Institutioneel racisme in Utrecht, een praktijk voorbeeld

Een pleidooi voor tegendenkers in de ambtelijke dienst.

In mijn bijdrage voor de raadsinformatiebijeenkomst over institutioneel racisme heb ik aangevoerd dat je dat alleen maar goed aan het licht kan brengen door je te verdiepen in de uitvoering in indivi­duele gevallen, omdat regels, beleidsdocumenten en collegeprogramma’s doorgaans een veel te rooskleurig beeld geven van de praktijk: hoeveel de gemeente er wel aan doet om het probleem op te lossen. Zo ook ik in de begeleidende raadsbrief 2-2-2022. “Voor zover bekend is Utrecht de eerste Overheidsinstantie in Nederland die een extern onafhankelijk onderzoek laat uitvoeren naar institu­tio­neel racisme”. En “Het onderzoek heeft binnen de gemeentelijke organisatie geen insti­tutioneel racisme aangetoond”. Volgens de Nationale Ombudsman komt Etnisch profileren voor in alle lagen van de overheid, maar Utrecht is volgens de raadsbrief natuurlijk weer een voorbeeldige uitzon­de­ring. Zolang je je niet in individuele casussen verdiept, kan je dat blijven roepen.

Op 3 november 2021 vernietigde de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2021:2445) het besluit de horeca­vergunning in te trekken van de eigenaar van het Turkse koffiehuis Transwijk. De burgemeester had niet aangetoond dat bij het bingo spelen tijdens de Ramadan om veel geld werd gespeeld, evenmin dat de openbare orde was verstoord, de eigenaar van slecht levensgedrag was en het bingo spelen had proberen te ver­hullen. Gevolg van de uitspraak was dat de burgemeester opnieuw moest beslis­sen en met andere feiten en omstandigheden moest komen dan waarop het vernietigde besluit was gebaseerd, want die konden het besluit immers niet schragen.

Zo’n pijnlijke uitspraak (pijnlijk voor Van Zanen en de betrokken inspecteurs, juristen en leidingge-venden van VTH en Juridische Zaken), daarin kon de gemeente natuurlijk niet berusten. En dus werd alles uit de kast gehaald om aan te tonen dat er wél om veel geld gespeeld werd, dat de openbare orde wel degelijk was verstoord en de eigenaar wel degelijk van slecht levensgedrag was. Daar werd heel wat werk en ambtelijke tijd in gestoken. Het nieuwe besluit werd immers pas 19 april genomen: vijf en een halve maand later.

Opmerkelijk en in dit verband relevant (institutioneel racisme) is dat ook in het nieuwe besluit alleen dié feiten en omstandigheden worden genoemd die uitgelegd kunnen worden als een aanwijzing of bewijs van de schuld en het slechte levensgedrag. Systematisch niet worden genoemd feiten en om-standigheden die de eigenaar juist zouden kunnen vrijpleiten. Of VTH/Jur. Zaken wil die niet zien of ziet ze wel, maar noemt ze opzettelijk niet om maar gelijk te kunnen krijgen. Het verschil tussen niet kunnen en niet willen is moeilijk aan te geven, vaak is het een combinatie van beide. Zie de klassieke studie Dubieuze zaken (Crombag et al., 1994) over tunnelvisie.

Boekhouding
– tijdens de inval in het koffiehuis op 25 mei 2019 kreeg de eigenaar de opdracht om zijn boekhou-ding naar VTH te sturen. Die werd 30 mei (die datum had de instemming van de inspecteur) door de boekhouder ingeleverd, maar VTH besloot daar niet op te wachten en deed de 28e de vooraankon­diging de deur uit. De verantwoordelijke jurist daarover: er was meer dan voldoende bewijs, daar zou die boekhouding niets aan toe voegen. M.a.w. VTH was enkel en alleen geïnteresseerd in feiten die iets aan het bewijs konden toevoegen en niet in feiten die daar iets aan af konden doen. De inge­leverde boekhouding werd ook daarna niet aan het dossier voor de rechtbank toegevoegd en niet door VTH/Jur. Zaken ingezien/onderzocht en gebruikt. Ook uit het nieuwe besluit blijkt dat VTH/Jur. Zaken het niet nodig vonden de boekhouding te (laten) bekijken (inclusief alle kasbonnen en fac­turen). Uit die boekhouding blijkt echter dat de eige­naar zich van geen kwaad bewust was (niet wist dat bingo eigenlijk niet mag) en dus niets probeerde te verhullen. Zo zit er bijvoorbeeld een factuur in voor het bingo apparaat (300 euro). Die factuur neem je niet in de boekhouding op als je de bingo stiekem probeert te doen. Ook zitten er in de boekhou­ding kasbonnen waaruit blijkt dat de eigenaar wel degelijk veel inkopen gedaan heeft voor de iftar-maaltijd op 16 mei en ontbreken bonnen waar­uit blijkt dat de bingo-deelnemers betaald hebben om aan die maaltijd mee te doen. En dus is het aannemelijk dat de iftar-maaltijd betaald werd uit de opbrengst van de bingo en dat de bingo niet bedoeld was om er flink aan te verdienen. Kenne­lijk voor VTH/ Jur. Zaken niet relevant, want die waren en zijn niet geïnteresseerd in aanwijzin­gen die de eigenaar zouden kunnen vrijpleiten.

Kolossaal bingo apparaat
Bij de controle op 25 mei 2019 trof de inspecteur een kolossaal bingo apparaat aan. Zo groot dat je die niet snel even verstopt. Volgens het proces verbaal van de inspecteur stonden de zonen buiten op de uitkijk om te zien of er geen politie of toezichthouders in de buurt waren en waren ook de be­veiligingscamera’s buiten bedoeld om de politie of de inspecteur aan te zien komen. Hoe je, als je er zo ernstig rekening mee houdt dat er elk moment kan worden gecontroleerd, een kolossaal bingo apparaat (dat onmogelijk snel verstopt kan worden) kan huren, is onbegrijpelijk. De omvang van dat grote bingo apparaat (én de factuur daarvoor die de eigenaar al tijdens de controle aan de inspecteur liet zien) zou dus een aanwijzing voor de inspecteur moeten zijn dat de eigenaar de bingo niet pro­beerde te verhullen en zich van geen kwaad bewust was. Die aanwijzing wordt echter nog steeds genegeerd, hoewel daar vaak door of namens de eigenaar op gewezen is.

Nauwelijks overlastmeldingen
Volgens het nieuwe besluit gaf het koffiehuis veel overlast in de buurt. Dat blijkt echter niet uit de in 2016, 2017, 2018, 2019 geregistreerde overlastmeldingen die ik opvroeg (wob-besluit 22-2-2022). In 2016 werd niet geklaagd, in 2017 2 keer, in 2018 2 keer en in 2019 1 keer. Voor een horecazaak is dat opvallend weinig. Waarom hebben VTH/Jur. Zaken zelf niet aan de hand van de meldingsregistratie uitgezocht of er veel of weinig over het koffiehuis werd geklaagd? Of hebben ze dat wel gedaan en hebben ze het feit van het geringe aantal overlastmeldingen opzettelijk verzwegen? In het nieuwe besluit staat dat er op 21 mei 2019 over overlast werd geklaagd. Die melding komt niet voor in de meldingsregistratie (overzicht loopt tot 21-10-2019) en de melding komt voor het eerst pas in het nieuwe besluit april 2022 ter sprake. Kortom VTH/Jur. Zaken zijn wél geïnteresseerd in die ene mel­ding die op 21 mei 2019 zou zijn gedaan, maar niet in het feit dat er in 2016, 2017, 2018 en 2019 volgens de gemeentelijke meldingsregistratie nauwelijks overlast werd gemeld.

Videobeelden mogen wij niet zien
De “anonieme melder” die op 10 mei 2019 de bingo meldde stuurde videobeelden mee. Die mogen wij niet zien, want de identiteit van de melder zou daarmee worden prijsgegeven. Er wordt na veel aandringen wel een stilstaand beeld (een “still”) gegeven, waaruit blijkt dat de anonieme melder zijn opname gemaakt heeft met een mobieltje in de borstzak van zijn blouse. Daarop is te zien hoe hij zelf 50 euro aanreikt aan de organisator van de bingo. Uit het beeld blijkt precies waar hij moet hebben gezeten. Het enige wat de man zou kunnen verraden is zijn stem (als hij iets gezegd zou hebben). Die stem valt uit filmpje weg te halen, maar wij mogen het filmpje niettemin nog steeds niet zien. De eni-ge reden daarvoor moet zijn dat er op het filmpje ook te zien is dat sommige bingo deelnemers maar één of twee bingo kaarten kopen (1 óf 2 euro), dat er niet werd gespeeld om veel geld en dat de bin-go kaarten in de 2e en 3e ronde, anders dan de gemeente beweert, voor dezelfde lage bedragen wer­den verkocht en dat er ergens in het zaaltje een bord stond waarop de “kleine” prijsjes werden ver-meld. Kortom, de videobeelden zouden het tegendeel kunnen laten zien van wat VTH/Jur. Zaken beweren en dus mogen wij ze ook in geanonimiseerde vorm niet zien.

Selectieve perceptie
Inspecteurs zijn ook maar gewone mensen en net als gewone mensen maar al te makkelijk geneigd te zien wat zij denken te zien en te horen wat zij denken te horen. Sinds Karl Popper (grondlegger van de hedendaagse wetenschapsleer) bestaan er geen objectieve feiten, maar alleen waarnemingen van de feiten en die waarnemingen zijn onontkoombaar subjectief.

Het feit dat VTH/Juridische Zaken nog steeds de boekhouding niet heeft onderzocht, geen acht slaat op het feit van het kolossale niet te verbergen bingo apparaat (en de getoonde factuur daarvoor) en beweringen doet over de overlast zonder te vermelden dat die er in 2016, 2017, 2018 en 2019 nau­we­lijks waren, die videobeelden (ondanks dat ze makkelijk te anonimiseren zijn) niet wil laten laten zien, de vooraankondiging op 28 mei 2019 de deur uitdeed zonder te wachten op  de boekhou­ding, wijst erop dat VTH er van het begin af aan van overtuigd was een criminele goklocatie op het spoor te zijn gekomen. De jurist vond, toen hij op 28 mei 2019 besloot de vooraankondiging al vast de deur uit te doen, toen al dat er meer dan voldoende bewijs was. Als er zo weinig voor nodig is om over­tuigd te zijn (op grond van de aangevoerde feiten en omstandigheden vernietigde de Raad van State het besluit!) dan ben je ook snel geneigd waarnemingen te interpreteren in het licht van verdenking en overtuiging. Voorbeelden:

– de mannen die buiten een sigaretje stonden te roken toen de inspecteur naar het koffiehuis aan kwam lopen werden door de inspecteur gezien als mannen die op uitkijk stonden. Iedereen die wel eens langs een koffiehuis komt kan bevestigen dat daar altijd mannen buiten staan om een sigaretje te roken.

– de beveiligingscamera’s waren volgens de inspecteur bedoeld om de politie aan te kunnen zien komen. Waarom ze niet zouden zijn bedoeld (zoals ze over het algemeen zijn bedoeld en heel vaal als zodanig worden gebruikt) om tegen eventuele inbrekers te beveiligen is onduidelijk.

– de inspecteur werd eerst niet tot het pand niet toegelaten omdat hij zich niet als inspecteur iden-tificeerde. Volgens de inspecteur het bewijs dat de eigenaar iets te verbergen had. Waarom legt hij dat zo uit? Het was net na middernacht. Het zal niet de eerste keer zijn dat een herriezoeker roept dat hij van “handhaving” is om binnen probeert te dringen. Volgens het pv liet de inspecteur zijn identiteitspas niet zien toen hij naar binnen wou (die liet hij pas zien toen hij al binnen was).

– volgens het door VTH verstrekte transcript van de videobeelden spreken de deelnemers van de bingo elkaar soms aan als “jochie”. Voor VTH/Juridische Zaken het bewijs dat er minderjarigen mee deden. Alsof het in Utrecht niet heel normaal is onder mannen elkaar met “jochie” aan te spreken.
De minimum leeftijd is overigens 16 jaar. In wat er gezegd wordt wil VTH dus graag horen dat hun verdenking klopt dat er minderjarigen < 16 jaar mee deden.

Wat deze voorbeelden laten zien is dat VTH/Juridische Zaken niet het verschil weten te maken tussen objectieve feiten en subjectieve impressies: waarnemingen die geïnterpreteerd worden op grond van vermoedens en overtuigingen. In het proces verbaal krijgen die subjectieve impressies de status van objectief feit. De rechter ging op grond van die “feiten” er vanuit dat de eigenaar de controle tegen­werkte. De uitspraak van de rechter werd naderhand door de Raad van State vernietigd. Niettemin staat het nieuwe besluit weer vol met dezelfde als feit gepresenteerde subjectieve impressies.

Kritische tegendenkers
Wat deze casus laat zien is dat er in de organisatie iemand moet zijn die kritisch meedenkt (of liever tegendenkt) en telkens zegt: “dat kan je nu wel denken, maar kan je dat niet ook op andere manier uitleggen? En heb je wel genoeg ook gezocht naar feiten en omstandigheden die jouw vermoeden en verdenking tegenspreken en de man/vrouw vrij zouden kunnen pleiten?” Volgens de sinds Popper algemeen geldende wetenschapsleer wordt een hypothese/vermoeden/verdenking niet serieus getoetst door te laten zien dat feiten en omstandigheden in het licht van die hypothesen, vermoe­dens en verdenkingen kunnen worden gezien (“verificatie”), maar door te zoeken naar feiten en omstandigheden die zo waargenomen en uitgelegd kunnen worden dat ze niet met de hypothese en vermoedens in overeenstemming zijn (“falsificatie”). En pas als dat dan ondanks serieuze pogin­gen niet lukt mag van de voorlopige juistheid van die hypo­thesen en vermoedens uit worden gegaan.

De wijze waarop VTH en Juridische Zaken feiten en omstandigheden menen aan te moeten tonen staat haaks op de manier waarop dat volgens de wetenschap dient te gebeuren en leidt zeker tot het in stand houden van vooroordelen, dus ook van racistische vooroordelen. De organisatie mist kritische tegendenkers.

Overigens: er werd destijds ook bingo gespeeld in meerdere (7) witte café’s. Die zijn, toen ik daar een melding van deed, niet onderzocht, laat staan dat er n.a.v. die melding is gezocht naar antece-denten van de eigenaars van die witte cafe’s (justitiële informatie), zoals dat wél is gebeurd bij de eigenaar van het Turkse koffiehuis.

Kanttekeningen bij het Utrechtse Rapport Institutioneel Racisme

1. De gemeente weet niet en houdt niet bij hoeveel leidinggevenden een migratie achtergrond hebben. De Utrechtse bevolking bestaat voor ruim 30% uit bewoners met een migratie achtergrond, maar dat % zie je bepaald niet terug bij de ambtenaren die in schaal 9 en hoger zitten. Dat is een  slechte zaak.

2. De Rekenkamer kwam met de conclusie dat de gemeente haar regierol op veiligheid en handhaving in de openbare ruimte goed oppakt. Logisch. Immers, als je kijkt naar de ambtenaren van VTH en Veiligheid waarmee de Rekenkamer gesproken heeft, dan zit daar niet één respondent bij met een Turkse- of Marokkaanse achternaam terwijl dat toch de grootste bevolkingsgroep met migratie achtergrond is (en vaak het voorwerp van handhaving).

3. De samenstelling (wel of niet migratie-achtergrond) van het leidinggevende kader in de ambtelijke dienst (met name als het over Handhaving en Veiligheid gaat) hangt nauw samen met de mate van institutioneel racisme. Vooroordelen in de organisatie verander je niet met praatsessies, cursussen en voorlichting, maar alleen als ook een in alle opzichten representatieve samenstelling van het leidinggevende kader wordt doorgevoerd.

4. Vragen aan medewerkers of er sprake is van institutioneel racisme in de organisatie heeft geen enkele zin, want niemand zal van zichzelf zeggen dat hij zich daar ook wel eens aan schuldig maakt en medewerkers die er last van hebben, hebben geleerd om er mee te leven en zijn het zo gewoon gaan vinden dat het ze niet meer opvalt.

5. De ambtelijke dienst is (net als alle bedrijven) een hiërarchische organisatie en medewerkers die er een mening op na houden die afwijkt van die van hun leidinggevenden zullen als regel wel uitkijken om die afwijkende mening te laten blijken. Dat geldt zeker ook voor meningen die te maken hebben met institutioneel racisme.

6. Of er sprake is van institutioneel racisme valt niet op te maken uit collegeprogramma’s, regels en beleidsnotities, want die geven altijd een heel fraai beeld van de werkelijkheid. Je komt er alleen achter door diep in de praktijk van de uitvoering te duiken: hoe worden regels in individuele gevallen toegepast? Dat valt in het kader van een onderzoek zoals bureau Omlo dat gedaan heeft niet te doen, dat is onbegonnen werk.

7. De enige manier om institutioneel racisme aan het licht te brengen zijn goed werkende klacht- en bezwaarprocedures, die de medewerker én de burger de mogelijkheid geven veilig te klagen op een manier die echt helpt, zodat er wat aan gedaan wordt. De klacht- en bezwaarprocedures die de gemeente heeft zijn volstrekt ontoereikend en alles behalve veilig.

6. Klachtprocedures bij de gemeente vallen niet serieus te nemen omdat er geen onafhankelijke instantie is waar je met je klachten naar toe kan. Utrecht had vroeger een eigen ombudsvrouw, die is wegbezuinigd. In het geval dat je klaagt bij de burgemeester beslist het hoofd van Juridische Zaken of de klacht gegrond is. Juridische zaken is de adviseur en advocaat van het college en de burgemeester, daar moet je dus echt niet wezen als je klachten hebt over wat er in en door de organisatie gebeurt.
Veel burgers zijn terecht bang om te klagen, want dat kan vroeg of laat tegen je worden gebruikt. “je kan maar beter goeie vrienden zijn met ambtenaren die je komen inspecteren en controleren”.

7. De bezwaarprocedure houdt in dat je bezwaar kan maken bij Juridische Zaken en, zoals gezegd, Juridische Zaken is de adviseur en advocaat van het college. Van een onafhankelijke beoordeling van het bezwaar is dus geen sprake. Wie bezwaar maakt tegen een besluit van VTH of Veiligheid (bibob) komt bij juristen van Jur. Zaken terecht die er alles aan doen om het voor hun collega’s bij VTH en Veiligheid op te nemen en het besluit van VTH en Veiligheid bij de rechter te verdedigen.

Kort gezegd: wil je institutioneel racisme aan het licht brengen, dan helpen alleen goed werkende en veilige feedback procedures (klacht- en bezwaarprocedures). Die hebben ook een preventieve werking. Zolang die procedures niet veilig, echt onafhankelijk en effectief zijn verandert er niets.

Zie ook:
https://www.nieuws030.nl/columns/van-oosten-ramadan-bingo-in-koffiehuis-slecht-levensgedrag/

https://www.nieuws030.nl/columns/van-oosten-utrecht-niets-geleerd-van-de-toeslagenaffaire/

https://www.nieuws030.nl/columns/van-oosten-vooringenomen-handhaving/

Institutioneel racisme bij de gemeente Utrecht

Amsterdamsestraatweg wordt door herinrichting niet veiliger

Herinrichting Amsterdamsestraatweg : geen verbetering van de verkeersveiligheid, gemeente kiest voor doorstroming! Kosten 8 miljoen.

Zolang de verkeersintensiteit op de Amsterdamsestraatweg is wat die is (Utrecht wil er in 2040 nog 100.000 inwoners bij hebben!) en ook de gemeente geen mogelijkheden ziet om die sub-stantieel te doen afnemen is het niet mogelijk de Amsterdamsestraatweg zo te herinrichten dat de oversteekbaarheid wordt verbeterd en het verkeersveiligheidsvraagstuk wordt  opgelost. De herinrichting levert qua verkeersveiligheid niet meer op dan 4 oversteekplateaus. Tussen die oversteekplateaus (wegvakken van resp. 250, 600 en 300 meter) blijft het gevaarlijk om over te steken, zeker voor voetgangers die minder goed ter been zijn. De gemeente is ook niet van zins verkeerslichten weer in gebruik te nemen die in 2015 buiten werking werden gesteld om de doorstroming te bevorderen. De gemeente kiest voor een Amsterdamsestraatweg en voor oversteekplateaus waar je 50 km/uur kan blijven rijden en vóór een “overrijdbare middenscheiding” om  inhalen mogelijk te maken (p.37).

Lees pdf: Amsterdamsestraatweg wordt door herinrichting niet veiliger

 

Allemaal viezeriken

Uit de gevelplaszaak Amsterdamsestraatweg hoek Anjelierstraat moet de conclusie getrokken worden dat de bur­gemeester (Van Zanen) en de betrokken ambtenaren van Handhaving de bezoekers van de Turkse en Marokkaanse horeca op de Amsterdamsestraatweg zien als een stel viezeri­ken. Een verklaring voor dat racistische vooroordeel is de incompetentie en de verregaande onverschilligheid van de afdeling Hand­ha­ving, het college en de burgemees­ter waar het op handhaven aankomt. De bewoner had wel elf keer geklaagd bij Handhaving over het gekots en geplas op zijn stoep. Handhaving deed daar niets tegen. Maar iemand moet de schuld krijgen en dus kregen de bezoekers van allochtone horeca de schuld. Zonder enige aanwijzing uiteraard.


   Dit is wat Handhaving gedaan heeft met de 11 klachten over
   kotsen en plassen op de stoep van één en dezelfde klager.

De gemeenteraad was goed op de hoogte van deze gevelplaszaak,, maar zag geen reden Van Zanen daarover op het matje te roepen. De vraag is dus of de burgemeester, de dienst Handhaving én de leden van de Utrechtse gemeenteraad niet in dezelfde bubbel zitten en dezelfde racistische voor­oordelen hebben.

Verder lezen: Allemaal viezeriken

Helpt horecavergunningplicht tegen ondermijning?

Eind december 2019 kreeg de eigenaar van de grillroom ASW (niet de werkelijke naam) eindelijk de exploitatievergunning die hij in februari had aangevraagd. Volgens de Algemene wet bestuursrecht mag dat hooguit 8 weken duren. Voor de afhandeling van de aanvraag had het Horecaloket echter 10 maanden nodig. Al die tijd mocht de grillroom niet open, maar moest de eigenaar wel 1550 euro per maand betalen aan huur. Dat moet je optellen bij de 1250 euro die hij de gemeente moest betalen voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Die vergunning kostte dus in totaal eigenlijk ruim 16.750 euro. Omzet had de eigenaar al die 10 maanden niet. Dus geen geld om van te leven en geen geld om die 16.750 euro te betalen.

Na 10 maanden kwam het Horecaloket met een voorstel. Als de eigenaar akkoord zou gaan met enkele voorschriften die aan de vergunning zouden worden verbonden, zou hij de vergunning krijgen. Ging hij niet akkoord, dan kon hij de vergunning vergeten. De eigenaar ging akkoord, omdat hij anders 10 maanden voor niets had gewacht en voor niets huur had betaald. Soms laat het Horecaloket een aanvrager zelfs 452 dagen (15 maanden huur) wachten, zo bleek uit een wob-besluit (*) Jaarlijks worden er in Utrecht ca 270 aanvragen voor een horecavergunning afgehandeld en in de meeste gevallen duurt de afhandeling langer dan 8 weken.

De reden dat de afhandeling van de aanvraag zo ontzettend lang kan duren is dat het Horecaloket aan documenten, bewijsstukken en aanvullende informatie kan vragen wat het wil. De burgemeester, zo staat namelijk in de Horecaverordening art.6 lid 4 kan vragen wat hij nodig vindt. En dus vraagt het Horecaloket de aanvrager het hemd van het lijf. Dat wil zeggen, de ene aanvrager wel en de andere niet. Want er zijn ook aanvragen die binnen 71 dagen worden afgehandeld.

Aan de vergunning voor de grillroom ASW werd het voorschrift verbonden dat de boekhouding 3 jaar lang door een registeraccountant moest worden gecontroleerd (wat een bijzonder kostbare zaak is), maar ook dat de broer van de eigenaar zich niet met de grillroom mocht bemoeien en er zelfs niet mocht komen. Ook niet als klant. Zou hij daar toch worden aangetroffen, terwijl hij daar een broodje kocht, dan zou de vergunning worden ingetrokken. Het Horecaloket (althans de afdelingen Veiligheid en Vergunningen) zag in die broer dus een groot gevaar voor de openbare orde, de zedelijkheid, de veiligheid en de woon- en leefomgeving. De exploitatievergunning is er immers volgens de Horecaverordening voor om dergelijke gevaren tegen te gaan.

Wat had die broer misdaan? De broer was tot 2013 mede-eigenaar geweest en had zich sindsdien niet meer met de grillroom bemoeid. Hij was ergens anders voor zichzelf begonnen, een winkel. Omdat hij over 2016 veel van zijn kasbonnen niet netjes had bewaard vond de Belastingdienst dat hij “onvoldoende zorgvuldig” was geweest. Hem werd niet verweten dat hij beoogd had belasting te ontduiken. Zijn boekhouder had zijn omzet in 2016 namelijk royaal vastgesteld door bij wat hij aan inkoop had uitgegeven de winst op te tellen die in zijn winkelbranche gebruikelijk is. Waarschijnlijk te hoog, want de winkel is bepaald niet op een A-locatie gevestigd, zodat zijn winst lager moet zijn dan wat in zijn winkelbranche gemiddeld is. Voor zijn onvoldoende zorgvuldigheid kreeg hij een “vergrijpboete”.

De eerste vraag die gesteld moet worden is: had de eigenaar zelf aanleiding gegeven tot die voorschriften, behalve dat hij een broer heeft die het met de Belastingdienst aan de stok hadehad? Sinds wanneer wordt iemand gestraft voor wat een vriend of familielid zou hebben misdaan? De boekhouding die de eigenaar sinds 2013 bijgehouden heeft van zijn grillroom, daar werd niets over opgemerkt. Het Bibob-onderzoek had ten aanzien van de eigenaar niets opgeleverd dat reden zou kunnen zijn voor die voorschriften.

