeel van de SSLU, geacht moet worden strafrechtelijke aansprakelijk te zijn voor de slechte gezondheid en vroegtijdige dood van honderden Utrechters langs drukke verkeerswegen. Het verzoek zou in februari 2013 mede namens 86 Utrechters ingediend worden.

“Klaagschrift voor gerechtshof”
Voor het verzoek aan het gerechtshof was een lijvig ‘klaagschrift’ opgesteld, voorzien van vijf omvangrijke bijlagen (o.a. de bijlage “Honderden doden in Utrecht door fijnstof“. Dat werd o.a. naar de wethouders, de burgemeester (Wolfsen) en de raadsleden gestuurd. Luttele minuten later liet Bram Fokke (D66) per mail weten de verwijten in het klaagschrift met klem naar zich neer te leggen. Kennelijk hoefde hij het klaagschrift en de bijlagen (bij elkaar ruim 100 bladzijden), niet eerst te lezen. Van de meest verantwoordelijk wethouders (Lintmeijer en Everhardt) werd helemaal niets vernomen, noch van de overige coalitie raadsleden. Ook niet naderhand.

Het overzicht zou niet volledig zijn zonder de tientallen mailtjes te noemen die ik namens de SSLU vanaf haar oprichting in maart 2005 naar raadsleden@utrecht.nl stuurde om te wijzen op de vele onjuistheden in luchtkwaliteitsberekeningen die door de afdeling Milieu werden gemaakt om ruimtelijke plannen te onderbouwen (fly-over 24 Oktoberplein, reconstructie Majellaknoop, reconstructie Europaplein, tijdelijk muziekcentrum, e.d.). Ook het feit dat de SSLU regelmatig door de bestuursrechter in het gelijk werd gesteld was voor raadsleden (afgezien van de SP, die in 2009 het rapport “Stop het schoonrekenen” schreef) geen reden om op de mailtjes te reageren die ik namens de SSLU schreef. Wolfsen liet in een interview met Jos van Sambeek begin 2009 weten dat hij al die mailtjes ongelezen weggooide. Dat zal bij de meeste raadsleden ook wel het geval zijn geweest, want gereageerd werd er zelden of nooit.

Politici kunnen niet toegeven dat kritiek terecht is
Het simpele feit dat inmiddels vaststaat dat zelfs in 2015 nog niet aan de NO2-norm wordt voldaan en dat zelfs in 2012 niet aan de fijnstofnorm werd voldaan zou voldoende reden moeten zijn voor collegeleden en raadsleden om zich heel erg schuldig te voelen. Aan de fijnstofnorm moest aanvankelijk in 2005 al worden voldaan, aan de NO2-norm in 2010. Omdat ook de gemeente Utrecht niets gedaan had om die normen tijdig te halen en de ernst van de luchtverontreiniging door geflatteerde berekeningen verdoezeld werd, moest er aan de EU uitstel gevraagd worden. Voor fijnstof werd uitstel gekregen tot juni 2011, voor NO2 tot 1 januari 2015. Maar ook na de uitsteltermijn werd (fijnstof) en wordt (NO2) dus in Utrecht nog steeds niet aan de normen voldaan.

Kortom, het college en de gemeenteraad (zowel de vorige als de huidige) zijn dus ernstig in gebreke gebleven. Zij zijn immers uiteindelijk formeel verantwoordelijk voor de geflatteerde en onjuiste berekeningen en zij zijn formeel verantwoordelijk voor het feit dat inmiddels al 15 jaar geen serieus beleid gevoerd wordt om de luchtverontreiniging in Utrecht terug te dringen. En zij zouden het zichzelf dus ook kwalijk moeten nemen dat ze nooit iets gedaan hebben met de kritiek waarmee de SSLU en naderhand ook het Wijk C komitee e.a. de gemeente al jaren, kennelijk volkomen terecht, bestookt. Maar, zoals dat gaat in de politiek, toegeven dat je in gebreke bent gebleven is er niet bij. In de politiek gaat men altijd op de ingeslagen weg voort, hoe schadelijk en uitzichtloos die weg ook is. Terugkomen op een eenmaal ingenomen standpunt en erkennen dat je nalatig bent geweest kan in de politiek nu eenmaal niet. Anders dreigt er gezichtsverlies en dat is niet goed voor de partij en alles wat daarmee samenhangt.

Verkapte juridische actie van de overheid
Zoals ik elders heb beschreven (Wolfsen en de gerechtelijke stappen tegen Van Oosten)  besloot het college in april 2008 gerechtelijke stappen tegen mij te nemen. Kritiek moet kunnen, maar het moet niet te dol worden. Nadat de gemeente een tiental procedures bij de bestuursrechter verloren had en de dienst stadsontwikkeling haar plannen ernstig zag gedwarsboomd, besloot het college dat de tijd was aangebroken om gerechtelijke stappen tegen mij te ondernemen. Omdat die gerechtelijke stappen kansloos zouden zijn als de gemeente die zelf zou ondernemen (kritiek op de overheid is in een democratie een grondrecht) besloot het college dat het beter was die stappen niet zelf te nemen, maar dat door een drietal luchtkwaliteitsdeskundigen te laten doen waar ik inderdaad zeer kritisch over had geschreven (zoals ik dat ook gedaan had over de wethouder, het college en de gemeenteraad). Die medewerkers zouden zich dan in de hoedanigheid van individuele burgers bij de rechtbank moeten beklagen. De gemeente zou de juridische actie financieren, maar mocht er zelf onder geen beding aan meedoen, want dan zou het er toch op lijken dat het een actie van de overheid was tegen een lastige rechtshulpverlener. Kortom, het was een verkapte actie van de overheid, naar inmiddels is gebleken, voorbereid door juristen van Juridische Zaken en de Bestuursdienst van het college. De gerechtelijke stappen hebben de gemeente inmiddels ruim 110.000 euro gekost aan advocaatkosten. Dat de juridische actie door de gemeente wordt gefinancierd heeft de uitdrukkelijke instemming van de PvdA, GroenLinks en D66. Op 4 april 2013 weigerde een raadsmeerderheid, waaronder PvdA, GroenLinks en D66 de financiering van de juridische actie ter discussie te stellen.

Of mijn kritiek op de luchtkwaliteitsdeskundigen terecht was of niet (of zij de lucht inderdaad, zoals ik beweerde, schoonrekenden en of dat inderdaad zeer ernstige gevolgen had voor de gezondheid van de Utrechters die langs drukke wegen wonen), was, zo is inmiddels uit de beantwoording van Wob-verzoeken gebleken, in het geheel geen punt van overweging bij het besluit gerechtelijke stappen te nemen. Het kwam het college kennelijk  beter uit geen onderzoek te doen naar de gegrondheid van mijn kritiek op de berekeningen van de deskundigen alvorens te beslissen dat er gerechtelijke stappen tegen mij moesten worden ondernomen en de juridische actie van de drie medewerkers te financieren.

Kritiek moet kennelijk ontmoedigd worden
Om een lang verhaal kort te maken: kritiek op zoiets als luchtkwaliteitsberekeningen *, daar gaan groene, linkse en progressieve partijen (althans in Utrecht) dus niet op in. Ook niet als de gemeente een tiental procedures over luchtkwaliteit verloren heeft. En ook niet als die luchtkwaliteitsberekeningen heel erg belangrijk zijn voor de gezondheid van de Utrechtse bevolking. Aanhoudende kritiek is irritant en lastig. Vooral het feit dat die kritiek ook nog eens terecht blijkt te zijn (zie de vele verloren procedures bij de bestuursrechter, zie het feit dat er nog steeds niet aan de normen wordt voldaan) is onze groene, linkse en progressieve wethouders en raadsleden een doorn in het oog. Dat wijst er namelijk op dat ze hun werk als wethouder en als controlerend raadslid niet goed gedaan hebben. En bovendien wordt de ruimtelijke ontwikkeling, zoals de luchtcoördinator van de gemeente destijds verzuchtte, door al die kritiek “hevig in de vertraging” gebracht.

In de opvatting van PvdA, GroenLinks en D66 (althans in Utrecht) is kritiek kennelijk iets waar je zo min mogelijk op in moet gaan en wat moet ontmoedigd worden door die door de rechtbank te laten rectificeren. Niet in een geding natuurlijk dat door het college en de gemeenteraad wordt aangespannen, want dat hoort niet in een democratie. Nee, de procedures bij de rechtbank en het gerechtshof, die mochten de drie medewerkers van de gemeente opknappen. Die moesten zich als individuele burgers bij de rechtbank beklagen. De gemeente zou net doen alsof ze daar helemaal buiten stond en staat. En, zoals de raadsleden inmiddels heel goed weten, wordt in de vervolgprocedure feitelijk geëist dat ik mij in het geheel niet meer mag uitlaten over het luchtkwaliteitsbeleid van de gemeente, wat neerkomt op niets minder dan een heus Berufsverbot. De procedure wordt door de gemeente gefinancierd. Zoals nog recentelijk bleek (4 april 2013), met instemming van GroenLinks, de PvdA en D66.

Waarom controleert het gemeentebestuur niet?
In het voorgaande heb ik betoogd dat de politiek niet op kritiek ingaat, discussie uit de weg gaat en de kritiek probeert te ontmoedigen omdat ze er niet op gewezen wil worden dat de politiek in gebreke is gebleven (de ambtelijke dienst zijn gang heeft laten gaan). De vraag die nu rijst is: hoe en waarom is het gemeentebestuur in gebreke gebleven? Meer concreet: waarom controleerde (en controleert) het gemeentebestuur de luchtrapportages en berekeningen niet en waarom neemt het de kritiek daarop niet in overweging? Wat is daar nu eigenlijk zo moeilijk aan?

Luchtkwaliteitsberekening
Voor de berekening van concentraties fijnstof en stikstofdioxide wordt een rekenmodel gebruikt dat eenvoudig viel te downloaden op de site www.infomil.nl. Het zgn. CAR II model. CAR staat voor Calculation of Air pollution from Road traffic. Tegenwoordig is het alleen in web-based versie te gebruiken. Het rekenmodel wordt elk jaar aangepast, zodat het werkt met de meest recente gegevens over de uitstoot van auto’s, vrachtwagens en bussen. Om de jaargemiddelde concentraties fijnstof en stikstofdioxide te berekenen moet voor elk wegvak apart (een wegvak is pakweg 100 meter) een aantal verkeersgegevens ingevoerd worden: de etmaalintensiteit, het percentage zware en middelzware vrachtwagens, het aantal bussen, de gemiddelde snelheid en de mate van stagnatie. En verder moet ingevoerd worden: het wegtype (smal of breed, hoge of lage bebouwing, bebouwing aan één of aan beide zijden), de bomenfactor (geen, weinig of veel bomen) en de X- en Y- coördinaten. Het rekenmodel berekent op basis van die invoer de concentraties in het heden en in een aantal toekomstige jaren. Het model is zo simpel, dat kinderen van een jaar of tien er mee om kunnen gaan. Voor wethouders en raadsleden moet dat dus geen probleem zijn.

Het controleren van berekeningen
Berekeningen worden elk jaar voor alle wegen en wegvakken uitgevoerd waar mogelijk een overschrijding van de norm zou kunnen plaatsvinden. Van die berekeningen wordt verslag gedaan in jaarrapportages. Berekeningen worden ook uitgevoerd voor bouwplannen e.d. die eventueel negatieve gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit doordat ze tot extra verkeer leiden. Van zulke berekening wordt verslag gedaan in luchtrapportages (luchtrapportage fly-over 24 Oktoberplein, luchtrapportage Majellaknoop, e.d.). De rapportages die door de gemeente Utrecht worden verzorgd hebben altijd een bijlage waarin voor elk wegvak de gebruikte invoergegevens worden vermeld. Dat maakt het heel eenvoudig om rapportages met elkaar te vergelijken. En als je dat doet ontdek je al gauw dat er met die invoergegevens iets niet klopt. De rapportages geven namelijk “niet wenselijke verschillen” te zien (Kema rapport 2009, p. 21). Ik geef wat illustraties.

– Voor de jaarrapportage 2003 werd bijvoorbeeld voor de M.L. KInglaan “stagnerend verkeer” ingevoerd, in de jaarrapportage 2006 “doorstromend verkeer”. Dat scheelt in de berekening aanzienlijk.
– Voor de jaarrapportage 2003 werd voor de Europalaan gerekend met 4% zwaar verkeer, voor de rapportage 2010 nog maar met 1%, terwijl het vrachtverkeer van en naar het stationsgebied juist toeneemt. Of je 4% of 1% invoert scheelt ook aanzienlijk.
– Voor de jaarrapportage 2003 werd voor de M.L. Kinglaan gerekend met 46.000 mtv.etmaal. Terwijl Utrecht een snel groeiende gemeente is (i.v.m. Leidsche Rijn) was de intensiteit op de M.L. Kinglaan volgens de jaarrapportage 2006 nog maar 35.000 mvt/etmaal. Ook dat scheelt in de berekening flink.

Uit de volgende tabel blijkt dat het creatieve rekenwerk niet alleen in het recente verleden (2006 en 2008) heeft plaatsgevonden, maar dat daarvan nog steeds sprake is. Om in 2015 aan de normen voor NO2 te kunnen voldoen (althans op papier) zijn de intensiteiten na 2008 opnieuw naar beneden gerekend.

Intensiteiten berekend voor 2015
Kortom: als je de rapportages goed met elkaar vergelijkt zie je dat de invoergegevens, naarmate het jaar waarin aan de norm moet worden voldaan dichterbij komt, steeds meer naar beneden worden bijgesteld: minder stagnatie, minder zwaar verkeer, lagere intensiteiten. Dat valt door wethouders en raadsleden eenvoudig te controleren. Maar hoewel de SSLU daar al vaak op gewezen heeft deden en doen ze dus niet. Als je ze op “onwenselijke verschillen” (Kema rapport 2009, p. 21) wijst, wordt daar niet op gereageerd. Laat staan dat de vraag gesteld wordt hoe en door wie die intensiteiten, stagnaties en percentages zwaar verkeer voor elk wegvak op hun beurt vastgesteld worden en of dat niet beter zou kunnen gebeuren door onafhankelijke onderzoekers in plaats van medewerkers die betrokken zijn bij de voorbereiding van plannen en besluiten.

De keuze van de politiek voor niet-weten
Wat weerhoudt wethouders en raadsleden ervan om luchtrapportages en -berekeningen te controleren en in te gaan op kritiek op die berekeningen, terwijl het toch om hele simpele berekeningen gaat? Waarom vraagt raadslid Peter van Corler (GroenLinks) geïrriteerd of we ooit loskomen van de discussie over het berekenen van luchtkwaliteit (30-9-2012), terwijl die discussie nooit gevoerd is, althans niet door hem of andere raadsleden en wethouders van GroenLinks, PvdA en D66? Ook niet nadat de gemeente ettelijke procedures over luchtkwaliteit verloren had en Kema een zeer kritisch rapport schreef: “Extern onderzoek werkprocessen luchtkwaliteit Utrecht” (2009). Het antwoord is: de politiek wil helemaal niet weten dat en wat er aan die berekeningen schort. De politiek wil horen dat de beslissingen die zij hebben genomen (of willen nemen) door deskundig onderzoek werden ondersteund.

De gemeenteraad is in de loop van jaren in grote meerderheid akkoord gegaan met een aantal beslissingen (plannen) die de luchtkwaliteit hebben verslechterd en er bovendien toe geleid hebben dat niet tijdig aan de normen voor fijnstof en NO2 kon worden voldaan. Ook zijn ze akkoord gegaan met het Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht 2006-2012 en de daarop volgende actieplannen (2008, 2009) die alles behalve effectief zijn gebleken. Het waren actieplannen die tegelijk het belang van de luchtkwaliteit én de autobereikbaarheid én de ruimtelijke ontwikkeling heetten te behartigen, maar in feite bedoeld waren om juist niet de noodzakelijke maatregelen voor betere lucht te hoeven nemen (namelijk gericht op beperking autoverkeer). Plannen die de suggestie moesten wekken dat de negatieve gevolgen van autobereikbaarheids- en ruimtelijke plannen ruimschoots zouden worden gecompenseerd door maatregelen voor schone lucht en daardoor aan de eisen van de regelgeving zouden voldoen. Het betreft hier vooral het Structuurplan Stationsgebied dat eind 2006 werd vastgesteld (inclusief Investeringsplan Autobereikbaarheid Stationsgebied Utrecht), waarvan inmiddels ook door de gemeente (“Regio in beweging”, 2012) wordt erkend dat het leidt en heeft geleid tot een “extreme” groei van het autoverkeer van en naar het stationsgebied (een verdubbeling van de intensiteit tussen 2010 en 2020).

Wie de Actieplannen 2006-2012 en de daarop volgende actieplannen bestudeert wordt al snel bevangen door grote twijfel. De effecten van autobereikbaarheid- en ruimtelijke plannen voor de luchtkwaliteit worden niet gekwantificeerd en hetzelfde geldt voor de effecten van compenserende maatregelen. Dat het effect van maatregelen ruimschoots voldoende is om de autobereikbaarheids- en ruimtelijke ambities van de gemeente te compenseren wordt in de actieplannen in het geheel niet aangetoond. Een beetje raadslid zou vragen om de onderliggende berekeningen. Hetzelfde geldt voor de verantwoordelijke wethouder. Maar dat deden ze niet. Het zijn kritische burgers die die berekeningen met een Wob-verzoek wel opvragen en zich erin verdiepen. Wethouders en raadsleden geven er de voorkeur aan niets van die onderliggende berekeningen te weten. Dat stelt hun in staat de beslissingen te nemen die ze geacht worden te nemen en de verantwoordelijkheid voor de gevolgen af te schuiven op de deskundigen die de berekeningen hebben opgesteld.

In de greep van de vierde macht
Ik schreef “het stelt hun in staat de beslissingen te nemen die ze geacht worden te nemen”. Willen ze die beslissingen dan niet uit zichzelf nemen? De beslissingen die een wethouder, college of gemeenteraad neemt liggen voor 90% vast voordat ze er aan te pas komen. Er zijn jaren van ambtelijke voorbereiding aan vooraf gegaan. Verreweg de meeste ruimtelijke en verkeersplannen worden door de ambtelijke dienst geïnitieerd. De politiek (laat staan de bevolking) heeft niet gevraagd om het herstel van de singel, om de herstructurering van het stationsgebied, de fly-over bij het 24 Oktoberplein, om een nieuwe muziekpaleis en om een nieuwe bibliotheek. Al die initiatieven komen bij de ambtelijke dienst vandaan, al of niet ingefluisterd door projectontwikkelaars en bouwend Nederland.

Elke vier jaar springen er weer wethouders en raadsleden op een rijdende trein. Die worden snel van de agenda (“de staat van de stad”) en de dienstregeling op de hoogte gebracht en hebben dan nauwelijks de ruimte om iets anders te beslissen dan de plannen en besluiten die door de ambtelijke dienst zijn voorgekookt. En voordat ze het weten hebben ze een groot aantal plannen vastgesteld waarvan ze de gevolgen niet hebben kunnen overzien. Maar doordat ze die hebben vastgesteld zijn ze er formeel voor verantwoordelijk, worden ze er door het publiek op aangesproken, gaan ze die uitleggen en verdedigen en gaan ze er ook achter staan. In veel gevallen ook als ze er, toen ze nog niet in de raad zaten, kritisch tegenover stonden. Het excuus is dan dat ze, sinds ze raadslid zijn, over meer informatie beschikken en er daardoor toch anders tegenaan zijn gaan kijken. Of dat je in de politiek nu eenmaal compromissen moet sluiten. Zie de prijs die GroenLinks in 2006 betaalde om aan het college mee te mogen doen: accepteren van de fly-over 24 Oktoberplein. Dat de politiek het beleid bepaalt is nauwelijks het geval: de ambtelijke dienst bepaalt 90% van het beleid en de politiek laat zich met de verantwoordelijkheid daarvoor opzadelen en gaat er achter staan.

Onwenselijke loyaliteiten
Wat er belangrijk aan bijdraagt dat raadsleden en wethouders verantwoordelijkheid nemen voor het beleid dat door de ambtelijke dienst is ontwikkeld, is dat zij zich in allerlei opzichten onder druk laten zetten om loyaal te zijn. Volgens de grondwet en de gemeentewet stemmen volksvertegenwoordigers zonder last of ruggespraak. Dat betekent dat zij naar eigen inzicht en overtuiging moeten oordelen. In de politieke praktijk is daar echter geen sprake van.

In politieke partijen die al wat langer in de macht delen en in het college zitten zijn lokale ambtenaren relatief sterk vertegenwoordigd. Vooral bij de PvdA en GroenLinks, maar ook steeds meer bij D66 is dat het geval. Dat komt namelijk hun loopbaan ten goede: je maakt meer kans op promotie als je lid bent van de partij van één van de coalitiepartijen. Het gevolg is dat het standpunt van de fracties van die partijen sterk wordt beïnvloed door opvattingen in de ambtelijke dienst, dat wil zeggen van partijgenoten in de ambtelijke dienst. Het gevolg is ook dat raadsleden zich minder kritisch en controlerend opstellen tegenover beleidsvoorstellen en onderzoeken die door de ambtelijke dienst worden geproduceerd en het voor ambtelijke diensten opnemen als die het voorwerp zijn van publieke kritiek. Dat van GroenLinks raadsleden nooit een kritisch geluid wordt vernomen over de luchtkwaliteitsberekeningen van de afdeling Milieu kan ongetwijfeld worden verklaard door de relatief grote aanhang van GroenLinks onder medewerkers van die afdeling. Vandaar Peter van Corler: “als de SSLU het niet eens is met de berekeningen van de afdeling Milieu, wat kan ik als raadslid dan anders doen dan achter de afdeling Milieu gaan staan?” Met het eigen inzicht van GroenLinks raadslid Peter van Corler heeft dat niets te maken, hij wil afdeling Milieu niet afvallen. De loyaliteit die hij betracht met de afdeling Milieu weerhoudt hem ervan de luchtrapportages kritisch te controleren die door die afdeling worden geproduceerd en en weerhoudt hem er van kritiek op die rapportages ook maar in overweging te nemen.

Loyaliteit speelt raadsleden ook parten als zij een standpunt zouden willen innemen dat tegen de partijlijn ingaat. Een raadslid als Bos (CDA), die recentelijk tegen het plan stemde voor een nieuwe bibliotheek op het Smakkelaarsveld en daarbij tegen het standpunt van de fractie inging, handelde in strijd met de politieke mores, maar geheel in overeenstemming met de grondwet en de gemeentewet. De politieke praktijk is dat raadsleden door hun fracties onder druk worden gezet de partijlijn te volgen en het belang van de partij te stellen boven hun eigen inzicht en overtuiging. Het wordt hun door fractie en partij kwalijk genomen als zij zich al te kritisch opstellen tegenover “hun” wethouder en “hun college”. Het wordt als niet-loyaal beschouwd als zij zich openlijk distantiëren van besluiten die politiek verwante raadsleden in een vorige raadsperiode hebben gesteund, zeker als die raadsleden nog steeds in de raad zitten.

Wie niet naar eigen inzicht en overtuiging handelt, maar zich in plaats daarvan laat leiden door overwegingen van loyaliteit (het standpunt van de fractie volgen, het voor de eigen wethouder opnemen, de afdeling Milieu niet afvallen) kiest er voor niet te beslissen op grond principes, kennis en redelijke overwegingen. Wordt een fractie of raadslid op die beslissingen en op de gevolgen van die beslissingen aangesproken dan zal men dus ook niet in staat en bereid zijn om die beslissingen redelijk te verantwoorden. Men zal zijn toevlucht nemen tot argumenten als “wij mochten toch zeker wel op de deskundigheid van onze ambtenaren vertrouwen?”, “er is naar gekeken door onafhankelijke adviesbureaus als Oranjewoud en DHV en die verzekerden ons dat de berekeningen correct werden uitgevoerd”. Het kennisnemen van de kritiek op de luchtrapportages en berekeningen, laat staan het aangaan van een discussie daarover, zal men inschatten als een veel te riskante onderneming: de kans zit er immers ruim in dat men moet inzien en erkennen verkeerde beslissingen te hebben genomen. Mogelijk zelfs beslissingen waardoor Utrechters die langs drukke wegen voortijdig zijn overleden. En dus is het veiliger om de feiten en de cijfertjes niet onder ogen te zien en niet te weten hoe die worden berekend en discussies daarover uit de weg te gaan.

“Dwarsliggers en zeurpieten”
Hoe verantwoorden politiek verantwoordelijke bestuurders en raadsleden hun irrationele handelen? Hoe leggen zij het publiek uit dat ze kritiek op berekeningen en luchtrapportages stelselmatig uit de weg gaan en hoe verantwoorden zij dat tegenover zichzelf? Als je weet dat er volgens het RIVM (2005) en de GG&GD Utrecht (2008) elk jaar honderden Utrechters vroegtijdig overlijden door luchtverontreiniging, en als je weet dat de gemeente eigenlijk in 2005 al aan de fijnstofnorm en in 2010 aan de NO2-norm had moeten voldoen, en als je ook weet dat de bestuursrechter meerdere plannen en besluiten van de gemeente heeft afgekeurd omdat hij twijfelde aan de betrouwbaarheid van die berekeningen, en als je dan niettemin de moeite niet neemt of genomen hebt om die berekeningen zorgvuldig te controleren, terwijl je notabene als bestuurder of raadslid de verantwoordelijkheid draagt voor die berekeningen en de daarop gebaseerde besluiten, hoe speel je het dan klaar om aan kritische rapporten voorbij te gaan (“Schoonrekenen in Utrecht“, “Honderden doden door fijnstof in Utrecht“, “Klaagschrift voor gerechtshof“), om discussies daarover uit de weg te gaan en zelfs akkoord te gaan met de financiering van een juridische actie die er op gericht is kritiek op gemeentelijke rapporten over luchtverontreiniging onmogelijk te maken? Hoe kan een wethouder, burgemeester of raadslid dat tegenover het publiek, maar ook tegenover  zichzelf verantwoorden?

Dat blijkt geen probleem. Actiegroepen en kritische burgers worden gewoon weggezet als dwarsliggers en zeurpieten, die de gemeente veel werk bezorgen, de ruimtelijke ontwikkeling belemmeren en de gemeenschap handen vol geld kosten. Actiegroepen en activisten die de weg naar de bestuursrechter weten te vinden, regelmatig in het gelijk worden gesteld en maar doorgaan met hun kritiek, roepen bij bestuurders en raadsleden het ongemakkelijke gevoel op dat ze hun plicht verzaken. Dat ongemakkelijke gevoel wekt antipathie op tegen de persoon/personen die de kritiek uiten en naar de rechter stappen. En die antipathie fungeert als een rechtvaardiging om zich van de inhoud van de kritiek af te maken: “die persoon is een lastpost en een zeurpiet, hij is er alleen maar op uit de gemeente dwars te zitten, wat hij zegt en schrijft, daar hoef ik dus geen kennis van te nemen”. Die rechtvaardiging wordt niet alleen aangegrepen als zelfrechtvaardiging maar ook om zich tegenover het publiek te rechtvaardigen en vooral ook om te voorkomen dat het publiek de kritiek serieus neemt. Het is dus heel simpel: als het slechte nieuws een ongemakkelijk gevoel losmaakt, ook als het ernstig, dan is het voldoende om van de boodschapper een dwarsligger en zeurpiet te maken, dan hoef je er verder geen aandacht aan te schenken.

 

* Hetzelfde geldt overigens ook voor kritiek op de berekeningen die gemaakt zijn in het kader van het CO2-beleid van milieuwethouder Mirjam de Rijk. Ook daar doen de coalitie partijen liever het zwijgen toe.

 

 

Benadeling door de overheid

Er is een tijd geweest dat de overheid zorgvuldig de voor- en nadelen tegen elkaar afwoog van beslissingen: ik bedoel de voor- en nadelen voor de burger. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat nog steeds: het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af. Het moet daartoe kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen vergaren. Staat een paar regels hoger.

Ik kan mij eigenlijk geen plan of besluit voor de geest halen, waarin de nadelen voor bepaalde bewoners of ondernemers ook maar enigszins in kaart waren gebracht, laat staan dat daar rekening mee werd gehouden. In de praktijk wordt het aan de bewoners en ondernemers over gelaten om voor hun belangen op te komen, daar maakt de gemeente zich niet druk om. Althans niet de gemeente Utrecht.

De praktijk is dat er een plan wordt gemaakt naar het inzicht van gemeentelijke plannenmakers, waarin hooguit rekening wordt gehouden met de belangen van enkele invloedrijke ondernemingen (Corio, Jaarbeurs, Casino, Rabo). Bewoners en gewone ondernemers worden er pas bij betrokken als het ontwerp ter visie wordt gelegd. Dan mogen zij hun zienswijze kenbaar maken. En die zienswijzen worden als regel afgedaan met het argument dat bij afweging van belangen het algemeen belang prevaleert. Hoe die afweging heeft plaatsgevonden staat er dan nooit bij.

Juist omdat de overheid er voor iedereen heet te zijn en omdat het nota bene met zoveel woorden in de Awb staat zou je verwachten dat de gemeente zich bij het voorbereiden van een plan rekenschap geeft van alle mogelijke nadelige gevolgen die dat plan kan hebben voor bewoners en ondernemers die daar wonen of gevestigd zijn waar die plannen worden uitgevoerd. Maar zo gaat het dus niet.

Tijdens de behandeling van het voorstel om een milieuzone in te voeren voor personen-wagens en bestelwagens stelde de VVD voor een maatschappelijke kost- en baatanalyse uit te laten voeren. De gemeente had namelijk alleen uitgerekend wat de invoering de gemeente zou kosten, maar niet wat het de burgerij en de ondernemers zou kosten als die hun verouderde auto naar de sloop moesten brengen en een nieuwe moesten kopen. Het antwoord van wethouder Lintmeijer (GroenLinks) was dat er genoeg onderzoek was gedaan en dat hij daar niet toe bereid was.

Een ander voorbeeld is de afsluiting van de op- en afritten van de Vleutenseweg op de A2. Die moesten volgens Rijkswaterstaat en de gemeente vervallen, want die pasten niet in de plannen voor de landtunnel. Voor de bedrijven op het Cartesius Industrieterrein had deze afsluiting enorme gevolgen. Dankzij die op- en afritten zaten hun vrachtwagens vlakbij de A2. In de nieuwe situatie waren ze aangewezen op de op- en afritten bij Hooggelegen en moesten ze dwars door Oog in Al. Ook voor de bewoners langs de Haydnlaan, Lessinglaan en Pijperlaan had de afsluiting dus grote gevolgen. Bij de voorbereiding en vaststelling van de plannen om de op- afritten Vleutenseweg te laten vervallen was met de nadelige gevolgen voor de bedrijven op het Cartesius Industrieterrein, noch met die van de bewoners van Oog in Al rekening gehouden.

Nog een voorbeeld. De Voorstraat en de Nobelstraat hebben destijds bij de aanleg van de busbaan lange tijd open gelegen, waardoor de winkels onbereikbaar waren. Bevoorrading was een groot probleem en klanten konden er niet met de auto komen. Min of meer hetzelfde probleem speelt voor de winkeliers op het Vredenburg. De winkeliers hebben al een paar keer gevraagd wethouder Everhardt (D66) daarover te kunnen spreken, maar die schuift dat op de lange baan. Dat er sprake is van een aanzienlijk omzetverlies ligt voor de hand, daar had op voorhand rekening mee gehouden moeten worden. De kosten voor compensatie hadden in de plankosten meegenomen moeten worden. In plaats daarvan probeert de gemeente zo veel mogelijk aan de kosten voor compensatie te ontkomen, terwijl die maar een fractie zijn van wat er aan plannen en de voorbereiding daarvan wordt uitgegeven.

Hoe gierig de overheid is als het op vergoeding van planschade aankomt blijkt uit het feit dat je eerst 300 euro moet betalen voordat je verzoek in behandeling wordt genomen. Die krijg je terug als de planschade wordt toegewezen, maar daar is de overheid niet scheutig mee.  Dat de woningen langs de Brucknerlaan (vanuit het achterraam kijk je op de fly-over bij het 24 Oktoberplein) aanzienlijk in waarde zijn gedaald door de aanleg van de fly-over zal geen redelijk mens ontkennen. De gemeente laat de waardedaling echter taxeren door een zogenaamd onafhankelijk adviesbureau (dat afhankelijk is van opdrachten van de overheid!)  en die stelt de waardedaling op hooguit 10.000 euro. Pakweg het verschil tussen 320.000 en 310.000 euro. Van die 10.000 euro wordt dan ook nog eens het risico afgetrokken dat de burger zelf geacht wordt te dragen: 2% van 320.000 euro = 6400. De planschade bedraagt na deze aftrek 10.000 – 6400 = 3600 euro. Zou de waardedaling getaxeerd worden op 5000 euro, dan wordt niets uitgekeerd want dat is minder dan het eigen risico.

Hoe gierig de overheid is als het op vergoeding aankomt van de omzetderving van een winkelier, bijvoorbeeld door tijdelijke afsluiting van de weg, blijkt uit het feit dat de winkelier geacht wordt 15% van de omzetdaling te beschouwen als eigen risico  (besluit college Utrecht van 14 december 2010). Sommige ingrijpende werkzaamheden nemen meerdere jaren in beslag, zoals de werkzaamheden rond het Vredenburg. “Geen enkele ondernemer trekt het om jaar op jaar een schadebedrag van 15% van zijn omzet voor eigen rekening te moeten nemen. Die drempel is zo hoog, dat de ondernemer of vertrekt of failliet gaat“, aldus B.J. Van Ettekoven, bestuursrechter en hoogleraar Staats- en bestuursrecht te Amsterdam (oratie 3 december 2010).

Hoe denkt de gemeentepolitiek eigenlijk over het nadeel voor bewoners en ondernemers van gemeentelijke plannen en activiteiten? Daar wordt niet over gedacht: in geen enkel (concept) – verkiezingsprogramma wordt het onderwerp aangeroerd. Een goede reden voor gedupeerde bewoners en ondernemers om het er niet bij te laten zitten. De politiek komt pas in beweging als gedupeerde burgers zich laten horen.

 

 

Politici als moderne farizeeërs

Ruim tien jaar schrijf ik nu bezwaarschriften voor Utrechters die op een of andere manier gedupeerd zijn door een besluit van de gemeente. En omdat de gemeente zelden of nooit in een bezwaarschrift reden ziet om op een besluit terug te komen, stel ik even zo vaak beroep in bij de bestuursrechtbank.

Die bezwaren gingen tegen van alles en nog wat: strafkorting op uitkeringen, bestuursdwang om een schuurtje af te breken dat iets te groot was, bestuursdwang omdat gebruik werd gemaakt van een container zonder bouwvergunning, intrekken van een woonvergunning, vernietiging van opgeslagen inboedel na huisuitzetting, vergunning om een helikopterlandingsplaats aan te leggen op het dak van een bedrijfsgebouw, weigering om op te treden tegen agressie van buren, het kappen van bomen, het toestaan van detailhandel door de Jaarbeurs, sloopvergunningen die waren verstrekt zonder onderzoek te doen naar asbest, bouwvergunning voor de uitbreiding van Hoog Catharijne zonder onderzoek te doen naar overbewinkeling, verkeersplannen die voor extra luchtverontreiniging zorgen enz. enz.

In veel gevallen stuurde ik de gemeenteraad en de betreffende wethouder een kopie van het bezwaarschrift of een berichtje waarin ik de raadsleden/wethouders er op wees dat de gemeente toch wel erg onverschillig om gaat met de belangen van burgers. In verreweg de meeste gevallen reageren raadsleden en wethouders daar niet op en doen ze er ook niets mee. Voor mij staat het daarom vast dat het raadsleden (een enkele uitgezonderd) en wethouders totaal onverschillig laat of de burger onrecht wordt aangedaan door de gemeente. Het bericht dat volgens het RIVM en de GG&GD elk jaar 315 mensen voortijdig overlijden door fijnstofblootstelling en dat veel kinderen daar astma en ouderen copd van krijgen, dat raakt de meeste raadsleden, wethouders en de burgemeester kennelijk niet, want ze reageren niet eens op zulke verschrikkelijke berichten.

Ik heb mij vaak afgevraagd hoe die onverschilligheid verklaard moet worden. Je zou zeggen dat mensen die zich beschikbaar stellen voor publieke functies, volksvertegenwoordiger worden of in een college gaan zitten, dat doen uit idealisme. Dat beweren ze tenminste als je vraagt waarom ze zich beschikbaar stellen. Dat idealisme blijkt echter niet uit de onverschilligheid die zij aan de dag leggen voor gezondheid, welzijn en burgerrechten. Dat idealisme van raadsleden en van politici in het algemeen, daar geloof ik dus al lang niet meer in.

Waarom willen mensen in een gemeenteraad en in een college zitten als de gezondheid en het welzijn van de burgerij ze niet kan schelen? En waarom beweren ze dat ze zo idealistisch zijn? Het antwoord is dat mensen die raadslid, wethouder, burgemeester willen worden (of een ander publiek ambt willen bekleden) over het algemeen hele ijdele en ambitieuze mensen zijn. Mensen die graag in het middelpunt van de belangstelling staan, graag in de krant staan en op de tv komen. Mensen die belangrijk gevonden willen worden en graag gezien willen worden in het gezelschap van andere belangrijke mensen. En bij veel van die ijdeltuiten speelt natuurlijk een belangrijke rol dat de politiek een leuke opstap is naar een goed betaalde baan als (hoge) ambtenaar of als bestuurder in het bedrijfsleven. En hoe word je raadslid of wethouder? Door hoog op te geven over je idealisme, het volk te vertellen wat het horen wil, moeilijke discussies uit de weg te gaan en vooral geen kritiek te uiten op je eigen wethouder, je eigen partij, je eigen college of regering, want dan lig je er in je eigen kring snel uit. Politici zijn in mijn ogen dus eigenlijk, een enkele uitzondering daargelaten, een soort moderne farizeeërs. (Mat: 23: 1-12).

Voor de meeste mensen heeft het begrip “politiek” een negatieve lading. Het wordt door veel mensen geassocieerd met geslepenheid, hypocrisie, zakken vullen, vriendjespolitiek, baantjes jagerij. En een “politiek” antwoord is het synoniem voor een ontwijkend antwoord. Dat mensen zo over politiek en politici denken is niet voor niets. En ik vrees dat de mensen die zo graag raadslid, wethouder of politicus willen worden deze “politiek” juist aantrekkelijk vinden en dat dat dus uitgerekend niet de mensen zijn die we zouden moeten hebben.

De dierenboerderij, politici en Robert Michels

George Orwell publiceerde in 1945 zijn bekende Animal Farm. In 1947 in het Nederlands vertaald en uitgebracht met de titel “De boerderij der dieren, een sprookje voor grote mensen”. Nog altijd zeer de moeite waard als je iets van politiek wilt begrijpen. Het verhaal wil dat het in vertaling boven Rusland werd uitgestrooid om de Russen te waarschuwen tegen het communisme. Animal Farm is echter ook heel leerzaam als je iets wilt begrijpen van linkse politici die hun leiderschap aan de bevolking opdringen om de maatschappij radicaal te hervormen.

Het komt er in het kort op neer dat de dieren onder aanvoering van de varkens in opstand komen tegen de boer, hem verjagen en op de boerderij een zelfbestuur van dieren instellen. De varkens nemen daarbij de leiding, maar beginnen steeds meer op mensen te lijken. Het eind van het sprookje is dat de overige dieren door de varkens onderdrukt worden en dat de varkens het eigenlijk heel goed kunnen vinden met de boeren van boerderijen in de omgeving, ook op hun achterpoten gaan lopen en steeds meer op mensen gaan lijken.

In 1911 publiceerde de Duitse socioloog Robert Michels “Zur Soziologie des Parteiwesens in der modernen Demokratie. Untersuchungen über die oligarchischen Tendenzen des Gruppenlebens”. De conclusie van Michels is min of meer dezelfde als die van Orwell. Alleen heeft hij er 400 bladzijden voor nodig. Hij heeft ze kernachtig onder woorden gebracht als de ijzeren wet van de oligarchie. Gelukkig is er ook een verkorte Nederlandstalige uitgave, tot stand gekomen onder supervisie van en ingeleid door J. A. A. van Doorn, bij leven hoogleraar sociologie. Het werd uitgegeven in 1969 bij de Universitaire Pers Rotterdam en moet nodig herdrukt en opnieuw uitgegeven worden.

Een oligarchie is de staatsvorm waarbij de macht in handen is van een kleine groep mensen. Politieke partijen zijn volgens Michels altijd oligarchisch. Het schijnt niet anders te kunnen. Socialistische partijen, waar hij zijn onderzoek op concentreerde, zijn daarop volgens Michels geen uitzondering.

Er zijn altijd een handjevol lieden die zich geroepen voelen in een politieke partij de lakens uit te delen. Ze roepen uiteraard dat ze zoveel mogelijk leden er bij betrekken willen, maar zorgen er ondertussen voor de touwtjes stevig in eigen hand te houden. Leden die zich aanbieden mee te denken worden zoveel mogelijk buiten de deur gehouden omdat ze worden beschouwd als mogelijk rivalen. Het is dus geen wonder dat hooguit 1% van de bevolking lid is van een politieke partij.

Soms lukt het bazen in een partij alleen om opstandige leden koest te houden door er een paar van in het bestuur op te nemen en daar de macht mee te delen. Dat is dan ook meteen  het einde van de oppositie, omdat die opstandige leden, zodra ze in de macht delen, precies zo blijken te denken en handelen als de bazen waar ze tegen in opstand kwamen. Dat het allemaal totaal anders moet (vooral meer gelijkheid!) riepen ze alleen om genoeg achterban te mobiliseren, zodat de leiding van de partij gedwongen wordt hen in hun midden op te nemen.

De boodschap van Orwell is dat je goed moet uitkijken voor lieden die staan te trappelen om de macht over te nemen. De boodschap van Michels is dat politieke partijen een bedreiging vormen voor de democratie, omdat de lieden die het in die partijen voor het zeggen hebben er altijd op uit zijn dat zo te houden: de ijzeren wet van de oligarchie.

College aanvaardt grote kans vroegtijdige sterfte door luchtverontreiniging

De antwoorden van het college van B en W Utrecht (20 december 2013) op de schriftelijke vragen van de raadsleden Schipper (SP) en Oldenborg (Stadspartij LU) geven een wel zeer ontluisterend beeld van de besluitvorming in het college en van de prioriteiten van dit college. Kennelijk wilde het college zich niet, vlak voor zijn vertrek als burgemeester, van Wolfsen distantiëren, die in dit dossier, vanaf dat hij burgemeester werd, een hoofdrol heeft gespeeld.

Schipper en Oldenborg vroegen of het college de beschuldigingen die ik in 2008 uitte aan het adres van drie medewerkers (luchtkwaliteitsdeskundigen) inhoudelijk had beoordeeld alvorens op 16 juni 2008 te beslissen “hun” juridische actie tegen mij te financieren. Het antwoord was: nee, de beschuldigingen waren beledigend (antwoord op vraag 13).

Eerder was gebleken dat het college zich destijds ook niet door een deskundige had laten adviseren over de vraag of mijn beschuldigingen misschien gegrond waren. Uit stukken die het college pas na een jaar en na een beroep op de rechter vrij gaf bleek dat het college zelfs niet aan de medewerkers gevraagd had mijn beschuldigingen te weerleggen. Onnodig te vermelden, dat het college ook niet aan mij vroeg mijn beschuldigingen hard te maken.

In een paar columns had ik, kort en zakelijk samengevat, de luchtkwaliteitsdeskundigen verweten de lucht schoon te rekenen en de wethouder en de gemeenteraad verweten daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Daarbij had ik als mijn mening gegeven dat ze daardoor verantwoordelijkheid droegen voor aanzienlijke gezondheidsschade in Utrecht door luchtverontreiniging.

De strekking van en het woordgebruik in de columns waren inderdaad beledigend, maar dat hoeft, zoals het gerechtshof naderhand stelde, niet onrechtmatig te zijn. Het gerechtshof overwoog: “Anders dan [  ] c.s. betogen, maakt dit enkele oogmerk van het op de man spelen door middel van opzettelijke beledigingen de uitingen nog niet onrechtmatig”(…). Maar, zo overwoog het gerechtshof, daar moet dan wel een feitelijke onderbouwing voor zijn.