Stel dat de boekhoudkundige onzorgvuldigheid van de ene broer (die van de winkel) zo besmettelijk was dat die de andere broer (van de grillroom) daarmee had aangestoken, waardoor die zijn boekhouding ook onvoldoende zorgvuldig was gaan bijhouden, dan had dat toch uit de boekhouding van de grillroom moeten blijken? Maar over de boekhouding van de grillroom staat niets negatiefs in het besluit. Dat de eigenaar van de grillroom zijn boekhouding nu 3 jaar lang door een dure registeraccountant moet laten controleren, slaat dus nergens op.

De tweede vraag is: sinds wanneer is de burgemeester of het Horecaloket geroepen om het werk van de Belastingdienst te doen? Is de Belastingdienst niet kundig genoeg om de jaarstukken en de aangifte te beoordelen van de grillroom? En waarom zou het Horecaloket (de afdelingen Veiligheid en Vergunningen) dat beter kunnen? Om de vraag anders te stellen: wat heeft “onvoldoende zorgvuldigheid” in belastingzaken (zonder dat daarmee geprobeerd werd belasting te ontduiken!) voor invloed op de openbare orde, zedelijkheid, veiligheid en de woon- en leefomgeving? Waar bemoeien de burgemeester en het Horecaloket zich mee?

Als de broer zich door zijn onvoldoende zorgvuldigheid nu flink had verrijkt, dan zou dat een reden kunnen zijn je zorgen te maken over de openbare orde, maar de Belastingdienst heeft vast gesteld dat de broer niet de bedoeling had belasting te ontduiken. In het Bibob-advies staat overigens dat er geen gevaar is gebleken dat de aangevraagde vergunning voor de grillroom mede zal worden gebruikt om geld te verdienen aan strafbare feiten. Waar halen de burgemeester en het Horecaloket het nu vandaan dat de broer een gevaar is voor de openbare orde?

De derde vraag is: die broer heeft een vergrijpboete gehad, hij moest 2.365 btw bij betalen plus 25% boete. Hij is niet in beroep gegaan want een advocaat zou veel meer kosten. Waarom moet hij door de burgemeester en het Horecaloket nog een keer worden gestraft? Uitgemaakt te worden voor iemand die zo’n gevaar is voor de openbare orde dat je een verbod krijgt om bij je eigen broer een broodje shoarma te gaan halen, dat is nogal wat. Dan word je feitelijk uitgemaakt voor crimineel.

De vierde en laatste vraag is: is dit nu het soort “ondermijning” met het oog waarop de Bibob en de exploitatievergunning in de horeca is ingevoerd? Natuurlijk niet.

Ambtenaren van het Horecaloket, afdeling Veiligheid en Vergunning en de ambtenaren van Juridische Zaken en de burgemeester, hebben jullie niet iets beters te doen, iets wat echt met openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en een goede woon- en leefomgeving te maken heeft?

* https://www.utrecht.nl/bestuur-en-organisatie/publicaties/openbaar-gemaakte-informatie-na-wob-verzoeken/wob-verzoek/2020-0031-wob-besluit-over-bibob-onderzoek-bij-horeca-exploitanten/

Institutioneel racisme bij de gemeente Utrecht

Zie pdf Ramadanbingo in Turks koffiehuis

Volgens Mark Rutte is er in Nederland sprake van “systemische” racisme. Wat hij daar mee bedoelt is dat racisme in mindere of meerdere mate in onze hele samenleving voorkomt. Dat hij dat beweert is begrijpelijk, want dat zou een excuus kunnen zijn voor het racisme dat je bij de overheid aantreft. Immers, als het in de hele samenleving voorkomt zou het raar zijn als het niet ook bij de overheid voorkomt.

Rutte spreekt om dezelfde reden liever niet over “institutioneel” racisme, want dat is het racisme dat juist bij instituten van de overheid voorkomt en zoveel mogelijk wordt verborgen, terwijl dat juist het meest ernstige probleem is. De overheid heeft een enorme invloed op de publieke opinie en als de overheid er racistische praktijken op na houdt gaan minder kritisch ingestelde mensen denken dat dat geoorloofd is.

Om het in sociologische woorden te zeggen, racisme is “dalend cultuurgoed”. Het is het sterkst aanwezig bij de overheid en de politieke elite en vandaar daalt het af en wordt het overgedragen op het brede publiek. Het is dus precies het omgekeerde als wat politici, burgemeester en regeerders graag denken, namelijk dat zij, verlichte intellectuelen, vrij zijn van racisme en dat racisme iets is van het weinig opgeleide volk.

Volgens de Nationale Ombudsman is er geen reden om aan te nemen dat etnische profilering, wat gewoon op racisme neerkomt, zich enkel en alleen bij de Belastingdienst voordoet en niet bij overheidsinstellingen als de UWV, de politie en gemeentebesturen. Daar zijn vier met elkaar samenhangende verklaringen voor.

1. Ambtelijke diensten hebben een enorme macht doordat er ontzettend veel wetten en verordeningen zijn waarmee ze tegen burgers kunnen handhaven. Het is nauwelijks mogelijk zo te leven dat je niet in overtreding bent. En dat betekent dat ambtelijke diensten altijd wel een juridische stok kunnen vinden om een hond te slaan. En helaas zijn er ook onder ambtenaren ego’s die genieten van de macht en het daar ver mee schoppen.

2. De hond die geslagen wordt is doorgaans wat in ambtelijke kringen beschouwd wordt als tweederangs burger. Die kunnen zich namelijk minder makkelijk verweren en hebben meestal het geld niet voor een advocaat. En dus zijn ze een makkelijk doelwit. De politie houdt bij voorkeur gekleurde mensen aan en bij de Belastingdienst ben je al verdacht als je een buitenlandse naam hebt.

3. Ambtelijke diensten worden niet of nauwelijks gecontroleerd. Ministers, wethouders, burgemeesters en gemeenteraden hebben er zo goed als niets over te vertellen al doen ze graag alsof. In de praktijk dansen ze naar de pijpen van hogere- en leidinggevende ambtenaren en die praten alles goed wat hun ondergeschikten doen, want daar zijn zij verantwoordelijk voor.

4. Onder hoge- en leidinggevende ambtenaren tref je nauwelijks medewerkers aan met een migratie-achtergrond. In Utrecht heeft ruim 30% van de bevolking een migratie-achtergrond, in schaal 10 en hoger bij de gemeente komen die echter nauwelijks voor. Het college vindt dat zo onbelangrijk dat dat niets eens wordt bijgehouden. Blanke hoogopgeleiden maken de dienst uit en willen dat graag zo houden.

De Belastingdienst kon jaren zijn gang gaan doordat ministers niet in staat waren in te grijpen en de Raad van State vrijwel alle verschrikkelijke beslissingen van Belastingdienst goedkeurde. Zoals de Ombudsman terecht stelt is er geen reden om aan te nemen dat wat bij de Belastingdienst is gebeurd niet bij gemeente gebeurt en dus ook bij de gemeente Utrecht gebeurt.

In Utrecht is het zo dat als je een klacht indient bij burgemeester Dijksma over discriminerend en niet-integer gedrag van ambtenaren van de dienst Handhaving, dat de dienst Handhaving die klacht zelf mag behandelen. Zoals een klacht over de politie door de politie zelf wordt behandeld. De burgemeester weet liever nergens van. En dus is er van een serieuze klachtbehandeling geen sprake.

Alleen wanneer de gemeenteraad in actie komt en eist dat er ingrijpende maatregelen worden genomen bij diensten en afdelingen waar sprake is van institutioneel racisme is er een kans dat er wat gaat veranderen. Om iets te begrijpen van de racistische praktijken die in de ambtelijke dienst plaatsvinden is het nodig concrete gevallen te analyseren en in dossiers te duiken. Dat kost tijd, maar dat is niet anders.

De gemeenteraad moet die concrete gevallen zelf onderzoeken en dat niet overlaten aan adviesbureaus die door het college of de burgemeester (lees de ambtelijke dienst) worden ingehuurd, want die adviesbureaus worden betaald om met adviezen te komen die niets veranderen. De gemeenteraad zou kunnen beginnen met  Ramadanbingo in Turks koffiehuis (2)

De Raad van State en de rechteloze burger. Over de toeslagenaffaire

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft niets met onafhankelijke rechtspraak van doen, omdat én de politiek én de ambtelijke dienst er een stevige vinger in de pap hebben. Zolang de rechtspraak niet bij de Raad van State wordt weggehaald, is rechtsbescherming een illusie en zullen affaires als de toeslagenaffaire zich blijven herhalen.


Wie het niet eens is met de gemeente, de regering of de provincie kan in beroep bij de bestuursrechter. En wie tegen de uitspraak van de bestuursrechter in (hoger) beroep wil, moet naar de Raad van State. Maar je moet wel van heel goeden huize komen om daar je gelijk te krijgen. De Raad van State heeft namelijk weinig of niets met onafhankelijke rechtspraak te maken.

Dat betoogde prof. Tak al in 2002 in zijn Het Nederlands bestuursprocesrecht in theorie en praktijk (2002): het is uitermate droevig gesteld met de rechtsbescherming van de Nederlandse burger. Komt die in conflict met de overheid, dan lukt het zelden om zijn gelijk te krijgen bij de Raad van State. Deze raad, door minister van Justitie Donner ooit aangewezen als het hoogste rechtsorgaan bij bestuurszaken, functioneert volgens Tak onder de maat. Een kafkaiaanse winkel noemt hij het.

Hoogleraar Spijkerboer kwam in datzelfde jaar in zijn oratie tot de conclusie: De Raad van State, de hoogste rechterlijke instantie in vreemdelingenzaken, misbruikt zijn rechtsprekende bevoegdheid om politiek te bedrijven. Daarbij schiet hij tekort in zijn hoofdtaak: het controleren en zo nodig corrigeren van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

In het rapport van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag dat 17 december 2020 verscheen, lezen we dat het niet waar is dat de Belastingdienst met handen en voeten gebonden was aan de tekst van de wet, maar dat de Raad van State vanaf het begin de kant van de Belastingdienst koos, terwijl de Wet kinderopvang (2004) en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir, 2005) de mogelijkheid boden een veel minder harde lijn te volgen.

Op p.36 evv. van het rapport lezen we dat, toen de Belastingdienst in 2009 voor het eerst besloot dat de voorgeschoten toeslag volledig moest worden terugbetaald, ook als de eigen bijdrage vrijwel geheel was voldaan en bij de ontvangende ouders geen sprake kon zijn van misbruik, de Raad van State daar in 2011 achter ging staan. “Na de uitspraken van de Raad van State wordt het moeilijker voor de Belastingdienst om een andere lijn te kiezen.” (p.36) Dat gold ook voor bestuursrechters, die geacht worden de jurisprudentie van de Raad van State te volgen. De wet liet de Raad van State echter wél de ruimte om de wet anders uit te leggen en daarmee de Belastingdienst te corrigeren.

Dat de wet wel degelijk ruimte gaf om niet het totale voorschot terug te vorderen, maar alleen voor zover het onvoldoende betalen van de eigen bijdrage (of een ander verzuim) daar aanleiding toe gaf, blijkt uit de uitspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3535), waarnaar in het rapport op p.126 wordt verwezen. De wetgeving was sinds 2011 echter niet veranderd. In de uitspraak van 23 oktober 2019 wordt niet uitgelegd waarom de tekst van de wet in 2011 en de jaren daarna anders moet worden gelezen en uitgelegd dan in de uitspraak van 23 oktober 2019.

De ommezwaai van de Raad van State op 23 oktober 2019 wordt in de uitspraak uitgelegd met een verwijzing naar een rapport van de Nationale Ombudsman (Geen powerplay maar fair play, Onevenredig harde aanpak van 232 gezinnen met kinderopvangtoeslag, 2017) en twee studies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, waarin de ernst van de schuldenproblematiek in beeld wordt gebracht. Geen woord dus over de vraag: waarom bood de tekst van de wet volgens de Raad van State tot 23 oktober 2019 géén ruimte voor maatwerk en waarom bood diezelfde tekst dat na die datum wél?

De eerste vraag is nu: moeten de Wet kinderopvang en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen worden veranderd? Dus niet, want de Raad van State heeft in de uitspraak van 23 oktober 2019 het standpunt ingenomen dat die wetten ook menselijk kunnen worden uitgelegd. Dat verantwoordelijke bewindslieden, ambtenaren en rechters met de vinger naar die wetten wijzen, is dus alleen maar om de Belastingdienst, Sociale Zaken, bewindslieden en rechters vrij te pleiten: “Wij konden niet anders, de wet was nu eenmaal zo.” Bevel is bevel.

De tweede vraag is: moet de Raad van State niet beschouwd worden als de hoofdschuldige van het “ongekend onrecht”, eerder nog dan de Belastingdienst? De bestuurlijke praktijk is immers dat verreweg de meeste beslissingen worden genomen door de ambtelijke dienst en dat het oordeel of die beslissingen wel juist en rechtvaardig zijn door bestuurders en de politiek aan de bestuursrechter wordt overgelaten, die op zijn beurt geacht wordt de jurisprudentie van de Raad van State te volgen.

Het verwijt dat de politiek treft is, behalve dat het wetten vaststelt waarin niet veel explicieter  staat (zodat het niet door de ambtelijke dienst en de Raad van State kan worden misverstaan) dat beginselen van evenredigheid en proportionaliteit moeten worden gevolgd, vooral dat de Raad van State in ons bestuursrecht de rol van hoogste rechter heeft. Daar is vaker wat over te doen geweest en de politiek had al lang moeten beslissen de bestuursrechtspraak bij de Raad van State weg te halen, want de Raad van State is allerminst een onafhankelijke instelling.

In het Van Benthem arrest (1986) had het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kritiek op de wijze waarop het hoogste beroep in bestuursrechtzaken in Nederland georganiseerd was. Dat hoger beroep moest worden ingesteld bij de Raad van State, die bracht dan een advies uit aan de Kroon (de koning samen met de verantwoordelijke minister) en de Kroon besliste over het hoger beroep. Die constructie paste bij het feit dat de Raad van State de hoogste adviseur is van de regering (adviezen over ontwerp-wetten en – besluiten).

Als gevolg van het Van Benthem arrest werd besloten dat de Raad van State voortaan zelf zou beslissen in hoger beroep. Maar de Raad van State bleef ondertussen ook hoogste adviseur van de regering. Omdat het adviseren van de regering en onafhankelijk rechtspreken twee rollen zijn die moeilijk samengaan, werd de Raad van State gesplitst: een afdeling advisering en een afdeling bestuursrechtspraak. Volgens de huidige Wet op de Raad van State zijn de staatsraden die adviseren (art.16a lid 2b) echter dezelfden als die rechtspreken (art.30 lid 2).

Wie optreedt als adviseur van de regering hoort bij de regering. Volgens de trias politica (de leer van de drie machten) dient de rechtsprekende macht onafhankelijk te zijn van de regering (en het provinciaal en gemeentebestuur). De constructie waarbij het adviseren van de regering wordt gecombineerd met rechtspreken is daarmee in strijd. Dat de politiek nog steeds niet heeft beslist het rechtspreken bij de Raad van State weg te halen, kan maar op één manier verklaard worden: vrees voor onafhankelijke rechters, die de macht en willekeur van bestuurders en ambtelijke diensten beperken.

Dat de Raad van State geen onafhankelijk rechtsprekend orgaan is, blijkt ook uit het feit dat we onder de staatsraden (naast hoogleraren en rechters) ook ex-burgemeesters, ex-ministers en ex-staatssecretarissen aantreffen, die na hun politieke carrière een baan bij de Raad van State krijgen en, ook als zij geen rechten gestudeerd hebben en nooit iets met rechtspraak te maken hebben gehad, in meervoudige kamers meedraaien als rechter. Bij de benoeming van staatsraden, dus ook bij deze ex-bestuurders, wordt het draagvlak in de politiek niet uit het oog verloren. Minstens één keer per jaar is er overleg met de Tweede Kamer over vacatures en het is de regering die de staatsraden benoemt. De kans dat er een ex-politicus (al of niet jurist) wordt benoemd die zich kritisch opstelt tegenover de regering is vrijwel uitgesloten. Zo ook de kans dat er überhaupt iemand wordt benoemd die zich kritisch opstelt tegenover de regering. Prof. Tak en prof. Spijkerboer zouden niet worden gevraagd.

Onder de huidige leden/staatsraden treffen we de volgende ex-bestuurders/politici aan: Thom de Graaf (D’66), Frank de Grave (VVD), Jan Franssen (VVD), Eric Heyningen (VVD), Eric Helder (PvdA), Jacques Niederer (VVD), Ralph Pans (PvdA) , Ad Melkert (PvdA), Theo van der Nat (VVD), Marijke Vos (Groen Links). De drie laatstgenoemden zijn geen jurist.

Opmerkelijk is ook dat van de 76 leden/staatsraden er 10 afkomstig zijn van ministeries, of daar hun carrière zijn begonnen. Gerard Roes, bijvoorbeeld, was sinds 2007 staatsraad en lid van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarvoor was hij directeur Wetgeving, tevens plaatsvervangend directeur-generaal Wetgeving, Internationale aangelegenheden en Vreemdelingenzaken bij het toenmalige ministerie van Justitie. In 2011 werd hij weer een tijdje hoge ambtenaar: directeur-generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. En in 2016 werd hij weer staatsraad bij de Raad van State. Dat het in de beoordeling van zaken wat uitmaakt of je hoge baas bij een ministerie bent of staatsraad die kritiek op besluiten van het ministerie onafhankelijk moet beoordelen blijkt daar niet uit. Opmerkelijk is overigens ook dat er maar liefst 6 staatsraden afkomstig zijn van Pels Rijcken, de landsadvocaat. Onder de staatsraden bevinden zich geen figuren die voortgekomen zijn uit bijvoorbeeld de vakbeweging, consumentenbond, huurdersorganisaties, vredesbeweging of vluchtelingenorganisaties.

Hoezeer de Raad van State (en dus ook de Afdeling bestuursrechtspraak, die daar deel van uitmaakt) een politiek orgaan is, blijkt ook uit het feit dat de vicevoorzitter al vele jaren een prominent politicus is. Thom de Graaf D’66 (sinds 2018), Donner CDA (2012-2018), Tjeenk Willink PvdA (1997-2012), Scholten CDA (1980-1997). Wat deze vicevoorzitters verder met elkaar gemeen hebben, is dat ze eerst carrière maakten als topambtenaar. Voorzitter van de Raad van State (en dus van de Afdeling bestuursrechtspraak) is de koning, wat ook niet erg bij de trias politica (scheiding der machten) past en evenmin bij een democratie.

Het feit dat staatsraden überhaupt worden gerecruteerd uit de kring van ex-bewindslieden en uit politieke partijen (waarin hoge ambtenaren sterk vertegenwoordigd zijn) maakt overigens dat er sprake is van een ons-kent-onskliek. Lieden die sociale contacten onderhouden met elkaar en elkaar dus makkelijk even bellen, burgemeesters die informeel contact hebben met partijgenoten die staatsraad zijn en het beroep behandelen dat tegen hun besluit is ingesteld, staatsraden die het maar moeilijk vinden burgemeesters die het toch al zo zwaar hebben af te vallen. Valt allemaal moeilijk te bewijzen voor iemand die niet bij die kliek hoort, maar ligt erg voor de hand. Het politieke bloed kruipt immers altijd waar het niet gaan kan.

Speciale aandacht verdient Piet Hein Donner, omdat vooral zijn loopbaan laat zien hoe sterk de bestuursrechtspraak verstrengeld is met de politiek: lid van de Raad van State (1998-2002), minister van Justitie (2002-2006), minister Sociale Zaken (2007-2010), minister Binnenlandse Zaken (2010-2011), vicevoorzitter Raad van State (2012-2018). Hoe onafhankelijk kan bestuursrechtspraak zijn, als de leiding in handen is van een politicus die daarvoor minister is geweest van nota bene drie verschillende ministeries?

Donner was overigens minister van Justitie toen de Wet kinderopvang werd vastgesteld (2004). Hij was minister van Justitie toen de Algemene wet Inkomensafhankelijke Regelingen (Awir) werd vastgesteld (2005). Hij was tot  31-10-2018 vicevoorzitter van de Raad van State, in de periode dus waarin de ‘ongekend onrecht’-uitspraken werden gedaan. Niettemin werd hij een half jaar later door de regering aangewezen als voorzitter van de commissie die moest onderzoeken wat er toch zo fout was gegaan onder zijn bewind, eerst als minister en daarna als baas van de Raad van State. Dat heeft een rapport opgeleverd (Omzien in verwondering) waarin uiteraard niets staat over de schuld van de Raad van State.  Mede-auteurs waren Jette Kleinsma (staatssecretaris Sociale Zaken 2012-2017) en Willemien den Ouden (sinds 1 september 2020 staatsraad). De slager keurt zijn eigen vlees,

Eén van de vragen waar de commissie Donner een antwoord op moest geven was: “Hoe is het volgens de commissie in algemene zin met de praktische rechtsbescherming van de toeslaggerechtigden gesteld?” Het antwoord valt te vinden in Omzien in verwondering (p.72). “Zowel de vraag als de motie lijken te berusten op de vooronderstelling dat als de toegang tot rechtsbescherming praktisch beter zou functioneren, een gang van zaken als in het CAF 11-dossier en schrijnende gevolgen zoals die in beeld zijn gekomen, niet zouden zijn voorgekomen. Die vooronderstelling is niet juist.. Vastgesteld kan worden dat toeslaggerechtigden in het CAF 11-dossier hun weg naar de rechtsbescherming goed hebben kunnen vinden“. Dit argument is de Raad van State ten voeten uit:  mensen kunnen toch bezwaar maken en beroep instellen (en daar veel geld en energie in steken)? Dat ze steevast door de bestuursrechter en de Raad van State in het ongelijk worden gesteld, doet kennelijk niet ter zake.

In het rapport Ongekend onrecht lezen we op p.7 dat de bestuursrechtspraak jarenlang een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het in stand houden van de niet dwingend uit de wet volgende, spijkerharde uitvoering van de regelgeving van de kinderopvangtoeslag. “Daarmee heeft de bestuursrechtspraak zijn belangrijke functie van (rechts)bescherming van individuele burgers veronachtzaamd.” De vraag hoe het komt dat de bestuursrechtspraak het zo heeft laten afweten, is door de parlementaire ondervragingscommissie niet beantwoord noch gesteld. Viel buiten haar onderzoeksopdracht.

Het antwoord, dat moge duidelijk zijn, is dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niets met onafhankelijke rechtspraak van doen heeft, omdat én de politiek én de ambtelijke dienst er een stevige vinger in de pap hebben. Zolang de rechtspraak niet bij de Raad van State wordt weggehaald, is rechtsbescherming een illusie en zullen affaires als de toeslagenaffaire zich blijven herhalen.

Over de witte onschuld van burgemeester Van Zanen


Het verwijt dat Van Zanen met twee maten meet door de openingstijden voor de allochtone horeca op de Amsterdamsestraatweg collectief te beperken en die van de autochtone horeca in de binnenstad niet (waar bewoners steen en been klagen over horeca-overlast) kwalificeerde hij als “stuitend”. Het verwijt had hem “zeer geraakt” en hij “werpt dat verre van zich”[1]. Over de horeca in de binnenstad wordt echter ruim 500 keer per jaar geklaagd. Het aantal klachten over de horeca op de Amsterdamsestraatweg was, toen hij de maatregel nam, onbekend. Van Zanen nam eenvoudig aan dat alle klachten (overlast of niet) horeca-gerelateerd waren. Naderhand bleek uit een klachtenanalyse door de politie dat er nauwelijks over de horeca was en werd geklaagd. Logisch, want bij döner- en kebabzaken wordt geen alcohol verstrekt. In de binnenstad volop, en alcohol is verreweg de belangrijkste oorzaak van overlast en agressie.

De enige klagers over horeca-overlast op de Amsterdamsestraatweg waren 2 à 3 bewoners die samen de Actiegroep 250 meter ASW vormden. De suggestie dat hun klagen over horeca-overlast op de Amsterdamsestraatweg misschien zijn oorsprong vindt in de spanning tussen allochtone nieuwkomers en autochtone gevestigden, een fenomeen dat sinds de 60-er jaren uitgebreid is beschreven in de sociologische literatuur, werd door Van Zanen afgedaan als een “insinuatie”, die hij als “zeer kwalijk” kwalificeerde [2]. Was het Trump die vond dat de sociologie verboden moet worden?

Dat de stoep op de hoek van de Amsterdamsestraatweg en de Anjelierstraat (alleen de stoep waar de woordvoerder woont van de Actiegroep 250 meter ASW) van 2013 tot medio 2016 als openbaar toilet werd gebruikt, is voor Van Zanen, zonder dat hij daar enige concrete aanwijzing voor heeft, het bewijs van de overlast waar “de” bewoners van de Amsterdamsestraatweg al jaren aan blootstaan als gevolg van de onbeperkte openingstijden van de döner- en kebabzaken aan de overkant, die over keurige toiletten beschikken. Met andere woorden, volgens Van Zanen hebben de overwegend allochtone bezoekers van de allochtone horeca dat gedaan. Volkomen vanzelfsprekend voor Van Zanen. Daar heeft hij geen concrete aanwijzingen, laat staan bewijzen, voor nodig.

De Evaluatienota Sluitingstijden Amsterdamsestraatweg over de crimineel Taghi: “Een ogenschijnlijke “modelburger” als ondernemer actief op de Amsterdamsestraatweg blijkt een topcrimineel te zijn, zo blijkt uit krantenberichten.” En dan: Taghi runde een grillroom aan de Amsterdamsestraatweg [3]. Hoe Van Zanen en zijn medewerkers van VTH tegen de Turkse en Marokkaanse horeca-exploitanten aankijken, is overduidelijk.