Dus, of je iemand publiekelijk mag uitmaken voor iets lelijks (bijvoorbeeld leugenaar) hangt er in de eerste plaats van af of je aannemelijk kunt maken dat hij inderdaad iets lelijks gedaan heeft (liegen bijvoorbeeld). Of je iemand mag uitmaken voor dief, hangt er vanaf of je aannemelijk kunt maken dat hij gestolen heeft. En of je iemand of de gemeente publiekelijk mag verwijten dat zij de lucht schoonrekenen, waardoor mensen een groot gezondheidsrisico lopen, hangt er dus van af of dat schoonrekenen aannemelijk valt te maken.

Iemand uitmaken voor leugenaar, dief, oplichter o.i.d. is inderdaad beledigend, maar of die belediging onrechtmatig is of niet hangt af van de vraag of die belediging voldoende feitelijk kan worden onderbouwd. Dat was het oordeel van het gerechtshof en dat is vaste jurisprudentie. Dat zou dus ook voor het college de vraag hebben moeten zijn.

Het college volstond met vast te stellen dat mijn beschuldigingen beledigend waren en stelde zich daarbij niet de vraag of ik die beschuldigingen feitelijk kon onderbouwen. Het college was en is totaal niet in de feiten geïnteresseerd. Het vroeg zelfs niet aan de medewerkers mijn beschuldigingen te weerleggen. Het college heeft inmiddels ruim 110.000 euro uitgegeven aan de juridische actie van de medewerkers en heeft zich tot op heden niet de vraag gesteld of mijn beschuldigingen ook maar enigszins gegrond waren.

Het college had echter meer dan voldoende redenen om zich af te vragen of mijn beschuldigingen met feiten zouden kunnen worden onderbouwd. Niet alleen had de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht (SSLU) al jaren geroepen dat de berekeningen niet deugden, tussen oktober 2005 en mei 2008 had de gemeente bovendien een tiental procedures verloren bij de bestuursrechter waarbij het ging om de berekening van luchtkwaliteit. Terwijl het dus juist erg voor de hand lag te onderzoeken of mijn beschuldigingen terecht waren, besloot het college de medewerkers zelfs niet om een weerlegging te vragen, laat staan mij te vragen mijn beschuldigingen hard te maken.

Voor het huidige college komt er nog een hele goede reden bij om zich af te vragen of mijn beschuldigingen over schoonrekenen terecht waren. De op die berekeningen gebaseerde voorspelling (in 2006 en 2007) dat Utrecht in 2010 zeker aan de luchtkwaliteitsnormen zou voldoen (de NO2-norm) en dat er geen aanvullende maatregelen nodig waren, bleek er helemaal naast te zitten. Volgens de meest recente  berekeningen is het zelfs de vraag of Utrecht (ondanks versoepeling van meet- en rekenvoorschriften!) in 2015 alsnog aan de NO2-norm kan voldoen. Overigens toonde de SP in 2009 door middel van metingen aan dat er inderdaad schoon gerekend werd (http://utrecht.sp.nl/nieuws/2009/09/stop-het-schoonrekenen) en werd door Kema een vernietigend rapport uitgebracht over de luchtkwaliteitsberekening in Utrecht. Niet voor niets besloot de gemeenteraad daarna een meetnet op te zetten.

Het college had en heeft verder nóg een reden, de meest dringende reden. Uit studies van het RIVM (Trends in the environmental burden of disease) in 2005 kwam naar voren dat er mogelijk elk jaar 18.000 mensen in Nederland vroegtijdig overlijden door luchtverontreiniging. Daarbij zou sprake kunnen zijn van een gemiddelde levensduurverkorting van ca. 10 jaar. De GG&GD Utrecht rekende in april 2008 uit dat het dan om 315 vroegtijdige sterfgevallen zou gaan alleen al in Utrecht. Je zou zeggen, dat dat op zichzelf al meer dan voldoende reden zou moeten zijn om zich grote zorgen te maken en wél te onderzoeken of mijn beschuldigingen soms grond van waarheid bevatten. Dat was en is het voor het Utrechtse college kennelijk niet. (*)

Waarom weigert een college (ook het huidige college), terwijl daar alle aanleiding toe bestaat, zich de vraag te stellen of de beschuldiging van schoonrekenen (en de ernstige gevolgen daarvan voor de gezondheid van Utrechters die langs drukke wegen wonen) grond van waarheid bevatten? Waarom gaat een college de discussie daarover uit de weg? Waarom heeft wethouder Lintmeijer (GroenLinks) met geen woord gereageerd op de kritiek in het Zwartboek Gebakken Lucht dat hem op 4 februari 2012 werd aangeboden? En waarom financiert een college de juridische actie van de medewerkers zonder hen ook maar te vragen mijn beschuldigingen te weerleggen? (**)

Het antwoord kan slechts zijn: omdat de aanmerkelijke kans dat er schoongerekend werd door het Utrechtse college bewust werd aanvaard om de ruimtelijke ambities van de gemeente (die een zeer forse toename van het autoverkeer van en naar het stationsgebied met zich meebrengen), ondanks de aantoonbare schadelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit en de gezondheid, toch te kunnen realiseren. Het college bestond destijds uit PvdA, GroenLinks, Christenunie en CDA. Partijen die, afgezien van het CDA, hun mond vol hebben over schone lucht en milieu.

Uit de antwoorden van het college op de vragen van Schipper en Oldenborg blijkt dat dat ook voor het huidige college van PvdA, GroenLinks en D66 geldt. Vandaar dat het , ook weer zonder enig onderzoek naar de feiten, blijft bij het standpunt van het vorige college en nog  steeds weigert te onderzoeken of de beschuldigingen gegrond waren. Daarbij speelt voor de PvdA en GroenLinks uiteraard een belangrijke rol dat voor alles moet worden voorkomen dat uit een onderzoek blijkt dat partijgenoten in het vorige college medeverantwoordelijk waren voor een kostbaar, ongefundeerd en ongezond besluit.

Dan maar liever doorgaan met het subsidiëren van de juridische actie van de drie medewerkers. De teller staat op 110.000 euro. Partijpolitiek mag wat kosten, de belastingbetaler betaalt toch wel. Dat gaat dus nog jaren door. En het vroegtijdig overlijden van 315 burgers per jaar (GG&GD Utrecht april 2008)? Daar liggen de coalitiepartijen PvdA, GroenLinks en D66 kennelijk niet wakker van. Ook in de afgelopen collegeperiode heeft er weer geen onderzoek plaatsgevonden naar de omvang van de gezondheidsschade en het vroegtijdig sterven door luchtverontreiniging langs drukke wegen in Utrecht. De GG&GD krijgt daar geen geld voor. Wat niet weet wat niet deert.

(*) Noch het vorige college, noch het huidige college heeft het nodig gevonden Uberhaupt onderzoek te laten doen naar gezondheidsschade door luchtverontreiniging bij bewoners langs drukke wegen. Het lijkt wel of het college dat helemaal niet weten wil.

(**) De vraag of er wel of niet werd schoongerekend bij Utrechtse luchtkwaliteitsberekeningen is in de verschillende procedures tot op heden door de rechters in het midden gelaten.

Wolfsen en de gerechtelijke stappen tegen Van Oosten

Dwarsligger
Op 16 juni 2008 besloot het college van b en w Utrecht gerechtelijke stappen tegen mij te nemen. Het besluit werd 10 dagen genomen nadat wethouder Tymon de Weger zich in een interview met de NRC erover beklaagd had dat “Kees van Oosten zet steeds weer andere middelen in om de gemeente dwars te zitten. Dat is zijn enige doel. We hebben een dagtaak aan het behandelen van zijn bezwaren en brieven“. Een week eerder had de bestuursrechter het beroep van Ronduit Weg (Oog in Al) toegewezen tegen het plan Majellaknoop. De rechter vond dat de gemeente onvoldoende had aangetoond dat de luchtkwaliteit door het plan niet zou verslechteren. Ik had voor Ronduit Weg de procedure bij de bestuursrechter gevoerd en dus was ik een dwarsligger.

interview nrc de weger
3000 Euro dwangsom
Wat het college overigens ook erg zwaar op de maag lag was dat de gemeente net een dwangsom van 3000 euro had verbeurd aan de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht (SSLU) omdat de gemeente had verzuimd een nieuw besluit te nemen over het Europaplein. Die procedure had de gemeente ook verloren (voor de tweede keer), waarbij de rechter dit keer had bepaald dat als de gemeente niet binnen redelijke termijn een nieuw besluit zou nemen een dwangsom verschuldigd zou zijn van 1000 euro per dag. Dat ik die procedure voor de SSLU had gevoerd werd mij door het college zeer kwalijk genomen.

Verloren procedures
De gemeente had in een enkele jaren nog meer procedures verloren. Op 5 oktober 2005 werd de milieuvergunning Holland Casino door de Raad van State vernietigd (200408173/1). Op 15 februari 2006 werd de vrijstelling voor de reconstructie 24 Oktoberplein geschorst (SBR 06/0623), op 23 juni 2006 werd het besluit vernietigd waarin de gemeente weigerde om de uitbreiding van de Europalaan ongedaan te maken (SBR 05/3503), op 5 juli 2006 werd het bestemmingsplan Overste den Oudenlaan vernietigd (200507743/1), op 3 november 2006 werd het besluit vernietigd waarin de actiegroep Ronduit Weg niet-ontvankelijk werd verklaard (SBR 06/3122), op 14 maart 2007 werd de acceptatie melding Wm Hal 8 Jaarbeurs door de Raad van State vernietigd (200602672/1), op 5 september 2007 werd de vrijstelling Dela-terrein geschorst (SBR 07/2056), 18 juli 2007 werd het hoger beroep van de gemeente tegen de uitspraak inzake de niet-ontvankelijkverklaring van Ronduit Weg ongegrond verklaard (200609333/1) en op 23 mei 2008 werd dus de vrijstelling vernietigd waartegen ik voor Ronduit Weg beroep had ingesteld (SBR 06/3122).

“Mijn afdeling doet het perfect”
Aldus wethouder Tymon de Weger in het NRC-interview. Dat de gemeente aan de lopende band procedures over luchtkwaliteit verloor lag dus echt niet aan de gemeente. Het lag aan de rechtshulpverlener van Ronduit Weg, de SSLU en van de bewoners die zich tegen de fly-over 24 OP verzetten. Die had bestuursrechters weten te overtuigen (kennelijk waren die naar het oordeel van De Weger zo weinig voor hun taak berekend dat zij zich door mij van alles hadden laten wijsmaken) en was daarom een dwarsligger die de gemeente handen vol werk had bezorgd en misschien de afdeling die het allemaal zo perfect deed ook wel een beetje voor schut had gezet.

Vertraging ruimtelijke ontwikkeling
In dezelfde geest liet luchtcoördinator Haarsma zich een jaar eerder uit in het personeels-orgaan utrEcht juni 2007. “Tegen bijna elk ruimtelijk plan wordt momenteel bezwaar of beroep aangetekend. Door Stich­tingen als Stop Luchtverontreiniging Utrecht, of Stichting Stedenbouwkundig Herstel Stations­gebied Utrecht. Stichtingen die slechts uit één persoon bestaan. De goede daargelaten, maar het betreft vaak personen die de luchtkwaliteit aangrijpen om ruimtelijke plannen te dwarsbomen. (…) De hele ruimtelijke ontwikkeling in Utrecht is hevig in de vertraging gekomen door dit hele gedoe. Plannen voor het Stationsgebied, het 24 Oktoberplein, Majella-knooppunt zijn aanzien­lijk vertraagd.

Informatieboycot
Hoezeer het de gemeente (de dienst Stadsontwikkeling, waar ook de afdelingen Milieu en Verkeer onder vallen) stak dat de ruimtelijke ontwikkeling door de verloren procedures werd vertraagd en hoe beducht de gemeente was om nog meer procedures te verliezen blijkt uit een mailbericht dat op 25 februari 2008 door de interim-directeur Guido van de Boorn werd rondgestuurd aan alle 600 medewerkers van SO (Stadsontwikkeling), waarin de instructie werd gegeven mij elke informatie te onthouden.

productie 29 Mailbericht interim-directeur Guido van den Boorn, 25 februari 2008

Omdat de instructie mij informatie te onthouden door verontwaardigde medewerkers van SO aan mij werd doorgespeeld en ik die openbaar maakte, moest het college ingrijpen, waarop de interim-directeur de 600 medewerkers weer moest opdragen mij juist wel te informeren.
Mailbericht Guido van den Boorn 5 maart 2008

Voor het karretje van Stadsontwikkeling
Om de ongedaan gemaakte informatieboycot achteraf te kunnen rechtvaardigen werd mij ten laste gelegd dat ik het personeel van de SO-infobalie, waar ik het altijd uitstekend mee had kunnen vinden, “indringend” had bevraagd. Dat dit de reden zou zijn geweest van de informatieboycot valt moeilijk te rijmen met de instructie “Opletten dus! Beantwoording van vragen moet in deze worden onthouden“, maar voor Wolfsen was dat geen reden om mij niet de wacht aan te zeggen. En daartoe werd ik uitgenodigd voor een gesprek.

uitnodiging gesprek 5 maart 2008
Het gesprek vond plaats op 25 maart 2008 in het bijzijn van de gemeentesecretaris. Zoals mij op 28 maart 2008 schriftelijk werd bevestigd, had ik mij te onthouden van beledigingen.
“In geval van de door u geuite beledigende taal, zulks aan ons ter beoordeling, overwegen wij u te weigeren als belangenbehartiger. In geval u door woord of geschrift laster of smaad pleegt, overwegen wij het doen van aangifte”. Of er echt iets was voorgevallen tussen de medewerkers van de infobalie en mij vroeg Wolfsen zich niet af en aan mijn weerwoord had hij geen behoefte. Hij nam ook niet de moeite bij de medewerkers van de SO-infobalie na te gaan of zij inderdaad op 25 maart “indringend” door mij waren bevraagd. Wolfsen, nota bene van huis uit een ervaren rechter, liet zijn perceptie van het geschil tussen Stadsontwikkeling en mij dus volledig bepalen door de voorlichting die hij daarover kreeg van de dienst Stadsontwikkeling. Kortom, hij liet zich eenvoudig voor het karretje van Stadsontwikkeling spannen.

Geheime stukken
Uit stukken die het college (lees Wolfsen, die mandaat van het college bleek te hebben) ruim 5 jaar geheim heeft gehouden (waarvan het bestaan ondanks wob-verzoeken ook al die tijd werd verzwegen) en pas door toedoen van de bestuursrechter op 20 november 2013 openbaar werden gemaakt, blijkt dat het Hoofd van Juridische Zaken (mr. P. van Doorn) al in november 2007 een “risico-analyse” heeft opgesteld m.b.t. een mogelijke aangifte bij het OM en dat hij op 14 en 20 januari 2008 aan het college heeft bericht over de communicatie die hij daarover met het OM had gehad. Ook blijkt er een interne mededeling van 19 november 2007 te zijn van de dienst Stadsontwikkeling waarin mijn “aantijgingen” zouden zijn weerlegd. Deze stukken zijn overigens nog steeds niet aan mij ter inzage aangeboden, ook niet nadat ik die met een beroep op de WOB heb opgevraagd en de termijn voor de afhandeling van dat verzoek verstreken is. (Noot: Op 28 februari 2014 zijn deze stukken alsnog openbaar gemaakt. Ze geven een bijzonder sinister beeld van de ambtelijke meningsvorming. Zie, onder, de update).

bijlagen

“Kritiek is prima, zolang die gefundeerd is”
Aanleiding in juni 2008 voor het besluit van het college (lees Wolfsen die door het college daartoe werd gemandateerd) om tegen mij een juridische actie op te starten zou zijn mijn beledigende uitlatingen over medewerkers van de gemeente van de afdeling Verkeer en de afdeling Milieu en Duurzaamheid (beide afdelingen vielen onder Stadsontwikkeling. Die uitlatingen zouden onjuist zijn en dus onbetamelijk. “Het standpunt van de gemeente is: kritiek is prima, zolang die gefundeerd is” overwoog het college daarbij. Kennelijk was mijn kritiek dat de lucht werd schoon gerekend (waardoor er geen passende maatregelen genomen hoefde te worden en dus veel mensen ziek zouden worden en vroegtijdig zouden overlijden) ongefundeerd. Die conclusie kon Wolfsen in elk geval niet getrokken kon hebben uit het aantal bij de bestuursrechter verloren procedures over de berekening van de luchtverontreiniging en uit de brief van de GG&GD aan Van Oosten 2 april 2008  waarin werd bevestigd dat er op grond van berekeningen van het RIVM (2005) rekening mee gehouden moest worden dat er elk jaar 315 Utrechters vroegtijdig overlijden door luchtverontreiniging.

Waarheidsvinding Wolfsen
Met een beroep op de WOB vroeg ik mij inzage te verschaffen in documenten “waaruit blijkt dat het college zich op deskundigen-adviezen heeft gebaseerd, toen het tot het standpunt kwam dat mijn weergave van de feiten onjuist was“. Op 25 april 2013 berichtte het college (lees Wolfsen) mij dat die documenten er niet waren. Het bestaan van het al wat oudere document “Interne mededeling StadsOntwikkeling van 19 november 2007: weerlegging aantijgingen Van Oosten” werd verzwegen en andere, meer recente, deskundigen-adviezen bleken niet door Wolfsen ingewonnen te zijn. De uitlatingen waar de juridische actie op gebaseerd was verschenen in columns in 2008 (22 februari, 19 maart, 5 juni en 8 juni).

De conclusie dat mijn “aantijgingen” ongefundeerd waren waren dus gebaseerd op een interne mededeling van Stadsontwikkeling, waarvan ik het bestaan kennelijk niet mocht weten. Voor het oordeel dat de kritiek en de beschuldigingen in de vier columns in 2008 ongefundeerd waren, daar had het Wolfsen zelfs geen weerlegging door de dienst Stadsontwikkeling en de drie door mij gekritiseerde luchtkwaliteitdeskundigen voor nodig, laat staan dat hij behoefte had aan tekst en uitleg van mijn kant of een onafhankelijke deskundige. De vraag dringt zich op of Wolfsen toen hij nog rechter was op dezelfde manier te werk ging en hoeveel mensen er als gevolg van deze intuïtieve en vooringenomen waarheidsvinding ten onrechte veroordeeld zijn.

Verkapte juridische actie gemeente
1
Waarom besloot Wolfsen dat de drie medewerkers (luchtkwaliteitsdeskundigen) in de hoedanigheid van individuele burgers de juridische actie tegen mij moesten voeren en niet de gemeente of de gemeente samen met de medewerkers? Het antwoord daarop wordt gegeven in de Collegebrief rechtsgeding medewerkers 6 november 2008 aan de gemeenteraad. Het voor de gemeente en de betrokken medewerkers te behalen resultaat zou naar inschatting het beste worden bereikt door de medewerkers de juridische strijd te laten voeren. In het Ontwerp collegebesluit gerechtelijke stappen tegen Van Oosten van 16 juni 2008 staat dat in iets andere woorden: “De gemeente of het college kan in principe ook aangifte doen of rectificatie eisen, maar dit stuit op enkele praktische en juridische bezwaren“. Wat waren dan die bezwaren en waarom mocht de gemeente zelfs niet aan de juridische actie meedoen?

Volgens de EVRM-jurisprudentie maakt het een groot verschil of de overheid voorwerp is van ernstige beschuldigingen of dat individuele burgers dat zijn. In het laatste geval worden de grenzen van het betamelijke veel eerder geacht te worden overschreden. Bij het kritiseren en beschuldigen van de overheid en van belangrijke dienaren van de overheid mag je veel verder gaan. De opvatting daarachter is dat een democratie niet kan bestaan als mensen bang moeten zijn voor juridische acties als zij ongezouten kritiek op de overheid uiten. Een goed voorbeeld van die jurisprudentie is de uitspraak die werd gedaan in het geschil tussen de huisarts Van der Linde en het RIVM/Coutinho. Hoewel Van der Linde zijn beschuldiging niet hard kon maken dat de adviezen over de griepprik werden beïnvloed door het belang van de farmaceutische industrie, oordeelde de rechter dat zijn uitlatingen niettemin niet onrechtmatig waren.

Van der Linde vs RIVM en Coutinho

Ook in mijn geval was het zo dat het ging om kritiek op de overheid en op bij de overheid werkzame personen en dat er sprake was van een publiek debat over een kwestie die zeer in de belangstelling stond en staat, namelijk luchtkwaliteit. Wanneer de gemeente Utrecht mij had gedagvaard, eventueel samen met de bij de overheid Utrecht werkzame personen, dan zouden mijn uitlatingen, net als in het geval van Van der Linde, door de rechter beoordeeld zijn als uitingen gericht aan het adres van de overheid en bij de overheid werkzame personen. Dat moest kennelijk voorkomen worden, daarom koos het college ervoor de medewerkers de juridische actie te laten voeren en wel in de hoedanigheid van individuele personen.

Overigens stond en staat te bezien of mijn beschuldigingen over schoonrekenen niet hard gemaakt kunnen worden (dat werd door het college niet onderzocht) en verder had ik niet alleen de drie medewerkers (luchtkwaliteitsdeskundigen / senior milieuadviseurs), maar ook de wethouder, de gemeente en de gemeenteraad het verwijt gemaakt de lucht schoon te rekenen, waardoor geen passende maatregelen genomen hoeven te worden, de lucht vies en ongezond blijft en mensen in Utrecht ziek worden en vroegtijdig doodgaan.

De juridische actie van de drie medewerkers/individuele burgers, waar de gemeente voor het oog van de rechter buiten moest blijven, was en is in feite een juridische actie van de gemeente en werd/wordt ook volledig gefinancierd door de gemeente. Kortom: het was/is een verkapte juridische actie van de overheid tegen een rechtshulpverlener die er volgens wethouder Tymon de Weger alleen maar op uit was de gemeente dwars te zitten en die volgens luchtcoördinator Haarsma de ruimtelijke ontwikkeling ernstig in de vertraging had gebracht. En dat varkentje zou de gewezen rechter Wolfsen, die het niet nodig vond om zich in de gegrondheid van mijn beschuldigingen te verdiepen, wel even wassen.