Een Turks koffiehuis waar tijdens de Ramadan bingo werd gespeeld om de Iftar-maaltijd samen te betalen, wordt door Van Zanen voor een jaar gesloten. Tegen zeven autochtone café’s waar bingo werd gespeeld, deed hij niets en weigert hij ook alsnog iets te doen.

De Nationale Ombudsman vermoedt dat het etnisch profileren bij de Belastingdienst het topje van de ijsberg is. “Als het bij de Belastingdienst gebeurt, gebeurt het dan ook bij de SVB, UWV en gemeenten?” Nou, niet volgens Van Zanen. Bij de gemeente Utrecht wordt geen onderscheid gemaakt tussen allochtonen en autochtonen. Weet hij zeker.

De theatrale verontwaardiging waarmee Van Zanen de suggestie van vooringenomenheid jegens allochtonen “verre van zich werpt” is door Gloria Wekker uitvoerig beschreven in haar boek Witte Onschuld.[4] Volgens Van Zanen waarschijnlijk ook een zeer kwalijk boek. Haar stelling is dat witte mensen, omdat zij in een witte omgeving zijn grootgebracht, een “cultureel archief” tussen hun oren hebben zitten, een archief dat is opgebouwd gedurende eeuwen koloniale suprematie. De reacties op haar boek uit de hoek van de Telegraaf en de Dagelijkse Standaard waren gelijk aan die van Van Zanen: gekwetste, totale ontkenning.

Dat autoriteiten als Van Zanen zo verontwaardigd in de ontkenning schieten, is juist een teken dat de kritiek doel treft. Immers, witte mensen die de moeite hebben gedaan erover na te denken, er wél iets over hebben gelezen (om te beginnen bijvoorbeeld Alledaags racisme van Philomena Essed, 1984), herkennen bij zichzelf de vooroordelen waarmee ze in hun witte omgeving zijn grootgebracht en grijpen kritiek aan om hun manier van denken te corrigeren. De witte man of vrouw die boos en gekwetst beweert vrij te zijn van racistische vooroordelen weigert daar zelfs maar over na te denken.

[1]verweerschrift 15 mei 2018 bij de RvS hoger beroep besluit collectieve sluitingstijden horeca asw.

[2] besluit op bezwaar p.15 en 16 30 september 2019 met een verwijzing naar het fotoboek met 150 foto’s alleen van de stoep ASW 195.

[3] Evaluatie sluitingstijden ASW p. 7 Amsterdamsestraatweg 19 maart 2020 p.7

[4] Voor een bespreking en samenvatting zie : http://www.keesvanoosten.nl/witte-onschuld-racisme-en-kapitalisme/

Amsterdamsestraatweg verdient beter (4)

Drie en een half jaar klagen over pissen en kotsen op de stoep, VTH doet niets. Waarom heeft Van Zanen niet ingegrepen?

Nadat de Raad van State 19 februari 2019 het besluit collectieve sluitingstijden vernietigd had moest de burgemeester een nieuw besluit nemen. VTH stelde daartoe het rapport “Sluitingstijden Horeca Amsterdamsestraatweg” op. Er werd een hoorzitting gepland voor 18 juni om mij de gelegenheid te geven daar namens horeca ondernemers van de ASW op te reageren.

Op die hoorzitting kreeg ik van VTH een fotoboek met 150 foto’s van de stoep van de hoekwoning Amsterdamsestraatweg / Anjelierstraat. Foto’ s waarop je kon zien dat er tegen de gevel en op de stoep was gepist en gekotst.  De foto’ s waren een selectie van foto’s die gemaakt zijn in de periode begin 2013 tot midden 2016. Het fotoboek was samengesteld door de Actiegroep 250 meter ASW. Volgens de burgemeester in het nieuwe besluit is dat fotoboek het bewijs van de overlast waaraan “de” bewoners op de Straatweg blootstaan.

Waarom alle 150 foto’s alleen maar van de stoep bij die ene hoekwoning? Vertegenwoordigt de Actiegroep 250 meter ASW alleen de bewoners van die ene woning? Als je nu overlast wil laten zien waar “de”  bewoners in de buurt aan blootstaan, waarom dan niet ook foto’s van andere stoepen waar kots ligt en gepist is? En waarom wordt dat fotoboek aangevoerd als onder­bouwing van het besluit collectieve sluitingstijd horeca?

VTH en Van Zanen gaan er kennelijk vanuit dat klanten van de kebab- en dönerzaken, overwegend met een Turkse- en Marokkaanse achtergrond, de stoep bij de hoekwoning als openbaar toilet gebruiken. Het komt kennelijk geen moment bij ze op dat het gepis en gekots het werk zou kunnen zijn bijvoorbeeld van autochtone buurtbewoners die straalbezopen ‘s nachts uit de binnenstad terugkeren en bij de Anjelierstraat rechtsaf gaan.

Volgens de Rapportage Klachten/Meldingen Amsterdamsestraatweg (december 2015) waren er in 2014/2015 zeven meldingen geweest over gevelplassen, allemaal afkomstig van een en dezelfde melder. Deze Rapportage is bekend bij het college en de raad, want door hen besproken. Dat die melder de bewoner was van de eerder genoemde hoekwoning kan geen geheim zijn, want hij heeft met die klacht meerdere keren de publiciteit gezocht. Dat zou ik ook gedaan hebben als je daar al jaren over klaagt zonder dat VTH iets met die klacht doet.

Uit een ander klachtoverzicht van VTH blijkt dat deze bewoner in de periode 16-4-2014 tot 26-1-2015 wel tien keer gemeld heeft bij VTH dat er op zijn stoep en tegen zijn gevel werd gepist. Na 26-1-2015, zo blijkt uit het overzicht, heeft deze bewoner het klagen kennelijk opgegeven. Volgens het fotoboek is het daarna nog anderhalf jaar doorgegaan. Uit dat klachtoverzicht blijkt dat hij ook meldingen deed van ruzies en van drugsdealen op straat. Dat hij daardoor het doelwit werd van getreiter zou heel goed kunnen. Dat hij zich daar niets van aantrok valt te prijzen.

Wat nu zo volstrekt krankzinnig is, is dat niemand op het idee komt VTH ter verantwoording te roepen waarom die kennelijk drie en een half jaar niets gedaan heeft met de klachten van deze bewoner. Als nu toch bekend is dat hij een actieve klager is en de enige in de buurt die klaagt dat er op zijn stoep gepist wordt is de kans groot dat er een paar onverlaten zijn die hem het leven zuur maken. Hang een verborgen cameraatje op en je hebt ze binnen week te pakken. Juist iemand die de moeite neemt om misstanden op straat te melden en publiekelijk aan de kaak te stellen behoort  beschermd te worden. Maar de burgemeester en VTH hebben deze hoekbewoner dus drie en een half jaar gewoon laten barsten.

Een beetje burgemeester die een besluit moet ondertekenen waarin naar zo’n fotoboek wordt verwezen (150 foto’s van een en dezelfde stoep en drie en een half jaar lang!) roept meteen de ambtenaren van Handhaving ter verantwoording: hoe komt het dat jullie hier nooit iets aan gedaan hebben? Is hier dan nooit over geklaagd? Ik begrijp niet dat Van Zanen, die verantwoordelijk is voor Openbare Orde en Veiligheid, zich niet schaamt dat VTH, ondanks aanhoudende klachten, de onverlaten niet opgespoord en geverbaliseerd heeft.

Het zou kunnen dat Van Zanen de moeite niet neemt om besluiten te lezen die hij ondertekent en zich geheel en al verlaat op ambtenaren die het besluit hebben voorbereid, in dit geval van VTH die het er dus drie en een half jaar verschrikkelijk bij hebben laten zitten. Dat Van Zanen te tekenen besluiten niet zou lezen zou niet best zijn en is ook eigenlijk niet goed voorstelbaar.

Het zou ook kunnen zijn dat hij wel leest wat hij tekent, maar dat het voor hem volstrekt vanzelf spreekt dat als er op een en hetzelfde adres op de Straatweg drie en een half jaar op de stoep wordt gepist, dat bezoekers van de kebab- en dönerzaken moeten hebben gedaan, die overwegend een Turkse- of Marokkaanse achtergrond hebben. Dat hij dat net als VTH dermate vanzelfsprekend vindt dat hij helemaal geen feiten en bewijs nodig heeft, dat zou wel heel erg zijn omdat dat op een niet gering racistisch vooroordeel wijst.

Ik zou zeggen: gemeenteraad doe je werk en zoek uit waarom VTH drie en een half jaar niets heeft gedaan met de aanhoudende klachten over gepis op de stoep van de woning op de hoek van de Amsterdamsestraatweg en de Anjelierstraat en vraag aan Van Zanen waarom hij VTH daar niet op aangesproken heeft en hoe hij er bij komt om er zonder enig feit of bewijs van uit te gaan dat het gepis het werk moet zijn van de Turkse- en Marokkaanse bezoekers van de kebab- en dönerzaken [1], die overigens over keurige toiletten beschikken.

[1] Het fotoboek speelt een belangrijke rol in de onderbouwing van het besluit van Van Zanen van 26 september 2019 om de collectieve sluitingstijden voor de horeca in het middenstuk van de Amsterdamsestraatweg te handhaven.

Amsterdamsestraatweg verdient beter (3)

Sluitingstijden: over uitroken en uitsterfbeleid winkels en horeca

Op 12 april 2016 nam de burgemeester het besluit sluitingstijden voor horeca en dienstver­lening voor het middenstuk van de Amsterdamsestraatweg: het stuk van het viaduct tot de Acaciastraat. 20 Mei werd een nieuw bestemmingsplan ter visie gelegd voor de Straatweg, d.w.z. het stuk tussen het Paardenveld en de Marnixlaan. De aanleiding, zo staat in de Toe­lichting, was dat de leefbaarheid van het zuidelijk deel van de Amsterdamsestraatweg al enige tijd achteruit ging: veel leegstand waardoor bedrijfsruimten steeds meer worden ge­vuld door functies die overlast veroorzaken: horeca en dienstverlening.

In het besluit sluitingstijden lezen we over dit middenstuk, dat het weinig ‘identiteit’ heeft: er zou geen bedrijvigheid zijn die eruit springt, er zouden etalages ontbreken, de winkels zouden overdag weinig klanten trekken en er zouden veel kappers, schoonheidssalons, grill­rooms en fastfoodzaken zitten. Wat dat allemaal te maken heeft met die sluitingstijden heb ik nooit begrepen. Tot ik besloot dat nieuwe bestemmingsplan nog eens grondig te bestude­ren. Wat niet meevalt, want het zit  ingewikkeld in elkaar en van de manier waarop het op de website van de gemeente is bekendgemaakt word je niet veel wijzer.

Op de bijbehorende plankaart  valt het verschil tussen ‘gemengd – 1‘ en ‘gemengd – 2′ niet op te maken. Beide bestemmingen hebben dezelfde licht bruine kleur. Je kunt dus beter kijken op de landelijke site ‘ruimtelijke plannen’. Daar kan je met de muis op een pand klik­ken en dan zie je in het menu of het gemengd – 1 of gemengd – 2 is. Gezien de gebrekkige publicatie op de website van de gemeente moet gevreesd worden dat er maar weinig bewoners en ondernemers, raadsleden en wethouders zijn die begrepen hebben wat de bedoelde ge­vol­gen van dit plan zijn.

Het onderscheid tussen gemengd- 1 en gemengd -2 is essentieel. Gemengd- 1 staat voor versterken van de detailhandelsfunctie. Gemengd – 2 staat voor functies die goed bij wonen passen. Voor gebieden waarin Gemengd – 2 voorkomt wordt veran­dering naar de woon­bestem­ming nagestreefd. Wat de bedoeling van de gemeente is blijkt goed uit onderstaand kaartje dat in het ontwerp bestemmingsplan stond. Blauw is wonen met functies die daar bij passen, rood geeft winkelconcentratiegebied aan.

De bedoeling in het ontwerp bestemmingsplan was dus om alles wat niet bij wonen past weg te bestemmen. Namens een aantal ondernemers heb ik daar destijds bezwaar tegen gemaakt. In het uiteindelijke bestemmingsplan heeft de gemeente daarom een wat minder directe manier van weg­bestemmen opgenomen:  voor een aantal blauwe gebieden geldt dat ze vooralsnog winkelconcen­tratiegebied (Gemengd-1) kunnen blijven, maar dat het college altijd nog kan besluiten om er toch nog Gemengd -2 van te maken.. Wat groen is, is vooralsnog Gemengd – 1, maar het college mag daar Gemengd – 2 van maken.

In onderstaand kaartje geeft de bruine kleur Gemengd – 1 aan, Gemengd – 2 heb ik rood gekleurd. Met groen heb ik aangegeven  wat nu Gemengd – 1 is met de mogelijkheid dat het college daar als nog Gemengd – 2 van maakt.

Voor zowel Gemengd – 1 als Gemengd – 2 geldt dat er een beperkt aantal met name genoemde functies zijn die op alle adressen op de begane grond zijn toegestaan, maar dat er een hele lijst is van functies die alleen op aangegeven adressen zijn toegestaan. Winkels, horeca, kappers, zorg, afhaal, massage zijn op die manier alleen toegestaan op de adressen waar ze nu zitten.

De lijst met functies die alleen op de aangegeven adressen zijn toegestaan mag door het college ook nog eens gewijzigd worden: er mogen functies van afgehaald worden en aan toegevoegd. Het college kan dus besluiten alle winkels of alle horeca te schrappen van die lijst te schrappen.

Voor alle functies die alleen op de aangegeven adressen zijn toegestaan geldt dat als die daar een jaar lang niet meer worden uitgeoefend,  het college kan besluiten dat die functie op dat adres niet meer is toegestaan en die functie voor dat adres op de lijst te schrappen. Bijvoorbeeld op het adres waar een winkel of horeca zat, mag dan geen winkel of horeca terugkomen. In de Toelichting wordt dat een uitsterfconstructie genoemd, wat het ook is.

Of er nog een verstandige ondernemer is die op de Straatweg gaat investeren is  de vraag, want zekerheid is ver te zoeken. Het college hoeft maar te beslissen de lijst met toegestane functie te wijzigen en je bedrijf is onverkoopbaar. Door dit bestemmingsplan ziet het er dus extra somber
uit voor de Straatweg. De leegstand zal toenemen en de waarde van de panden zal verder dalen.

Het besluit om de sluitingstijd te vervroegen komt door dit bestemmingsplan in een vreemd daglicht te staan. Horeca en dienstverlening die het van late uren moeten hebben overleven die slui-tingstijden niet. En zodra ze ‘uitgerookt’ * zijn kan het college de functie schrappen van de lijst van functies die op aangegeven adressen zijn toegestaan. Dáár waren die sluitingstijden dus voor. In het juridisch jargon heet dat misbruik van bevoegdheid.

* In het verslag groepsinterview met professionals  d.d. 19-2-2020 dat ihkv de Evaluatie van de sluitingstijd gehouden is, staat: “In de panden die zijn omgezet naar woningen zaten stichtingen waar werd gegokt. Die moesten vervolgens om 22.00 uur dicht zijn, waardoor ze eigenlijk zijn uitgerookt

Amsterdamsestraatweg verdient beter (2)

Geen sprake van handhaving op overlast. Wat doen boa’s en handhavers eigenlijk?

De collectieve sluitingstijd op het middenstuk van de Amsterdamsestraatweg, ingevoerd op 1 juni 2016, werd en wordt door burgemeester Van Zanen de ene keer verdedigd door te stellen dat er sprake is van onaanvaardbare overlast, maar de andere keer met het argument dat de overlast min of meer aanvaardbaar was, maar wel dankzij hoge inzet van Toezicht en Handhaving.* En die intensieve handhaving kon niet langer zo doorgaan, want de 6 fte’s die daarmee gemoeid zouden zijn, zouden ten koste gaan van de handhaving in de rest van de stad.

Dat er inderdaad geen sprake was van onaanvaardbare overlast is inmiddels gebleken. Nadat het besluit door de Raad van State vernietigd was en Van Zanen een nieuw besluit moest nemen, heeft hij het door de politie laten uitzoeken. Daarbij bleek dat er in 2014 welgeteld 9 meldingen waren over nachtelijke overlast, in 2015 13 en in 2016 14. Zie tabel. De bewoners van de binnenstad zouden daar stinkend jaloers op zijn, want die krijgen heel wat meer nachtelijke overlast voor hun kiezen, maar daar is volgens Van Zanen het instellen van collectieve sluitingstijden niet nodig.

Over die intensieve handhaving heb ik van het begin af aan mijn twijfels gehad. Mijn indruk is dat er in Utrecht op van alles en nog wat gehandhaafd wordt, maar niet op overlast op straat. Dat werd bevestigd door de uitkomst van een Wob-verzoek waarin ik vroeg naar een overzicht van bekeuringen in 2019. Daaruit bleek dat er in 2019 13.766 bekeuringen waren uitgedeeld. In ruim 95% van de gevallen voor parkeren en verkeer. Slechts in 4,2% van de gevallen wordt er bekeurd ivm overlast op straat.

Op de Amsterdamsestraatweg werden in 2016 2.896 bekeuringen uitgedeeld voor parkeren en verkeer (helaas niet voor te hard rijden) en 41 bekeuringen voor het buitenzetten van vuil buiten de ophaaldagen. Echter niet één bekeuring voor overlastgevend gedrag als schreeuwen, baldadig gedrag, vernieling, openbare dronkenschap, schelden, intimidatie, ruzie, kotsen op de stoep of urineren tegen de gevel, smijten met portieren of keihard wegscheuren met de auto, waarvan volgens burgemeester Van Zanen op de Straatweg sprake zou zijn.

Over 2016 op de Amsterdamsestraatweg nog even dit: medio december 2015 werden daar openbare-orde-camera’s geplaatst. Onder andere op de hoek van de Anjelierstraat en de Goudsbloemstraat, met zicht op het stuk van de Straatweg waar de sluitingstijden werden ingesteld. Daar heb ik ook een Wob-verzoek naar gedaan. Nee, er waren geen beelden van overlast, ook niet over het eerste half jaar, toen de sluitingstijden nog niet golden.

Dat intensieve handhaving ervoor zou hebben gezorgd dat de overlast op de Straatweg nog “min of meer aanvaardbaar” was, is dus grote onzin, want van handhaving, laat staan intensieve handhaving, op overlast was geen sprake, zoals er in Utrecht überhaupt niet op overlast werd en wordt gehandhaafd.

* brief burgemeester 26 januari 2016 aan raadscommissies.

Amsterdamsestraatweg verdient beter (1)

Incompetentie en discriminerende handhaving

De Turkse döner- en kebabzaken, de Marokkaanse broodjeszaken, het Turkse koffiehuis en de Chinese afhaal Hing Kee in het middenstuk van de Amsterdamsestraatweg kregen in 2016 een collectief sluitingsuur opgelegd wegens nachtelijke overlast. De Raad van State vernietigde dat besluit in februari 2019 en droeg Van Zanen op een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hij had de nachtelijke overlast niet voldoende aangetoond. Uit de analyse van meldingen bij de politie bleek dat er in 2014, 2015 en 2016 nauwelijks nachtelijke overlast was gemeld. Niet door burgers en ook niet uit eigen waarneming van de politie zelf. Daar trok Van Zanen zich niets van aan, hij besloot opnieuw dat hij in 2016 terecht had besloten dat collectieve sluitingsuur op te leggen.

Het komt misschien doordat ik nog net in de oorlog ben geboren, maar collectieve straffen associeer ik met de Duitse bezetting. Ik associeer collectieve straffen ook met de hele klas die moet nablijven omdat de meester op school er niet achter kon komen wie er met het gummetje had gegooid. Dan moeten de goeien maar onder de kwaaien lijden. Van die associaties heeft Van Zanen duidelijk geen last.

Om zijn besluit van 2016 recht te praten, heeft Van Zanen, bij gebrek aan nachtelijke overlastmeldingen, een Evaluatie laten opstellen, die hij op 19 maart 2020 naar de gemeenteraad stuurde. Als je die Evaluatie goed leest (en vooral de bijlagen, die hij pas stuurde nadat ik daar ruim 3 weken op had aangedrongen), blijkt dat het probleem, zoals de politie en zijn handhavers dat zien, niet de overlast voor de bewoners is, maar de ‘criminele schaduweconomie‘: illegale seks, handel in drugs, witwassen, illegaal gokken, geweldsincidenten.

In de Evaluatie wordt aangevoerd dat de gemeente en de politie er sinds 2004 niet in zijn geslaagd de criminele schaduweconomie‘ de kop in te drukken en dat ook het opleggen van de collectieve sluitingstijden in 2016 daar niets aan verholpen heeft. “Er was en er is een criminele schaduweconomie, die zich overigens niet beperkt tot dit deel van de Amsterdamsestraatweg” (p.16). Waarom dan alleen collectieve sluitingstijden voor het middenstuk? Die vraag wordt in de Evaluatie niet gesteld.

De Turkse döner- en kebabzaken Saray, Asya en Yes Baba, de Marokkaanse broodjeszaken Rue d’Amsterdam en Oued Amlil, het Chinese afhaalrestaurant Hing Kee en het Turkse Koffiehuis Dostlar hebben echter niets met die criminele zaken te maken. Het wordt ze ook niet ten laste gelegd. Met andere woorden: deze Turkse, Marokkaanse en Chinese horeca worden in een zeer kwaad daglicht gesteld en collectief gestraft voor criminele activiteiten waar ze part noch deel aan hadden en hebben.

Waar ze ook voor worden gestraft, is voor het falen van de burgemeester (en zijn voorgangers), de politie, de afdeling Handhaving en de afdeling Openbare Orde en Veiligheid om de illegale seks, handel in drugs, het witwassen, het illegaal gokken en de geweldsincidenten de kop in te drukken. Je moet je toch als burgemeester en politie kapot schamen als je in een Evaluatienota moet erkennen dat je er met 16 jaar intensief handhaven niet in bent geslaagd de criminele schaduweconomie de kop in te drukken?

De hand in eigen boezem steken is er bij Van Zanen niet bij. De vraag wat er mis is bij de afdeling Handhaving en de dienst Openbare Orde en Veiligheid, wat er schort aan zijn eigen toezicht op het werk van zijn ambtenaren en wat er mis is met zijn besluit collectieve sluitingstijd wordt niet gesteld. Als het beleid en het besluit van de burgemeester niets uithalen, hebben de bewoners en de ondernemers het gewoon gedaan. Lekker makkelijk.

Bijzonder stuitend is dat Van Zanen het in de Evaluatienota (p. 7) nodig vindt naar Taghi te verwijzen (die verdacht wordt van drugshandel en vele liquidaties). Die runde, staat in de nota, een grillroom aan de Amsterdamsestraatweg. Ogenschijnlijk een ‘modelburger‘. Waarmee duidelijk wordt gesuggereerd dat die Turkse- en Marokkaanse horecabazen op de Straatweg nette burgers kunnen lijken, maar, net als Taghi, best wel eens topcriminelen kunnen zijn. Over vooroordelen gesproken.

Als de Evaluatie één ding duidelijk maakt (of eigenlijk drie), dan is het:
(1) dat het met de handhaving en de strijd tegen criminaliteit op de Amsterdamsestraatweg zeer treurig is gesteld;
(2) dat de Marokkaanse, Turkse en Chinese horeca de schuld krijgt van het falen van de burgemeester c.s.;
(3) dat een (gelukkig maar heel klein) groepje bewoners zich door Handhaving en de burgemeester tegen de horeca laat opzetten;
(4) dat Van Zanen met twee maten meet: over de horeca in de binnenstad wordt door bewoners steen en been geklaagd, daar doet hij niets tegen.

De gemeente heeft de Amsterdamsestraatweg eerst tientallen jaren laten verloederen, om vervolgens vanaf pakweg 2004 kostbare plannen voor verbetering te maken die óf op de lange baan zijn geschoven óf niet zijn uitgevoerd (30 km/uur, minder doorgaand verkeer, betere oversteekbaarheid, herinrichting, beter imago). Om het eigen straatje schoon te vegen, stelt de gemeente de Amsterdamsestraatweg al jaren in een kwaad daglicht, tot schade van de ondernemers en de leefbaarheid. Daarover de volgende aflevering.

Hoe en waarom de Jongerenhuiskamer Geuzenkwartier wordt tegengewerkt

De dienst Maatschappelijke Ondersteuning weigerde financieel bij te dragen aan de Jongerenhuiskamer, maar de gemeenteraad krijgt te horen dat het de Jongerenhuiskamer is die een oplossing in de weg stond.

Tijdens de nieuwjaarsreceptie januari 2018 werd het boekje Over de Jongerenhuiskamer Geuzenwijk aan burgemeester Van Zanen aangeboden, waarvoor hij zelf het voorwoord had geschreven en waarin een foto prijkt waar hij samen met de initiatiefnemers op staat. Een boekje vol lof. Lof met name van de burgemeester en de politie. Aan het boekje werd door de gemeente vreemd genoeg weinig ruchtbaarheid gegeven. Reden waarom ik  Over de Jongerenhuiskamer Geuzenwijk als bijlage bijvoeg. Het is het lezen bijzonder waard.

Omdat de Jongerenhuiskamer zijn huisvesting in 2017 kwijtraakte en de gemeente er niet in slaagde een andere huisvesting te vinden in de wijk, terwijl het initiatief aan alle kanten zo de hemel werd ingeprezen, besloot ik een wob-verzoek te doen om erachter te komen waarom die andere huisvesting zogenaamd niet gevonden werd. Het resultaat is een dik dossier. Als je dat dossier doorleest [1], dringen zich om te beginnen drie conclusies op.

De eerste conclusie is: als het College meteen in mei 2017, toen de Jongerenhuiskamer op straat werd gezet door de stichting Youké, omdat het pand zou worden verkocht, voor een alternatief in de Geuzenwijk had gezorgd had dat zoveel ambtelijke tijd gescheeld dat daar de huur zeker 10 jaar lang van zou kunnen worden betaald.

Overigens, in 2015 werd al over een ander onderkomen voor de Jongerenhuiskamer heen en weer gemaild. Maatschappelijke Ontwikkeling (MO) schrijft op 16-9-2015: “Maar mocht Youké ze inderdaad op straat gaan zetten, dan kloppen ze natuurlijk bij ons aan voor een ruimte (…)”. Het zoeken naar een alternatief, althans het heen en weer mailen daarover, daarvan was dus al in 2015 sprake.

De tweede conclusie die zich opdringt is dat het niet de burgemeester en wethouders zijn die uitmaken of er voor de Jongerenhuiskamer een alternatief gevonden wordt. Het zijn beleidsambtenaren van het Wijkservicecentrum Noordwest, Maatschappelijke Ontwikkeling (‘MO’)en de Afdeling Veiligheid die daar jarenlang over heen en weer mailen, waarbij de dienst MO duidelijk aan het langste eind trekt. Het dossier laat zien wat er gebeurt als wethouders en burgemeesters qua informatie alleen afhankelijk zijn van ambtelijke diensten die zij geacht worden te controleren. Die controle is dan een wassen neus.

Als wethouder Maarten van Ooijen het dossier zelf zou doorlezen (waar hij als wethouder natuurlijk de tijd niet voor heeft), zou hij al snel tot de conclusie komen niet correct door MO te zijn voorgelicht. Anders dan de wethouder op 13-2-2020, bij de beantwoording van vragen van het raadslid Ismail el Abassi voorlas van zijn door de ambtelijke dienst opgestelde beantwoording, blijkt de Jongerenhuiskamer bereid te zijn de oplossing te onderzoeken van een plek in de Speeltuin[2] en hebben zij een oplossing dus niet geblokkeerd.

De derde conclusie is dat Maatschappelijk Ontwikkeling duidelijk niet gediend is van een initiatief buiten de gevestigde door MO gesubsidieerde instellingen. In een mail van 11 oktober 2018 wordt het standpunt van MO door de afdeling Veiligheid helder omschreven: “MO is niet voornemens om financieel bij te dragen aan een Jongerenhuiskamer 2.0.” De opgave om de jongeren in de Geuzenwijk te bereiken ligt volgens MO bij de stichting JoU. En als die het niet goed doet moet die het beter doen.

Hoezeer ook de vorige wethouder (Victor Everhardt) door MO verkeerd werd geïnformeerd blijkt uit de mail van 23 maart 2019, waarin in strijd met de waarheid staat “De aangeboden locaties werden door de jongerenhuiskamer Geuzenwijk als niet passend bevonden”. En op 14 november 2019: “Mocht Maarten in de staf Jeugd beginnen over de jongerenhuiskamer bij deze nogmaals de stand van zaken op een rij”. En dan volgt de onwaarheid dat de alternatieve locaties door de initiatiefnemers niet passend zijn bevonden. De werkelijke reden kreeg de wethouder niet te horen, namelijk dat MO weigert financieel bij te dragen aan de Jongerenhuiskamer.

Opmerkelijk is overigens hoe weinig het standpunt van burgemeester Van Zanen er toe doet. Op 17 december 2018 brengt ‘Veiligheid’ in dat de “Burgemeester deelt de zorg over het wegvallen van het initiatief. Hij gaat het nog met xxx (bestuursadviseur) bespreken om te kijken of het nog besproken kan worden in de rondvraag van de collegevergadering”. En daar blijft het verder bij. Van een actief zoeken naar een oplossing door het college en de burgemeester blijkt geen sprake.

Hoe valt het te verklaren dat een initiatief waar iedereen zo lovend over was (zie attachment “Over de Jongerenhuiskamer Geuzenwijk” met een voorwoord van de burgemeester) na vijf jaar zoeken niet aan een passend onderkomen in Geuzenwijk geholpen kon worden? Wat was er eenvoudiger geweest dan desnoods als tijdelijke oplossing een flinke schaftkeet neer te zetten in een hoek van de speeltuin?

De verklaring is dat succesvolle vrijwillige niet-professionals door het officiële welzijnswerk als bedreiging worden ervaren. Dat was al vrij snel het geval na het ontstaan van het gesubsidieerde welzijnswerk in de 60-er jaren en dat is altijd zo gebleven. Overal waar welzijnswerkers werden en worden ingezet liep en loopt het door vrijwilligers gerunde verenigingsleven terug en werden en worden vrijwilligers door welzijnswerkers verdrongen. En dat terwijl het welzijnswerk de participatie en het vrijwilligerswerk juist heet te bevorderen.

Dat komt omdat het bestaansrecht van het welzijnswerk wordt gevormd door de onzelfstandigheid van met name zogeheten ‘achtergebleven’ bevolkingsgroepen. Dat betekent dat zodra die ‘achtergebleven’ groepen initiatief beginnen te nemen de welzijnswerker overbodig wordt en zijn werk dreigt kwijt te raken en niet alleen de welzijnswerker, maar ook de directeur en het bestuur van de welzijnsstichting en de MO’s die al dat welzijnswerk financieren en begeleiden. En dat is waarom onzelfstandigheid in stand moet worden gehouden en initiatieven van onderop moeten worden tegengewerkt.

Conclusie: wie serieus probeert de zelfstandigheid en het initiatief in achterstandswijken te bevorderen zou initiatieven als de Jongerenhuiskamer van harte en financieel moeten steunen door gepaste locaties beschikbaar te stellen en het initiatief zoveel mogelijk aan de vrijwilligers over te laten. Juist als een dienst MO daar tegen is, want dan is dat kennelijk hard nodig.

[1] https://www.utrecht.nl/bestuur-en-organisatie/publicaties/openbaar-gemaakte-informatie-na-wob-verzoeken/wob-verzoek/2019-338-wob-besluit-over-de-sluiting-van-de-jongerenhuiskamer-in-de-geuzenwijk/

[2] In de “Verkenning naar mogelijkheden” van december 2018 staat onder punt 4.1. dat de initiatiefnemers van de Jongerenhuiskamer de bereidheid hebben uitgesproken deze mogelijkheid te willen onderzoeken.

Collectieve sluitingstijden Amsterdamsestraatweg

Incompetent handhaven en vooroordelen jegens allochtonen gaan ook in de kwestie sluitingstijden ASW samen

Op 19 maart 2020 stuurde burgemeester Van Zanen een brief aan de gemeenteraad waarin hij de “Evaluatie collectieve sluitingstijden op een gedeelte van de Amsterdamsestraatweg” aanbood [1]. Die evaluatie is duidelijk bedoeld om het besluit van 12 april 2016 (collectieve vervroegde sluiting) recht te praten nadat hij er niet in is geslaagd aan de hand van overlastmeldingen aan te tonen “dat de overlast op het middenstuk van de Straatweg erger is dan elders en met name in de nachtelijke uren plaatsvindt” (Uitspraak Raad van State 13 februari 2019).

Om uitvoering te geven aan de uitspraak van de Raad van State heeft de burgemeester een nieuw besluit op bezwaar genomen op 26 september 2019, waarin hij erkent dat de nachtelijke overlast niet valt aan te tonen aan de hand van overlastmeldingen in 2014/2015 noch bij de politie noch bij de gemeente. Met de Evaluatie probeert de burgemeester de overlast in 2014/2015 toch aanneme­lijk te maken én aannemelijk te maken dat de maatregel beperking openingstijden waartoe hij op 12 april 2016 besloot effectief is gebleken.

Dat de burgemeester met die Evaluatie van zijn besluit van 12 april 2016 aantoont dat hij destijds een juiste beslissing heeft genomen, daar gelooft hij eigenlijk zelf niet in. Immers, aan de “criminele schaduw­economie”, die zoveel nachtelijke overlast zou veroorzaken, is na 4 jaar beperking van de openingstijden niets veranderd, zo staat in de Evaluatie p.16.[2] Niettemin beweert hij dat de maatregel verbetering heeft gebracht.

Het opleggen van het collectieve sluitingsuur in 2016 moeten wij volgens de aanbiedingsbrief bij de Evaluatie van 19 maart 2019 zien als een “sluitstuk” van een breed pakket van maatregelen. Maar ook dat brede pak­ket van maatregelen (het eerste Plan van Aanpak dateert van 2004) heeft er dus kennelijk niet toe geleid dat de “criminele schaduweconomie” op de Straatweg anno 2020 is terug­gedrongen.

Met deze Evaluatie geeft de burgemeester zichzelf en zijn voorgangers vanaf 2004, goed beschouwd, een brevet van onvermogen: 16 jaar lang bestuurlijk falen. Hoe hij met deze Evaluatie zijn besluit van 12 april 2016 alsnog meent te kunnen onderbouwen is onduidelijk. Het zou beter zijn als de bur­ge­meester zich zou afvragen wat hij zelf , zijn voorgangers, de afdeling Openbare Orde en Veiligheid en de afdeling Handhaving, verkeerd hebben gedaan en hebben nagelaten. Maar die vraag wordt in de Evaluatie natuurlijk niet gesteld.

Wat uit de Evaluatie geenszins blijkt is dat de döner-, kebabzaken, de Marokkaanse broodjeszaken  en het Turkse koffiehuis (zeg maar de allochtone horeca) nachtelijke overlast veroorzaakt, laat staan dat zij ook maar iets te maken hebben met de “criminele schaduw economie”, waar volgens de Eva­luatie sprake van is. Wat ook niet uit de Evaluatie blijkt is hoe het opleg­gen van vervroegde sluitings­tij­den kan helpen tegen een criminele schaduw economie als die overdag en in de avonduren gewoon door kan gaan. Na lezing van de Evaluatie valt niet te ontkomen aan de conclusie dat de horecaon­der­ne­mers op het midden­stuk van de Straatweg collectief door de burgemeester zijn en worden gestraft  voor het jarenlange (minstens 16 jaar!) ontbreken van een doordacht en effectief beleid om de leef­baarheid op de Amsterdamse straatweg te verbeteren, waarvoor hij, zijn voorgangers, de dienst Openbare Orde en Veiligheid en de dienst Handha­ving  voor verantwoordelijk zijn.

Zie de volledige reactie op de Evaluatienota van de burgemeester hier.‘Evaluatie van de collectieve sluitingstijden op een gedeelte van de Amsterdamsestraatweg’ – Voorbeeld van bestuurlijke incompetentie en vooroordeel

[1] https://ris2.ibabs.eu/Reports/ViewListEntry/Utrecht/75ae273c-1db2-411f-98bb-ad31183e88a9

[2]Er was en is een criminele schaduweconomie, die zich overigens niet beperkt tot dit deel van de Amsterdam-sestraatweg

Sluiting van een jaar voor bingo in koffiehuis tijdens de Ramadan

Vorig jaar 25 mei vond een inval plaats bij Koffiehuis Transwijk door horeca-inspecteurs van VTH (Vergunning, Toezicht en Handhaving), ondersteund door de politie. Er was 14 dagen eerder een zogenaamde anonieme melding binnengekomen dat er bingo werd gespeeld! Bingo wordt in veel buurthuizen, bejaardenhuizen en recreatieoorden gespeeld. Maar als het gespeeld wordt in een café of koffiehuis zonder vergunning, is het illegaal. Het is maar dat je het weet. De meeste mensen weten het niet en de exploitant van het koffiehuis wist het ook niet.

VTH had verwacht een grote criminele zaak te hebben waar veel geld omging, maar dat bleek enorm tegen te vallen. Illegaal gokken kon je het nauwelijks noemen. Er werd in totaal niet meer dan 300 euro aangetroffen en de prijzen waren heel gewoontjes: een cadeaubon van 20 euro, een paar keer gratis naar de kapper, een tosti-apparaat, van die dingen. De bingo werd overigens alleen gespeeld tijdens de Ramadan, zoals dat elk jaar gebeurde.  Daar werd ook geen geheim van gemaakt en VTH bleek daar ook al jaren van op de hoogte. De opbrengst werd overigens gebruikt om iedereen aan de iftarmaaltijd te kunnen laten meedoen.

Voor straf werd de exploitatievergunning van het koffiehuis voor een heel jaar ingetrokken en de exploitant kan beter een andere baan zoeken, want hij is nu niet meer ‘van onbesproken levensgedrag’ en dat is een vereiste om in de horeca te mogen werken. Dat betekent dus een heel jaar huur betalen en geen omzet maken. Zo’n straf betekent al snel faillissement en schuldsanering. En dat omdat er tijdens de Ramadan bingo werd gespeeld. Onze vriendelijke burgemeester Van Zanen blijkt een bijzonder hardvochtig man; hij had ook met een waarschuwing kunnen volstaan.

Als je het proces verbaal leest dat VTH heeft opgesteld van de inval op 25 mei, krijg je de indruk met een doortrapte bende te maken te hebben, die maar al te goed weet bezig te zijn met illegaal gokken. Buiten zouden mensen op de uitkijk hebben gestaan, camera’s buiten zouden er zijn om tijdig toezichthouders te zien aankomen, de inspecteurs zouden eerst niet binnengelaten zijn. De hele beschrijving is er onmiskenbaar op gericht goed uit te laten komen dat de exploitant donders goed wist iets te doen wat door de wet verboden is en dus heimelijk moest plaatsvinden.

Wat echter niet in het proces verbaal en ook niet in het besluit tot intrekking van de vergunning wordt vermeld, is dat de exploitant, toen de inspecteur zijn boekhouding opeiste, een factuur liet zien, met een stempel “geboekt” daarop, waaruit bleek dat hij op 14 april 300 euro huur had betaald voor de huur van het bingo-apparaat en dat die factuur netjes in zijn boekhouding zat. Dat zou hij beslist zwart hebben betaald als hij geweten had dat bingo verboden was. Een overtuigend bewijs dus dat de exploitant zich van geen kwaad bewust was. Die betaalde factuur in zijn boekhouding staat dus haaks op de bevindingen in het ‘ambtsedig’ opgemaakte proces verbaal en dus werd die door VTH, die wel degelijk van het bestaan van de factuur op de hoogte was, in het besluit niet genoemd.

De onschuldige prijsjes worden in het proces verbaal en in het besluit ook niet genoemd. Die pasten duidelijk niet bij wat de inspecteurs en VTH wilden aantonen en werden dus weggelaten. Kortom, een klassiek geval van  wat tunnelvisie pleegt te worden genoemd. VTH wil het in het proces verbaal en in het besluit zo graag doen voorkomen dat hier iets heel crimineels is opgespoord dat feiten die op onschuld wijzen niet worden genoemd. Dat de exploitant een jaar omzet moet missen, wel huur moet betalen en mogelijk financieel aan de grond raakt is voor VTH kennelijk van ondergeschikt belang.

De afdeling VTH, die sinds 2016 wist dat er tijdens de Ramadan bingo werd gespeeld, had de exploitant er ook op kunnen wijzen dat hij veertien dagen van tevoren even een vergunning moest aanvragen. Dan was de bingo legaal geweest. Het beroep tegen het besluit intrekking wordt maandag 9 maart 9.45 uur door de rechtbank Utrecht behandeld.

‘Slecht levensgedrag’: Gemeente Utrecht gaat de PVV achterna

Met een ‘slecht levensgedrag’ krijg je geen horeca exploitatievergunning. Het college wil dat uitbreiden zodat je met een ‘slecht levensgedrag’ geen enkel bedrijf mag uitoefenen. Dus ook geen winkel, kantoor of ambacht. Dat zou dan gelden in gebieden die daartoe door de burgemeester (zonder inspraak van de raad) worden aangewezen. Dat is de strekking van het nieuwe voorgestelde artikel 2:47 in de APV.

Van een ‘slecht levensgedrag’ wordt uitgegaan als je in het recente verleden bent bestraft ivm een strafbaar feit. Nu blijkt uit politiestatistieken dat bij allochtonen veel vaker sprake is van een ‘slecht levensgedrag’. Het logische gevolg is dat de vergunning om een bedrijf te beginnen of voort te zetten veel vaker juist aan allochtonen wordt geweigerd.

Bijna 63% van alle gedetineerden is allochtoon, terwijl allochtonen slechts 22% van de totale bevolking uitmaken. De kans om in de gevangenis te belanden is voor een allochtoon zes keer groter dan voor een autochtoon. Diezelfde oververtegenwoordiging zien we ook bij allochtone jongeren die door de politie worden opgepakt en voor de rechter worden gebracht. Racisme is bij ons net zo ingeburgerd als in de VS.

Allochtone jongeren van 12 tm 17 jaar worden door de politie veel vaker geverbaliseerd en voor de rechter gebracht dan autochtone jongeren. Bij jongeren met een Marokkaanse achtergrond is dat 8,4 keer zo veel, bij jongeren met een Turkse achtergrond is dat 2,7 keer zo veel en bij jongeren met een Antilliaans/Arubaans achtergrond is dat 3 keer zo veel.

Opmerkelijk is dat uit onderzoek naar de ‘zelfgerapporteerde’ criminaliteit onder jongeren door het WODC (Wetenschappelijk onderzoek- en documentatie Centrum van het ministerie van Justitie) blijkt dat er nauwelijks verschil is tussen de zelf gerapporteerde criminaliteit van jongeren met een allochtone- en autochtone achtergrond. resp 45% en 47,1%. De WODC heeft dit onderzoek al veel vaker gedaan en komt telkens tot dezelfde conclusie.

De conclusie ligt voor de hand dat de oververtegenwoordiging van allochtone jongeren in de politiestatistiek te maken heeft met discriminerende wetshandhaving, vooroordeel bij de politie en vooroordeel bij het publiek (dat eerder verdacht allochtoon gedrag dan -autochtoon gedrag meldt). De politie is veel vaker geneigd een allochtoon te verdenken en op te pakken dan een autochtoon en een aangifte tegen een allochtoon wél in behandeling te nemen dan een aangifte tegen een autochtoon.

Het feit dat een allochtoon een aanzienlijk grotere kans heeft door de politie opgepakt te worden en in de gevangenis te belanden, terwijl de criminaliteit onder allochtonen gelijk is (zelfs iets lager!) aan die van autochtonen valt slechts als pure discriminatie te kwalificeren. Het kwalijke is natuurlijk ook dat vreemdelingenhaters daarmee argumenten aangereikt krijgen om te roepen dat het land zonder allochtonen veiliger zou zijn.

Doordat allochtonen veel keer vaker veroordeeld worden, worden zij dus ook veel vaker geacht een ‘slecht levensgedrag’ te hebben waardoor hen een horeca exploitatie vergunning wordt geweigerd/afgenomen. De discriminatie in de strafrechtvervolging leidt tot discriminatie bij de horeca vergunning verlening. Het College stelt nu voor de discriminatie nog verder uit te breiden tot alle vormen van bedrijvigheid in daartoe door de burgemeester aan te wijzen gebieden.

Wat we dus gaan zien is, als het College zijn zin krijgt van de gemeenteraad, is dat veel allochtone bedrijven in de problemen komen en de bedrijfsvoering moeten staken omdat ze niet door de ‘slecht levensgedrag’-toets komen of in jaren lange procedures terechtkomen. Een goed bericht voor partijen als de PVV en FvD die allochtonen het liefst helemaal uit het straatbeeld zouden zien verdwijnen. Die zullen de partijen in de raad die hier mee instemmen dankbaar zijn.

https://controlealtdelete.nl/dossier/waarom-komen-jongeren-met-een-migratieachtergrond-vaker-voor-in-politieregistraties

Discrimerend horecabeleid


Discriminerend horecabeleid

In juni 2016 besloot Utrechts burgemeester Van Zanen (VVD) een collectief vervroegd sluitingsuur op te leggen aan horecazaken op de Amsterdamsestraatweg tussen het spoorviaduct en de Acaciastraat (250 meter). Dat houdt in dat ze door de week om 01.00 uur dicht moeten en in het weekend om 02.00 uur. Laat genoeg zou je zeggen, maar als regel mag de horeca in Utrecht 24 uur per etmaal open zijn.

Als argument voerde Van Zanen aan dat het woonklimaat tussen het spoorviaduct en de Acaciastraat erg onder druk stond, meer dan het geval zou zijn in andere delen van de stad en de Amsterdamsestraatweg. Hij baseerde zich op het aantal bij de politie binnengekomen klachten/meldingen in de periode maart 2014 – juni 2016.

Klachten/meldingen die bij de politie binnenkomen worden in categorieën geregistreerd. Bijvoorbeeld: geluidshinder horeca, ruzie/twist, eenvoudige mishandeling, flessentrekkerij, dronkenschap, bedreiging, maar ook ‘afhandeling overige meldingen’, overtreding APV, opgeven valse identiteit. De klachten/meldingen worden geregistreerd per pleegbuurt én per adres.

Dat een klacht/melding per adres wordt geregistreerd kan betekenen dat de klacht betrekking heeft op iets wat op dat adres is gebeurd, maar kan ook betekenen dat het op de openbare weg is gebeurd ter hoogte van het vermelde adres. De klachtregistratie hoeft dus niet te betekenen dat in een horecazaak op het registratieadres iets is gebeurd wat voor overlast zorgt.

Uit de klacht/melding van de politie blijkt ook niet of de klacht/melding naar het oordeel van de politie gegrond was. De vraag is dus of je, zoals Van Zanen doet, de beslissing om aan een aantal horecazaken een collectief vervroegd sluitingsuur op te leggen zonder meer kunt baseren op de klachtregistratie van de politie.

Voor Van Zanen was het ontbreken van deugdelijke bewijsmateriaal voor de overlast van horecazaken op de Amsterdamsestraatweg geen probleem. Voor bestuurlijk en ambtelijk Utrecht is het feit dat er veel allochtonen wonen en een bedrijf hebben op zich al voldoende bewijs voor overlast. Dat was trouwens onder Aleid Wolfsen, Annie Brouwer en ook onder wethouder Hans Spekman niet anders.

De horecazaken die door het collectief vervroegd sluitingsuur getroffen werden zijn zonder uitzondering horecazaken met allochtone namen en eigenaars. In tegenstelling tot café’s in de binnenstad (met vrijwel alleen witte bezoekers, vaak studenten) is er van alcohol misbruik en dronkenschap nauwelijks sprake. Het gaat om shoarma/giros-zaken, Chinese- en Surinaamse afhaal en een theehuis.

Wat Van Zanen kennelijk overbodig vond is het aantal klachten op de Amsterdamsestraatweg vergelijken met die in de binnenstad. In beide gevallen gaat het immers om ‘gemengd gebied’ (waar ook gewoond wordt). Het aantal klachten/meldingen op de Amsterdamsestraatweg zinkt in het niet vergeleken bij  die in de binnenstad. Dus waarom legt Van Zanen niet eerst een collectief vervroegd sluitingsuur op aan de witte horeca in de binnenstad?

Het hoogst op de Amsterdamsestraatweg scoort nr.206:  17 klachten. In de binnenstad scoort Nobelstraat 303 (Cafe de Kneus) het hoogst 116 klachten, Loef Berchmakerstraat 4 (Back & Fourth) volgt met 54 klachten, Mariaplaats 11 (Streetway) 43 klachten, Nobelstraat 383 (Otje) 40 klachten, Rozenstraat 15 (Stathe) 29 klachten, Mariaplaats 14 (Sociëteit/Mammoni) 21 klachten. Oude Gracht 32 (SSR-NU) 18 klachten. **

Opmerkelijk is dat er ook over de Mariaplaats 14 méér klachten/meldingen zijn (namelijk 21) dan over Amsterdamsestraatweg 206. Van Zanen is erelid van de aldaar gevestigde Heeren sociëteit. De Heeren in Utrecht zijn wit en hoger opgeleid, zoals de meeste bezoekers van de horeca in de binnenstad. De enorme horecaoverlast in de bínnenstad is voor Van Zanen géén reden voor een vervroegd sluitingsuur.

Sterker nog, de horecaoverlast in de binnenstad mag van het college nog best een stuk erger. “We willen aan restauranthouders de mogelijkheid bieden om ook na het eten een beleving aan te bieden”. “Deze ondernemers kunnen dan bijvoorbeeld als het diner is afgelopen een dj in de zaak zetten zodat de gasten nog gezellig kunnen blijven borrelen.” Aldus D66 wethouder Kreijkamp*.

Witte overlast valt voor Van Zanen, het college en de Utrechtse raad kennelijk onder de categorie “dat moet kunnen, wij zijn vroeger ook jong geweest”. Geen vervroegd sluitingsuur dus voor de horeca in de binnenstad, want een beetje kotsen en schreeuwen op straat, vrouwen lastig vallen en snoeiharde muziek tot diep in de nacht hoort erbij. Zolang het maar om witte en hoger opgeleide horecabezoekers gaat.

In februari 2019 keurde de Raad van State het besluit van de burgemeester af en moest hij zijn besluit op bezwaar overdoen. In september 2019 nam hij eindelijk een nieuw besluit op bezwaar, waarin hij bij zijn standpunt bleef.  Uit meldingen & klachten  van de politie bleek dat in 2016 nauwelijks nachtelijke overlastklachten waren. De burgemeester besloot toen dat de cijfers van de politie niet met de realiteit in overeenstemming waren en dat hij zijn zonder zulke objectieve feiten zijn besluit mocht nemen. De gedupeerde ondernemers van de ASW hebben opnieuw beroep ingesteld.

Schurkenstaat van William Blum

De vorige week op 85 jarige leeftijd overleden William Blum schreef onder andere ‘Schurkenstaat. De buitenlandse politiek van de enige supermacht ter wereld’, vertaling van Rogue State: A Guide to the World’s Only Superpower (2000).

De titel dekt niet helemaal de inhoud, want Blum gaat uitvoerig in op de schending van mensenrechten in de VS zelf en de politiestaat die de VS is voor iedere Amerikaan die het waagt kritiek te hebben op de overheid en voor iedereen die behoort tot de vele gediscrimineerde minderheidsgroepen. Hoofdstuk 27 bevat een lange opsomming van voorbeelden van de rechteloosheid en de terreur waaraan kritische- en tweederangs Amerikanen blootstaan.