Verkapte juridische actie 2
Hoezeer de gemeente zelf overigens bij de juridische actie betrokken was (en is), blijkt ook uit het feit dat stukken die ik nodig had in de vervolg (bodem)procedure en opvroeg op grond van de WOB, of in het geheel niet of zo lang mogelijk niet werden verstrekt. Op 27 november 2012 vroeg ik op grond van de WOB om het besluit met toelichting en motivering, dat het college op 16 juni 2008 genomen had om de juridische actie van de drie medewerkers te financieren. Ik ontving een Ontwerp collegebesluit gerechtelijke stappen tegen Van Oosten van slechts 4 blz. waarbij twee beslispunten onleesbaar waren gemaakt. Het duurde tot 20 november 2013 (bijna een jaar dus) en de rechter moest er aan te pas komen voordat het college te bewegen was de geheimhouding op te heffen en ik het hele besluit ontving.

Op vraag 7 (van de Schritelijke Vragen Schipper en Oldenborg ) waarom het college de geheimhouding pas na vijf jaar had opgeheven en in wiens belang dat was, was het antwoord: “Op twee besluiten rustte geheimhouding. De besluiten bevatten mandaatbevoegdheden die aan de burgemeester en het hoofd JZ zijn verleend om eventuele besluiten vanwege mogelijk gerechtelijke stappen door de gemeente te nemen. Op voorhand moest worden voorkomen dat dergelijke stappen – of het kennisdragen daarvan – mogelijk zouden kunnen doorkruisen met de toen al lopende civiele procedure van de drie betrokken medewerkers”.

Dat het college de juridische actie van de medewerkers alleen maar financierde, maar daar op geen enkele andere manier zelf bij betrokken was blijkt dus niet waar. Immers, het college hield besluiten voor mij geheim, omdat die, als ze aan mij bekend zouden worden, de procedure van de drie medewerkers zouden kunnen doorkruisen. Hoe het openbaar worden van die besluiten de procedure van de drie medewerkers zou kunnen doorkruisen is vers 2, het simpele feit dat het college rekening hield met de procedure van drie medewerkers door de inhoud van besluiten voor mij vijf jaar lang geheim te houden is voldoende om vast te stellen dat het geding tussen de medewerkers en mij helemaal niet een geding was waar de gemeente buiten stond.

Op 7 januari 2013 deed ik een WOB-verzoek om de berekeningen te krijgen die gemaakt zijn voor het ontwerp Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht 2006-2010 en het Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht 2006-2012. Belangrijke stukken omdat de drie medewerkers bij de totstandkoming van beide actieplannen een rol hebben gespeeld. Die stukken zouden mij kunnen helpen mijn beschuldigingen verder te onderbouwen. De stukken waren digitaal beschikbaar en hadden per kerende mail toegezonden kunnen worden. Een WOB-verzoek moet binnen maximaal 8 weken worden afgehandeld. De digitale bestanden werden mij echter pas op 20 juni bezorgd, na veel aandringen en toezeggingen van wethouder Lintmeijer en niet nadat ik beroep had ingesteld bij de rechtbank. De gemeente heeft de inzage in die berekeningen zolang getraineerd dat ik ze niet meer in de dagvaarding zou kunnen meenemen.

Beschikbaar feitenmateriaal buiten beschouwing gelaten
De kort geding rechter oordeelde dat de uitlatingen jegens de medewerkers onrechtmatig waren. “De vraag of en in hoeverre de aantijgingen van Van Oosten steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal in de discussie over de luchtkwaliteit in Utrecht wordt in het kader van dit kort geding buiten beschouwing gelaten“. De vraag of er nu wel of niet met de berekeningen werd gesjoemeld werd door de rechter dus buiten beschouwing gelaten. Het gerechtshof dat zich daarna in kort geding over de kwestie boog liet die vraag ook in het midden. Kwam daar niet aan toe, want beperkte zich ertoe vast te stellen dat niet vaststond dat de drie luchtkwaliteitsspecialisten in het bijzonder verantwoordelijk waren voor de berekeningen. De specialisten hadden onder meer aangevoerd dat niet zij, maar de wethouder daarvoor verantwoordelijk was. De kritiek op de berekeningen waarmee ik mijn beschuldigingen had onderbouwd is dus in de procedures helemaal niet aan de orde gekomen en ook in de zeer recent (11 december 2013) ingediende conclusie van antwoord die namens de drie medewerkers is ingediend, wordt weer met geen woord ingegaan op vele concrete voorbeelden die ik van het schoonrekenen heb gegeven. Dat had allemaal zeker moeten gebeuren als de gemeente (of de gemeente samen met de medewerkers) de juridische actie tegen mij had gevoerd. Die bui zag Wolfsen kennelijk hangen en daarom besloot hij dat het een juridische actie moest zijn van drie individuele burgers die toevallig bij de gemeente werken en niet aangesproken zouden mogen worden op die berekeningen.

315 Doden per jaar in Utrecht door luchtverontreiniging
Op 2 april 2008 bevestigde de GG&GD Utrecht dat er, uitgaande van de publicatie “Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980-2020” van het gezaghebbende RIVM (2005) elk jaar 315 Utrechters vroegtijdig sterven door langdurende blootstelling aan fijnstof. Volgens sommige Amerikaanse onderzoekers, aldus het RIVM, zou de gemiddelde levensduurverkorting in de orde van 10 jaar liggen. De jaargemiddelde concentratie fijnstof van 35 microgram/m3 werd destijds langs meerdere wegen in Utrecht overschreden, terwijl aan die norm al in 2005 had moeten worden voldaan en fijnstof ook bij lagere concentratie nog ziekmakend en dodelijk kan zijn.

Knol en Staatsen

Omdat ruimtelijke- en verkeersplannen vanaf 2005 aan de fijnstofnorm en vanaf 2010 aan de norm voor stikstofdioxide (NO2) moesten voldoen, kon de gemeente haar ruimtelijke ambities (denk met name aan de herontwikkeling van het stationsgebied) alleen maar realiseren als uit berekeningen zou blijken dat tijdig aan de normen zou worden voldaan. Daarvoor moesten die berekening creatief worden uitgevoerd. Dat die berekeningen niet deugden moest bij Wolfsen bekend zijn, alleen al omdat de gemeente een groot aantal procedures bij de bestuursrechter juist over die berekeningen had verloren. Ook werd het college en de gemeenteraad daar regelmatig door de Stichting Stop Luchtverontreiniging  Utrecht op gewezen. Er was dus alle aanleiding om de kritiek en beschuldigingen op de luchtkwaliteitsberekening serieus te nemen.

Conclusie
Kortom: Wolfsen besloot dat mijn beschuldigingen aan het adres van de gemeente over schoonrekenen en de gezondheidsschade daarvan door de rechter verboden moesten worden. Dat deed hij zonder zich in de gegrondheid van die beschuldigingen te verdiepen en zonder zich deskundig te laten adviseren. Om de kans op de rechterlijk verbod zo groot mogelijk te maken liet hij drie medewerkers/individuele burgers de juridische actie voeren (op kosten van de gemeente) in plaats van dat door de gemeente zelf te laten doen. Dat zou als voordeel hebben dat de luchtkwaliteitsberekeningen zelf (waar de gemeente formeel voor verantwoordelijk is) niet of nauwelijks door de rechter zouden worden beoordeeld. Wolfsen had alle reden om mijn beschuldigingen over schoon rekenen serieus te nemen, de gemeente had immers een groot aantal bestuursrechtelijke procedures verloren. Wolfsen wist dat luchtverontreiniging een groot gezondheidsprobleem is en hij wist (GG&GD 2 april 2008) dat volgens berekeningen van het RIVM (2005) elk jaar 315 Utrechters vroegtijdig sterven door luchtverontreiniging. Dat Wolfsen besloot een rechterlijk verbod te bewerkstelligen op mijn beschuldigingen (en nog wel door de rol en het belang van de gemeente voor de rechter te verbergen) in plaats van de beschuldigingen serieus te nemen en te onderzoeken, betekent dat hij de aanmerkelijke kans aanvaardde dat er honderden Utrechters zouden komen te overlijden door het voortduren van luchtverontreiniging.

Dat deed Wolfsen overigens niet alleen. Het college en de gemeenteraad gaven hem tot op heden mandaat om naar eigen goeddunken te handelen. De juridische actie (aanvankelijk kort geding procedures, inmiddels een bodemprocedure) door de medewerkers, waar de gemeente zogenaamd buitenstaat, wordt nog steeds door de gemeente gefinancierd en hebben de gemeente tot op heden ruim 110.000 euro gekost.

Update 5 maart 2014.
Op 22 november 2007 stelde het hoofd van de Juridische Zaken van de gemeente Utrecht onderstaand mailbericht op. Uit het mailbericht blijkt dat hij een juridische actie tegen mij door de gemeente een riskante zaak vond. De gemeente zou zich namelijk wel eens “in de eigen voet kunnen schieten”, in plaats van het “vette hert” te raken. In een procedure zou namelijk kunnen blijken “dat het model eigenlijk niet (meer) gebruikt mag worden” en dat het beeld zou kunnen ontstaan dat de gemeente bedrog pleegt door gebruik te maken van het model. En zo gaat het hoofd Juridische Zaken verder “Dat maakt projecten waarvoor het model is gebruikt nog twijfelachtiger. Denk aan de Fly over Majellaknoop en andere projecten.” Met andere woorden, volgens Juridische Zaken, die bij de rechtbank verklaarde dat de verkeers- en luchtkwaliteitsberekeningen waarmee door de gemeente moest worden aangetoond dat deze projecten voldeden aan de eisen van Besluit luchtkwaliteit, deugde er eigenlijk niets van de berekeningen.

 mail hfd jz

wordt vervolgd

Waarom controleert de gemeenteraad niet?

Met de wet op dualisering (2002) werd beoogd de controlerende functie van de gemeente- raad te versterken. Ruim 10 jaar later moeten we vaststellen dat er van de controlerende functie van de gemeenteraad nog steeds weinig terecht komt. De dienst bij de gemeente, de provincie en het rijk wordt nog steeds uitgemaakt door wat sinds de oratie van hoogleraar en staatsraad Crince Le Roy (1969) de “vierde macht” is gaan heten: de macht van de ambtelijke bureaucratie.

In 2000 kwam de hoogleraar Bovens op het onderwerp terug. In zijn oratie “De vierde macht revisited” stelde hij vast dat de vierde macht niets van haar macht had ingeboet sinds Crince Le Roy die in 1969 ter discussie had gesteld. Zowel Crince Le Roy als Bovens verklaren die macht voornamelijk uit de kennisvoorsprong van de ambtelijke dienst. Utrecht had tot voor kort ruim 4000 ambtenaren. Daar moet dan leiding aan gegeven worden door zes wethou- ders en een burgemeester, die op hun beurt gecontroleerd moeten worden door 45 part- time raadsleden.

Leidinggeven en controleren aan zo’n overweldigende meerderheid van ambtenaren waarvan de meesten over gespecialiseerde kennis beschikken over de (groeiende) wet- en regelgeving stelt hoge eisen aan het politiek bestuur. Het is met name de taak van de gemeente- raad als volksvertegenwoordiging om zoveel tegenwicht te bieden dat de ambtelijke dienst niet compleet haar eigen gang gaat. De wet op de dualisering moest ervoor zorgen dat de gemeenteraad haar controlerende taak beter zou gaan uitvoeren, want daar kwam naar het oordeel van de bedenkers van de wet niet veel van terecht.

De belangrijkste verandering die de wet op de dualisering bracht is dat wethouders niet langer deel uitmaken van de gemeenteraad. Ze hoeven ook niet meer uit de gemeenteraad gekozen worden of zelf lid te zijn van een politieke partij. De gemeenteraad kan dus besluiten wethouders te benoemen om hun vakkennis en bestuurlijke ervaring. Deze verandering was bedoeld om ervoor te zorgen dat de gemeenteraad zich onafhankelijker zou opstellen tegenover het college.

Voordat de wet op de dualisering werd ingevoerd vormden de wethouders één blok met hun raadsfractie, waar ze zelf deel van uitmaakten. Dat betekende in de praktijk dat de fractie het altijd voor de eigen wethouder opnam als daar kritiek op kwam en dat er dus geen redelijke discussie in de gemeenteraad mogelijk was. Anders de bedenkers van de wet op de dualisering hadden verwacht, heeft de wet op de dualisering niet tot de beoogde verandering geleid. Nog steeds neemt de fractie het doorgaans voor de eigen wethouder op, kan je eigenlijk alleen wethouder worden als je een trouw en prominent lid van een politieke partij en is de onafhankelijk beoordeling door de gemeenteraad van het college ver te zoeken.

Vakkennis is bij de keuze van wethouders nog steeds geen criterium. Mirjam de Rijk (GroenLinks) kreeg de portefeuille financiën, terwijl ze niets van gemeentefinanciën afwist. Lintmeijer kreeg de portefeuille verkeer en luchtkwaliteit, terwijl hij daar nog nooit mee te maken had gehad en er niets van afwist. Everhardt kreeg de portefeuille Stationsgebied, terwijl zijn kennis en ervaring lag op het gebied van psychologie en verslavingszorg. Ook sinds de wet op de dualisering hoef je als wethouder geen specifieke kennis te hebben, als je maar voldoende vrienden in je eigen partij hebt, over een vlotte babbel beschikt en leuk op het publiek overkomt. Er is dus inderdaad niets veranderd.

Wat er gebeurt als een wethouder geen autoriteit is in het vakgebied dat binnen zijn portefeuille vallen, laat zich raden. Hij wordt binnen de kortste keren door zijn ambtelijke adviseurs ingepakt, waardoor hij niet veel meer is dan een veredelde woordvoerder van zijn ambtenaren. Door zijn gebrek aan vakkennis kunnen ze hem alles wijsmaken en loopt hij een grote kans stukken te tekenen waar dingen in staan waar hij niets van begrijpt en die hij dus beter niet kan tekenen. Een treffend voorbeeld is Lintmeijer (GroenLinks). Zijn ambtelijke adviseur (“programmamanager luchtkwaliteit”) liet hem op 1 december 2010, de man was sinds april wethouder, het volgende aan de raadscommissie Stad en Ruimte voor zijn reke- ning nemen:

“Wij kunnen u melden dat de door Utrecht aangeleverde gegevens voor de monitor 2010 op gedegen wijze tot stand zijn gekomen. De hieraan ten grondslag liggende documenten worden aan de rijksoverheid beschikbaar gesteld als onderbouwing van de gegevens uit Utrecht. In 2009 is door Kema een audit uitgevoerd op de luchtkwaliteitsberekeningen. Hier is geconcludeerd dat de gemeente dit op gedegen wijze doet. Ook zijn ten aanzien van  het verkeersmodel, geen onvolkomenheden geconstateerd”

Hoe de luchtkwaliteit berekend wordt, welke “aangeleverde gegevens” daarvoor nodig zijn en op wat voor die manier die gegevens verzameld worden, daar had Lintmeijer geen idee van. Dat Kema er juist op gewezen had dat er nogal schortte aan die invoergegevens wist hij niet, want hij kende dat Kema-rapport niet. Dat het RIVM had gerapporteerd dat onderliggende documenten als onderbouwing van “aangeleverde gegevens” juist ontbraken, wist hij ook niet, want hij kende die RIVM-rapportages niet. Dat het verkeersmodel in korte tijd de meest tegenstrijdige intensiteiten had berekend, dat wist Lintmeijer ook niet. Het zou overigens een wonder zijn geweest als Lintmeijer dat allemaal wel had geweten, want hij was er als communicatiesocioloog totaal niet in thuis.

Je hoeft als wethouder, als je ergens helemaal geen verstand van heb, maar één keer in goed vertrouwen op je ambtelijke adviseurs af te gaan en je bent “kat in het bakkie”: je kunt nooit meer iets anders beweren, want dan word je uitgemaakt voor wijfelaar of je krijgt het verwijt dat je de raad niet goed hebt geïnformeerd. En dus ga je door op de weg die je ingeslagen bent toen je in je onwetendheid op het advies van je ambtenaren afging. Lintmeijer houdt dus tot op heden vol dat er niets mis is met die invoergegevens en met het verkeersmodel en vermijdt discussies met critici waarin hij geconfronteerd kan worden met voorbeelden die het tegendeel uitwijzen. Zoals De Rijk discussies vermijdt over de berekening van het resultaat van haar klimaatbeleid, Wolfsen over criminaliteitsstatistieken en Everhardt over het aantal Utrechters dat mogelijk voortijdig overlijdt door luchtverontreiniging.

Dat de “vierde macht” de dienst uitmaakt en er van de controle door de gemeenteraad weinig terechtkomt valt nu te verklaren uit een combinatie van twee factoren.
1. De wethouder (of burgemeester) wordt niet benoemd om zijn vakkennis en is dus een makkelijke prooi voor ambtelijke diensten die hem voor hun karretje spannen.
2. Wethouders (én burgemeesters) komen voort uit politieke partijen en kunnen er daardoor op rekenen dat in elk geval hun politieke partij in de gemeenteraad het voor hen opneemt als ze kritiek over zich heen krijgen. En coalitiepartijen zijn aan elkaar min of meer verplicht  elkaars collegeleden niet te laten struikelen.

Door de leden van het college in te pakken heeft de ambtelijke dienst indirect dus ook de coalitie van partijen in de gemeenteraad (waar het college op steunt) in haar macht: standpunten die de wethouder door zijn ambtenaren worden opgedrongen worden door de raadsfractie overgenomen en verdedigd. Toen Robert Giesberts (GroenLinks) als kersverse wethouder (2006), op advies van zijn ambtenaren met het ongelukkige voorstel kwam de kapverordening af te schaffen, waardoor voor het kappen van bomen geen vergunning meer nodig zou zijn, werd dat standpunt in de gemeenteraad prompt overgenomen en verdedigd door de fractie van GroenLinks. En wie kritiek heeft op de luchtkwaliteitsberekeningen van de afdeling Milieu vindt bij Peter van Corler (GroenLinks) geen gehoor, want partijgenoot-wethouder Lintmeijer is daarvoor verantwoordelijk en dus zijn die berekeningen goed.

De oplossing: benoem alleen nog maar vakbekwame wethouders zonder politieke binding. Dan zal de gemeenteraad zich onafhankelijk en kritisch opstellen. Maar helaas, er zijn teveel raadsleden en politici die graag wethouder of burgemeester willen worden. En dus komt er van de dualisering en de controlerende gemeenteraad niets terecht.

 

 

 

 

Bij het afscheid van Wolfsen

IMGP2673
tekening Pierre Pourchez

Wolfsen en de vrijheid van meningsuiting

Dat Wolfsen er geen probleem mee heeft om de pers de mond te snoeren is inmiddels wijd en zijn bekend. De mailtjes die hij hoofdredacteur Kalmann van het AD stuurde om de publicatie over zijn pensiondeclaraties te verhinderen en het feit dat op zijn dringend verzoek de oplage (120.000 ex.) van Ons Utrecht in de schredder verdween, omdat daarin een artikel over zijn pensiondeclaraties stond, ligt nog vers in het geheugen en de herinnering daaraan zal hem nog vele jaren blijven achtervolgen.

Voor oplettende raadsleden kon Wolfsen’s persbreidel (begin 2009) geen verrassing zijn. Dat hij er niet voor terugdeinst kritische burgers de mond te snoeren bleek namelijk al meteen in het voorjaar van 2008 toen hij net burgemeester was. Ik weet dat zo goed, omdat ik als kritisch en lastig rechtshulpverlener zelf het voorwerp was van zijn pers- en kritiekvijandige chicanes.

Op 16 juni 2008 nam het college het besluit juridische stappen tegen mij te nemen. Dat was twee weken nadat wethouder Tymon de Weger (Christenunie) in een interview in de NRC liet weten dat ik er alleen maar op uit was de gemeente dwars te zitten. Zo werd kennelijk gedacht in het Utrechtse college over iemand wiens beroep het is rechtsbijstand te verlenen aan burgers die naar de bestuursrechter stappen om te bereiken dat de gemeente zich aan de wet houdt.

 interview nrc de weger

De gemeente had toen net weer een zaak over luchtkwaliteit verloren (over de Majellaknoop) en moest bovendien 3000 euro dwangsom betalen aan de Stichting Stop Luchtverontreiniging. Het getergde college besloot dus om mij flink te grazen te nemen. In dat college zaten, laten we dat vooral niet vergeten ook twee wethouders van GroenLinks (Robert Giesberts en Cees van Eijk) en van de PvdA (Harrie Bosch en Rinda den Besten).

Nu valt het voor een overheid in een democratische rechtsstaat niet mee juridische stappen te nemen tegen een rechtshulpverlener die lelijke dingen zegt en schrijft over de gemeente. Dat had ik namelijk gedaan: over de wethouder, over de gemeenteraad en over een paar medewerkers. Het college had al geprobeerd het OM over te halen om mij strafrechtelijk te vervolgen, maar het OM bedankte ervoor om zich voor het karretje van het Utrechtse gemeentebestuur te laten spannen.

Wolfsen had overigens al eerder uitgelegd in een brief waarvan de voorzitters van de raadsfracties een kopie ontvingen: “Helaas is de kans dat de aangifte wordt gevolgd door een vervolging 10%. In het wetboek van strafrecht is kort gezegd opgenomen dat belediging niet strafbaar is als het gaat om een oordeel over het behartigen van het openbare belang (artikel 266, tweede lid, van het wetboek van Strafrecht)”. Voor Wolfsen (gewezen rechter en – hoofd afdeling juridische zaken en beleid, directe rechtspleging, ministerie van justitie) bekende kost. Let overigens vooral op het woordje “helaas“! Als het aan Wolfsen lag, zou het tweede lid van artikel 266 dus geschrapt mogen worden en zouden al te kritische journalisten en rechtshulpverleners gewoon strafrechtelijk vervolgd moeten kunnen worden.

Wolfsen had ook al eens overwogen en gedreigd mij als belangenbehartiger te weigeren. De Algemene wet bestuursrecht (art. 2:2) voorziet in die mogelijkheid als de belangenbehartiger herhaaldelijk de normale gang van zaken, eventueel onder bedreiging van geweld, verstoort of blijk geeft van evidente en ernstige ondeskundigheid (aldus de memorie van toelichting), waarin verder staat dat van die mogelijkheid in geen geval gebruik mag worden gemaakt om zich van een “bekwame en daardoor lastige” tegenstander te ontdoen. Deze maatregel viel ook niet tegen mij in stelling te brengen, want het probleem met mij was dat ik niet gewelddadig, niet evident incompetent en alleen maar erg lastig was.