Wat de ‘buitenlandse politiek’ van de VS betreft beschrijft Blum een hele lange reeks van militaire-, economische-, en subversieve interventies in de binnenlandse politiek van alle landen in de hele wereld die dreigen niet of niet meer aan de leiband van de VS te willen lopen, d.w.z. hun land niet of niet langer door Amerikaanse multinationals willen laten plunderen.

Behalve op de onvoorstelbaar omvangrijke bombardementen op o.a. Vietnam, Laos, Cambodja, Korea, Irak, Afghanistan, Joegoslavië die tientallen miljoenen burgerslachtoffers hebben gemaakt, gaat Blum uitvoerig in op de opleiding van en de steun aan moordcommando’s die  opstand moeten onderdrukken tegen de door de VS geïnstalleerde corrupte- en dictatoriale marionetten regeringen.

Wat moeilijk te begrijpen is is dat de voorbeelden van interventies die Blum geeft eigenlijk best bekend zijn bij het brede publiek, maar dat de VS niettemin niet door de hele wereld wordt uitgekotst. Blum schrijft dat toe aan de beïnvloeding van de media waar door de VS vele miljarden in worden geïnvesteerd. Ik denk dat West Europese regeringen en bedrijfsleven zo met de VS verknoopt zijn, dat het in feite één pot nat is.

Wat ik heb gemist in Blum’s boek is een verklaring voor het uiterst misdadige binnenlandse- en buitenlandse gedrag van de VS. Natuurlijk: de VS wil de aanvoer van goedkope grondstoffen uit de hele wereld veilig stellen, maken dat Amerikaanse ondernemingen zich overal ter wereld kunnen vestigen zonder noemenswaardige belasting af te dragen, maken dat Amerikaanse ondernemingen hun producten overal ter wereld kunnen afzetten zonder importbeperkingen. En omdat allemaal te kunnen bereiken haalt de VS alles uit de kast om regimes aan de macht te helpen die naar de pijpen van de VS dansen.

De achterliggende vraag waar Blum (in dit boek) niet op ingaat is, misschien omdat voor hem het antwoord wel duidelijk is, is de vraag of dit criminele en immorele gedrag niet verklaard kan worden uit het systeem van ongebreideld kapitalisme dat aan schurken en psychopaten niets  in de weg legt om de macht te grijpen en niet alleen de eigen bevolking maar zo’n beetje de hele wereldbevolking te terroriseren.

Witte Onschuld, racisme en kapitalisme

Witte Onschuld van Gloria Wekker is een belangrijk maar moeilijk leesbaar boek. Je moet thuis zijn in het onderwerp, vertrouwd met het jargon en je moet er de tijd voor nemen. Een citaat:

Ik begrijp  het Nederlandse metropolitane zelf, in zijn diverse historische incarnaties, als een geracialiseerd zelf, met ras als een organiserende grammatica van een imperiale orde waarin moderniteit is gevangen” (p.35).

Wekker schrijft over reacties op haar boek in de pers (p.244)  “aan de inhoud van en de argumentatie in het boek [is] in veruit de meeste reacties in veel dagbladen niet of nauwelijks aandacht besteed. Het lijkt erop dat men er kennis van heeft genomen dat het boek verschenen is, men heeft twee of drie steekwoorden opgepikt en baseert zijn/haar mening op merkwaardige conclusies die aan mij worden toegeschreven”. Die indruk heb ik ook. Ik heb daarom een samenvatting gemaakt  Witte Onschuld (samenvatting) voor hen die niet van de pers afhankelijk willen zijn. Ik hoop dat de samenvatting een aanmoediging is om het boek zelf te lezen.

Wat Wekker in het boek probeert duidelijk te maken is dat racisme gebaseerd is op opvattingen en beelden waarmee we zijn grootgebracht, die  van generatie op generatie zijn overgedragen en deel zijn gaan uitmaken van wat zij navolging van Edward Saïd het ‘cultureel archief’ noemt. Dat cultureel archief zou in het geval van witte Nederlanders in hoge mate gevormd zijn door hun geschiedenis als koloniale supermacht en houders en handelaars in slaven. Wekker omschrijft het cultureel archief als alles wat tussen de oren zit en hoe witte Nederlanders in het algemeen zichzelf en niet-witte Nederlanders zien, ook zon­der dat ze daar erg in hebben en terwijl ze het verontwaardigd ontkennen.

Dat racistische opvattingen een belangrijke rol spelen in het denken van witte Nederlanders en dat veel wit­te Nederlanders dat verontwaardigd ontkennen behoeft wat mij betreft geen betoog. Wat denk ik niet vanzelfsprekend is is dat dat racisme grotendeels moet worden toege­schre­ven aan een in de loop van eeuwen gevormd cultureel archief. Daar gaat zij als vanzelfsprekend van uit, maar de grote vraag is of dat terecht is. Dat er zoiets bestaat als een cultureel archief, dat de inhoud ervan veelal ont­leend is aan lang­durige kolo­niale ver­hou­dingen en slavernij is weliswaar aanneme­lijk , maar het verklaart daarom nog niet waarom witte Nederlanders zich dat cultureel archief eigen (blijven) maken en er geen afstand van doen, alsof daar geen keuze aan te pas komt. En het verklaart evenmin de verontwaardigde ontken­ning als ze daarop gewezen wor­den.

Het zit tussen hun oren’, ‘zo zijn ze opgevoed’, ‘het zit hem in hun cultureel archief’  is een vergoei­lijkende verklaring voor racistisch gedrag. Dat heb ik er op tegen: ze kunnen er eigenlijk niet zoveel aan doen, ze weten niet beter’. Het is een manier om de ver­ant­­woordelijkheid voor wat mensen doen en denken bij de omgeving, de ouders, de geschiedenis te leggen in plaats van bij henzelf. Het is ook een argument dat gebruikt wordt om onwelgevallige verandering tegen te houden: het volk zou de kluts kwijtraken doordat die veranderingen hun cultureel archief in de war brengen. De onderliggende aanname is dat de culturele bagage waarmee men­sen wor­den grootgebracht een bijzonder taai leven leidt, maar voor die taai­heid bestaat weinig bewijs en er zijn veel voorbeelden van veranderingen die door de burger juist gretig worden geaccepteerd ook als hun cultureel archief daardoor op de helling moet. Of dat culturele archief er al of niet bij wordt gehaald hangt denk ik erg af van de vraag of de veranderingen die niet met het culturele archief stroken gewild worden of niet.

De burger moet leren omgaan met flex-werk, moet er maar aan wennen dat hij langer moet werken voordat hij met pensioen mag, moet er maar aan wennen dat hij regelmatig moet worden omgeschoold. Zijn ruimtelijke omgeving wordt voortdurend op de schop genomen. Hoewel mobieltjes, computerspelletjes, auto’s en betaalbare vliegvakanties, de toegenomen koopkracht, de producten van de vermaakindustrie zijn leven ingrijpend veranderen en hem dwingen zijn cultureel archief te herzien is dat voor de meeste mensen in het geheel geen reden om al die nieuwigheid niet gretig te accepteren. Wat ik probeer duidelijk te maken is dat mensen niet overgeleverd zijn aan een bepaald cultureel archief, maar het daar in hoge mate zelf naar maken en er dus zelf voor kiezen. De reden dat men zich een bepaald cultureel archief eigen maakt en waarom men daar geen afstand van wil doen is voor de vraag waarom racisme (voort)bestaat minstens zo belangrijk als de vraag op de beantwoording waarvan Wekker zich toelegt, namelijk hoe dat culturele archief er precies uitziet en hoe dat in de loop van vier eeuwen vorm heeft gekregen.

Anil Ramdaz wees in de NRC 31-1-2005 op het onderzoek van Elias en Scotson waarin de relatie werd beschreven tussen ‘gevestigden’ en ‘buitenstaanders’. In beide gevallen ging het om witte Engelse ar­beiders. Het verschil was dat de gevestigden ‘van hier’ waren en de buitenstaanders nieuwkomers die zich kort ge­leden in de wijk hadden gevestigd. De negatieve beelden die gevestigden zich van de nieuwkomers ontwikkelden onderscheidden zich nauwelijks van de beelden die witte Neder­landers zich van migranten vormen en van de bevolking van voormalige koloniën. Kennelijk zijn zulke negatieve beelden dus ook mogelijk zonder kleurverschil, zonder de komst van migranten en zonder (koloniaal) cultureel archief. Waarschijnlijk is dat de gevestigden de neiging hadden de nieuwkomers buiten te sluiten en te stigmatiseren omdat ze die zagen als een bedreiging voor hun banen, woningen en posities in het sociale leven.

Europese landen als Zwitserland, Noorwegen, Polen, Hongarije hebben geen verleden als koloniaal overheerser. Niettemin lijkt de komst van vluchtelingen daar min of meer dezelfde racis­tische vooroordelen op te roepen als in landen die wél een koloniaal verleden hebben. Overigens, de eerste Europese kolonisten/conquistadoren in de zestiende eeuw ontpopten zich meteen al toen ze voet aan wal zetten als wrede onderdukkers. Hun koloniaal archief moest zich toen nog vormen. Lees  het Zeer Beknopt Relaas van de Verwoesting van de West-Indische Landen van de Spaanse priester Bartholomé de Las Casas (1552). *

Het onderzoek van Elias en Scotson, het racisme in landen zonder koloniaal verleden en de wrede onderdrukking door de eerste kolonisatoren/conquistadoren wijzen erop dat het cultureel archief dat door Wekker in Witte Onschuld aan de kaak wordt gesteld in plaats van oorzaak gezien moet worden als het gevolg van wreed en onderdrukkend gedrag.: als een rechtvaardiging. Opmerkelijk is dat Wekker, die het cultureel archief dus presenteert als oorzaak van en ver­klaring voor wit racisme, een treffend voorbeeld geeft waaruit juist het omgekeerde valt op te maken: dat de wrede en egoïstische behandeling van onderworpenen en slaafgemaakten er eerst is/was en de ra­cistische stereotyperingen daarna.

Wekker schrijft op p. 185/186 over de Britse plantageplanter Thistlewood omstreeks 1750. Die dwong in de loop van 10 jaar vrijwel alle 27 tot slaaf gemaakte zwarte vrouwen plus 15 van hun dochters tot seks.  Wat hem dreef was  o.a. ‘de bedwelming van een onbelemmerd eigendom van de tot slaaf gemaakte vrouwen’. Maar om zichzelf niet als een brute verkrachter te hoeven zien, maakte hij zich wijs dat zwarte vrouwen excessief genieten van seks. Kortom: eerst zijn er de verkrachtingen en om de wreedheid daarvan te kunnen ontkennen wordt bedacht dat zwarte vrouwen wild zijn van seks en dus krijgen wat ze willen als ze worden verkracht.

Thistlewood was in 1750. Américo Vespucio stierf in 1512 en had toen naar zijn zeggen vier reizen ondernomen naar Amerika. Hij schreef er in el-nuevo-mundo over waarschijnlijk zoals hij zich het paradijs voorstelde: prachtige welgevormde naakte vrouwen, die door hun excessieve lust maken dat de private delen van hun partner zo enorm opzwellen dat het hen noodlottig wordt. Krijgen ze de kans met christenen te copuleren, dan worden het beesten (se pervertian staat er in de Spaanse tekst). Wat er eerder was, het koloniaal cultureel archief of de seksuele fantasie van de eerste witte conquistadores die op zoek waren naar het paradijs, daar lijkt weinig discussie over mogelijk.

Dankzij Marco Polo wist heel Europa van de fabuleuze rijkdom in de Oriënt. Door de val van de Kan dynastie in China en de bekering tot de islam van de Mongolen die Perzië bestuurden, was de route van Marco Polo naar de Oriënt geblokkeerd. Dat bracht de Florentijnse Paolo dal Pozzo Toscanelli er in 1474 toe de koning van Portugal en daarna Columbus voor te stellen de Oriënt te bereizen via de route westwaarts over zee. Aldus Popham. **  De beroemde Latijns Amerikaanse schrijver Eduardo Galeano schrijft “Op 12 oktober 1492 ontdekt het Kapitalisme Amerika. Columbus, gefinancierd door de koningen van Spanje en de banken in Genua, bracht de nieuwigheid (hij bedoelt dus het kapitalisme) naar de Caribische eilanden”. ***

De eerste conquistadores beschouwden Amerika met al zijn rijkdommen en vruchtbare gronden als hun eigendom. Voor zover de oorspronkelijke bevolking niet werd uitgemoord en stierf aan geïmporteerde ziektes werd ze als lijfeigenen behandeld en aan het werk gezet in mijnen en op landerijen. Al vrij snel waren er niet meer genoeg ‘Indios’ en werden slaven aangevoerd uit Afrika. De slavenaanvoer uit Afrika kwam in 1502 op gang. Om mensen af te kunnen slachten, wreed en als slaaf te kunnen behandelen/verhandelen is het nodig ze te kunnen zien als inferieure niet-mensen, als een inferieur ras. Kortom, eerst was er de zucht naar rijkdom, het moorden en de uitbuiting en om daar uitvoering aan te kunnen geven werd bedacht dat het toch maar ging om een inferieur ras.  In 1502 was er nog geen sprake van koloniaal cultureel archief.

Door sommige historici die het nodig vinden om de slavernij en slavenhandel ‘in die tijd’ te vergoeilijken wordt aangevoerd dat de normen op grond waarvan wij tegenwoordig de slavernij veroordelen toen nog niet golden. Uitgerekend in het geval van Europese conquistadores is dat een slecht argument. Die gingen er immers prat op christelijk te zijn en de christelijke religie roept op tot liefde voor de naaste én de vreemdeling omdat elk mens het evenbeeld zou zijn van God. Juist omdát de christelijke norm van naaste- en vreemdelingenliefde betekenis voor hen had was het nodig om slaven en onderworpenen te kwalificeren als niet-mensen, als een inferieur ras. Met andere woorden: die normen waren er toen al wel degelijk.

Conclusie: kennelijk is een koloniaal cultureel archief helemaal niet nodig om racistisch gedrag en denken te verklaren. Eerst is er de drang toe te geven aan de impuls zich machtig, sadistisch en egoïstisch te gedragen en bij wijze van rechtvaardiging worden dan racistische stereotypen omarmd en als die nog niet bestaan worden ze gecreëerd. Zolang het macht, aanzien en geld oplevert bevolkingsgroepen als inferieur te kunnen behandelen, zolang zullen er racistische stereotypen bedacht worden. ‘Je kunt geen kapitalisme hebben zonder racisme.’ (Malcolm X, 1964). In een samenleving die de welvaart steeds ongelijker verdeelt en mensen die op de vlucht zijn voor oorlog en armoede buitensluit is racisme onuitroeibaar. De discussie over het cultureel archief van witte mensen is, hoewel er geen twijfel over mogelijk is dat het bestaat, om twee redenen minder effectief. In de eerste plaats verschaft het witte racisten een excuus (‘ik kan er niets aan doen, het zit nu eenmaal tussen mijn oren’). In de tweede plaats is het symptoombestrijding: de actie moet gevoerd worden tegen uitbuiting, buitensluiting en ongelijkheid én de mensen die daarvan profiteren en daar niet tegen in actie komen.

www.verbodengeschriften.nl
** Peter Popham Relatos picantes de un florentino, origen del nombre del continente americano. La Jornada 29-2-2012
*** América: Textos de Eduardo Galeano sobre el “Descubrimiento” https://www.servindi.org/node/45857

 

De rechtshulpverlener als vervelende dwarsligger

De redenen waarom de meeste groene en linkse raadsleden mij niet aardig vinden zijn niet moeilijk te begrijpen. Hoewel er van alles op mijn “on-strategisch communiceren” aan te merken is, hou ik het erop dat het niet met mijn persoon te maken heeft, maar met mijn beroep als rechtshulpverlener. Ik doe veel zaken voor burgers die een probleem hebben met de gemeente en veel zaken voor actiegroepen. Als de rechtbank of de Raad van State een besluit of een plan van de gemeente vernietigt door een beroep dat ik ingesteld heb, dan zijn er maar heel weinig raadsleden en wethouders die het opbrengen te denken “we hebben kennelijk iets verkeerd gedaan, goed dat er iemand is die voor de burger of voor de actiegroep naar de rechter is gelopen”. Raadsleden en wethouders hebben sterk de neiging om degene die door de rechtbank in een procedure tegen de gemeente in het gelijk wordt gesteld te zien als een vervelende dwarsligger die de gemeente veel geld kost.

In 2009 werd de gemeente door de rechtbank veroordeeld tot het vergoeden van een dwangsom van 3000 euro aan een actiegroep waarvoor ik beroep instelde. De gemeente moest een besluit voor de tweede keer overdoen en presteerde het om de door de rechter vastgestelde termijn te overschrijden. Het ging om de uitbreiding van het Europaplein. Het commentaar van wethouder Tymon de Weger in de NRC was dat de ambtelijke dienst geen fouten had gemaakt maar dat “Kees van Oosten zet steeds weer andere middelen in om de gemeente dwars te zitten. Dat is zijn enige doel. We hebben een dagtaak aan het behandelen van al zijn bezwaren en brieven.” Zie https://www.nrc.nl/nieuws/2008/06/06/uiteindelijk-zal-doorstroom-autos-verbeteren-11551164-a62132

Ik heb vaak het verwijt gehad dat het ondemocratisch is om naar de bestuursrechter te lopen. Immers, de gemeenteraad is democratisch door het volk gekozen en als die dan een besluit neemt heb je dat als burger maar te accepteren. Een redenering die er ten onrechte vanuit gaat dat een college en een gemeenteraad onfeilbaar zijn, nooit fouten maken, altijd heel precies weet hoe je de wet moet uitleggen en oppermachtig zijn (geen bevoegdheden nodig hebben om besluiten te nemen of zo machtig zijn dat ze zich niets van de wet hoeven aan te trekken). Het moet voor raadsleden en wethouders frustrerend zijn als bij de behandeling van het beroep bij de rechtbank blijkt dat ze allerlei steken hebben laten vallen en kennelijk hun dossiers niet goed bestudeerd hebben. En doordat ik het beroep voor een cliënt/actiegroep instel ben ik dan de gebeten hond.

Wat daar bij komt is dat ik als rechtshulpverlener raadsleden vaak gevraagd hebt iets te doen aan schrijnend onrecht van cliënten. Mijn ervaring is dat raadsleden bij zo’n verzoek de andere kant op kijken om de verhouding met hun wethouder prettig te houden en wethouders gaan daar ook niet op in omdat ze dan van ambtenaren het verwijt krijgen dat hij ze laat vallen. Dat ik raadsleden van tijd tot tijd vraag zich te verdiepen in het onrecht dat een burger wordt aangedaan en dat ze daar dan geen zin in hebben is, denk ik, een belangrijke reden waarom ze mij niet aardig vinden. Het heeft dus met mijn beroep als rechtshulpverlener te maken

Mijn eerste ervaring was Marka Spit (PvdA). Toen ik haar aandacht als raadslid vroeg voor John Tanke (een ggz-patiënt die op een bootje woonde en daar niemand kwaad deed maar van de havenmeester weg moest) zei Spit, voordat ik haar ook nog maar iets kon uitleggen: “U denkt toch zeker niet dat ik iets voor die meneer ga doen”. Spekman liet de kwestie ook liever aan de havendienst over. Tanke kreeg het bevel uit Utrecht te verdwijnen. Anders zou zijn bootje afgepakt en vernietigd worden. Hij is toen naar de gemeente Nieuwegein gegaan met zijn bootje en die gemeente had wel het fatsoen om hem met rust te laten. Die eerste ervaring was voor mij, met mij PvdA-verleden, een grote schok. En daar bleef het niet bij.

Mijn tweede ervaring was het koffiehuis Feminine (Helfrichlaan) van Aisha Karouni. Die mocht wel een koffiehuis beginnen maar dat moest dan wel om 23.00 uur dicht. In Utrecht mochten toen ook al alle horecazaken 24 uur per etmaal op zijn. Een vervroegd sluitingsuur wordt alleen opgelegd als een horecazaak erg veel overlast geeft. Karouni kreeg echter bij voorbaat een vervroegd sluitingsuur. De reden was dat zich wel eens allochtone mannen konden ophouden buiten bij de deur en dat dat passanten zou kunnen intimideren. Zo stond het vrij letterlijk in het besluit op bezwaar. Ik heb daar toen beroep en hoger beroep tegen ingesteld.  Maar wat mij veel meer kwalijk werd genomen was dat ik het besluit racistisch noemde. Burgemeester Brouwer reageerde daar zo hysterisch op dat PvdA-raadsleden als Dibi Bouchra hun mond niet open durfde te doen. Het verdriet dat ik Brouwer had bezorgd vonden de raadsleden veel erger dan het ronduit racistische besluit.

Ik had een handtekening actie georganiseerd van (Marokkaanse) bezoekers van het koffiehuis en de griffie gevraagd of de ondertekenaars dat tijdens de raadsvergadering konden aanbieden aan Brouwer. Die reageerde daar zo hysterisch op dat de vergadering geschorst moest worden om Brouwer te kalmeren. Raadsleden spanden zich vervolgens in om de ondertekenaars te bewegen hun excuus aan te bieden aan Brouwer. Dat deden die mannen. Ze gingen berouwvol om Brouwer heen staan om te vertellen dat die handtekening actie ze verschrikkelijk speet. Ik herinner me dat Brouwer toen heel uit de hoogte knikte en zei “Dat begint erop te lijken”. En de raadsleden waren reuze opgelucht dat Brouwer niet meer boos was. 

Dan is er het geval van de vuilnismannen die bij mij kwamen klagen dat de directeur van de RHD niet alleen een tiran was, maar ook corrupt én dat ze bij alle raadsleden hun verhaal hadden gedaan maar dat die geen van allen iets wilden doen. Toen ik een mailtje stuurde naar Leefbaar-wethouder Gispen kreeg ik een mailtje terug waarin mij gesommeerd werd de namen van die vier klagers aan het college bekend te maken. En zou ik dat niet doen, dan zou de gemeente een strafklacht tegen mij indienen. Toen ik dat potsierlijke mailtje ontving besloot ik die vier mannen in contact te brengen met de krant die daar een groot geruchtmakend artikel van heeft gemaakt  De zaak was bijzonder onverkwikkelijk. Het verhaal staat op mijn website: http://www.keesvanoosten.nl/van-zanen-en-de-dood-van-een-klokkenluider-graaien-in-het-afval/. Lees en huiver over de lafheid van wethouders en raadsleden. Ik herinner me dat de kwestie in een besloten raadscommissie behandeld werd en uiteindelijk geleid heeft tot vervroegd pensioen van de directeur. Dus niet tot een sanctie tegen de directeur.

Dan is er het geval van de autosloper die door de ambtenaren van Harrie Bosch (PvdA) werd weggetreiterd om plaats te maken voor het Leidse Rijn Centrum. Die man zat er al 30 jaar en had de zaak overgenomen van zijn vader die de grond sinds 1958 van de gemeente huurde. De ambtenaren hadden bedacht dat de goedkoopste manier om die man weg te krijgen was om de huurovereenkomst op te zeggen omdat hij zich niet als een behoorlijk huurder zou hebben gedragen. Dan zou de gemeente hem financieel niet hoeven te compenseren. Om bewijs te vinden voor zijn onbehoorlijkheid werden er een aantal inspecteurs op de sloper afgestuurd met de opdracht te zoeken of de man ergens op te betrappen was. Nu was die sloper een hele keurige man, dus dat viel niet mee. Met veel moeite vonden de inspecteurs 2 overtredingen. Een schuur zou in een grijs verleden (1962) illegaal iets groter zijn gemaakt en hij had containers in gebruik (om glas en banden af te voeren) en daar had hij geen bouwvergunning voor (zoals de gemeente ook geen bouwvergunning heeft voor de containers bij de vuilinzamelingsstations op de Tractieweg en in Lunetten). Die man was een cliënt van mij. Harrie Bosch bleef vierkant achter die beulen-ambtenaren staan en raadsleden van de PvdA staken geen poot uit om het voor die sloper op te nemen.

Dan is er het verhaal van de studente die uit haar huurwoning werd gezet omdat ze een huurachterstand had. Haar complete inboedel werd op straat gezet en door de RHD in een vuilniswagen geflikkerd. Weg foto’s, kleren, brieven van oma, giroboekjes, boeken, sieraden. De RHD had dat volgens de regelgeving minstens 2 weken moeten opslaan om haar de gelegenheid te geven de boedel op te halen.Toen ik daar een zaak van maakte schreef de gemeente terug dat de RHD-ambtenaren die de boedel in de vuilniswagen hadden geflikkerd geen enkele blaam trof en geheel volgens de regels hadden gehandeld. Maar toen ik ermee naar de rechter dreigde te gaan kreeg ze een excuus brief en kreeg ze een financiële vergoeding. Ook van die zaak herinner ik me dat er geen raadsleden waren die zich geroepen voelden om het college met de kwestie lastig te vallen.

Om een recent verhaal te nemen: Bart de Vries, invalide, geboren en getogen in Utrecht, krijgt geen urgentie voor een woning omdat hij geen zelfstandige woning achterlaat. Op 15 januari 2018 schrijf ik daar een column over in 030Nieuws en stuur de column naar de raadsleden. Tot op heden géén raadslid dat daar ook maar vragen over stelt, terwijl het het natuurlijk krankzinnig is om in een verordening te zetten dat je alleen maar urgent kan zijn als je een zelfstandige woning achterlaat. Je zou toch zeggen: raadsleden hebben het in hun macht om verordeningen aan te passen. Het onrecht en het leed dat een burger wordt aangedaan door de gemeente, daar worden onze raadsleden niet koud of warm van, het interesseert ze kennelijk geen moer.

Een ander recent voorbeeld. Van Zanen legt aan een aantal Turkse en Marokkaanse horecazaken op de ASW een vervroegd sluitingsuur op omdat de nachtelijke overlast heel groot zou zijn. De zaak loopt bij de rechtbank. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank het college opgedragen die nachtelijke horeca-gerelateerde overlast hard te maken omdat die door het college niet was aangetoond. Uit overzichten van de politie blijkt dat de horeca overlastklachten op de ASW in het niet zinken vergeleken de horeca overlastklachten in de binnenstad en daar doet Van Zanen niets tegen. Ik heb daar een column over geschreven in 030Nieuws (http://www.nieuws030.nl/columns/van-oosten-discriminerend-horecabeleid/) en dat aan de raadsleden gestuurd. Niet één reactie. Politieke partijen die hun mond vol hebben tegen discriminatie! Wat is eigenlijk het verschil met Baudet en Wilders?

Ik kan een boek vol schrijven met voorbeelden uit mijn eigen praktijk als rechtshulpverlener, voorbeelden die stuk voor stuk laten zien hoe vaak raadsleden de andere kant uit kijken als burgers ernstig gedupeerd worden door domme en asociale beslissingen van de ambtelijke dienst. Raadsleden die de mond natuurlijk vol hebben met vrome praatjes over sociaal en opkomen voor burgers. Juist die raadsleden hebben een hekel aan mij en proberen communicatie/discussie met mij zoveel mogelijk te vermijden. Aanvankelijk dacht ik dat dat was omdat ze zich ongemakkelijk voelen als ik dingen aan de kaak stel waar ze liever niets mee doen terwijl ze dat als raadslid wel behoren te doen. Een manier omdat dat ongemakkelijke gevoel niet te hoeven hebben is immers om de boodschapper een vervelende zeikerd te vinden die bovendien de verkeerde toon aanslaat. Dan heb je een excuus om zijn mailtjes niet meer te hoeven lezen.

Waarom schrijf ik ‘aanvankelijk’? Omdat ik er gaandeweg aan ben gaan twijfelen of raadsleden zich überhaupt ongemakkelijk voelen als ze de andere kant uit kijken wanneer een burger bij ze klaagt over de gemeente. Dat veronderstelt namelijk een zekere zelfverwijt omdat je niet doet wat je als raadslid behoort te doen. Noem het schuldgevoel. Ik vrees echter dat dat te positief gedacht is. Ik vrees dat empathie en geweten niet bij alle mensen die zich bijzonder tot het politiek bedrijf aangetrokken voelen sterk ontwikkeld is. Aannemelijker lijkt mij dat voorbeelden waaruit hun onverschilligheid blijkt het beeld kunnen schaden dat zij al twitterend van zichzelf bij het publiek proberen op te bouwen en dat dat de reden is dat lieden zoals ik, die door hun dagelijks werk als rechtshulpverlener een boekje open kunnen doen over hun onverschilligheid en hun onwetendheid, als een risico worden gezien. Veel te riskant om daarmee in debat te gaan en dus moeten die afgeschilderd worden als querulanten waar je maar beter niet naar kunt luisteren.

Jesse Flink: kletspraat over Kanaleneiland

Op Youtube staat sinds oktober 2017 een 20 minuten durende voordracht van Jesse Flink, sinds 8 april 2014 directeur van GEM.Kanaleneiland B.V. een privaat-publieke samenwerking waarin de gemeente Utrecht, de corporaties Mitros en Portaal en aannemer Heymans samenwerken.
Zie https://www.youtube.com/watch?v=aO0Gu2biNbE&t=224s

Het filmpje van de voordracht is interessant omdat het laat zien wie er tegenwoordig feitelijk aan de touwtjes trekken bij de ‘gebiedsontwikkeling’ in Utrecht en wat die voor onzin verhalen ophangen om plannen die gemaakt worden om grof geld te verdienen aan de man te brengen als zou het gaan om het uitvoeren van een maatschappelijke opgave.

Flink vertelt over Kanaleneiland-centrum alsof hij er van begin af aan bij betrokken is geweest. Dat dat duidelijk niet het geval is (hij doet pas mee sinds 2014) blijkt o.a. uit het feit dat hij de plannenmakerij voor de sloop/renovatie in 2005 laat beginnen. Dat is onzin, want de eerste door de corporaties Mitros en Portaal gehouden draagvlakmeting dateert van 2001.

Flink houdt zijn gehoor ook voor dat de reden van die plannenmakerij was de maatschappelijke problematiek die sinds de 70-er jaren in de wijk zou hebben bestaan als gevolg van de toenemend eenzijdige bevolkingssamenstelling. Ook dat is onjuist. Toenmalig CDA-wethouder Haitsma voerde destijds (2000) als reden aan dat de nieuwe stadsentree over de Clausbrug langs de Churchilllaan vroeg om bebouwing van meer allure.

In 2001 sloot de gemeente met de corporaties Mitros, Portaal en BO-EX een overeenkomst ( ‘De Utrechtse Opgave’) om 9600 sociale huurwoningen te slopen en voor 70% te vervangen door vrije sector woningen (huur of koop). Voor deze overeenkomst werden twee argumenten aangevoerd:
– transformatie: de stad moet meer middeninkomens vasthouden en dus moet het % sociale huur omlaag. In 2000 was dat ca. 45%. Dat zou naar 30% moeten.
– omdat corporaties geen subsidie meer kregen van het rijk moesten ze het onderhoud en de renovatie van hun woningen zelf bekostigen uit de verkoop van sociale huurwoningen, d.w.z.  het vervangen van sociale huur door vrije sector woningen.

Dus eerst moesten de flats gesloopt worden omdat de stadsentree over de Clausbrug niet voldoende allure zou hebben, een jaar later was het argument de gewenste ‘transformatie’ van de wijkbevolking en de geldnood van de corporaties. Dus de flats moesten hoe dan ook weg om plaats te maken voor chique woningen, omdat daar aan te verdienen viel en daar werden wisselende argumenten voor bedacht.

Hoezeer de sloop en nieuwbouw een kwestie was en is van geld verdienen en winst maken bleek/blijkt uit ‘Kosten en kostendragers Transformatie Opgave Stedelijke Vernieuwing’ van de in 2001 door de regering ingestelde commissie Koning.

.
Interessant is te weten dat de door staatssecretaris Remkes ingestelde commissie Konings voor de helft bestond uit projectontwikkelaars, die natuurlijk stonden te springen om te verdienen aan de sloop van sociale huurwoningen en het bouwen van vervangende koopwoningen. Eén van de leden was Van Gugten van Proper-Stok (inmiddels Heymans) die flink heeft verdiend aan de nieuwbouw en renovatie in Kanaleneiland.

Jesse Flink, zo blijkt uit zijn verhaal, blijkt van deze voorgeschiedenis niets te weten. Althans, hij maakt zijn gehoor wijs dat het doel van de aanpak van Kanaleneiland was het voldoen aan de maatschappelijke opdracht om de problemen aan te pakken die zouden zijn ontstaan door de verregaande eenzijdigheid van de wijk. Eenzijdigheid que opleiding, etniciteit, gezondheid, werkloosheid.

Wat Flink niet vertelt is dat de gemeente al jaren probleemgezinnen in Kanaleneiland placht te huisvesten. Ook niet dat noch de gemeente, noch Mitros en Portaal optraden tegen probleem huurders die hun portiek terroriseerden. En ook niet dat vooral Mitros de flats al jaren liet verloederen door noodzakelijk onderhoud achterwege te laten. Immers, er woonden toch alleen maar allochtonen, dus waarom zou je de flats nog goed onderhouden?

Dat het argument van de eenzijdige bevolkingssamenstelling er door Flink met de haren bij wordt gesleept blijkt ook uit het vervolg van zijn verhaal. Als er door een kritische toehoorder gevraagd wordt waar de oorspronkelijke huurders zijn gebleven, antwoordt Flink dat die er allemaal voor konden kiezen na de renovatie terug te keren. Erg consistent is dat niet. Die oorspronkelijke bewoners, merendeels Marokkaanse en Turkse huurders, zouden immers (volgens Flink) door hun oververtegenwoordiging de reden van de verloedering zijn.

Overigens, wat Flink kennelijk ook niet weet, is dat de zogenaamde ‘terugkeergarantie’ niets voorstelde, want de huurders die bereid waren te vertrekken kregen wel een verhuisvergoeding om te vertrekken, maar niet om weer terug te keren. Bovendien zou de gerenoveerde woning volgens de plannen tweemaal zoveel huur gaan vergen of alleen maar gekocht kunnen worden omdat ze in de vrije sector werden gebracht. De terugkeergarantie was dus een leugen.

Toen de crisis uitbrak, aldus Flink, gingen de sloop/renovatie plannen de ijskast in. Hij vertelt niet waarom. De reden was dat de corporaties het geld niet meer konden opbrengen om de flats te slopen dan wel te renoveren. In 2008 was het nog steeds de bedoeling dat Mitros en Portaal dat uit eigen middelen zouden financieren. Het feit dat de woningmarkt in elkaar stortte maakte dat Mitros en Portaal niet meer de zekerheid hadden dat de gerenoveerde of nieuw te bouwen flats voldoende zouden opbrengen om de sloop/renovatie/nieuwbouw te bekostigen.

Flink doet het in zijn verhaal voorkomen alsof de gemeente, Mitros en Portaal en aannemer Heymans van het begin af aan (dat begin dateert hij abusievelijk in 2005) samen optrokken. Dat is onjuist. Nadat Mitros en Portaal niet meer in staat bleken om de renovatie/sloop/nieuwbouw uit eigen middelen te financieren, werd in 2008 de GEM, Kanaleneiland. B.V. opgericht waarin naast Mitros en Portaal nu ook Heymans en de gemeente deelnamen. Door de crisis slaagde ook de GEM. Kanaleneiland er niet in de sloop/renovatie/nieuwbouw op gang te brengen. Besloten werd de flats die inmiddels ontruimd waren door de oorspronkelijke huurders tijdelijk te gaan verhuren.

In 2013 ging men in de woorden van Flink anders tegen de maatschappelijke opdracht aankijken. “Betaalbaarheid voor de doelgroep blijft het uitgangspunt”. Grote onzin, want die doelgroep (de oorspronkelijke huurders die volgens Flink allemaal mochten terugkeren) bestond uit voornamelijk uit Marokkaanse en Turkse families die de verdubbelde huren en hypotheken niet zouden kunnen betalen en de verhuizing terug niet vergoed kregen.

Nog bonter maakt Flink het als hij enthousiast gaat vertellen dat er zich in 2013 opeens een nieuwe doelgroep aandiende, de tijdelijke huurders: studenten, kunstenaars, krakers, anarchisten. Alsof die wél 950 euro huur per maand zouden kunnen betalen of het geld zouden hebben om een flat  te kopen. Zoals Flink ongetwijfeld weet zijn de tijdelijke huurders, die overigens stevig werden uitgebuit, voor zover ze niet vrijwillig vertrokken, er door tussenkomst van de rechter uitgegooid. Het verhaal over de nieuwe creatieve doelgroep is dus uiterst hypocriet.

Opmerkelijk is dat Flink vertelt dat de flats bouwtechnisch eigenlijk ‘best wel goed’ waren. Van 2001 tot 2009 beweerden de gemeente, Mitros en Portaal dat de flats bouwtechnisch zo slecht waren dat renovatie geen optie meer was. Een ander voorbeeld dat er telkens een ander argument wordt aangevoerd (een betere entree van de stad, middeninkomens vasthouden, bouwtechnische staat, eenzijdige bevolkingssamenstelling) om te bereiken waar het in feite om gaat: verdienen aan de woningnood.(*)

Aan het eind van zijn verhaal vertelt Flink trots dat de partijen die in de GEB.Kanaleneiland deel nemen hun inleg er na de renovatie en verkoop ruimschoots uit hebben gehaald. De flats zouden door GEM.Kanaleneiland 10% boven de marktwaarde zijn doorverkocht (RTV Utrecht 22-1-2018). Er is dus in elk geval geen sprake van, zoals wel in de kranten te lezen is en zoals de PvdA roept, dat Mitros en Portaal de flats om niet van de hand hebben gedaan.

Kortom: van het voldoen aan een maatschappelijke opdracht, zoals Flink beweert, is volstrekt geen sprake. De oorspronkelijke huurders zijn er net als de tijdelijke huurders uitgewerkt om geen andere reden dan om winst te kunnen slaan uit het omzetten van sociale huurwoningen in vrije sector huur en koop. Daar hebben Mitros en Portaal aan verdiend, daar heeft de gemeente aan verdiend (hogere grondopbrengst, meer opbrengst uit de WOZ en leges), daar heeft het rijk aan verdiend (21% btw) en daar heeft Heymans aan verdiend. Precies zoals in ‘Kosten en kostendragers Transformatie Opgave Stedelijke Vernieuwing’ 2001 werd voor gerekend.

Vooral de sociale huurders zijn de klos (kopers halen hun geld er wel weer uit). In de eerste plaats omdat het % sociale huurwoningen in Utrecht door deze aanpak verder afneemt en de nood aan sociale huurwoningen dus snel toeneemt. In de tweede plaats omdat zij degenen zijn die voor de winsten krom liggen van de corporaties, de gemeente, het rijk en Bouwend Nederland. Jesse Flink beschouwt de gang van zaken echter als een groot succes.

* http://www.allesoverutrecht.nl/opinieutrecht/2009/september/Geplande_verloedering_van_As_van_Kanaleneiland_(2009-09-29).php

ING: krokodillentranen over integer ondernemen

ING weigert geld over te maken dat ingezameld is om Cubanen te helpen na de orkaan Irma. De afkeer tegen het socialistische Cuba zit er bij de ING zo diep in, dat het zelfs weigert 25 euro over te maken naar België op de rekening van de Belgische vereniging Initiativa Cuba Socialista (ICS), te weten de contributie die ik moet betalen om daar lid van te kunnen zijn.

De ING verschuilt zich achter de Amerikaanse regelgeving (de ‘blokkade’) die het zou verbieden om aan transacties mee te werken die direct of indirect zouden kunnen maken dat er geld in Cuba terechtkomt. Volgens ING is het dus de Amerikaanse regelgeving die in de weg staat aan mijn lidmaatschap van het Belgische ICS.

Al jaren laat ik mij de nieuwsbrief toesturen van de Stichting Glasnost. Volgens de nieuwsbrief zelf de best geïnformeerde site over Cuba. Die moet weinig hebben van het socialistische regiem.  Voor ICS is Che Guevara een held, voor CubaGlasnost een moordenaar. Donaties aan Stichting Glasnost kunnen worden overgemaakt op haar rekening bij ING. Dat mag kennelijk wel van de Amerikanen.

Omdat ik meen dat ING handelt in strijd handelt met wat wordt geacht mensenrecht te zijn, namelijk je te mogen verenigen en uitdrukking te geven aan je eigen politieke opvatting, heb ik een klacht ingediend bij het College voor de rechten van de mens. Op 8 januari 2018 wordt die klacht behandelt en moet ING uitleggen waarom mijn contributie niet wordt overgemaakt.

Of de Duitse vereniging die geld inzamelde om Cubaanse slachtoffers van de orkaan Irma te helpen een klacht heeft ingediend weet ik niet, maar ik zal ze aanbieden omdat voor hun te doen. Het saboteren van humanitaire hulp door ING kan niet ongestraft blijven.

ING schakelde naar aanleiding van mijn klacht het duurste en meest prestigieuze advocaten kantoor Stibbe in. Advocaat prof. mr. T Barkhuysen stelde een verweerschrift op. Daarin wordt uitgelegd dat ING heel veel waarde hecht aan integriteit, eerlijkheid en verantwoordelijkheid en dat daarom die contributie dus niet kan worden overgemaakt.

Nu hoef je tegenwoordig op internet ‘ING’ maar in te tikken en je krijgt een hoop berichten en artikelen te zien over corruptie en witwassen waar ING bij betrokken zou zijn, En over niet zo integere investeringen. In projecten waar van kinderarbeid sprake is of steun aan fossiele energie. Kortom: krokodillentranen over integer ondernemen.

ING heeft, als we het betoog van  een prof. mr. T Barkhuysen van Stibbe volgen en even de berichten in de media over corruptie en witwassen vergeten, een integriteitsbeleid dat er op gericht is zich strikt aan wet- en regelgeving te houden, ook de Amerikaanse regelgeving waar Barkhuysen echter slechts in een voetnoot naar verwijst. Dus zonder te verwijzen, zoals een serieuze advocaat zou doen, naar een concrete bepaling waar ING zich aan te houden heeft. Zie verweer ING Stibbe Barkhuysen

Nu lijkt prof. mr. T. Barkhuysen van Stibbe de factsheet van U.S. Treasury Department Office of Public Affairs, waar hij in een voetnoot naar verwijst, zelf niet gelezen te hebben. Want daarin wordt juist opgesomd wat er allemaal wél mag en dat is zoveel dat het echt uitgesloten is dat ING mijn contributie aan de Belgische vereniging ICS niet zou mogen overmaken. Zie mijn Reactie op het verweer van het ING met bijlagen bij reactie op verweer ING.

Het door prof. mr. Barkhuysen opgestelde verweerschrift roept de vraag op: waarom verlaagt een advocaat, een hoogleraar nog wel, van een prestigieus advocatenkantoor als Stibbe, zich om een verweer op te stellen waar ook een niet-jurist die niets af weet van mensenrechten en van de Amerikaanse regelgeving, zo doorheen prikt? Is alles en iedereen te koop?

Wat zou nu de echte reden kunnen zijn dat ING mijn contributie niet wil overmaken aan het socialistische ICS in België, maar geen probleem heeft met CubaGlasnost als klant die niets moet hebben van het socialistische Cuba? Het antwoord ligt voor de hand.

Cuba heeft na de revolutie alle Amerikaanse banken en ondernemingen het land uit gegooid
en zich de eigendom die zij daar in de loop van tientallen jaren bij elkaar hadden geroofd aan het volk teruggegeven. Cuba is voor Amerikaanse banken en multinationals dus de duivel zelf en de grote vrees is altijd geweest dat andere landen, die ook door Amerikaanse banken en multinationals leeggeplunderd worden, het Cubaanse voorbeeld zouden volgen.

ING is al lang geen Nederlandse bank meer, ING is een grote internationale bank die er om zakelijke redenen op uit is goeie maatjes te zijn met Amerikaanse banken en multinationals. En dan moet je laten zien dat je niets maar dan ook niets met Cuba te maken wil hebben. Met wet- en regelgeving en integriteit heeft dat weinig te maken.

 

Biobrandstof een misdaad tegen de menselijkheid *


Voor de productie van één liter bioetanol is 4000 liter water nodig
. Per saldo verhoogt bio­brandstof uitstoot van CO2. Agrobrandstof leidt tot meer honger, onderdrukking en milieu­schade.

De Europese Commissie voert met instemming van de lidstaten al jaren het beleid dat voor de productie van diesel en benzine naast aardolie ook landbouwproducten gebruikt moeten wor­den. Minstens 10% en dat aandeel zou volgens datzelfde beleid met het jaar verhoogd moeten worden. Bioetanol (alcohol) wordt gewonnen uit biet, rietsuiker, graan, mais, e.d. Biodiesel uit plantaardige en dierlijke olie.

De agroindustrie die zich richt op agrobrandstof is booming business. In 2011 werd meer dan 100 miljard liter geproduceerd, waarvoor 100 miljoen hectare landbouwgrond werd gebruikt. Een verdubbeling ten opzichte van 2006.

Het argument om fossiele brandstof te vervangen door biobrandstof is het klimaat. Verwoes­tijning door klimaatverandering is enorm: 44% van de beschikbare landbouwgrond dreigt er door verloren te gaan. Met name in Afrika heeft dat rampzalige gevolgen, omdat daar honder­den miljoenen kleine boeren voor hun bestaan afhankelijk zijn van het snel krimpende areaal landbouwgrond. Volgens de VN is er in Afrika sprake van 25 miljoen eco-vluchtelingen die een heenkomen zoeken in sloppenwijken van grote steden en uitwijken naar landbouwgrond die door anderen wordt gebruikt, wat de oorzaak is van veel gewapende conflicten.

Onder invloed van klimaatverandering wordt vruchtbare grond droog en keihard, zodat die niet meer voor landbouw te gebruiken is. Klimaatverandering leidt ook tot het verdwijnen van gletschers waardoor rivieren wilde vernietigende stromen worden, maar ook de beschikbaar-heid van water snel afneemt.

Dat biobrandstof een oplossing is voor het klimaatprobleem blijkt echter niet het geval te zijn. Voor de verwerking van biobrandstof is namelijk zoveel energie én water nodig, dat het per saldo juist een aanslag is op het klimaat én het milieu én de beschikbaarheid van water.

Heel veel ziektes hebben te maken met vervuild drinkwater: diarree, cholera, dysentrie, hepa­titis, trachoom, tyfus, malaria. In Afrika hebben rond 5 miljoen niet de beschikking over drink­baar water. In Azië gaat hem om 248 miljoen mensen, 92 miljoen in Latijns Amerika en de Cari­ben, 67 miljoen mensen in de arabische landen.

De hoeveelheid energie die nodig is voor de productie van biobrandstof is zo enorm, dat de  productie daarvan per saldo leidt tot een toename van CO2 in de atmosfeer in plaats van tot een afname. En voor de productie van één liter bioetanol is 4000 liter water nodig. Niet alleen volgens ecologisten, maar ook volgens Nestlé leidt de productie van biobrandstof tot extreme armoede van honderden miljoenen mensen. [ii]

 

De echte reden voor biobrandstof

Producenten van biobrandstof in de VS ontvangen jaarlijks miljarden dollar aan subsidie en het bioetanol/biodiesel programma wordt door de VS beschouwd als een zaak van nationale veilig-heid om minder afhankelijk te zijn van olieproducerende landen. Dagelijks verstookt de VS 20 miljoen vaten olie. Het grootste deel (61%) wordt geïmporteerd, voornamelijk uit landen die door de VS worden beschouwd als instabiel. Om de levering van olie uit die landen te garan-deren houdt de VS er een enorme en kostbare legermacht op na in de golf van Perzië, het Midden-Oosten en in Azië. 44% van wat wordt besteed aan militaire uitgaven door landen aangesloten bij de VN wordt door de VS besteed. De VS trekt ook nog eens 3000 miljoen
per jaar uit voor militaire ondersteuning van Israel en 1300 miljoen voor het militaire appa-
raat in Egypte.

(Wat voor de VS geldt, geldt voor het hele geïndustrialiseerde Westen: het veiligstellen van de reuzachtige hoeveelheid aardolie die nodig is om industrie, energievoorziening en transport  aan de gang te houden is overal een zaak van nationale veiligheid en dus wordt de productie van biobrandstof ook door de EU aangemoedigd. CvO)

Voor de productie van 50 liter benzine is 358 kilo maïs nodig. In landen als Mexico en Zambia
is maïs basisvoedsel. De keuze waar het om biobrandstof gaat is eenvoudig. In een volle tank gaat ongeveer wat een kind nodig heeft om een jaar te kunnen eten.

 

Vervloeking van rietsuiker

Biobrandstof is niet alleen een aanslag op het klimaat, drinkwater en de voedselvoorziening, maar ook een aanslag op het fysieke en sociale milieu. In Brazilië bijvoorbeeld.

Kleine boeren, verenigd in de Movimento dos Trabalhadores Sem Terra, verzetten zich tegen het verwerven en in gebruiknemen van staatsgrond door moderne latifundistas (gesteund door westerse financiële instellingen) die zich aangemoedigd door de overheid (‘Plan Proalco­hol’) toeleggen op de productie van suikerriet. Die grond was altijd in gebruik van die kleine boeren, maar die zijn daar verdreven. De regering van Brazilië streeft ernaar 26 miljoen hec­tare vrij te maken voor de productie van suikerriet. Tussen 1985 en 1996 raakten 5,4 mil­joen kleine boeren hun land kwijt aan grootschalige suikerrietbouw en konden als rondrei­zen­de corta­dor (van de ene naar de andere plantage) aan de slag onder omstandigheden die niet veel beter zijn dan toen (1888) de slavernij in Brazilië werd afgeschaft. De suikerrietbouw slokt overigens niet alleen de grond van die kleine boeren op, maar ook steeds meer bosgrond. Vol­gens de Wereldbank zal in 2050 40% van het tropisch regenwoud in Brazilië verdwenen zijn.

Dat groei van de suikerrietproductie ten koste gaat van zoveel kleine boeren heeft tevens tot gevolg dat Brazilië steeds minder zelf voedselgewassen verbouwt en steeds meer moet impor-teren en de voedselvoorziening daardoor steeds meer afhankelijk wordt van fluctuerende prij-zen op de wereldmarkt.

Rekolonisatie

‘Eerst namen ze ons mensen weg, nu pakken ze onze grond af, we beleven de rekolonisatie van Afrika”. Pizo Movedi (Zuid Afrika).

Grondverwerving om biobrandstof te verbouwen vindt plaats in veel landen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Colombia is de vijf na grootste producent van palmolie. Ook palmolie wordt gebruikt voor biobrandstof. Overal waar plantages worden aangelegd voor palmolie worden mensenrechten geschonden, vindt illegale onteigening van grond plaats en gedwongen ver­plaatsing van kleine boeren en “verdwijnen” actievoerende boeren die zich daar tegen ver­zetten.

Tussen 2002 en 2007 werden 13.634 mensen gedood (waaronder 1.314 vrouwen en 719 kin-deren) of “verdwenen” door aanvallen van paramilitairen. Formeel worden inheemse boeren in een gebied van 150.000 hectare wettelijke beschermd en mag hun grond niet opgekocht worden. Dat weerhoudt paramilitairen er niet van ze weg te jagen en multinationals niet om de grond vervolgens in gebruik te nemen als plantage voor palmbomen. De in 2011 gekozen president Álvaro Uribe onderhoudt banden met de paramilitairen en is vriend van de latifun-distas.