Een civiele procedure tegen mij beginnen wegens belediging en het dwarszitten van de gemeente zou ook al kansloos zijn. Rechters moeten namelijk uiterst terughoudend zijn de kritiek van burgers op overheidsdienaren en de overheid inhoudelijk te beoordelen. Dat is (dankzij het EVRM) de jurisprudentie, omdat anders niemand meer kritiek op de overheid durft te uiten. In dictaturen kan je als kritisch journalist of rechtshulpverlener zo maar vervolgd en veroordeeld worden wegens kritiek op de overheid, maar in een democratische rechtsstaat kan dat niet. Althans niet zolang figuren als Wolfsen daar de kans niet toe krijgen.

Om toch iets tegen mij te kunnen ondernemen bedacht het college, dat niet de gemeente zelf zich bij de rechter over mij moest beklagen, maar dat een paar “individuele burgers” dat moesten doen. Heel slim, want de rechter is wel bereid om kritiek op en beschuldigingen aan het adres van individuele burgers te beoordelen (of die feitelijk gefundeerd is), maar dus niet als de overheid het voorwerp is van kritiek en beschuldigingen.

Een goed voorbeeld daarvan is de uitspraak in de zaak van de huisarts Van der Linde, die het RIVM en Coutinho ervan beschuldigde naar de pijpen van de farmaceutische industrie te dansen. Ook al kon de huisarts zijn beschuldigingen niet hard maken, de rechter besliste dat hij niet onrechtmatig had gehan­deld, want het voorwerp van de kritiek was immers de overheid (het RIVM) en een medewerker van die overheid (Coutinho).

Om mij in een civiele procedure aan te kunnen pakken moest de gemeente daar zelf dus beslist niet aan meedoen: de schijn moest worden vermeden dat de overheid er iets mee te maken had, laat staan het initiatief tot de actie zelf genomen had. De rechter moest er van overtuigd worden dat het hier echt ging om een paar individuele burgers die door mij in hun privacy en goede naam waren aangetast. Dat deze individuele burgers bij de gemeente Utrecht werkten als luchtkwaliteitsdeskundigen moest als een irrelevante bijkomstigheid gebracht worden.

Waarschijnlijkheid hadden die drie medewerkers niet zoveel zin om zich voor het karretje van het college te laten spannen, want zij zouden daardoor zeker negatief in de publiciteit komen. Daar hebben zij zich achteraf ook vaak over beklaagd. Maar toen het college aanbood de kosten van juridische actie te vergoeden konden ze moeilijk nee zeggen. Een weigering om dankbaar gebruik te maken van dit “goed werkgeverschap” zou het college zeker niet gewaardeerd hebben. Twee van de drie medewerkers werkten met een eigen commercieel adviesbureau voor de gemeente en wilden dat natuurlijk graag zo houden.

Achter de schermen deed de gemeente overigens wel degelijk mee. Niet alleen werd de juridische actie door de gemeente gefinancierd, maar ook de afdeling Juridische Zaken was er bij betrokken. In feite ging het dus wel degelijk om een actie van de gemeente zelf, waarvoor dus ook gemeentelijke ambtenaren in werden gezet, maar de bedrieglijke schijn moest bij de rechtbank worden gewekt dat de gemeente er helemaal buiten stond.

Uit stukken die het college met alle geweld geheim probeerde te houden, maar onder druk van de bestuursrechter recentelijk openbaar werden gemaakt, blijkt dat het college Wolfsen het mandaat gaf dit varkentje te wassen, wat overigens aan de medeverantwoordelijkheid van de andere collegeleden niets afdoet. Ook de actieve betrokkenheid van de afdeling Juridische Zaken komt in die stukken duidelijk naar voren.

Toen bekend werd dat het college de juridische actie van de “individuele burgers” / medewerkers financierde (het was toen nog niet bekend dat Juridische Zaken er ook bij betrokken was) werden daar door raadsleden vragen over gesteld. Vooral omdat twee van de drie medewerkers directeur waren van een commercieel adviesbureau, waarvoor de gemeente toch de juridische kosten zeker niet hoefde te betalen.

Het vrome verhaal van Wolfsen was dat de gemeente zich als “goed werkgever” vierkant en voor 100% achter haar medewerkers wenste op te stellen door de kosten van hun juridische actie te vergoeden. Het college zag het kennelijk niet als goed werkgeverschap te controleren of mijn kritiek gegrond was op de gemeentelijke luchtkwaliteitsberekeningen en evenmin om te onderzoeken wat er waar was van mijn beschuldiging dat veel Utrechters voortijdig overlijden doordat de lucht werd schoongerekend en passende maatregelen daardoor niet nodig leken te zijn.

Het verhaal van Wolfsen was buitengewoon hypocriet, alleen al omdat de drie medewerkers  met de door de gemeente gefinancierde juridische actie helemaal niet geholpen waren. Ze kwamen door de procedures juist keer op keer negatief in het nieuws en hebben zich daar ook vaak over beklaagd. Als ervaren jurist wist Wolfsen ook dat dat het geval zou zijn. Wolfsen heeft de drie medewerkers dus gewoon voor de verkapte gemeentelijke actie laten opdraaien, wetende dat zij daar veel schade van zouden ondervinden. Overigens werd één van de externe medewerkers niet lang daarna aan de dijk gezet. En bovendien maakte de gemeente bekend dat hij in vier jaar tijd 1,4 miljoen euro aan de gemeente had verdiend, waar de gemeenteraad erg boos over werd en waar de landelijke pers uitvoerig over schreef.

Dat wat betreft de mythe van het “goed werkgeverschap” van Wolfsen, waar de gemeenteraad (ook de huidige gemeenteraad!) zich graag van liet overtuigen, want net als Wolfsen vindt ook de gemeenteraad het maar lastig als kritische burgers naar de bestuursrechter stappen en als de gemeente gedwongen wordt zich aan de wet te houden. En net als Wolfsen had en heeft het college (inmiddels GroenLinks, PvdA en D66) en de gemeenteraad er geen enkel probleem mee als de gemeente medewerkers (luchtkwaliteitsdeskundigen) van de gemeente in de hoedanigheid van “individuele burgers” een juridische strijd voor de gemeente laat opknappen, die zij dankzij de financiële steun (het is immers toch maar gemeenschapsgeld!) en ambtelijke ondersteuning door de gemeente natuurlijk veel langer (namelijk eindeloos) kunnen volhouden dan de lastige rechtshulpverlener die de procedures uit eigen zak moet betalen en het werk zonder ambtelijke ondersteuning en dus voornamelijk zelf moet doen. Op 4 april 2013 besloot een vrijwel volledige gemeenteraad (alleen de SP was tegen) dat het beter was de zaak aan het college (lees Wolfsen) over te laten en dat het beter was er niet van op de hoogte te zijn.

Dat Wolfsen ruim een half jaar na het besluit (16 juni 2008) mij te laten dagvaarden wegens mijn kritiek op de gemeente, het AD onder druk zette om een hem onwelgevallig artikel niet te publiceren, een uitstekend journalist die al 10 jaar over de gemeentepolitiek schreef het werken voor de redactie Utrecht onmogelijk maakte en er geen been in zag om een hele oplage van Ons Utrecht te laten versnipperen hoefde dus geen verrassing zijn. Hij had immers kort na zijn aantreden als burgemeester, begin 2008, al laten zien listige juridische kunstgrepen niet te schuwen om kritiek en beschuldigingen aan het adres van de gemeente te onderdrukken en hij had bovendien inmiddels begrepen dat de gemeenteraad het, net als hij, niet zo nauw nam met de vrijheid van meningsuiting. Dat de gemeenteraad er een probleem van maakte dat hij de publicatie over zijn pensionkosten verhinderde, had hij duidelijk niet verwacht en dat valt gelet op de eerder gebleken volgzaamheid van de Utrechtse gemeenteraad wel te begrijpen.

De Utrechtse politiek haalt, na de opeenstapeling van incidenten, opgelucht adem nu Wolfsen besloten heeft het na zijn eerste termijn van zes jaar voor gezien te houden. Alsof de problemen met het leiderschap in Utrecht daarmee zouden zijn opgelost. Het grootste probleem is niet dat Wolfsen kennelijk de innerlijke drang mist om de vrijheid van meningsuiting te eerbiedigen en totaal ongevoelig is voor kritiek, maar dat hij niet weggestuurd werd, dat de lokale politiek (alleen de SP, Leefbaar Utrecht en de groep Mossel vonden dat hij weg moest nadat op zijn verzoek de hele oplage van Ons Utrecht werd vernietigd) daar te laf voor is en er kennelijk niet zo zwaar aan tilt dat hij geen boodschap heeft aan de vrijheid van meningsuiting.

De politiek zou zich moeten schamen dat ze het niet nodig vond en de moed niet had Wolfsen weg te sturen. Als Wolfsen niet zelf besloten had er na zes jaar mee op te houden hadden we het nog eens zes jaar met hem moeten doen. En als niemand daar een stokje voor steekt krijgt hij zo weer een invloedrijke publieke functie of wordt hij (weer) rechter of staatsraad. Bij zijn afscheid zullen er echter ongetwijfeld weer vriendelijke en vlijende woorden gesproken worden.

Eerst komt de actie en dan de rede

Actie voeren om beslissingen van de gemeente tegen te houden of te beïnvloeden is een beetje uit de tijd. In de loop van de tachtiger jaren ontdekten bestuurders dat ze weerstanden bij de bevolking beter konden overwinnen door middel van intensieve voorlichting en het organi- seren van zoveel mogelijk inspraak. Ook werden de mogelijkheden uitgebreid om bezwaar te maken en beroep in te stellen tegen beslissingen van de overheid. Sindsdien denken veel mensen dat ze meer kunnen bereiken door aan de overlegtafel aan te schuiven met met de overheid of in klankbordgroepen te gaan zitten dan door protestbijeenkomsten te houden en acties te voeren.

Mijn ervaring en die van veel andere burgers is dat inspraak de burger veel tijd kost en dat het heel weinig uithaalt. De bedoeling van inspraak en overleg met bewoners is ook zelden om echt rekening te houden met de wensen en inzichten van die bewoners. De bedoeling is veeleer om een plan of beleid dat al lang vaststaat door bewoners geaccepteerd te krijgen. En dat doet de gemeente door de suggestie te wekken dat bewoners er invloed op hebben gehad. Overigens zijn inspraakprocedures, net als bezwaarprocedures, een bron van ambtelijke werkgelegenheid.

De afweging ‘dialoog of actie’ kun je op twee manieren maken. Je kunt de vraag stellen: wat hebben we eigenlijk bereikt door aan inspraak en overleg mee te doen en wat met actie voeren? Die discussie heeft weinig zin, want naast veel voorbeelden van mislukte inspraak zijn er veel voorbeelden te vinden van mislukte acties. De discussie zou je fundamenteler kunnen voe- ren door de vraag te stellen of het mens- en maatschappijbeeld dat achter de voorkeur voor de dialoog steekt wel zo realistisch is.

Dialoog veronderstelt dat mensen zich laten leiden door redelijke argumenten, ook als die redelijke argumenten botsen met hun belangen en met opvattingen die in hun kring gangbaar zijn. Het is vaak en uitvoerig onderzocht: daar is geen sprake van. De angst om een ander standpunt in te nemen dan dat van collega’s, meerderen, ambtelijke medewerkers, partijgenoten en de media is zo sterk dat mensen zich maar al te vaak afsluiten voor feiten en inzichten die hen aan het twijfelen kunnen brengen.

De opvatting van Marx dat het denken van mensen nauw verbonden is met hun maatschappelijke positie is in de sociale wetenschappen inmiddels een open deur. Volgens de sociale psychologie hebben mensen bijvoorbeeld sterk de neiging zelfs hun waarneming van feiten in overeenstemming brengen met opvattingen in hun omgeving. De socioloog Mannheim bracht het begrip ‘zijnsverbonden denken’ in omloop. Alleen dacht hij, heel naïef, dat intellectuelen daar geen last van zouden hebben. Zimbardo heeft in Het Lucifereffect allerlei onderzoek beschreven waaruit blijkt dat sociale druk zo allesbepalend is dat mensen niet of nauwelijks ontvankelijk zijn voor redelijke argumenten of een appel aan hun geweten.

Wanneer wethouders en raadsleden niet of alleen maar heel formeel reageren op adviezen en kritiek van bewonersgroepen en wijkraden (“voor kennisgeving aangenomen”), dan is dat niet omdat ze het te druk hebben, maar omdat ze met dat advies of die kritiek in hun maag zitten. Als ze zich er namelijk door zouden laten overtuigen, riskeren ze in de fractie alleen te komen te staan en irritatie op te roepen bij de eigen wethouder. De wethouder die openstaat voor redelijke argumenten van burgers, riskeert tegenwerking van ambtenaren. En als een wethouder of raadslid niet stevig in zijn schoenen staat, kiest hij voor de makkelijkste oplossing: kritische brieven en notities van burgers gaan ongelezen de prullenmand in.

Kortom: de opvatting dat je als burger of als groep van burgers iets zou kunnen bereiken door redelijke argumenten naar voren te brengen in een dialoog met wethouders en raadsleden (zeker als die daar zelf niet om vragen) is naïef. Je zult eerst iets aan de machtsverhoudingen moeten doen. Zorgen dat de gemeente niet alleen maar naar Cório, de Jaarbeurs en de Rabobank luistert, maar ook en vooral naar de gewone burger en ondernemer. Dat bereik je dus niet door wethouders en raadsleden uit te leggen wat de grondprincipes zijn van de democratie, maar alleen door stevig en met zo veel mogelijk medestanders je ongenoegen te laten blijken als de gemeente jouw leefmilieu en jouw gezondheid (envan je (klein)kinderen) ondergeschikt maakt aan de belangen van de gemeentelijke bureaucratie en een klein clubje grote ondernemers.

Om Bertold Brecht te parafraseren: eerst komt de actie en dan komt de rede

400 Doden per jaar in Utrecht door luchtverontreiniging

Op 2 maart 2008 stuurde ik een mailbericht aan het college en de gemeenteraad van Utrecht om de aandacht te vestigen op een RIVM-rapport uit 2005: “Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands 1980-2020”. Volgens dat rapport zouden er elk jaar ca. 18.000 mensen in Nederland overlijden door langdurende blootstelling aan luchtverontreiniging. Om de totale voortijdige sterfte te ramen, moet je daar de sterfte bij op tellen als gevolg van hoge kortdurende blootstelling (bij smog bijvoorbeeld). Hieronder een verkorte weergave van het bericht.

Berekeningen over het jaar 2000 wezen uit dat ca. 5000 mensen in Nederland overleden als gevolg van luchtverontreiniging (blz. 59). Dan kom je voor de stad Utrecht uit op 87,5 per jaar, aangenomen dat Utrecht 280.000 inwoners heeft en Nederland 16 miljoen. Dit aantal betreft echter ‘short-term-exposure’. Wat daaronder verstaan wordt, blijkt uit de tekst op blz. 39. Het gaat om relatief zwakke mensen (meestal ouderen en jongeren) voor wie een kortstondige blootstelling aan verontreinigde lucht fataal is. Kortstondige blootstelling varieert in de berekening tussen de 1 en 5 maanden.

Wat in dit sterftecijfer (87,5 doden per jaar Utrecht) niet is meegenomen zijn de gevallen van langdurige blootstelling. Mensen die bijvoorbeeld langs de Graadt van Roggenweg wonen, de Weg der VN, de M.L. Kinglaan of de Weerdsingel of onze vuilnisophalers die achter vuilniswagens lopen waar nog steeds geen fijnstoffilter op zit, staan jaar in jaar uit bloot aan verhoogde concentraties fijnstof. Daar gaan ze niet meteen aan dood, maar hun leven wordt wel met enige jaren bekort. “For long-term exposure the mortality number is many times higher (around 12.000 to 24.000)” (p. 56).

Belangrijk is te weten wat “voortijdig” is. Is dat een paar dagen, een paar maanden of een aantal jaren? “According to some studies and impact assessments, long-term exposure to particulate matter is associated with a reduction in life expectancy per victim in the order of about 10 years” (p. 16). Op basis van deze informatie moet men er dus rekening mee houden dat uitgaande  van het aantal van 18.000 voortijdige sterften per jaar, de gemiddelde levensduurbekorting 10 jaar is.

Reken je deze onheilspellende cijfers om naar Utrecht, dan kom je dus op ca. 400 sterften per jaar. In ruim 300 van die gevallen kost het de mensen ca. 10 jaar van hun leven. Die mensen wonen (woonden moet ik zeggen) langs drukke verkeerswegen in Utrecht.

De GG&GD bevestigde op 2 april 2008 desgevraagd dat in Utrecht, uitgaande van het RIVM-rapport, elk jaar ruim 300 Utrechters voortijdig overlijden door langdurende blootstelling aan fijnstof (315 om precies te zijn). Het jaarlijks aantal verkeersdoden is een fractie daarvan: ca. 11.

Je zou verwachten dat de GG&GD of de afdeling Milieu het college en de gemeenteraad al eerder over dit uit 2005 daterende rapport had geïnformeerd. Dat was niet gebeurd, hoewel daar alle aanleiding toe was, want ook in “Fijnstof nader bekeken” uit 2005 van het Milieu en Natuurplanbureau stond: “Als bepaalde Amerikaanse studies over langdurende blootstelling geldig zijn voor Nederland, zouden mogelijk tienduizend tot enige tienduizenden mensen ongeveer tien jaar eerder overlijden”).

De gemeenteraad kwam naar aanleiding van mijn bericht niet in spoedzitting bijeen om zo snel mogelijk tot noodzakelijke maatregelen te besluiten om een eind te maken aan de levens-bedreigende situatie langs drukke wegen. Er werd door geen enkel raadslid op het bericht gereageerd. Er werden geen vragen over gesteld aan het college. Kortom, de reactie was: “het is beter om dit niet te weten”. Bij mijn weten wonen er geen wethouders en raadsleden langs wegen die berucht zijn in verband met luchtverontreiniging. Daar wonen vooral mensen met minimum inkomens.


 

Welzijnswerk om mensen onder de duim te houden

De meest door professionele welzijnswerkers verachtte auteur is Dalrymple, die het uitstekende boek “Leven aan de Onderkant” schreef. Het boek heeft de veelzeggende ondertitel “Het systeem dat de onderklasse instandhoudt”. Dat systeem, maar dat zal wel duidelijk zijn, is de bedrijfstak van welzijnswerkers, opvoedingstherapeuten, hulpverleners en noem maar op.

Voor de bedrijfstak van het welzijnswerk geldt wat voor elk bedrijf geldt: zorg dat er vraag is naar je diensten anders hou je niet genoeg werk op de plank. Dus wat doet het welzijnswerk? Aan de mensen vertellen dat ze zonder hulp en begeleiding hun problemen niet kunnen oplossen. Het welzijnswerk dringt de mensen het idee op dat ze hulpbehoevende stakkers zijn en ondermijnt op die manier hun zelfvertrouwen.

Het verenigingsleven en de hulpverlening draaide vroeger volledig op enthousiaste en hulpvaardige vrijwilligers. Door de komst van professionele welzijnswerkers zijn er nauwelijks meer vrijwilligers meer over: eruit gewerkt. En de openingstijden van buurthuizen en speeltuinen zijn afgestemd op de werktijden van beroepskrachten en niet op die van de gebruikers. In het welzijnswerk staat niet het welzijn van de bewoners centraal, maar de werkgelegenheid en de werktijden van de welzijnswerkers.

Het welzijnswerk maakt de mensen ook wijs dat problemen met opvoeding en gezin niets met achterstelling en discriminatie te maken hebben, maar dat het door eigen tekortkomingen komt: een verkeerde culturele achtergrond, een verkeerd geloof, taalachterstand, te weinig onderwijs, onvermogen om met eigen emoties om te gaan. En burgemeester Wolfsen gaat met ouders praten om ze erop te wijzen dat ze wel eens beter op hun kinderen mogen passen. Volgens het welzijnswerk en Wolfsen komen de problemen in Kanaleneiland, Hoograven en Overvecht in de wereld omdat de opvoeding door allochtone ouders tekortschiet.

Waarom wordt de schuld van opvoedingsproblemen en van overlast eenzijdig bij de ouders gelegd? Dan kunnen de scholen, het wijkbureau, de politie en de gemeente tenminste volhouden dat het niet aan hun ligt of aan hun verkeerde beleid. Als er problemen zijn ligt het nooit aan de school, nooit aan de politie, nooit aan de gemeente. De gemeente roept al jaren dat er in Kanaleneiland een veiligheidsprobleem is. Als bij een groot bedrijf al jaren problemen zijn bij de afdeling verkoop, wordt de chef van die afdeling gewoon ontslagen. Bij de gemeente werkt dat anders: de burgemeester, de politie, de wijkmanager hebben het altijd goed gedaan. Het stomme volk deugt niet en daarom is er steeds meer welzijnswerk en politie nodig.

Het welzijnswerk wordt bewust aangewend om bewoners onder de duim te houden. Als de gemeente een wijk wil slopen tegen de zin van de bewoners in, dan worden er een stel opbouwwerkers op af gestuurd om de bewoners te “organiseren”, dat wil zeggen een paar praatclubjes op poten te zetten van naïeve buurtbewoners die met Mitros, BO-EX, Portaal en de gemeente mee willen werken. Deze bewonerscommissies worden dan door die opbouwwerkers gewaarschuwd voor actiegroepen die tegen de sloop zijn.

Het welzijnswerk wordt heel doelbewust gebruikt om actieve bewoners/informele leiders (die uitdrukking kunnen geven aan de onvrede in de buurt en de mensen op de been kunnen brengen) het zwijgen op te leggen door ze een mooi baantje te bieden. Het mes snijdt aan twee kanten. Want niet alleen worden de bewoners beroofd van hun voorhoede, zodat de buurt tot apathie vervalt. Maar bovendien heeft de gemeente (en in Utrecht de PvdA) er dan weer een paar figuranten bij, waar ze goeie sier mee kunnen maken en die het bewijs moet zijn van het feit dat je goed terecht komt als je maar meewerkt en goed luistert.