De Angolese regering kondigde aan een half miljoen hectare te bestemmen voor de teelt van palmolie. In 2009 begon het Angolze Biocom met het planten van palmbomen. Portugese be-drijven zetten projecten op voor zonnebloem, soja, jatrofa en palmolie om in Europa te ver­werken tot biobrandstof.

In Kameroen zette het half franse Socapalm 58.000 hectare plantages op voor palmolie. In Kameroen gaat dat, samen met plantages voor hout en houtsnippers, ten koste van tropisch  langrijk voor het opnemen van CO2 en voor biodiversiteit. De regering wil daar nog eens 300
á 400 000 hectare voor palmboomplantages aan toe voegen .

Het Chinese bedrijf ZTE kondigde in 2007 aan palmboomplantages in de Republiek Congo te begin­nen voor 3 miljoen hectare. Het Italiaanse ENI voorzag een palmboomplantage  van 70.000 hectare.

Het marxistische Etiopië maakt zich ook met enthousiasme op voor de vervreemding van zijn gronden: 1,6 miljoen hectare aan uiteenlopende investeerders voor suikerriet en palmolie. De multinational Saudi Star heeft zich ontfermt over tienduizenden hectares van de in het land schaarse vruchtbare grond.

In Kenia heeft het Japanse Biwako in 2007 30.000 hectare voor jatrofaolie aangekocht en over-weegt om nog eens 100.000 hectare aan te kopen. Het Belgische HG financiert een project voor 42.000 hectare palmbomen en het Canadese Bedford begint met 160.000 hectare en is van plan om nog eens 200.000 hectare aan te kopen voor jatrofa.

In 2008 sloot de president van Madagaskar in het geheim een overeenkomst met Daewoo voor een miljoen hectare voor palmbomen met als enige tegenprestatie dat Daewoo zelf voor de ontsluiting en irrigatie zou zorgen. Toen dat uitkwam werd de president verjaagd en zijn op-volger ontbond het kontrakt.

Sierra Leone, het armste land van de wereld (80% ondervoed), sloot een overeenkomst met  multinational Addax voor 20.000 hectare vruchtbare grond en een optie voor 57.000 hectare. Bestemd voor rietsuiker. De boeren die het land in gebruik hadden hoorden er bij toeval van.
De investeringen van Addax worden gefinancierd door de Europese Bank en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank. Het probleem in Afrika is over het algemeen dat er geen kadaster bestaat, zeker niet voor grond buiten de stad. Formeel is de grond van de staat en hebben gemeen­schappen van boeren recht van vruchtgebruik.

Addax koos de grond uit langs een rivier die belangrijk is voor watervoorzieningen van de hele streek. Boeren zijn bang dat de plantages van Addax zoveel water uit de grond zuigen en het grondwater verontreinigen dat hún watervoorziening in gevaar komt. In het contract voor 50 jaar is daar niets over geregeld. Addax heeft de boeren in het vooruitzicht gesteld dat zij bij Addax kunnen komen werken. Er zouden 4000 arbeidsplaatsen komen, maar er werken er maar 50 en die verdienen niet meer dan 1,8 euro per dag.

Multinationals kunnen makkelijk lucratieve kontrakten sluiten omdat nationale en lokale bestuurders makkelijk zijn om te kopen. Bijzonder kwalijk is dat institututen als de Wereld-bank, de Europese Investeringsbanken, de Bank voor Afrikaanse Ontwikkeling daarin geen reden zien om van investeringen af te zien.

Biobrandstof brengen overal catastrofes teweeg. Ze ontwrichten de sociale structuur, deci-meren de grond voor akkerbouw en de lokale voedsel voorziening, bedreigen het klimaat en verergeren de honger in de wereld. Op een planeet waar elke vijf seconde een kind onder de 10 jaar sterft van de honger is het speculeren met landbouwgrond en daarvan gebruiken voor biobrandstof een misdaad tegen de menselijkheid.

* Samenvatting van “Los buitres del “Oro Verde” uit Destrucción Masiva, Geopolitici del Hambre van Jean Ziegler, Ediciones Península, Barcelona (2012)

[ii] ‘The real cost of biofuel’, The New York Times 8-3-2008

Het IMF, de Wereldbank en het WTO als engelen van de dood

Samenvatting van ‘Los jinetes des apocalipsis’ * (‘Destruccion Massiva, Geopolitca del Hambre”) van Jean Ziegler, Peninsula Barcelona, 2012.

Helaas is dit boek niet vertaald in het Engels en in het Nederlands. Wél bestaat een Duitse versie “Wir lassen sie verhungern: Die Massenvernichtung in der Dritten Welt”. Wél in het Nederlands vertaald is Jean Zieglers “Haat tegen het Westen”.

Ziegler was 8 jaar speciaal gezant bij de VN voor de honger in de wereld. De honger in de wereld is volgens Ziegler steeds meer de schuld van de rijke landen die de vrije markt aan arme landen opdringen om er zelf beter van te worden.

Drie organisaties die een belangrijke rol spelen bij het ontstaan en de bevordering van honger en armoede in de wereld zijn het IMF (Internationaal Monetair Fonds), de Wereldbank en het WTO (World Trade Organization). De Wereldbank wordt geleid door Robert Zoellnick die de amerikaanse belangen placht te behartigen onder president Bush, het FMI wordt geleid door Christine Lagarde en het WTO door Pascal Lamy. De laatste is nota bene lid van de Franse socialistische partij.

Het IMF en de Wereldbank werden in 1944 opgericht en horen bij de VN. Het WTO staat daar los van. Daar zijn 150 staten lid van. Het WTO werd in 1995 opgericht als opvolger van het GATT, dat na de WO II was opgezet door industrielanden om douanetarieven af te bouwen en zodoende de vrijhandel te bevorderen.

Marcel Mazoyer, hoogleraar verbonden aan het instituut voor agronomie in Parijs, hield de leden van de UNCTAD in 2009 voor dat de liberalisatie van wereldhandel voor wat betreft de landbouw de competitie bevorderde tussen extreem ongelijke producenten, wat alleen maar als gevolg kan hebben een verergering van de mondiale voedselcrisis, de economische- en de financiele crisis.

In dezelfde geest liet zich uit Rubens Ricupero, gewezen secretaris generaal van de UNCTAD en gewezen minister van financiën van Brazilie: “ een eenzijdige ontwapening van de landen van het zuidelijke halfrond”. Je zou de ongelijke strijd kunnen vergelijken met een bokswedstrijd tussen de wereldkampioen zwaargewicht Mike Tyson en een ondervoede werkloze uit Bengalen.

Het IMF en het WTO zijn vanaf hun oprichting de meest fervente vijanden van de universele eco­nomische-, sociale- en culturele rechten en in het bijzonder van het universele recht op voeding. Voor de 2000 functionarissen van het IMF en de 750 bureaucraten van het WTO is elke interventie in de vrije markt een gruwel. Dat was niet anders toen Dominique Strauss-Kahn (ook een prominent lid van de Franse socialistische partij) de leiding had van het IMF (2007-2011).

Jean Ziegler schrijft dat hij in zijn tijd als rapporteur van de VN op het gebied van honger (2001 – 2008) met 4 amerikaanse ambassadeurs te maken had die tegen al zijn voorstellen stemden en hem bovendien als rapporteur weg wilde hebben. Een druk waar Kofi Annan niet voor zwichtte.

Twintig jaar na de oprichting van het WTO is de mondiale vrijhandel zo ver gevorderd dat de arme landen van hun nationale onafhankelijkheid, in elk geval op economisch gebied, compleet beroofd zijn. Grenzen aan import en multinationals zijn er niet meer, ziekenhuizen en onderwijsinstellingen zijn goeddeels geprivatiseerd en het aantal slachtoffers van honger en ondervoeding neemt toe.

Oxfam ** liet zien dat in alle landen waar het IMF tussen 1990 – 2000 zijn economische hervor­mingen aan heeft opgelegd miljoenen mensen in de afgrond van de honger zijn gestort. De reden is: het IMF is alleen geïnteresseerd in de aflossing van leningen die aan arme landen zijn verstrekt.

Van tijd tot tijd verstrekt het IMF nieuwe leningen waarmee oude leningen moeten worden afgelost of staat het toe dat de afbetalingsverplichting even wordt opgeschort. Maar daarbij stelt het IMF altijd als voorwaarde dat er hoe dan ook bezuinigd wordt op publieke uitgaven voor gezondheidszorg, onderwijs en subsidies voor voeding. Stijgende werkloosheid en extra honger is steevast het gevolg.

Niger had een overheidsdienst voor veterinaire hulp. Die werd onder druk van het IMF ontmanteld. Veterinaire producten (vaccins, antiparasieten) vormen nu dankzij het IMF een markt waar boeren zijn uitgeleverd aan de multinationals die zoveel mogelijk aan arme boeren proberen te verdienen. Tienduizenden boeren werden daardoor gedwongen hun veestapel er aan te geven en hun heil te zoeken in de snelgroeiende sloppenwijken van grote steden.

Overal waar het IMF neerstrijkt is het afgelopen met boeren die rijst, cassave en gierst verbouwen, want ook daarvoor geldt dat zij de prijs niet kunnen opbrengen die door multinationals en speculan­ten wordt bedongen voor kunstmest, zaaigoed e.d. Het IMF eist bovendien dat er primair voor de export wordt geproduceerd (koffie, cacao, thee, e.d.), om leningen af te kunnen betalen. Productie om de eigen bevolking te voeden moet daar volgens het IMF maar voor wijken.

Behalve ervoor te zorgen dat arme landen geleend kapitaal terugbetalen ziet het IMF het als haar taak multinationals en speculanten toegang te verschaffen tot de interne markt van zuidelijke landen en lokale producenten uit te zuigen. Vrijhandel is het weerzinwekkende masker van de honger en de dood, zoals de volgende voorbeelden laten zien.

Haiti
Haiti is tegenwoordig het meest miserabele land van Latijns-Amerika en op drie na het meest arme land ter wereld. In het begin van de 80-er jaren was Haïti echter selfsupporting wat betreft de productie van rijst. De boeren werden beschermd tegen de dumping van rijst vanuit met name de VS door een importheffing van 30%.

Onder druk van het IMF werd de importheffing in de loop van de 80-er jaren van 30% teruggebracht naar 3%, waardoor rijst uit de VS de inheemse Haïtiaanse kon verdringen. Niet alleen wordt de rijst in de VS door vergevorderde mechanisatie goedkoper geproduceerd, de VS-regering legt er bovendien nog eens veel subsidie op toe. Mag kennelijk wel van het IMF.

Tussen 1985 en 2004 steeg de import van rijst uit de VS van 15.000 naar 350.000 ton per jaar, waardoor de inheemse rijstproductie in elkaar zakte en Haïtiaanse rijstboeren hun inkomsten en bestaan kwijtraakten. De ineenstorting van de Haïtiaanse rijstproductie had een exodus tot gevolg van boe­ren naar de sloppenwijken van Puerto Principe en de andere grote steden van de land.

De regering van Haïti werd door het wegvallen van de inheemse rijstproductie vanaf pakweg 2000 gedwongen om meer dan 80% van haar totale begroting uit te trekken voor de import van voedsel. Dat viel door de mondiale crisis vanaf 2008, waardoor de prijs van rijst drie keer over de kop ging, niet meer op te brengen. Sindsdien waart de honger door de straten van Cité Soleil.

Zambia
Zambia zucht sinds het begin van de jaren 90 onder de door het IMF opgelegde economische her­vormingen. Zambia is een prachtig land, waar de rivier Zambesi en het zachte klimaat zorgt voor groene heuvels. Mais vormde altijd een belangrijk deel van de voeding.

Begin 80-er jaren werd de consumptie van mais voor 70% door de regering gesubsidieerd. De verkoop en de export naar Europa werd verzorgd door de Marketing Board. De subsidie legde beslag op nauwelijks meer dan 20% van de totale begroting. Iedereen had genoeg om te eten. Totdat door toedoen van het IMF de subsidie werd afgebouwd. Niet alleen voor mais, maar ook voor kunstmest, zaaigoed en pesticiden. Het IMF wilde ook het einde van gratis ziekenhuizen en onderwijs.

De akkerbouw ging daarna snel achteruit en op het platteland en in de achterstandswijken in de stad moest de bevolking al snel genoegen nemen met een keer eten per dag. Om uit de kosten te komen en te overleven werden boeren gedwongen hun werkdieren en hun grond te verkopen en zich aan te bieden voor onderbetaalde werk als dagloner op de grote katoenplantages van multinationals.

Tussen 1990 en 1997 daalde de binnenlandse consumptie van mais met 25% en schoot de kinder­sterfte omhoog. In 2010 leefde 86% van de bevolking onder de National poverty line, moest 72,6% van de bevolking rondkomen van 1 dollar per dag en was 45% van de bevolking ernstig en voortdurend ondervoed.

De spirit van de VS waart door het hoofdkwartier van het IMF in Washington. De jaarrapporten tonen het beeld van tevreden onverschilligheid. In 1998 heette het: “op den duur draagt het plan bij aan toegang tot de hulpbronnen en neemt het inkomen van de bevolking toe. Hoewel, op korte termijn de voedselvoorziening afneemt”.

Voor de betrokken landen hebben de door het IMF opgelegde hervormingen desastreuze gevolgen. Ze nemen de bescherming weg die de lokale industrie nodig heeft om het op te kunnen nemen tegen de multinationals en de meerderheid van de publieke diensten raakt geprivatiseerd. De revisie van de Employment and Land Act verorzaakt de ontbinding van sociale diensten, van vakbondsvrijheid en van het recht op een minimuminkomen. Het gevolg is werkloosheid, mateloze verhoging van de prijzen voor elementaire voeding en toenemende dakloosheid.

De bureaucraten van het IMF weten de catastrofe die ze aanrichten nog als een succes te verkopen door te stellen dat de ongelijkheid tussen leefcondities in de stad en die in op het platteland in de periode 1991 – 1997 sterk is afgenomen. Logisch, want de ellende in de stad is dramatisch toegenomen tot die welke gelijk is met die op het platteland.

Ghana
Na Ethiopië is Ghana het land ten zuiden van de Sahara dat het eerst onafhankelijk werd. Na ijzeren repressie door Engeland, stakingen en massabewegingen zag de republiek Ghana het licht in 1957. Kwame Nkrumah, de eerste president, profeet van de panafrikaanse eenheid, was naast Abdel Nasser, Modibo Keita en Ahmed Ben Bella, een van de grondleggers van de Organisatie voor de Afrikaanse Unie.

De Ghanesen zijn een trots volk, maar ook zij werden door het IMF gedwongen de weg te gaan waartoe Zambia werd gedwongen. In 1970 zorgden zo’n 800.000 boeren voor de productie van de rijst die de Ghanese bevolking nodig had. In 1980 werd Ghana door het IMF gedwongen het tarief op de import van rijst met 20% te verlagen en al snel werd die verder teruggebracht. Het FMI eiste vervolgens opheffing van subsidies voor zaaigoed, pesticiden en kunstmest.

Inmiddels moet Ghana meer dan 70% van de benodigde rijst invoeren. “Marketing Board” is afge­schaft, private ondernemingen in Westerse hoofdsteden gaan nu over de export en speculanten over de prijs voor elementaire voeding. In 2003 nam het parlement in Accra het besluit weer een heffing in te voeren op de import van rijst van 25%. Daar stak het IMF meteen een stokje voor. In 2010 moet Ghana meer dan 400 miljoen dollar neertellen voor de import van voeding. Afrika als geheel was in 2010 24.000 mililen dollar kwijt om de import van voeding te financieren.

In 2011 maakten beursspeculanten dat de prijzen voor elementaire voeding op de wereldmarkt om­hoogschoten, waardoor het zeker is dat Afrikaanse landen het geld niet hebben om voldoende voe­ding in te voeren. De vrije markt maakt dat honger en dood om zich heen grijpen, mede dankzij de diensten van het IMF.

* https://nl.wikipedia.org/wiki/De_vier_ruiters_van_de_Apocalyps.

**Impact of Trade Liberalisation on the Poor, Deregulation and the Denial of Human Righs, Oxfam/IDS Research Project, 2000

Halsema over Nergensland en Zatopia

Halsema: “Hoe erg ook, het hek moet er blijven staan”.

In Nergensland gaat Halsema in op de vraag die haar gesteld wordt “Hoe zouden naties de leefwereld moeten inrichten zodat er geen burgers het slachtoffer worden van een globaliserende wereld”.

Nederland zou wel het dubbele aantal vluchtelingen kunnen toelaten van wat het nu toelaat, maar dat vluchtelingen niet allemaal in Europa toegelaten kunnen worden, daar heeft Halsema wel begrip voor. Willen we hen niettemin een perspectief bieden dan zouden kampen (buiten Europa) als Zatopia een oplossing zijn. Aldus het ‘utopisch vergezicht’ van Halsema.

Zatopia is samentrekking van Utopia en Zaatari. Zaatari is een groot vluchtelingenkamp van de UNCHR (80.000 mensen). Zatopia is denkbeeldig en staat model voor kampen ‘in de regio’ waarin vluchtelingen opgevangen zouden moeten worden. Ze situeert het, net als het bestaande Zaatari,  “in het droge, onvruchtbare gebied” in Jordanië.

In Zatopia is waterleiding, riolering en zonne-energie. Er is een ziekenhuis en er zijn collegezalen waar cursussen kunnen worden gevolgd van grote Europese en Amerikaanse universiteiten. Zatopia zou na verloop van tijd een eigen zelfgekozen bestuur kunnen hebben en een eigen politie, opgeleid door Europese politieopleiders. Aan de rand van Zatopia ligt een bedrijventerrein “waar zojuist een Amerikaanse technologiereus een nieuwe campus heeft geopend”.

De UNHCR beslist wie er in Zatopia toegelaten wordt. Iedereen krijgt een wooncontainer en basisloon, maar kan bijverdienen. Zatopia blijkt een succes. Er worden nog meer Zatopia’s opgezet in de regio en duizenden donateurs willen er geld voor geven. Aldus de utopie van Halsema.

Zatopias bieden volgens Halsema een oplossing “als ‘wij’ vluchtelingen hier niet willen en kunnen opvangen, er voor hen geen mogelijkheid is terug te keren naar hun land van herkomst en zij in de grote vluchtelingenkampen geen leven hebben”, aldus de tekst op de achterkant van het boekje.

Wat is er utopisch aan Zatopia?
De eerste vraag die bij mij opkwam is: als die Zatopia’s een oplossing zijn, waarom wordt daar dan niet al aan gewerkt? Europa geeft vele miljarden uit om vluchtelingen tegen te houden en terug te sturen. Aan Frontex, aan bedrijven gespecialiseerd in grensbewaking, aan ambtenaren die moeten beoordelen of vluchtelingen terecht een asielverzoek doen, aan juridische procedures, vreemdelin­genbewaring, gedwongen terugkeer. Die Zatopias zijn wellicht goedkoper, zeker als vluchtelingen die daar terecht kunnen ook mogen werken om hun kost te verdienen. Wat maakt Zatopia tot een utopie, ér zou al lang een begin van uitvoering gemaakt kunnen worden. Waarom gebeurt dat niet? Halsema gaat niet in op die vraag.

Veel problemen ontstaan en worden niet opgelost omdat er grote belangen op het spel staan, belangen die er bij gebaat zijn als problemen juist niet worden opgelost. De wapenindustrie en de grensbewakingsindustrie bijvoorbeeld heeft er groot belang bij dat het probleem juist niet wordt opgelost. Hetzelfde geldt voor de hulpverleningsindustrie (zie de Crisiskaravaan van Linda Polman) en het leger van mensensmokkelaars. En voor oorlogvoerende naties die de stromen vluchtelingen gebruiken om hun geo-politieke doelen na te jagen. Het zou toch nuttig zijn te begrijpen waarom er nog geen begin gemaakt is met zatopia’s. Misschien heeft het zijn redenen en is het een grote illusie te denken dat ze ooit van de grond komen.

Waarom willen wij vluchtingen niet opvangen?
Halsema gaat wel in op de vraag: waarom willen en kunnen wij vluchtelingen niet in Europa opvangen? Haar essay is onder meer bedoeld om een antwoord te vinden op de vraag hoe je vluchtelingen een veilige toekomst kunt bieden zonder onze welvaart ‘onverantwoord op de tocht te zetten’ (p.27) en het antwoord op die vraag is dat je de massa vluchtelingen niet in Europa moet opvangen, maar buiten Europa in grote kampen als Zatopia. Kortom: ‘wij’ willen vluchtelingen niet opvangen omdat onze welvaart onverantwoord op de tocht komt te staan.

Een tweede reden is volgens Halsema de volkswoede die de gematigde politieke partijen over zich zouden afroepen als van de kwetsbare bevolking zou worden gevraagd ‘zonder werkelijk overtuigende politieke argumenten in te schikken en hun straten, wijken en dorpen open te stellen voor mensen die zij niet kennen en met wie ze taal noch cultuur delen’ (p.31). Die kwetsbare bevolking zou steeds meer voor de PVV kunnen kiezen. Om dat te vermijden is een hard asiel- en migratiebeleid begrijpelijk (p.30), want dat beleid zou onder de PVV nog veel harder zijn. ‘Hoe erg ook, het hek moet er blijven staan’, aldus Halsema (p.22).

Geen ‘werkelijk overtuigende argumenten’
Dat er geen ‘werkelijk overtuigende argumenten’ zijn blijkt niet uit het betoog van Halsema. Waarom onze welvaart onverantwoord op de tocht zou komen te staan als het asiel- en migratiebeleid minder hard en barbaars zou zijn, daar gaat zij niet op in. In ‘They take our jobs: and 20 other myths about immigration” laat Aviva Chomsky zien dat althans in de VS de welvaart helemaal niet op de tocht komt te staan door omvangrijke immigratie. Economen als Ewald Engelen, Philippe Legrain, Ronald Skeldon betogen hetzelfde, net als het IMF. Ook Ruud Lubbers en Paul van Seters pleitten voor de toelating van veel meer migranten: “Vluchtelingen hebben ons nodig, maar wij hen ook”. De stelling dat onze welvaart onverantwoord op de tocht komt te staan bij een veel ruimhartiger asiel- en migratie-beleid is op zijn minst discutable en dus had Halsema daar niet zonder motivering vanuit moe­ten gaan.

Hoe komt het dat de gevolgen vooral voor de kwetsbare bevolking zijn?
Verder, Halsema gaat er kennelijk als vanzelfsprekend vanuit dat de komst van asielzoekers en migranten in de eerste plaats gevolgen heeft voor de kwetsbare bevolking die in hun straten, wijken en dorpen in moeten schikken om plaats te maken voor de nieuwkomers (p.31). Hoewel dat helaas vaak de praktijk is, is dat niet onvermijdelijk want een politieke keuze. Gemeenten zouden veel vaker ook in de meer welgestelde wijken voor huisvesting kunnen zorgen voor vluchtelingen. Dat de huisvesting van vluchtelingen ten koste gaat van de kwetsbare bevolking heeft alles te maken met het feit dat het beleid van de overheid (landelijk en gemeentelijk) gericht is op terugdringen van het percentage sociale huurwoningen onder andere door het op grote schaal slopen en vervangen ervan door vrije sector huur- en koop. In Utrecht was het aandeel sociale huur in 1996 ca. 45%. Dat is inmiddels tot 30% teruggebracht. Dat beleid heeft een naam: eerst “De Utrechtse Opgave” en daarna “Utrecht Ver­nieuwt”. Dat sloopbeleid is in andere grote steden niet anders. Dat de kwetsbare bevolking met lede ogen aanziet dat de slinkende sociale woningvoorraad met vluchtelingen gedeeld moet worden is logisch, maar wel het product van beleidskeuzes van gematigde partijen die het kwetsbare electoraat op die manier in de armen van de PVV drijft.

Afkeer van vreemdelingen als gezonken cultuurgoed
Volgens Halsema is het het volk dat zich verzet tegen een ruimhartig vluchtelingenbeleid. Aan gematigde partijen zou het niet liggen, maar die hebben nu eenmaal rekening te houden met de dreigende volkswoede. Die gematigde partijen scheppen niet alleen omstandigheden die maken dat vluchtelingen door de kwetsbare bevolking worden beschouwd als concurrenten op bijvoorbeeld de woningmarkt, zij zijn het die ook als eerste roepen dat er een rem moet worden gezet op de toelating van vluchtelingen en vreemdelingen. In 1991 hield Bolkestein zijn anti-islam lezing, gevolgd door Scheffer in 2000 (“verdediging van een open samenleving stelt grenzen aan het culturele veelvoud”) en Fortuyn in 2001 (“Ik ben voor een koude oorlog met de Islam”). In 2000 werd de nieuwe vreemdelingenwet aangenomen die een zeer aan­zienlijke verscherping van het toelatingsbeleid inhield waarmee de politiek een duidelijk signaal gaf: vluchtelingen en vreemdelingen ongewenst. Beslissingen van de staatssecretaris en uitspraken van rechtbanken en de Afdeling Bestuursrechtspraak zijn vaak zo meedogenloos dat het volk daartegen in opstand komt: buren, dorpen, burgemeesters en scholen nemen het regelmatig op voor families en kinderen die uitgezet worden. Nee, afkeer van vreemdelingen komt niet van het volk, maar wordt door voorname en geleerde partijgangers in gang gezet. In de sociologie spreek men van “gezonken cultuurgoed”. De groep Wilders, later de PVV, verscheen overigens pas in 2005 op het toneel, lang nadat Bolkestein, Scheffer, Fortuyn de trend hadden gezet.

De ene ‘grens’ is de andere niet
Op p.44 stelt Halsema de principiële vraag “Uit naam waarvan kunnen we anderen het recht ontzeggen om zich in onze contreien te vestigen?”. Met kennelijke instemming, waarbij zij zich op Popper beroept, citeert zij Paul Scheffer: “juist grenzen geven vorm aan onze vrijheid”. Vrijheid zonder enige begrenzing leidt ertoe dat de bullebak de zachtmoedige onderwerpt en vrijheid moet er niet toe­leiden dat aan intolerantie geen halt wordt toegeroepen. Een pleidooi voor open grenzen is dus zin­loos, aldus Halsema.