Er is een tijd geweest dat het welzijnswerk in het teken stond van emancipatie, van zeggenschap voor de bewoners en voor “baas in eigen wijk”. Maar dan moet je wel tientallen jaren terug. Het welzijnswerk van nu is niets anders dan een verlengstuk van de gemeente, van Mitros, BO-EX en Portaal.

Luchtverontreiniging en milieuongelijkheid

Vooral mensen met een laag inkomen hebben te lijden van luchtverontreiniging en hebben daardoor een korter leven. Dat ligt erg voor de hand: mensen die het betalen kunnen, verhuizen naar stadsdelen en gemeenten waar minder luchtverontreiniging is, de mensen die het niet betalen kunnen, blijven achter en zitten met de luchtverontreiniging (en het lawaai) van het groeiende wegverkeer.

Mensen met lage inkomens overlijden gemiddeld 6 à 7 jaar eerder en hebben gemiddeld 16 à 19 jaar minder gezonde levensjaren. Dat staat in “Ongelijkheid in gezondheid, is gezondheidszorg van belang?” van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (2009/2011). In “Preventie van welvaartsziekten” van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg wordt het schrikbarende verschil in gezondheid en levensverwachting tussen arm en niet-arm vooral verklaard door een ongezonde leefstijl, die relatief veel voor zou komen bij mensen met een laag inkomen: weinig bewegen, roken, alcoholgebruik en te veel en te vet eten. De Raad pleit uiteraard voor meer zorg, voor leefstijlinterventie en voor het hoge btw-tarief op voedsel, zodat mensen met een laag inkomen minder gaan eten en minder dik worden. Gelukkig zijn er ook andere geluiden.

De universiteiten van Brussel, Gent, Antwerpen, Leuven en Maastricht onderhouden samen met enkele andere instituten *) een steunpunt Milieu en Gezondheid. In de literatuurstudie “Sociale ongelijkheid en humane biomonitoring” (2008) hebben zij de resultaten samengebracht van internationaal onderzoek. De voor de hand liggende verklaring dat mensen met een laag inkomen het meest worden blootgesteld aan emissies (fijnstof, stikstofdioxide en zwaveldioxide) wordt daarin bevestigd. Ook is de beschikbaarheid van groen (parken, bos waar je uit kunt waaien) voor mensen met lage inkomens veel minder. Daarnaast krijgen mensen met een laag inkomen minder goede gezondheidszorg, wonen ze vaker in vochtige woningen (zonder cv) en staan ze meer bloot aan stress. Dat mensen met een laag inkomen er een minder gezonde leefstijl op na houden, is ook het geval, maar blijkt slechts één van de vele factoren.

Algemeen wordt aangenomen dat Belgen en Nederlanders gemiddeld een jaar eerder overlijden door luchtverontreiniging. Doordat er over een gemiddelde wordt gesproken, zou men kunnen denken dat wij allemaal een jaar minder oud worden. Maar dat is niet zo. Mensen met een laag inkomen staan vaker en meer bloot aan luchtverontreiniging (en verkeerslawaai). Door de levensbekorting uit te drukken voor de gemiddelde Nederlander, wordt gemaskeerd dat mensen met een laag inkomen meerdere jaren eerder overlijden door luchtverontreiniging. Kinderen uit lagere sociaal-economische milieus, zo blijkt uit de literatuurstudie, blijken ook vaker last te hebben van astmatische aandoeningen. Dat dat zo is, ligt voor de hand: ze wonen immers vaker in de buurt van drukke wegen, en ze wonen ook vaker in slecht geïsoleerde, vochtige (sociale huur-)woningen zonder cv.

Waarschijnlijk wordt het verschil in gezondheid en levensverwachting veel sterker bepaald door milieufactoren als verkeerslawaai, luchtverontreiniging en slechte woontoestanden dan door leefstijlfactoren. De overheid en de gezondheidszorg zouden zich daarom druk moeten maken over milieuongelijkheid, in plaats van zich te bemoeien met leefstijlen en zich sterk te maken voor een hoog btw-tarief op voeding.

De kwestie reis- en pensioenkosten Wolfsen

Ingaande 18 januari 2008 declareerde Wolfsen 1440 euro pensionkosten per maand. Dat bleef hij in elk geval doen tot 17 januari 2009. In totaal ging het om het bedrag van 23.194,80 euro. Eén en ander blijkt uit brief van 7 april 2009 een opgesteld door bestuursadviseur mr. Jan van der Valk en ondertekend door de gemeentesecretaris en de loco-burgemeester. Op 2 januari 2008 werd Wolfsen burgemeester in Utrecht. Hij woonde in Amsterdam en had nog geen woning in Utrecht.

Volgens het toen geldende rechtspositiebesluit burgemeesters art. 31 lid 2 kon hij aanspraak maken op een vergoeding van reis- en pensionkosten indien hij na benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente beschikte. Hoewel Wolfsen pensionkosten mocht declareren, declareerde hij in werkelijkheid de huur (althans 90% daarvan) voor een ingericht appartement aan het Vondelparc.

De journalist HPA van het AD kwam daar eind 2008 achter en besloot uit te zoeken of Wolfsen al die tijd (inmiddels bijna 12 maanden) wel terecht pensionkosten had gedeclareerd. Aanleiding was waarschijnlijk de affaire die eind 2008 in Den Helder speelde: burgemeester Hulman had in Rotterdam (waar hij wethouder was geweest) een woning en declareerde niettemin de kosten van zijn woning in Den Helder.

Zoals bekend reageerde Wolfsen furieus op het voornemen van het AD om over de kwestie pensionkosten te schrijven. Wolfsen wist te bereiken dat het AD van publicatie afzag en toen Ons Utrecht erover zou gaan schrijven en de weekkrant al gedrukt was, besloot de uitgever van Ons Utrecht op verzoek van Wolfsen de hele oplage van ruim 120.000 ex. te vernietigen. Interessante vraag is waarom Wolfsen per sé publicatie wilde voorkomen?

Als Wolfsen er werkelijk van overtuigd was dat hij de huur van het appartement terecht als pensionkosten had gedeclareerd, waar maakte hij zich dan zorgen over? Als Wolfsen echt zo zeker van zijn zaak was had hij de kwestie gewoon aan de rechter voor kunnen leggen. Dat hij de publicatie per sé  wilde voorkomen kan eigenlijk alleen maar betekenen dat hij er zelf niet van overtuigd was dat zijn pensiondeclaratie in overeenstemming was met de toepasselijke regelgeving.

 brief aan Wolfsen

Opmerkelijk is dat Wolfsen pas op 7 januari 2009 een door de gemeentesecretaris en de loco-burgemeester ondertekende brief kreeg waarin stond dat hij maandelijks 90% van zijn pensionkosten mocht declareren én dat de huur van een woning  onder het begrip pension-kosten viel. Die brief werd dus geschreven toen hij al een jaar had gedeclareerd. Kennelijk had men er op het stadhuis lucht van gekregen dat HPA van het AD de kwestie aan het uitzoeken was en besloot men Wolfsen snel nog even en met terugwerkende kracht toestemming te geven voor zijn pensiondeclaraties.  Uit de mailwisseling tussen HPA en het stadhuis blijkt overigens dat er door het college geen besluit was genomen om Wolfsen’s pensionkosten te vergoeden. Op 3 februari 2009 berichtte de woordvoerder van het stadhuis “Noch in het college, noch in het presidium is het een besluit of agendapunt geweest.” Met andere woorden dat Wolfsen zijn pensionkosten zou declareren werd geregeld tussen Wolfsen en een paar ambtenaren en buiten het college om.

De vraag waarom het college niet betrokken werd bij de toekenning van de pensionvergoeding wordt in een brief van 30 maart 2009  opgesteld door bestuursadviseur mr. Jan van der Valk beantwoord met het argument: “(…) omdat die aanspraak rechtstreeks voortvloeit uit landelijke regelgeving (…) Er is niet afgesproken of besloten dát hij een beroep op de onkostenregeling kan doen, er is wel besproken en uitgelegd op welke wijze en tot welke hoogte hij volgens de die landelijke regelgeving aanspraken op pensionkosten en reiskosten kan maken en op welke wijze hij die vergoed krijgt”.

Het argument rammelt. Immers, als die aanspraak werkelijk rechtstreeks voortvloeit uit de landelijke regelgeving, dan hoeft er niet “besproken en uitgelegd” te worden op welke wijze en tot welke hoogte volgens die landelijke regelgeving aanspraak op de pensioenkosten kan worden gemaakt. En bovendien weten wij uit het eerdere bericht van 3 februari 2009 dat in het college geen besluit is genomen en dat het zelfs geen agendapunt is geweest. Er was dus in het college niets besproken en uitgelegd, terwijl dat uitgerekend in een geval als dit, waarbij de vergoeding dus niet rechtstreeks en ondubbelzinnig uit de regelgeving voortvloeit, wel zou moeten.

Dat het allerminst vanzelf sprak dat Wolfsen aanspraak maakte op de pensionregeling blijkt uit de toelichting bij de “Regeling rechtspositie burgemeesters”. Daar valt te lezen: “Indien geen gebruik wordt gemaakt van hotel of pensioen dan betreft de vergoeding uitsluitend gemaakte reiskosten”. En verder staat er dat de pensionkosten bedoeld zijn voor het geval “dat niet over- al dan niet tijdelijke – woonruimte in de gemeente” wordt beschikt. Dus ook de huur voor tijdelijke woonruimte, waarvan i.c. sprake was, zou volgens de toelichting niet voor vergoeding van pensionkosten in aanmerking komen.

In de brief van 7 januari 2009 die Wolfsen ontving van het college (zie boven), waarin hem dus met terugwerkende kracht van een jaar de vergoeding werd toegezegd, werd duidelijk naar art. 31 lid 2  van het rechtspositiebesluit burgemeesters verwezen met citeren van de toelichting. “Dit artikel regelt de reis- en pensionkosten die de burgemeester maakt indien deze na de benoeming nog niet over – al dan niet – tijdelijke woonruimte in de gemeente beschikt (…)“.

Als er geen sprake is van hotel of pension, dan is er dus volgens de regeling sprake van huur van al dan niet tijdelijke woonruimte. Daar is echter een andere artikel van de regeling op van toepassing, namelijk art 3 lid c van de regeling rechtspositie burgemeesters: “kosten in verband met dubbele woonlasten tot maximaal 272,27 en gedurende een periode van ten hoogste vier maanden”. Het simpele feit dat de regeling in een ander en apart artikel voorziet in het geval van dubbele woonlasten wijst er ook nog eens op dat de vergoeding voor pension niet bedoeld is om tegemoet te komen in die dubbele woonlasten. In plaats van aanspraak te maken op 12 maal 1440 euro (pensionvergoeding), zou hij dus eigenlijk maar aanspraak kunnen maken op 4 maal 272,27 euro.

Overigens, Wolfsen bleek zich op 2 juni 2008 in de gemeente Utrecht te hebben laten inschrij- ven. De regeling is echter bedoeld voor burgemeesters die nog niet in de gemeente wonen en dus nog niet ingeschreven zijn in de gemeente waarin zij als burgemeester benoemd zijn. Dus ook al zou men de huur van de kennelijk als tijdelijk bedoelde woning als “pension” mogen opvatten, vanaf het moment dat Wolfsen in Utrecht woonde had hij daar geen recht meer op.

Over de vraag of Wolfsen aanspraak kon maken op de pensionvergoeding was kontakt geweest tussen de ambtenaren van Utrecht en die van het ministerie BZK. Telefonisch werd aan de ambtenaar van BZK de vraag voorgelegd of aan de burgemeester een huurwoning ter beschikking kon worden gesteld en of daar dan de pensionkostenregeling op van toepassing was. Daar werd door BZK in een mailbericht van 27 november 2007 bevestigend op geantwoord. Aan de BZK-ambtenaar blijkt niet de vraag voorgelegd te zijn of Wolfsen ook nog recht op de pensionvergoeding zou hebben vanaf het moment dat hij zowel feitelijk als formeel (dus ingeschreven) in Utrecht zou wonen, wat vanaf 2 juni 2008 het geval zou zijn.

In een nadere toelichting van het ministerie (die zich in het dossier bevond dat door de gemeente na een Wob-verzoek werd vrij gegeven) stond: “Wordt er een woning gehuurd met als doel dat de burgemeester in de gemeente kan verblijven, dan kan onder een vergoeding van de pensionkosten worden verstaan de huur van van een tijdelijk appartement/woning. (….) Het is primair aan de burgemeester en het gemeentebestuur om te beoordelen of de situatie van de burgemeester valt onder het geschetste kader. (…)”. Het college noch de gemeenteraad waren er echter aan te pas gekomen.

Prof. Twan Tak, 40 jaar ervaring met staats- en bestuursrecht, kwam tot het oordeel dat Wolfsen 17.000 euro behoorde terug te geven. “Op het moment dat Wolfsen een appartement in Utrecht betrok, hadden de declaraties moeten stoppen”. Dat de bij de kwestie betrokken ambtenaren van de gemeente Utrecht en van BZK daar hun eigen mening over hadden en de regeling probeerden op te rekken, deed er volgens Tak niet toe. Ook dat de toenmalige minister Guusje ter Horst haar partijgenoot te hulp schoot door te verklaren dat Wolfsen geen misbruik van de regeling had gemaakt was naar het oordeel van Tak niet relevant. Als de wet en de regelgeving moeten worden uitgelegd omdat daar verschil van mening over bestaat, dan moet een onafhankelijke rechter dat doen. Aldus Tak.

Wolfsen is een ervaren jurist. Hij was rechter, zelfs vice-president van de rechtbank in Haarlem en hoofd afdeling juridische zaken en beleid, directe rechtspleging, ministerie van justitie. Als er nu iemand is die moet hebben begrepen dat de door hem gedeclareerde pensionkosten allerminst vanzelf spraken, dan is dat Wolfsen. Hij had de beslissing om hem pensionkosten te doen vergoeden voor zijn tijdelijk appartement om die reden uitdrukkelijk aan het college en de raad moeten voorleggen en dat niet buiten het gemeentebestuur in een onderonsje met zijn ondergeschikte medewerkers (die gelet op de gezagsverhouding zich er voor zullen hoeden om de burgemeester tegen te spreken) moeten regelen.

Over de gedeclareerde pensionkosten en over hoe dat buiten het gemeentebestuur om geregeld was had hij duidelijk een slecht geweten, anders valt niet te verklaren waarom hij zoveel gezichtsverlies riskeerde in een poging de kwestie in de doofpot te stoppen.

Zie voor het dossier van vrijgegeven stukken: http://www.utrecht.nl/CoRa/BGS/Bijlagen/2009/mei%2009/Verzoekominformatiecompleet.pdf

Zie het gewraakte artikel in de vernietigde editie van Ons Utrecht: http://www.wouterdeheus.nl/wp-content/uploads/artikelWolfsen-wdh-Apr2009.pdf

De bijklussende bestuursadviseur van de burgemeester

Met mr. Jan van der Valk kreeg ik te maken in 2003/2004. Hij was bestuursadviseur van de toenmalige wethouder Marie Louise van Kleef voor ruimtelijke ordening (PvdA). Die had het woonwagenbeleid in haar portefeuille.. Enkele woonwagenbewoners hadden mij gevraagd om hen bij te staan in hun verzet tegen de opheffing van het woonwagenkamp Huppeldijk.

Het woonwagenkamp Huppeldijk (vlak langs de A2) moest om twee redenen verdwijnen. Het moest plaatsmaken voor een verbreding van de A2 en voor de realisatie van het plan Leidsche Rijn. Op de plaats van de Huppeldijk zouden bedrijven komen te staan. Er was echter nog een andere reden: de gemeente voerde een spreidingsbeleid om de integratie van woonwagen-bewoners te bevorderen. Daar voelden de “kampers” niets voor, want ze waren bang dat ze op den duur in een eensgezinswoning of een flat terecht zouden komen en dat dat het einde zou zijn van hun woonwagenbestaan. Hun vrees leek me terecht. De overheid voert immers al ruim honderd jaar een beleid gericht op de verdwijning van het woonwagenbestaan. Ik verwijs naar “Woonwagenvolk” van Lau Marizel (1987).

Van der Valk leek mij niet alleen de architect van het beleid van Van Kleef, maar hij deed zich aan de woonwagenbewoners ook voor als hun vertrouweling. Ik vertrouwde hem dus niet. Veel later zou ik met één van de vele Nicolich families te maken krijgen. Ook toen leek mij Van der Valk achter de schermen de regie te hebben van de handhaving tegen Nicolich, maar zich tegelijk aan hem voor te doen als zijn vertrouweling. De dubbelrol van Van der Valk, waarvan ook sprake was toen hij was opgeklommen tot de vertrouweling en bestuursadviseur van de burgemeester, was ook het weekblad Elsevier opgevallen: http://www.elsevier.nl/Nederland/nieuws/2012/5/Dubbelrol-rechterhand-Wolfsen-rond-Roma-familie-Utrecht-ELSEVIER338792W/

Van der Valk vond naast zijn drukke en verantwoordelijke baan als bestuursadviseur van de wethouder kennelijk ook tijd om er een eigen juridisch adviesbureau op na te houden in Houten. Mij werd door woonwagenbewoners verteld dat ze daar ook wel ontvangen werden. Niet alleen vond ik Van der Valk Juridisch Advies op internet, maar dat hij er als nevenactiviteit een eigen adviesbureau op na hield werd mij door de gemeente bevestigd op 28 maart 2007. Mijn belangstelling voor Van der Valk was daarmee gewekt. In die tijd las ik veel over de vierde macht (Crince Le Roy, De Vierde Macht: de ambtelijke bureaucratie als machtsfactor in de staat” (inaugurele rede als lector, 1969). Hij leek mij het type ambtenaar dat informeel en achter de schermen veel macht uitoefent. Zeg maar de buikspreker van de wethouder.

Na enig speurwerk kwam ik erachter dat hij voorwerp was geweest van een integriteitsonder- zoek in 2001. Twee ambtenaren (A senior inspecteur bij de Dienst Stadsontwikkeling en B maatschappelijk werker/productchef bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling) bleken panden op te  kopen in de binnenstad om die daarna officieel te splitsen en per zelfstandige etage door te verkopen. Heeft een splitsingsvergunning over het algemeen veel voeten in de aarde, dankzij hun contacten binnen de ambtelijke dienst was dat vaak in een dag voor elkaar (“In één geval zat er een dag tussen de datum van de aanvraag en de verlening” aldus het vertrouwelijke verslag van recherchebureau Hoffman, p.10). Mogelijk speelde daarbij een rol dat A als ambtenaar ook splitsingsprocedures bij Stadsontwikkeling deed. A en B hadden voor hun handel BV-tjes opgericht: Vedo BV en Rens BV. Op naam van de echtgenotes.

Het college besloot de zaak uit te laten zoeken. Recherchebureau Hoffman werd ingeschakeld om te onderzoeken of er sprake was van handel in voorkennis, belangenverstrengeling, ongeoorloofde nevenactivteiten, malversaties met bouwaanvragen en vergunningen en om uit te zoeken in hoeverre andere ambtenaren op de hoogte waren en er bij betrokken waren. In het geanonimiseerde verslag van Hoffman komt een ‘DSO-ambtenaar 2’ voor, een jurist die zich met splitsingsvergunningen bezighield (een naaste collega dus van A) en bezig was een eigen juridisch bureautje op te zetten. Dat bleek mr. Jan van der Valk te zijn. Hij zou B een enkele keer juridisch advies gegeven hebben en voor B een stuk geschreven hebben ten behoeve van een juridische procedure. B zou nooit voor zulk advies hoeven te betalen, “DSO-ambtenaar 2 heeft me deze dienst bij wijze van promotie aangeboden, waarschijnlijk in de hoop dat ik bij eventuele latere zaken weer bij hem zou aankloppen”. Van der Valk bevestigde in Ons Utrecht van 28 maart 2007 dat hij tot twee keer toe voorwerp is geweest van onderzoek: “Dat was in 1989 en enkele jaren geleden.”Dat Van der Valk al eerder voorwerp was geweest van onderzoek was nieuw voor mij.

Hoffman kwam ten aanzien van alle onderzochte ambtenaren tot de conclusie dat er niets onrechtmatigs was gebeurd. Dat kon eigenlijk moeilijk anders, want een groot deel van de onderzochte dossiers van de betreffende 22 panden was zoek of onvolledig. Zoals één van de ambtenaren volgens Hoffman verklaarde: “U vraagt mij naar ontbrekende stukken in de door u verzamelde dossiers. Het archief van de gemeente is een ‘zooitje’.” Maar bovendien heeft het particuliere Hoffmann bedrijfsrecherche bureau, anders dan het Openbaar Ministerie, geen enkele opsporingsbevoegdheid. Dus als ambtenaar B verklaart dat Van der Valk geen betaling ontving voor zijn juridische adviezen en dat hij zijn advies slechts bij wijze van promotie had aangeboden dan kon Hofmann dat niet en zou het OM dat wel aan de hand van de giroboekjes en kasbescheiden van B en Van der Valk hebben kunnen controleren. Dat uit het onderzoek van Hoffman bleek dat de er niets onrechtmatigs was gebeurd zegt dus niet zoveel.

Bij de vuilnisophalers en -inzamelaars van de RHD werd wèl meteen aangifte gedaan, bij de witteboord ambtenaren van Stadsontwikkeling en Maatschappelijke Ontwikkeling, die mogelijk betrokken waren bij handel in voorkennis, belangen- verstrengeling, ongeoorloofde nevenactivteiten, malversaties met bouwaanvragen en vergunningen, niet. Het rapport Hoffman zou aanleiding hebben moeten zijn om aangifte te doen, zodat het OM, dat immers wel over opsporingsbevoegdheden beschikt, grondig onderzoek had kunnen doen. De verklaring van ambtenaar B dat Van der Valk zijn adviezen bij wijze van promotie aanbood (om zijn juridisch adviesbureautje te promoten) lijkt mij daar wel aanleiding toe te geven. Te meer omdat Van der Valk (net als A) splitsingsprocedures deed, onder andere naar aanleiding van aanvragen van A en B, waarvan Van der Valk wist dat zij zich met de twijfelachtige handel in panden bezighielden. Je zou zeggen, als je weet dat bepaalde aanvragen niet helemaal kosjer zijn, dan hoor je daar niet zonder meer aan mee te werken en zeker niet ook nog eens je adviezen aan te bieden (ook al zou dat “slechts” zijn om je eigen juridisch bureautje te promoten). Dat het college besloot om het OM niet in te schakelen en te volstaan met het particuliere Hoffman recherche, wekt daarom de indruk dat het college, nu het om witteboord ambtenaren ging, de onderste steen helemaal niet boven wilde hebben. Dat komt meer voor bij de overheid.

Huberts en Nelen signaleren in “Corruptie in het Nederlands Openbaar Bestuur” (2005) een geringe neiging bij de overheid om politie en justitie in te schakelen bij het vermoeden van fraude en corruptie. Liever handelt men de zaken intern en vertrouwelijk af. Daarbij komt, aldus Huberts en Nelen (p. 82) : “De onderzoeken die intern worden afgehandeld, leiden vaak tot het vrijpleiten van de betrokkene(n)”. Nogmaals, als Hoffmann tot de conclusie komt dat géén van de betrokken ambtenaren iets onrechtmatigs heeft gedaan, dan zegt dat dus niets. Voor de betrokken ambtenaren kan dat overigens heel vervelend zijn, want als het OM tot de conclusie zou komen dat er niets onrechtmatigs is gebeurd, dan maakt dat op het publiek veel meer indruk dan wanneer een particulier recherche zonder opsporingsbevoegdheden dat zegt.

Een interessante vraag is:  wat weerhield het college ervan het OM in te schakelen? Daar kunnen twee voor de hand liggende redenen voor zijn. De eerste is dat de betrokken wethouder of het college door de leiding van de betreffende ambtelijke diensten onder druk wordt gezet om dat niet te doen. Zou er namelijk inderdaad iets aan de hand blijken zijn, dan zal ook de leiding daarop worden aangekeken. Die hadden er immers voor moeten zorgen dat er geen onregelmatigheden plaatsvonden. De tweede reden is dat ambtenaren die zich schuldig hebben gemaakt aan integriteitsschendingen en waar sancties tegen worden getroffen tot hun verdediging kunnen aanvoeren dat iedereen er van wist (dat delen A en B ook) en dat zij zeker niet de enigen waren die zich met twijfelachtige praktijken bezighielden en dat het dus niet eerlijk zou zijn om alleen hen aan te pakken. En daarbij zouden ze ook voorbeelden kunnen noemen, ook en vooral van hoger geplaatsten. Twee redenen dus om de kwestie intern af te handelen, zodat de kwestie in vertrouwelijke rapporten kan worden afgedaan.

De gemeentelijke accountantsdienst kwam op basis van het rapport van Hoffman ten aanzien van A en B tot de conclusie dat er van handel in voorkennis en belangenverstrengeling niet was gebleken, maar dat makkelijk de schijn ven belangenverstrengeling kon ontstaan en dat de mannen hun nevenactiviteiten in elk geval hadden moeten melden. De activiteiten zouden van 1997 in de dienst al wel bekend zijn geweest, maar doordat het management geen maatregelen naam (zoals overplaatsing of het aanscherpen van procedures) zou bij A en B de indruk zijn gewekt dat het management hun nevenactiviteiten goedkeurden. Aanbevolen werd om meer aandacht te geven aan het melden van nevenactiviteiten. “Daarbij zal voor elke schijn van belangenverstrengeling een oplossing gezocht moeten worden”. Als ik me wel herinner werd er met A en B een regeling getroffen zodat zij de dienst eervol konden verlieten.

Van der Valk dook een paar jaar later op als de vertrouweling en bestuursadviseur van wethouder van Kleef en nog weer een paar jaar later als de vertrouweling en bestuursadviseur van de burgemeester. Dat hij er nog steeds een eigen juridisch adviesbureautje op na hield zou geen probleem zijn zolang hij zich maar aan de afspraak hield “geen werkzaamheden te verrichten op onderwerpen waarbij de gemeente direct of indirect betrokken is of kan zijn”, aldus Van der Valk zelf in Ons Utrecht van 28 maart 2007. Gelet op de dubbelrol van Van der Valk in het woonwagendossier en in de dossiers Nicolich, trok Van der Valk zich weinig van die afspraak aan. In een gemeente als Utrecht roept dat kennelijk geen vragen op. Niet bij het college en niet bij de gemeenteraad, die door de publiciteit rond de kwesties Nicolich goed van zijn dubbelrol op de hoogte was. Dat is zorgelijk, want als Van der Valk zich niet aan de afspraak blijkt te houden in die dossiers, is het de vraag waarom hij dat in andere vertrouwelijke dossiers wél zou doen.

Het empathisch onvermogen van Wolfsen

Voor veel functies in het bedrijfsleven en bij de overheid komen alleen kandidaten in aanmer- king die psychologisch zijn getest. Of er komt een soort assessment aan te pas waarbij hun geschiktheid wordt beoordeeld. Partijleider, minister of burgemeester kun je echter worden zonder zo’n test of assessment. Als je maar een trouw en vooraanstaand lid bent van een politieke partij. Dat is niet goed. Als het om functies gaat waarin mensen bloot staan aan de verleidingen en geneugten van de macht, zou je kandidaten psychologisch moeten screenen. David Owen heeft in ‘Zieke wereldleiders‘ beschreven hoe overmoed, depressies en andere psychische aandoeningen van invloed zijn op belangrijke politieke beslissingen. Zoals de geschiedenis laat zien, vaak met rampzalige gevolgen. Nu zijn burgemeesters, partijleiders, wethouders en ministers geen wereldleiders, maar ook op kleine schaal kunnen ze veel kwaad aanrichten.

David Owen, neuroloog, lid van het Britse lagerhuis en minister van Volksgezondheid en van Buitenlandse Zaken, schrijft dat zich vooral bij politieke leiders een hoogmoedssyndroom kan ontwikkelen. Dat was volgens Owen bij Blair en Bush het geval. Daarbij speelt een narcistische neiging een grote rol (de politiek trekt vooral mensen aan die graag een voorname rol willen spelen en meer dan gemiddeld ijdel zijn). Die narcistische neiging wordt verstrekt doordat de directe omgeving de leiders naar de mond praat en vaak geen kritiek durft te uiten. Mist  de leider dan bovendien empatisch vermogen dan kan hij zichzelf niet zien door de ogen van zijn om- geving. IJdelheid, gebrek aan kritiek en aan empathisch vermogen vormen samen een ideale voedingsbodem voor hoogmoed. Wolfsen lijkt daar een voorbeeld van te zijn.

Toen hij net burgemeester was schreef Wolfsen op de website van de gemeente “Ik weet alles van veiligheid”. Hij straalt een autoriteit uit die niet tegen wil worden gesproken. Hij begrijpt niet hoe hij overkomt en hij kan zich niet inleven in mensen die door beslissingen van de gemeente of van hem zelf in de problemen komen. Een paar jaar terug kreeg een moeder met dochter een verbod voor een jaar om in hun eigen woonwagen te wonen, omdat de echtgenoot zich bezig had gehouden met drugshandel. Zo van: je man heeft wat misdaan dus jullie krijgen ook straf, had je maar geen familie moeten zijn.  Wat zulke schrijnende onrechtvaardigheid met de moeder en de dochter moest doen, dat voelde hij kennelijk niet aan.

Mobidi en zijn gezin raakte in grote moeilijkheden doordat burgerzaken, tegen de instructies in, de politie tipte toen hij aan het loket kwam. Hij werd opgepakt en dreigde uitgezet te worden. In plaats dat Wolfsen zich bezorgd toonde dacht hij er aanvankelijk (totdat er veel kritiek over hem heen kwam) alleen aan het gedrag van zijn ambtenaren en van zichzelf recht te praten. Wolfsen liet een ME-overmacht op demonstranten los, waardoor er klappen en gewonden vielen. Op het filmpje van DNU valt te zien dat hij er nogal lacherig over deed toen de demonstranten zich daarover kwamen beklagen en één van de demonstranten zijn gebroken arm liet zien. De twee homo’s die uit hun huis in de Utrechtse wijk Terwijde werden weggepest, willen niets meer met hem te maken hebben. Wolfsen, die naar eigen zeggen alles van veiligheid weet, had ze ander- half jaar laten klagen, waarop ze maar naar Nieuwegein verhuisten.

Gebrek aan empathie kan er makkelijk toe leiden dat morele overwegingen op de achtergrond raken. Als je je niet kunt verplaatsen in het verdriet dat je mensen aandoet door ze in de steek te laten of onevenredig te straffen, blijven morele overwegingen regels die je geleerd hebt, maar waarvan je eigenlijk niet begrijpt waarom die zo belangrijk zijn. Overigens spelen bij de morele ontwikkeling de meer of minder subtiele reacties van de omgeving een grote rol en als die niet tot je doordringen, leer je dus niet dat bepaalde gedragingen gewoon echt niet kunnen en tot verontwaardiging aanleiding geven. Wolfsen begreep aanvankelijk helemaal niet dat hij niet zomaar de hele oplage van Ons Utrecht kon laten vernietigen. Hij begreep ook niet dat hij in zijn positie als burgemeester AD/UN-hoofdredacteur Kalmann niet onder druk behoorde te zetten om de publicatie door het AD aan te passen of achterwege te laten over zijn “reis- en pensionkosten” (“ik hoop dat ook jij het moment zo langzaamaan begint te voelen om hier even corrigerend op te gaan treden…”). Hij begreep ook niet dat hij de kaartjes voor de musical Mamma Mia, die hij privé met zijn vrouw bezocht, niet bij de gemeente had moeten declareren.

De vraag is overigens waarom Wolfsen per sé de publicatie van het AD/UN en daarna van Ons Utrecht heeft willen voorkomen. Het ging erover dat hij vanaf 18 januari 2008 tot 17 januari 2009  1440 euro per maand had gedeclareerd voor pensionkosten op grond van de reis- en pensionkostenregeling, maar dat hij die vergoeding had gebruikt voor de huur van een woning in Utrecht (hij huurde ook nog een woning in Amsterdam). Wolfsen stelde zich op het standpunt dat hij die kosten terecht had gedeclareerd, volgens het AD/UN verhaal zou de jurist Prof. Tak van mening zijn dat dat niet het geval was en dat Wolfsen dat geld terug behoorde te geven. Juist het feit dat Wolfsen publicatie met alle geweld probeerde te voorkomen wekt de indruk dat Wolfsen daar zelf een slecht geweten over had. Was hij er werkelijk van overtuigd geweest dat hem geen blaam trof dan had hij niet alles in het werk gesteld om publicatie te voorkomen, maar naar aanleiding van de publicatie zelfverzekerd voorgesteld de kwestie voor te leggen aan  onafhankelijke juristen. Dat was ook wat Prof. Tak (40 jaar hoogleraar staats- en bestuursrecht) voorstelde, die daarop door Wolfsen werd uitgemaakt voor charlatan. Een reactie die treffend  illustreert hoe Wolfsen met kritiek omgaat.

Het probleem met hoogmoedige bestuurders, die menen over superieure kennis te beschik- ken en zich maar moeilijk in andere mensen kunnen verplaatsen, is dat ze niet meer vatbaar zijn voor kritiek (als ondergeschikten dat nog zouden durven) en de neiging ontwikkelen om kritiek als teken van vijandschap te zien. Aan hoofdredacteur Kallman schreef Wolfsen over de journalist die in zijn declaraties reis- en verblijfkosten was gedoken: “De schrijver houdt kenne- lijk de sterke wil om mijn integriteit publiekelijk in twijfel te trekken”. “Het begint van de zijde van (…) wat boosaardige trekjes te krijgen waar ik me serieus zorgen over begin te maken”. En, nadat het AD onder druk van Wolfsen had afgezien van publicatie en Wouter de Heus erover wilde gaan schrijven in Ons Utrecht, schreef  Wolfsen aan hoofdredacteur Kalmann over de “ultieme wraak van (…)”. (…) was de journalist die volgens Wolfsen door Kalmann gecorrigeerd moest worden. Kortom, het is goed dat Wolfsen er mee op houdt. Hij kan beter een baan gaan zoeken waarvoor weinig sociale vaardigheid vereist is en waarin hij niet aan kritiek bloot staat. Voor de man zelf lijkt dat ook beter.

Zie over de kwestie:

http://www.eenvandaag.nl/politiek/34649/hoogleraar_twan_tak_over_aleid_wolfsen

http://www.allesoverutrecht.nl/nieuwsutrecht/2009/april/Persbreidel_slaat_toe_in_Utrecht_%282009-04-14%29.php

http://www.allesoverutrecht.nl/nieuwsutrecht/2009/april/Wolfsen_tracht_publicatie_in_Ons_Utrecht_te_voorkomen_%282009-04-14%29.php

 

 

 

Bestuursrecht als fopspeen

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als stille knecht van de regering

De meeste politici worden er niet koud of warm van. Burgers, voor zover ze er al van op de hoogte zijn, evenmin. Totdat ze zelf een keer een verschil van mening hebben met de overheid. Dan moeten ze beroep of hoger beroep instellen bij…….. de adviseur van de regering. En dan moeten ze geloven dat er onafhankelijk recht wordt gesproken. Die adviseur is de Raad van State. Nu heeft de Raad van State twee afdelingen. De ene afdeling adviseert en de andere spreekt recht in bestuurszaken. Die scheiding is aangebracht omdat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat de Raad van State niet voldeed aan de eisen die je aan onafhankelijke rechtspraak mag stellen. Maar de aangebrachte scheiding is slechts cosmetisch. De ‘staatsraden’ van de Afdeling advisering zijn namelijk precies dezelfde als die van de Afdeling bestuursrechtspraak: de ene dag adviseren ze de regering en de dag daarna figureren ze als rechter. Met andere woorden: onafhankelijke rechtspraak in kwesties waarin de burger het moet opnemen tegen de overheid is een illusie. De hoogste adviseur van de regering mag uitmaken of de burger een zaak heeft. Doorgaans wordt het beroep dus ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard.

Maar het is nog erger. Je zou verwachten dat er alleen recht wordt gesproken door professionele rechters, die niet in allerlei (politieke) netwerkjes zitten. Maar bij de Afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State is dat niet altijd het geval. Daar treffen we namelijk ook ex-burgemeesters aan (bijvoorbeeld Deetman, die overigens geen jurist is) en ex-ministers (de net benoemde vice-voorzitter Donner). Meerdere prominente politici werden aan het eind van hun politieke carrière beloond met een baantje bij de Raad van State. En die baantjes werden en worden evenredig verdeeld onder de grote gevestigde politieke partijen, zodat er daar weinig behoefte aan bestaat een eind te maken aan deze politieke rechtspraak. En ook hoog- leraren treffen we er aan. Van elke juridische faculteit wel één. Heel slim, want dat is natuurlijk de beste manier om ervoor te zorgen dat de rechtspraak van de Raad van State niet al te kritisch wordt gevolgd door universitaire rechtsgeleerden. Premier Mark Rutte heeft Herman Tjeenk Willink bij diens afscheid als vicepresident van de Raad van State geprezen als ‘de grote stille knecht’. Een uitstekende typering, die geldt voor de Raad van State in het algemeen en met name voor de afdeling bestuursrechtspraak.

Het bestuursrecht is nog niet zo oud en werd in de vorige eeuw ontwikkeld om de burger te beschermen tegen onrechtmatige overheidsbesluiten. Inmiddels heeft het zich echter zodanig ontwikkeld dat de overheid effectief wordt beschermd tegen burgers. In het gros van de gevallen wordt het beroep namelijk afgewezen en vaak om allerlei heel flauwe, niet ter zake doende (procedurele) redenen. Het huidige bestuursrecht is daarom niet meer dan een fopspeen. Je geeft de burger de illusie dat er onafhankelijk recht wordt gesproken, geleerde rechters doen alsof ze luisteren en de dossiers bestudeerd hebben en de burger slooft zich verschrikkelijk uit om zijn argumenten zo goed mogelijk naar voren te brengen. Maar in de meeste gevallen staat het bij voorbaat vast dat hij in het ongelijk wordt gesteld en niets bereikt. Maar hij heeft dan elk geval het gevoel er alles aan gedaan te hebben en dat maakt het wat makkelijker te dragen dat hij in het ongelijk is gesteld. Dit systeem geeft de overheid bovendien de mogelijk- heid tegen de burger te zeggen: de onafhankelijke rechter heeft gesproken, nu moet je redelijk zijn en je bij ons besluit neerleggen.

Zo af en toe gaan er stemmen op om de bestuursrechtspraak weg te halen bij de Raad van State, zodat die alleen nog maar adviseert aan de regering. Maar als het erop aankomt, is daar geen meerderheid voor, want politieke partijen zijn zuinig op de baantjes waar ze trouwe par- tijgenoten mee kunnen belonen. En waarschijnlijk vinden ze het ook eigenlijk wel beter als bestuursrechters en staatsraden zich opstellen als de grote stille knecht van de overheid.

Wegpesten van autodemontagebedrijf

De gemeente Utrecht had de grond nodig die sinds 1960 aan het autodemontagebedrijf was verhuurd. Het bedrijf was inmiddels van vader op zoon overgegaan. Die had er een modern bedrijf van gemaakt dat aan de modernste milieuvoorschriften voldeed. De gemeente kwam op 30 januari 2008 ineens op het idee dat het onverwijld over de grond moest kunnen beschikken in verband met de bouw van het Leidsche Rijn Centrum. Het bestemmingsplan Leidsche Rijn is van 1999. De gemeente kwam dus wel wat laat op de gedachte dat het bedrijf daar weg moest.  De huur werd opgezegd, het bedrijf moest 1 mei 2008 weg zijn. Tot vergoeding van de kosten van verplaatsing of andere compensatie voelde de gemeente zich niet geroepen. De gemeente wilde gewoon zo snel en zo goedkoop mogelijk over de grond kunnen beschikken. De bouw van het Leidsche Rijn Centrum is overigens nog steeds niet begonnen.

Nadat de ondernemer had laten weten niet met de huuropzegging akkoord te gaan stuurde de gemeente advocaat Tomlow erop af. Die stelde dat er wel een huurovereenkomst was met de vader van de huidige eigenaar maar niet met de huidige eigenaar (die het bedrijf sinds 1973 bestierde), dat de huidige eigenaar dus zonder recht van de grond gebruik maakte en de grond dus meteen moest ontruimen. Dat vond de kantonrechter niet, die oordeelde op 25 september 2008 dat er sprake was van een voortzetting van de huurovereenkomst en dat die bovendien moest worden aangemerkt als een huurovereenkomst in de zin van art. 7:290 BW waarbij van een bijzondere huurbescherming sprake is, min of meer vergelijkbaar met die van de huurder van een woning.

De gemeente liet zich door de uitspraak van de kantonrechter niet uit het veld slaan en deed de ondernemer opnieuw dagvaarden, maar dit keer omdat de ondernemer ernstig zou zijn tekort geschoten in de nakoming van de voor hem uit de overeenkomst voortvloeiende plichten. Om de ondernemer zoveel mogelijk tekortkomingen te kunnen verwijten stuurde de gemeente de afdeling handhaving voor onderzoek op het bedrijf af. Die bracht aan het licht dat er sinds 1973 een wooncaravan stond (was de gemeente de afgelopen 36 jaar kennelijk nooit opgevallen) en dat er zonder toestemming wijzigingen waren aangebracht aan het gehuurde. Overtredingen van de wet milieubeheer konden de inspecteurs niet vinden, want dat was allemaal piekfijn in orde. De gemeente eiste onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming binnen 14 dagen.

Om de arme ondernemer nog verder onder druk te zetten volgden er drie dwangbevelen. In de eerste werd hem gelast onmiddellijk de wooncaravan te verwijderen (die er dus sinds 1973 en bovendien met instemming van de gemeentelijke rentmeester stond). In de tweede stond dat er (mobiele) containers op het terrein stonden waarvoor hij een bouwvergunning had moeten hebben. In de derde stond dat de loods op het terrein in 1960 een paar meter minder groot was (dat die dus illegaal was uitgebreid) en dat de overkapping van de tankinstallatie illegaal was (hoewel het om een overkapping ging van twee vierkante meter zou ook daar een bouwvergunning voor nodig zijn).

De gemeente kon naderhand bij de rechter niet aantonen dat de loods groter was dan in 1960. De gemeente stelde zich op het standpunt dat de rentmeester 36 jaar geleden niet bevoegd was om namens de gemeente met het plaatsen van de caravan akkoord te gaan. Legalisatie van de overkapping van twee vierkante meter van de tankinstallatie werd geweigerd. De containers, die bestemd waren voor sloopmateriaal (banden, glas, e.d.) en regelmatig werden opgehaald en vervangen, moesten blijvend worden verwijderd. Kortom, het werd de ondernemer onmogelijk gemaakt zijn bedrijf voort te zetten.

Of voor containers die regelmatig opgehaald en vervangen worden een bouwvergunning nodig is de vraag. Op de twee afvalstations van de gemeente worden dezelfde containers op dezelfde manier gebruikt. Uit de beantwoording van de WOB-verzoek bleek dat de gemeente daar ook geen bouwvergunning voor had.  De gemeente bleef er echter bij dat de containers van de  ondernemer illegaal waren ivm het ontbreken van een bouwvergunning. Quod licet lovi non licet bovi (Wat Jupiter is toegestaan, is het rund nog niet toegestaan).

De ondernemer kreeg ernstige hartproblemen, liep leeg op advocatenkosten en besloot zijn verlies te nemen. Zoals dat met veel kleine ondernemers het geval is, was het bedrijf zijn pensioen. Dat was hij kwijt. De gemeente scheepte hem af met een bedrag dat nauwelijks voldoende was om zijn advocaat te betalen. En dus ging hij nog maar niet met pensioen. De kosten die de gemeente maakte voor de inhuur van advocaten en voor tijd die er in werd gestoken door de ambtenaren van Juridische Zaken, Toezicht en Handhaving, Grondbedrijf en Projectbureau Leidsche Rijn moeten zeer aanzienlijk zijn geweest. Als de gemeente dát geld had uitgetrokken om de ondernemer te compenseren, had die waarschijnlijk gezond en wel met pensioen kunnen gaan.

Verantwoordelijk wethouder was Harrie Bosch (PvdA). De SP, D66, Leefbaar Utrecht en GroenLinks vroegen Bosch in een open brief of hij de ondernemer niet wat meer tegemoet kon komen. Daar was Bosch niet toe bereid. Partijgenoot-raadsleden Beerlage en Engberts wisten van de hoed en de rand, maar deden hun mond niet open.

Ik schreef op 17 september 2009 een boze column over de kwestie in de De Nieuwe Utrechter: De dictatuur van de PvdA De PvdA had geen behoefte om daar op te reageren.

 

Handhaven als ambtelijke werkverschaffing

Handhaven betekent in het juridisch taalgebruik het door bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom doen beëindigen van een illegale situatie. Denk aan het schuurtje dat stiekem is neergezet en daarom weer afgebroken moet worden. Of aan de illegale bewoning. Volgens de wet moet de gemeente handhaven. Daar valt alleen aan te ontkomen als er alsnog een vergunning kan worden gegeven óf als de gevolgen van de handhaving te erg en te ingrijpend zijn voor de “overtreder”. Dat laatste blijkt nooit het geval, want besluiten waarin de handhaving wordt meegedeeld staat altijd dezelfde mantra: het belang van de betrokkene weegt niet op tegen de met het handhaven beoogde doel.

Mevrouw X kreeg in 2003 met bestuursdwang te maken. Ze moest binnen veertien dagen haar huurwoning verlaten omdat haar verhuisbericht bij Burgerzaken niet was aankomen dan wel zoek was geraakt. Ze stond dus niet op het nieuwe adres ingeschreven. Dat schreef ze ook, maar dat mocht niet baten. “Uw zienswijze geeft ons geen aanleiding op het besluit terug te komen”, schreef de heer Kuilenburg terug. Voor een normaal mens gaat het veel te ver om iemand vanwege zo’n futiele aanleiding uit zijn huis te zetten. Voor de gemeente Utrecht niet, er moest een verzoek bij de rechtbank aan te pas komen om de bestuursdwang te verhinderen.

Fred P. kreeg in 2009 met bestuursdwang te maken omdat hij in 1991 een schuurtje had neergezet dat volgens het naderhand (2009) vastgestelde bestemmingsplan 1,4 vierkante meter te groot was. De gemeente had daar 18 jaar lang geen probleem van gemaakt, maar nu opeens moet er gehandhaafd worden. Een mooie blokhut op een betonnen fundering, waar nog nooit iemand zich aan geërgerd heeft. De gemeente was niet te vermurwen en de rechter moest er aan te pas komen om de bestuursdwang te voorkomen.

J. van M. kreeg in 2009 met bestuursdwang te maken omdat zijn vader ergens in de zestiger jaren, dus een halve eeuw geleden, de werkplaats wat groter zou hebben gemaakt. Of dat waar is valt moeilijk te bewijzen, want de dossiers zijn zoek en de ambtenaren van toen zijn net als de vader van J. van M. al lang overleden. Ook hier moest de rechter aan te pas komen, want de gemeente hield voet bij stuk. Op wat de gemeente Utrecht met J. van M. heeft uitgehaald kom ik in een apart verhaal terug.

Ik herinner me het geval (speelde zich af in Zeist) van een oude vrouw die 200 euro boete kreeg omdat ze een klein plastic zakje met afval naast de betonnen container had gezet. Ik las dat in een ingezonden stuk van haar zoon in de krant en ging het uitzoeken. Bovenop de betonnen container zat de zware ijzeren deksel. Voor kleine en niet zo sterke mensen een hele tour om die deksel op te krijgen. Bovendien was de vrouw kort geleden geopereerd aan borstkanker en had ze maar weinig kracht in haar arm. Dat had ze de gemeente ook geschreven toen ze de  boetebeschikking ontving. Nou, daar had de gemeente niets mee te maken. Regels zijn regels. Voor die mevrouw schreef ik een boze brief aan de gemeenteraad. Ook die vond de bezwaren van mevrouw maar onzin. Pas toen de Zeister Courant er een uitgebreid stuk over schreef ging de gemeente om.

Tientallen voorbeelden kan ik noemen. In al die gevallen zou een normaal mens zeggen: beste gemeente, hebben jullie nu echt niets beters te doen dan ons om zulke pietluttigheden het leven zuur maken? En in al die gevallen kijkt de gemeenteraad of de andere kant op of stellen de raadsleden zich op aan de kant van de ambtelijke dienst: “nee natuurlijk, handhaven moet, want burgers trekken zich steeds minder van de regels aan”.

Interessant is de vraag waar al die handhaving vandaan komt. Ik denk dat het begonnen is toen er een afdeling handhaving & toezicht in het leven werd geroepen. Aanvankelijk werkten daar een, twee of drie mensen. Maar als er een keer zo’n afdeling is, dan groeit dat snel aan. De man of de vrouw die daar de leiding heeft wil namelijk graag promotie maken en om die promotie te kunnen maken moet hij of zij meerdere ondergeschikten aansturen. En die ondergeschikten op hun beurt willen graag aan het werk blijven en dus worden er steeds meer “illegale” situaties opgespoord. De afdeling Juridische Zaken is ook blij, want het bezwaar en beroep dat tegen bestuurlijke boetes en dwangsombeschikking wordt ingesteld brengt ook weer werk op de plank.

De enige manier om het hinderlijke handhaven terug te dringen is dus om het aantal ambtenaren dat daarmee is belast flink uit te dunnen.

De bomen van het Thorbeckeplantsoen

Groen Leefbaar Ondiep had bezwaar gemaakt tegen de kapvergunning van 23 juli 2008 voor het kappen van een paar grote bomen op de hoek van de Marnixlaan en de Van den Hamkade. En tegelijk aan de rechtbank gevraagd om het kappen te verbieden zolang er niet op het bezwaar was beslist. Ze kregen gelijk van de rechtbank. Ook de rechter vond dat de gemeente eerst het besluit op bezwaar moest nemen.

Het bezwaar werd vervolgens door de gemeente ongegrond verklaard. Dat is op zich niet verrassend, want in Utrecht worden vrijwel alle bezwaren ongegrond verklaard. Daar namen de bewoners echter geen genoegen mee. Ze stelden beroep in. Bij de rechtbank voerde de dienstdoende jurist van Juridische Zaken onverwacht aan dat de bewoners niet-ontvankelijk waren, d.w.z. niet als belanghebbend konden worden aangemerkt en dus geen bezwaar en beroep konden instellen.

Zo gaat dat dus. Eerst vraag je als gemeente aan bewoners om mee te denken over de herinrichting van het Thorbeckeplantsoen. Daar stoppen die mensen heel veel tijd in, ze richten een werkgroep op en gaan zich verdiepen in de Bomenvisie en andere gemeentelijke stukken. Maar als ze bezwaar maken en hangende de bezwaarprocedure gelijk krijgen van de rechtbank, dan dreigt inspraak effectief te worden en dat is de bedoeling natuurlijk niet. Vandaar dat de gemeentelijk juriste, in opdracht van de verantwoordelijke wethouder Giesberts (GroenLinks), bij de rechtbank uit een heel ander vaatje begon te tappen.

Waarom vond de gemeente Groen Leefbaar Ondiep opeens niet-belanghebbend? Omdat de bewoners verder dan 200 meter van de betreffende bomen wonen. Er werd een kaart bij gehaald. En ja hoor, 234 meter. Terwijl ze die grote bomen vanuit hun woning heel goed kunnen zien en terwijl die grote bomen volgens de Bomenvisie zelfs structuurbepalend, beeldbepalend en ecologisch van belang zijn. Dus waar slaat die 200 meter op? De gemeente had een uitspraak gevonden van de rechtbank in Amsterdam waarbij bewoners niet-ontvankelijk waren verklaard omdat ze verder woonden dan 200 meter, en daarmee hadden ze de rechter, Bart-Jan Ettekoven, aan een formeel argument geholpen om de burgers in het ongelijk te stellen.

Wat voor wijze lessen vallen hier nu uit te trekken? De eerste les is dat inspraak alleen bedoeld is als glijmiddel. De tweede les is dat bewoners als belanghebbend worden beschouwd zolang ze niet moeilijk beginnen te doen en dat de juridische spelregels snel worden aangepast als de bewoners op winnen staan. En de derde les is dat het kennelijk niets uitmaakt dat de verantwoordelijke wethouder van GroenLinks is. Sterker nog, het was Robert Giesberts, die kort na zijn aantreden voorstelde om de kapvergunning maar af te schaffen, zodat er vrijelijk gekapt kon worden in Utrecht.

Het Marokkaanse theehuis Feminine

Op 21 juni 2005 kreeg mevrouw El Karouni een exploitatievergunning. Ik noem haar bij haar naam, want de kwestie is destijds met naam en toenaam uitgebreid in het nieuws geweest. Karouni wilde een theehuis beginnen op de Helfrichlaan in Utrecht.

De exploitatievergunning had heel wat voeten in de aarde, de afdeling Bijzondere Wetten was en is niet erg blij met Marokkaanse theehuizen en zocht argumenten om de vergunning niet te geven. Eén zo’n argument was dat de praktijk uitwijst dat daar meestal alleen maar mannen zitten. Bijzondere wetten wilde wel meewerken, maar alleen als zij beloofde er naar te zullen streven dat er ook vrouwen zouden komen. Er zat voor haar weinig anders op dan dat toe te zeggen. Ze gaf het theehuis de naam “Feminine” in de hoop dat er dan ook vrouwen op af zouden komen.

Karouni kreeg de exploitatievergunning, maar onder voorwaarde. Ze kreeg preventief een slui- tingsuur opgelegd: ze moest om 23.00 uur dicht. Dat betekende dat ze net zo goed van het theehuis kon afzien. In Utrecht mag alle horeca het hele etmaal open zijn. Een sluitingsuur wordt alleen opgelegd bij wijze van sanctie. Maar dan moet er dus iets gebeurd zijn waardoor de openbare orde wordt verstoord. In het geval van Karouni werd het sluitingsuur preventief opgelegd. Zelfs tijdens de Ramadan moest het om 23.00 uur dicht.

Karouni diende een bezwaarschrift in tegen het preventieve sluitingsuur. Dat werd afgewezen. Het voornaamste argument waarmee het bezwaar werd afgewezen was dat er in strijd met de (opgedrongen) toezegging van Karouni haar best te zullen doen ook vrouwen naar het theehuis te krijgen, alleen mannen in het theehuis kwamen en dat het in en uitlopen en bij de voordeur blijven hangen van allochtone mannen intimiderend zou werken op voorbijgangers. Het besluit op bezwaar was namens het college door burgemeester Annie Brouwer (PvdA) genomen.

De burgemeester overwoog verder dat de Helfrichlaan vlakbij Kanaleneiland ligt (aan de andere kant van de Beneluxlaan) en dat het daarom niet ondenkbaar was dat Marokkaanse mannen en jongeren uit Kanaleneiland het theehuis zouden frequenteren. En dat was kennelijk geen wenselijke ontwikkeling.

Ik stelde beroep in voor Karouni en voerde aan dat het onbegrijpelijk was het theehuis (waar alleen thee, koffie en vruchtensap gedronken wordt) een preventief sluitingsuur op te leggen, terwijl horeca waar mensen zich met alcohol vol kunnen laten lopen 24 uur per etmaal open mag zijn. Alcoholgebruik is één van de voornaamste oorzaken van verstoring van openbare orde. En overigens voerde ik aan dat het argument dat allochtone mannen intimiderend zijn voor voorbijgangers ronduit racistisch is.

De bestuursrechter toetst een beslissing van de overheid “marginaal”. Dat wil zoveel zeggen als: als de beslissing niet in strijd is met de letter van de wet, dan wordt het beroep afgewezen. Of de beslissing redelijk is of politiek correct is geen punt overweging, tenzij het de spuigaten uitloopt. Bestuursrechters zijn al snel geneigd om te vinden dat de vraag naar de redelijkheid of de politieke correctheid binnen de beleidsvrijheid valt van het gemeentebestuur en dat het aan de lokale politiek is om daar een oordeel over te geven. Op zich een begrijpelijk standpunt, behalve dat de bestuursrechter dus vond dat de overweging dat allochtone mannen intimiderend werken op voorbijgangers niet de spuigaten uitloopt. Daar valt kennelijk verschillend over te denken.

Karouni liet het er niet bij zitten. Er werd een brief geschreven aan de burgemeester, die door een tiental Marokkaanse mannen (trouwe bezoekers van Feminine) werd ondertekend. In die brief gaven de mannen te kennen het standpunt van burgemeester Brouwer racistisch te vinden. Dat er witte mensen zijn die gekleurde mensen eng vinden mag voor de overheid geen reden zijn om aan die gekleurde mensen beperkingen op te leggen. En dat er autochtone mensen zijn die allochtone mannen intimiderend vinden mag om dezelfde reden geen reden zijn om allochtone mannen en dus aan een Marokkaans theehuis beperkingen op te leggen.

Op de raadsvergadering waar de brief werd behandeld ontplofte burgemeester Brouwer. Hoe die mannen het bestonden om haar racisme te verwijten. De burgemeester was zo ontstemd dat de vergadering geschorst moest worden. Tijdens de schorsing werden de mannen die de brief hadden ondertekend (en op de publieke tribune aanwezig waren) door raadsleden onder druk gezet om hun excuus aan burgemeester Brouwer aan te bieden. Omdat zij niet wilden dat de burgemeester zich op Karouni zou wreken deden ze dat.

De Marokkaanse mannen stelden zich na de hervatting van de vergadering in een kring rond burgemeester Brouwer op en keken schuldbewust. Ze spraken de woorden dat het hun heel erg speet dat ze burgemeester Brouwer zo diep hadden gekwetst en hoopten nu maar dat de burgemeester hen dat wilde vergeven. Daarop antwoordde Brouwer “Dat begint erop te lijken”. En de raadsleden klapten voor de burgemeester, want zij waren opgelucht dat ze nu niet meer boos was. Ze vroegen of de burgemeester zo vriendelijk wilde zijn om er nog eens over na te denken en het woord “racisme” werd verder zorgvuldig vermeden.

In haar goedheid besloot burgemeester Brouwer het door de Marokkaanse mannen betoonde berouw te belonen. Korte tijd later werd het sluitingsuur verruimd. Tot één uur op werkdagen en tot twee uur op zaterdag en tijdens de Ramadan. Nog steeds niet wat een autochtoon bruin café mag, maar dat gehang in zo’n theehuis is toch nergens goed voor: die allochtone mannen moeten de volgende ochtend immers vroeg en fris naar het werk.

 

 

 

 

Van Zanen en de dood van een klokkenluider

graaien in het afval

 Van Zanen werd na het echec van Wolfsen als een soort Messias binnengehaald als burgemeester van Utrecht. De opluchting over het vertrek van Wolfsen zal daarbij een grote rol gespeeld hebben, want veel goeds valt er over Van Zanen als voormalig wethouder van de Reinigings- en Havendienst (RHD) niet te melden. In 2004 was hij bijna als wethouder weggestuurd omdat de directeur van de RHD daar al jaren niet naar behoren functioneerde, Van Zanen daarvan op de hoogte hoorde te zijn en verzuimd had in te grijpen.

Op zaterdag 13 september 2003 verscheen er een paginagroot artikel in het Utrechts Nieuwsblad met de kop ‘Graaien in het afval’. Het verhaal begint ermee dat Ton “vuile moordenaars” op de muur van kantoor van RHD (Reinigings- en Havendienst) had gekalkt. Die moordenaars, dat waren de bazen van de RHD die Fred de dood in zouden hebben gedreven. Het verhaal doet verder verslag van een gesprek dat de journalist Marco Willemse had gehad met een aantal medewerkers van de RHD, die uiteraard anoniem wenste te blijven.

artikel marco willemse

De medewerkers waren een maand eerder bij mij langs geweest. De reden daarvan was dat ze hun verhaal bij verschillende raadsleden hadden gehouden, maar dat die raadsleden er kennelijk niet voor voelden om te doen wat een raadslid in zo’n geval behoort te doen: vragen stellen aan de verantwoordelijke wethouders. Dat waren in dit geval wethouder Gispen van personeel en organisatie (Leefbaar Utrecht) en wethouder Van Zanen verantwoordelijk voor de RHD (VVD). De man die nu dus burgemeester van Utrecht wordt.

Hun verhaal kwam er in het kort op neer dat Fred de leiding van de RHD, nadat hem beloofd was door de bedrijfsmaatschappelijk werkster, dat dat geen negatieve gevolgen voor hem zou hebben, er via die maatschappelijk werkster van op de hoogte had gebracht dat er een aantal RHD-medewerkers betrokken was bij een handel in inktpatronen. Die zaten in afgedankte en bij de RHD ingeleverde kopieermachines maar bleken nog best wat waard te zijn. Fred was in dat clubje RHD-medewerkers terecht gekomen, had daar aan meegedaan en had daar spijt van. Anders dan hem beloofd zou zijn werd Fred meteen keihard door de leiding van de RHD aangepakt. Deze houding van de RHD-leiding, het vooruitzicht dat hij strafrechtelijke vervolgd zou worden en de schaamte die hij voelde maakte dat hij zelfmoord pleegde. Dat was ook het verhaal van zijn moeder in een interview in hetzelfde AD.

fred haalde de trekker over, RHD spande de veer

Wat de RHD-mannen dwars zat was niet alleen dat de RHD-leiding keihard had gereageerd op klokkenluider Fred (waardoor ook nooit meer iemand iets zou durven melden), maar ook dat de RHD-leiding zelf bepaald niet brandschoon was en daardoor een cultuur bij de RHD had doen ontstaan van “graaien in het afval”. De mannen vertelden dat de directeur hen aan zijn jacht had laten werken, waarbij ze de uren weg moesten schrijven op vuilniswagens. Ze vertelden dat hij allerlei reparaties door RHD-monteurs had laten doen aan zijn privé auto. Ook zouden leidinggevenden de opbrengst van ouwe accu’s in hun eigen zak hebben gestoken. Een verhaal dat in de krant bevestigd werd door ene ‘Louis’, die de ouwe accu’s had opgekocht.

Aan mijn advies aan de mannen hun verhaal aan Marco Willemse te vertellen ging wat vooraf. Ik stuurde een vertrouwelijk mailbericht aan wethouder Gispen met een kopie naar de voorzitters van raadsfracties. Ik schreef Gispen wat mij was verteld en vroeg hem een en ander uit te zoeken. Per kerende mail kreeg ik een vijandige reactie terug, waaruit mij bleek dat mijn vertrouwelijk boodschap niet bepaald welkom was. Omdat ik daardoor niet de indruk had dat het college de kwestie grondig wilde laten uitzoeken adviseerde ik de mannen om met de UN-journalist Marco Willemse te gaan praten. De reactie van Gispen was als volgt:

Geachte heer Van Oosten,
Wij hebben uw bericht ontvangen. Mijn college Van Zanen en ik hebben geconstateerd dat temidden van uw voorstellen, suggesties en verdachtmakingen u een van onze ambtenaren beschuldigt van gedrag dat in strijd is met de door ons nagestreefde integriteit. Wij handelen uw klacht/verdachtmakingen af volgens de hiervoor vastgestelde procedure. Mocht uit ons onderzoek blijken dat de betrokkene zich niet laakbaar heeft gedragen, dan veronderstellen wij dat u een strafklacht wegens smaad, aantasting van eer en goede naam o.i.d tegemoet kunt zien.
T. Gispen
wethouder

Vervolgens kreeg ik de opdracht de namen te noemen van mijn informanten en met bewijzen te komen. De namen van mijn informanten weigerde ik uiteraard te noemen. Verder schreef ik terug dat de regel dat iemand alleen iets mag melden (ook als dat vertrouwelijk gebeurt) als hij ook bereid en in staat is om het waterdichte bewijs te leveren en zijn informanten te noemen slechts de bedoeling kon hebben er voor te zorgen dat niemand meer iets durft te melden. Dat het college van plan was om een strafvervolging tegen mij in te stellen omdat het liever niet door mij vertrouwelijk was geïnformeerd over wat de vier RHD-mannen mij verteld hadden, bleek ook uit uitlatingen die door Trouw werden opgetekend.

trouw-001

Na de publicatie in Trouw en het UN, stelde het college met instemming van de gemeenteraad een “licht” onderzoek voor: een risico -analyse naar de bedrijfsvoering van de RHD. De vraag of de leiding van de RHD zich nu wel of niet schuldig had gemaakt aan fraude en daardoor een cultuur van graaien in de hand had gewerkt, maakte geen deel uit van het onderzoek en mocht kennelijk niet onderzocht worden. Het onderzoek werd uitbesteed aan Ernst & Young. Een kleine groep zou het onderzoek begeleiden. Die groep bestond uit de directeur van de RHD (zelf voorwerp van onderzoek in verband met zijn stijl van leidinggeven), de directeur  van de gemeentelijke accountantsdienst, het sectorhoofd Personeel & Organisatie en de voorzitter van de Ondernemingsraad. De ondernemingsraad stapte er al snel uit omdat ze, zo staat in de Mededelingen O.R. van 13 januari 2004,  geen zin had in een figurantenrol. De uitkomst van het rapport van Ernst & Young was dat de sfeer bij de RHD slecht was door de autoritaire wijze van leidinggeven van de directeur. Met de directeur werd een vertrekregeling getroffen.

De kwestie kostte Van Zanen overigens bijna de kop. Er kwam een onderzoek uit 1988 boven drijven, waaruit bleek dat de directeur toen al een schrikbewind voerde. Leefbaar Utrecht diende bij monde van Vincent Oldenborg een motie van afkeuring in, die door GroenLinks werd gesteund. Bij de stemming staakten de stemmen, zodat Van Zanen kon blijven zitten.

Een diepgaand onderzoek naar mogelijke fraude waar de leiding van de RHD bij betrokken was vond de gemeenteraad echter niet nodig. Van de handel in inktpatronen door het uitvoerend personeel was wel aangifte gedaan, waarop een uitvoering strafrechtelijk onderzoek was gevolgd. Wat de gemeenteraad ook niet nodig vond was een onderzoek naar de omstandigheden die klokkenluider Fred ertoe had gebracht zelfmoord te plegen. Wethouder Gispen liet op een persconferentie weten dat die zelfmoord niets met de RHD-affaire te maken had en daarmee was voor de gemeenteraad de kous af.