Het is duidelijk dat Halsema hier twee betekenissen van het begrip grens laat samenvallen die weinig met elkaar te maken hebben. Wat voor ‘grens’ in de ene betekenis geldt geldt niet voor ‘grens’ in de andere betekenis. In ene geval gaat het om grens in de zin van beperking/limitering, in het andere geval gaat het om de grens in de zin van scheidslijn tussen twee gebieden. Niemand zou op het idee komen te beweren dat wat voor beperkingen/limitering geldt ook voor scheidslijnen gaat.

Popper betoogt dat vrijheid zonder dat daar beperkingen aan worden gesteld ten koste gaat van de vrijheid van de zachtmoedige en dat vrijheid niet zover mag gaan dat intolerantie zijn gang kan gaan. Waarom Halsema daaruit de conclusie trekt dat aan anderen, c.q. vluchtelingen, het recht zou mogen worden ontzegd om zich in onze contreien te vestigen is onduidelijk, tenzij Halsema bedoelt te zeg­gen dat vluchtelingen en intolerantie op hetzelfde neerkomen. Het lijkt mij dat Popper juist een argument aandraagt om grenzen te stellen aan de vrijheid van welvarende mensen om vluchtelingen buiten te sluiten en te laten creperen.

De natiestaat biedt behalve bescherming ook veel onderdrukking
De grens tussen de tegenwoordig bestaande natiestaten is tamelijk toevallig, niet door het volk gekozen, maar door potentaten aan het volk opgelegd die het volk min of meer beschouwden als hun eigendom. Dat zij het volk gedwongen hebben die natiestaat te gehoorzamen, willen dat kinderen op school leren dat Coen een held was in plaats van een massamoordenaar, willen dat kinderen op school het Wilhelmus zingen en be­reid zijn in oorlogen voor de natie te sterven maakt dat niet anders.

Halsema betoogt in navolging van Scheffer: grenzen hebben vrijheid juist gedefinieerd en welvaart, geborgenheid en zekerheid geboden aan mensen die erdoor worden ingesloten (p.77). De identificatie van inwoners met het gebied binnen de grens is zo sterk geworden dat de opheffing of de verschuiving ervan leidt tot revolutie en geweld (p. 80). Daarmee voert Halsema nog een argument aan tegen al te open grenzen. De vraag is echter of een niet geïndoctrineerd volk dat ook zo ziet of dat de politieke elite wil dat het volk dat zo ziet om een middel te hebben waarmee het volk tegen vreemdelingen en vluchtelingen kan worden opgezet. Om het volk tot aanvaarding van het staatsgezag te brengen is het aanzetten tot angst en afkeer van vreemdelingen een middel dat al duizenden jaren door machthebbers wordt gebruikt. Het volk moet tot de overtuiging worden gebracht dat het voor zijn welvaart, geborgenheid, zekerheid, veiligheid door de politieke elite beschermd moet worden tegen vreemdelingen, gevaarlijke ideologieën en andere oorlogszuchtige natiestaten. Alleen dan is het volk bereid zich verregaand te laten controleren, haar privacy en vrijheid op geven en te accepteren dat een kleine elite zich gruwelijk ten koste van het volk verrijkt. Dat is bepaald niet de open samenleving die Popper voor ogen stond.

Popper zou niet naar Zatopia gestuurd willen worden
Op de achterflap van het boek staat dat Halsema aan de hand van de ideeën van Popper een antwoord probeert te vinden op een onverminderd dringende vraag: als wij vluchtelingen hier niet willen en kunnen opvangen, en er voor hen geen mogelijkheid is terug te keren naar hun land van herkomst en ze geen leven hebben in de kampen waarin zij nu worden ondergebracht, wat moeten we dan doen? Als Popper (1902-1994) zich over die keuze had kunnen uitlaten zou hij het, Jood in Oostenrijk en gevlucht voor de nazi’s naar Engeland, ongetwijfeld een barbaars idee gevonden hebben als de grenzen van de niet door de nazi’s onder de voet gelopen westerse landen voor hem ge­sloten bleven, als hij niets had te kiezen en zijn toevlucht had moeten nemen tot Zatopia. Popper zou tegen het utopisch vergezicht van Halsema hebben aangevoerd: waarom willen en kunnen rijke landen in het Westen de vluchtelingen die naar Europa komen niet opvangen, zoals Engeland mij en zoveel anderen opving die vluchtten voor de nazi’s?

Poppers open samenleving staat voor diversiteit
Het ideaal van Poppers open samenleving gaat in de eerste plaats uit van diversiteit: er moet plaats zijn voor kritische en afwijkende meningen, dus ook voor alle mogelijke religies en culturen. Dat betekent dat niemand er op uit moet zijn zijn cultuur en identiteit aan anderen op te dringen, dus ook de autochtone meerderheid niet. Hij onderkent dat er lieden zijn die het daar moeilijk mee hebben, maar die moeten zich daar maar over heen zetten ter wille van de vrijheid die wij voor iedereen nastreven. Maar wat doet Halsema met Poppers idee van de open samenleving? Die moet maar gelden in Zatopia, maar niet in Europa en Nederland, want “hoe erg ook, het hek moet er blijven staan” (p.22).

Waarom niet stuksgewijs afbouwen van grenzen?
De andere gedachte van Popper waarmee Halsema aan de haal gaat is die van stuksgewijze verandering (“piecemail engineering”). Het veranderen en ontwikkelen bij stukjes en beetjes, zodat je kan bijsturen en de kans op onverwachte gevolgen zo klein mogelijk is. Ook die stuksgewijze verandering is goed voor de overvolle kampen in de regio die bij stukjes en beetjes getransformeerd kunnen worden in Zatopia’s. Maar over het stuksgewijs afbouwen van de belemmeringen die vluchtelingen ondervinden als ze naar Europa proberen te vluchten daar heeft Halsema het niet over, want “hoe erg ook, het hek moet er blijven staan”. In plaats van het stuksgewijs afbouwen van hekken spannen Europese regeringen en de EU zich in om nog veel meer hekken te plaatsen en die hekken steeds meer te verschuiven naar de landen waar vluchtelingen vandaan komen.

Globalisering is alleen voor rijke westerse mensen en bedrijven
De vraag hoe naties de leefwereld moeten inrichten zodat er geen burgers het slachtoffer worden van een globaliserende wereld wordt door Halsema beantwoord door de globalisering aan vluchtelingen te ontzeggen. Globalisering is voor rijke westerse mensen en bedrijven. Die gebruiken hun macht en hun geld om zich toegang te verschaffen tot de hele wereld. Voor vakantie, om er te wonen, er bedrijven te vestigen en voor een appel en ei grondstoffen uit de bodem te halen, grond te kopen en de arme bevolking daar te verdrijven. Globalisering is ook in de visie van Halsema niet voor mensen die op de vlucht zijn voor geweld waarin rijke westerse landen een belangrijk aandeel hebben en niet  voor arme sloebers waarvan het bestaan wordt bedreigd en onmogelijk gemaakt door klimaatverandering waarin het rijke westen een groot aandeel heeft, door grondroof, oneerlijke concurrentie, omkopen van lokale bestuurders, het opzetten en van wapens voorzien van subversieve bewegingen die regeringen van arme landen moeten verhinderen zich minder door de belangen van westerse landen en bedrijven te laten leiden. Globalisering is niet voor vluchtelingen, die moeten naar Zatopia, want wij kunnen onze welvaart niet op onverantwoorde manier op de tocht zetten. (p.27).

Onbegrijpelijk en teleurstellend
Wat het betoog van Halsema extra onbegrijpelijk en teleurstellend maakt is dat zij niet alleen een vooraanstand lid is van GroenLinks, maar ook  bestuursvoorzitter is van de Stichting Vluchteling en er in haar boekje blijkt van geeft heel goed op de hoogte te zijn van het gruwelijke leed van vluchtelingen die door hekken worden tegen gehouden die er ook volgens haar moeten blijven staan.

Literatuur:
Claire Rodier, Xénophobie business. A quoi servent les contrôles migratoires? Parus La Découverte 2012

Susana Hidalgo, El último holocausto europeo. Madrid Ediciones Akal. 2014

Jean Ziegler. De Haat tegen het Westen, het verhaal van de economische oorlog tussen arme en rijke landen,. Balans. 2010

 

 

 

 

 

Feministen die deur bekladden deden goed werk


“De realiteit is dat vrouwen niet alleen maar met omzichtig “respect” behandeld willen wor­den door hun sexpartner; dat ze helemaal niet willen dat je hun ‘nee’, hun weerstand respec­teert: de realiteit is dat vrouwen overrompeld, overheerst, ja: overmand willen worden” (1)

Politici als Asscher, Buma, Pechtold, Segers en Wilders hebben geen goed woord over voor de bekladding van de voordeur van Thierry Baudet en voegen zich in het verontwaardigde koor van de Telegraaf, de Dagelijkse Standaard, maar ook de NRC.

“Intimidatie politici tast democratie aan” (NRC), “Schandelijk dit, handen thuis, ook als je het vurig met iemand oneens bent”(Asscher), “je mag op alle manieren je gevoelens uiten, maar van mensen blijf je af en zeker ook van hun woning”(Pechtold), “iedereen moet pal staan voor de vrijheid van Baudet” (Segers), “terecht dat dit soort bekladding door de rechter harder wordt bestraft”(Buma).

De meest milde kritiek is van Opzij en van Anne Fleur Dekker: ze steunen de actie, maar vinden het middel niet gelukkig. Voor het middel van de bekladding van de voordeur van Baudet is er vrijwel geen bijval. Is dat terecht? De kritiek spitst zich toe op twee punten: 1. Is de actie effectief en zijn er geen meer passende middelen? 2. Is de actie betamelijk, omdat begrip maar eens te gebruiken dat gebruikt wordt in de omschrijving van de onrechtmatige daad (2)

Effectiviteit
Om met de vraag naar de effectiviteit te beginnen. Tegen elke actie, argument, discussie of tactiek kan je wel aanvoeren dat het misschien niet effectief is. Het schrijven van ingezonden brieven is zel­den effectief, ook als ze geplaatst worden. Het schrijven van nota’s en rapporten, hoe goed ze ook zijn onderbouwd met feitenmateriaal, is ook zelden effectief. Politici die ze zouden moeten lezen nemen namelijk de tijd niet om ze te lezen omdat de conclusies ze niet aanstaan of omdat ze het te druk hebben met twit­teren. En waar politici geen aandacht aan besteden, dat haalt ook meestal de media niet. Wat ook zelden effectief is, is aangifte doen van belediging of discriminatie. Of bezwaar maken en beroep instellen bij de bestuursrechter tegen een besluit van de burgemeester om niet te handhaven tegen overlast en seksuele intimidatie op straat.  Wat helemaal niet effectief is, is probe­ren politici (niet alleen Baudet of Wilders) er met redelijke argumenten van te overtuigen dat ze on­gelijk hebben. Daar hebben ze immers geen boodschap aan. En wat ook niet effectief is, is preken voor de eigen parochie op facebook. Kortom, tegen de actie van de radicale feministen kan je moei­lijk aanvoeren “dat er andere manieren zijn om te laten zien dat je het ergens niet mee eens bent”.

In onze democratie wordt er wel geluisterd naar meningen die maar een beetje afwijken van wat in de politiek en in de media geldt als serieus argument. Meningen die daar fundamenteel van af­wijken worden echter afgedaan als onrealistisch en naïef of stuiten op een muur van onverschil­ligheid. Stuur je er een brief  over  naar de gemeenteraad of een of andere vaste kamercommissie dan wordt die onge­lezen “ter kennis geno­men”. Vrouwen zouden natuurlijk eigenlijk nooit aan seks mee moeten hoe­ven doen, ook niet betaald, als ze daar geen zin in hebben. Dat is echter zo ver verwijderd van de reali­teit, dat wordt niet op de politieke agenda gezet. In Zweden wordt de klant van de prostituee ver­volgd, daar hoef je in Nederland niet over te beginnen. Van alle jonge vrouwen, aldus de NRC 29 juli 2015 (3) die al sek­sueel actief zijn, meldt 56 procent onvrijwillige seks te hebben ondergaan (29% bij jonge man­nen). Sinds 1991 is seks waar dwang aan te pas komt (ook bij niet-fysieke dwang wordt dat gedefinieerd als verkrachting) binnen het huwelijk en de relatie strafbaar. Er worden 24 aangiftes van verkrachting gedaan per week, maar het echte aan­tal schijnt 8 keer hoger te zijn. Bij verreweg de meeste verkrachtingen is de dader bekende van het slachtoffer. Een beleid om seks onder dwang daadwerkelijk en hard aan te pakken is echter onbespreekbaar en meneer Baudet beweert dat ‘nee’-zeggende vrouwen overmand willen worden.  Wil je het probleem op de politieke agenda krijgen, dan moet je dus wel met taarten gooien of deu­ren bekladden. De vraag is of je de radicale feministen een verwijt moet maken dat ze op een andere manier het probleem niet op de agenda krijgen.

Overigens is het maar de vraag of het bekladden van de deur van een Baudet (of de ambtenaar die verantwoordelijk was voor het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers) niet effectief is. De ra­dicale feministen zijn er met hun actie in geslaagd de weerzinwekkende uitlatingen van Baudet nog eens goed onder de aandacht te brengen. En het zou heel goed zo kunnen zijn dat het daardoor tot steeds meer men­sen doordringt dat Baudet er hele nare en griezelige opvattingen op na houdt en verspreidt. Je komt daar moeilijk achter omdat redelijke en aardige mensen niet zo de nei­ging heb­ben om hun mening van de daken te schreeuwen. Wat de zwijgende meerderheid vindt is vaak niet hetzelfde als wat de schreeuwende minderheid beweert. De uitlatingen van Baudet zijn dermate weerzinwekkend dat misschien veel mensen juist wél vinden dat het middel van de bekladding terecht is, maar dat niet zeggen omdat prominente politici de bekladding met veel verontwaardiging veroordeelden.

Dat onbetamelijke middelen als bekladding, boe roepen, belachelijk maken, beledigen, uitschelden, orde verstoren, werkbelemmering, ongeoorloofd betogen, kalken van leuzen op straat, het uitstor­ten van mest voor het stadhuis, imagobeschadiging van malafide huisjesmelkers, bezetting van open­bare gebouwen, kraken van leegstaande panden (kortom alle acties waar tegen in wordt gebracht  dat onze democratie voldoende mogelijkheden biedt om door redelijk argumen­teren een probleem op de politieke agenda te krijgen) niet effectief zouden zijn is in zijn algemeenheid niet waar. De bezetting door studenten van het Maagdenhuis in 1969 heeft belangrijk bijgedragen aan de demo­cratisering van de universiteit. Dat dat naderhand verwaterd is doet daar niets aan af. De inbraak van Wijnand Duyvendak in 1985 in het ministerie van economische zaken, waarbij plannen werden buit­gemaakt en geopenbaard voor nieuwe kerncentrales, was een groot succes. De burgemeester van Alkmaar was begin 70-er jaren pas bereid maatregelen te nemen tegen prostitutie in de Spoorbuurt nadat het actiecomité foto’s was gaan nemen en publiceren van de auto’s van hoerenlopers. Het op grote schaal slopen van woningen en stadsdelen in de 80-er jaren werd voorkomen door ze te kraken en te bezetten. De voorgenomen sluiting van de abortuskliniek Bloemenhove (1976) werd af­ge­blazen doordat 300 activisten de kliniek bezetten en de inval onmogelijk maakten. De regering besloot daarna geen vervolging in te stellen bij een abortus binnen 13 weken. Kortom: beweren dat het altijd effectiever is de strijd tegen misstanden aan te gaan door het in stelling brengen van rede­lijke argu­menten, het aangaan van discussie, het lopen naar de rechter en het benutten van inspraak en bezwaarprocedures is onzin. Als het gaat om een actie tegen een politicus die door zijn publie­ke functie in de gelegenheid wordt gesteld om weerzinwekkende en vooral voor  vrouwen en migranten kwetsende opvat­tingen te propageren is bekladding van zijn voordeur waarschijnlijk bijzonder effec­tief, effectiever dan politici bereid zijn om toe te geven.

Betamelijkheid
Dan de vraag naar de betamelijkheid. Dat is waar de geciteerde politici zich het meest druk om maken. In het argument dat de radicale feministen “over de grens” van het betamelijke zijn gegaan ligt de opvatting besloten dat Baudet, net als Wilders, hoe dan ook moet kunnen zeggen wat zijn mening is, ook al is die mening weerzinwekkend en kwetsend. Dat zou horen bij de vrije meningsui­ting. Daar komt dan het argument bij dat Baudet geacht wordt, omdat hij politicus is, een mening te geven die onder een flink deel van het electoraat leeft en dat dat er recht op heeft een mening uit te dragen, ook al is die mening geheel in strijd met onze zo geprezen normen en waarden.

De voorstelling van zaken dat het in het geval van Baudet slechts gaat om een mening is niet juist. De “mening” van Baudet waar de radicale feministen aanstoot aannemen is in feite een belediging van vrouwen, zoals zijn mening over het beperken van migratie (“stop de afrikanisering van Europa”) een belediging is van mensen met Afrikaanse achtergrond. De belediging kwetst. Het feit van de ongelijk­heid van de sekse wordt er door de uitlatingen van Baudet nog eens flink ingewreven. Vrouwen die verkracht zijn moeten uit de uitlatingen van Baudet begrijpen dat er onder hen zijn die daar heimelijk van genoten. Woorden kunnen net zoveel kwaad doen als een stomp in je maag. Woorden kun­nen bedoeld zijn en overkomen als een gebaar van verachting. Sinds wanneer wordt onder de vrijheid van meningsuiting verstaan het recht om mensen met woorden in hun maag stompen en te verachten? Baudet is een politicus die er bovendien prat opgaat een intellectueel te zijn. Veel sim­pele mannen die altijd al dachten dat vrouwen graag tegen hun zin seks hebben zullen in de uitlatingen van Baudet een rechtvaardiging zien voor hun bejegening van vrouwen. Je zou de “mening” van Baudet dus ook kunnen beschouwen als het aanzetten tot vernederende behandeling van vrouwen. Dat het niet bij mannen als Asscher, Buma, Pechtold, Segers en Wilders opkomt dat de “mening” van Baudet zoveel kwaad doet is erg verontrustend.

Zolang meningen alleen maar meningen zijn zouden die ook alleen met meningen kunnen worden bestreden. Dat wil zeggen, als de media en de politiek  ook aandacht zouden besteden aan meningen die kritisch zijn ten aanzien van de dominante mening. Maar als meningen die te berde worden gebracht in feite beledigingen en ver­ach­tingen zijn en aanzetten tot vernederende behandeling en als de kritiek daarop in de media en in de politiek nauwelijks serieus worden genomen valt niet in te zien waarom het onbetamelijk zou zijn om ze anders dan door middel van redelijke argumenten te bestrijden. Je zou wel de eis kunnen stellen dat het middel niet disproportioneel is, maar het  valt niet in te zien waarom het bekladden van de voordeur van Baudet dat zou zijn. De schade of het leed dat hem daardoor wordt toegebracht is bepaald minder dan dat van de verkrachte vrouw die te ho­ren krijgt dat ze niet moet klagen omdat ze er heimelijk van geniet en iemand die er voor kiest in een publieke functie zijn meningen breed uit te meten en probeert daar steun voor te krijgen moet er tegen kunnen dat zijn voordeur wordt beklad. Kortom: gelet op de weerzinwekkende en kwetsende aard van zijn uitlatingen, het feit dat hij daarvoor niet wordt vervolgd en in de politiek nauwelijks op wordt aangevallen, valt niet in te zien waarom het bekladden van de voordeur van Baudet onbetamelijk zou zijn.

Repressieve tolerantie
Betamelijkheid is een kwestie van regels en gedragsnormen. Die regels en gedragsnormen zijn niets anders dan conventies (afspraken). De opvatting over wat betamelijk is en wat niet verandert voortdurend. Ooit gold staken als onbetamelijk en was zelfs strafbaar. De vraag wat betamelijk is en wat niet is een politieke strijdvraag. Onder invloed van het activisme in de jaren 60 begin werd de grens van het onbetamelijke wat opgeschoven, zodat stakingen, bezettingen, demonstraties, provocaties en demonstraties minder vaak met politiegeweld uit elkaar werden geslagen en prominente activis­ten wisten door te dringen in de kaders van politieke partijen, vakbeweging en (gesubsidieerde!) ngo’s. Daarop volgde een reactie. Onder het mom van democratisering werden regels en procedures be­dacht en in de wet vastgelegd die burgers de mogelijkheid zouden bieden van redelijke overleg, in­spraak, bezwaar en beroep. Allemaal regels en procedures die alleen geschikt zijn voor mensen die kennis hebben van die ingewikkelde regels en procedures (inspraakbegeleiders, juristen, ambtena­ren) en er niet tegen opzien en er zelfs hun brood mee verdienen om jaren te vergaderen en aan procedures mee te doen die niets veranderen. Regels en procedures bovendien die in de loop van jaren steeds verder zijn uitgehold. (4) Het uiteindelijk effect van die democratisering is dat het ge­wone volk (dat wil zeggen het volk dat niet tot de politieke elite behoort) nog steeds niets heeft in te brengen, maar als het naar het middel van de actie grijpt door de politieke elite (waar inmid­dels veel lieden deel van uitmaken die uit de actie zijn voortgekomen) krijgt tegengeworpen dat ac­ties niet effectief en betamelijk zijn omdat er immers andere en fatsoenlijke manieren zijn om gehoord te worden. Manieren dus waar de politici zich niets van hoeven aan te trekken omdat ze er niet eens iets van merken, laat staan er last van hebben. Met het begrip “repressieve tolerantie” doelde Mar­cuse op een systeem waarin burgers, om de suggestie van invloed te wekken, worden aangemoedigd  hun mening te geven waar dan ver­volgens niets mee gebeurd (de ideeënbus die aan het eind van de week in de prullenmand wordt geleegd). Marcuse had nog niet bedacht dat regels en procedures die ontwikkeld heten te zijn om te zorgen dat kritiek en klachten van het gewone volk door de politieke elite worden gehoord functioneren als een middel om de burger juist te ontmoedigen zijn mening te geven en tegen de burger kunnen worden gebruikt als hij toch naar het middel van de actie grijpt om hem of haar onbetamelijk gedrag te kunnen verwijten, voor terrorist te kunnen uitmaken en te kun­nen vervolgen. De radicale feministen die de deur van Baudet bekladden hebben ook om die reden juist goed werk gedaan.

(1) http://cult.tpo.nl/2017/03/17/julien-blanc-heeft-volkomen-gelijk/
(2) Artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek
lid 2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
(3) https://www.nrc.nl/nieuws/2015/07/29/40-procent-van-jonge-vrouwen-heeft-onvrijwillige-seksuele-ervaring-gehad-a1414361
(4) ) http://www.keesvanoosten.nl/bestuursrecht-als-fopspeen/

 

Wie bedreigt de westerse cultuur?

Discriminatie op grond van ras, huidskleur, nationaliteit en geloof geldt als onbeschaafd. Nog wel. Daarom grijpen islamofoben het argument aan dat vreemdelingen een bedreiging zijn van onze westerse cultuur. Zie de column van de rechtsgeleerde Paul Cliteur in The Post Online *. Wat opvalt is echter dat lieden die roepen dat onze westerse cultuur wordt bedreigd door migranten en vluchtelingen daar zelf weinig van moeten hebben.

In zijn column schrijft Cliteur terecht dat de rechtsstaat, de democratie en mensenrechten essentiële ingre­diënten zijn van de westerse cultuur. “Tot ontwikkeling gekomen in het oude Griekenland, het oude Rome, vermengd met christelijke ele­men­ten in de middeleeuwen, tot een herleving gebracht in de renaissance en geseculariseerd in de Verlichting”.

Interessant is dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) werd vastgesteld in 1948 zonder inbreng van islamitische staten (toen veel van die staten nog zuchtten onder koloniaal bestuur) en vooral vanuit een westerse visie op mensenrechten werd geformuleerd. Inderdaad, zoals Cliteur schrijft : westerse cultuur. Art.1 ziet op het recht op vrijheid en gelijkheid voor iedereen, art.14 op het recht op asiel en art. 25 op het recht voor iedereen op onderdak, voeding, kleding en medische zorg.

Met het idee “nooit weer” werden na de WO II verdragen gesloten en internationale organisaties zoals de VN opgericht om universele mensenrechten te garanderen en het gevaar van oorlog zoekende nationale staten te beteugelen. Burgers kunnen in beroep bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als de natio­nale overheid hun rechten schendt. Neder­land is vaak door het EHRM op de vingers getikt.

Zoals gezegd, juist lieden en partijen die tegen met name islamitische vluchtelingen en migranten aanvoeren dat zij een bedreiging vormen voor de westerse cultuur beklagen zich erover dat Neder­land gebonden is aan verdragen die ervoor zorgen dat Nederland de mensenrechten respecteert die in onze westerse cultuur zo’n belangrijke plaats innemen. Dat wijst erop dat die westerse cultuur hen niet echt aan het hart gaat maar dat ze een argument zoeken tegen vreemdelingen, in het bijzonder vreemdelin­gen met een islamitische achtergrond.

Evenmin consequent is dat islamofoben voorgeven dat het hen om het behoud van de westerse cul­tuur gaat maar zich tegelijk opwerpen als verdedigers van de ouderwetse nationale staat. Immers,  als gezegd, het na de WO II in verdragen vastleggen van mensenrechten en het oprichten van supranationale organisaties was niet alleen bedoeld om nationale staten van het voeren van oorlogen af te houden, maar ook om burgers te bescher­men tegen de tirannie van hun eigen nationale staat.

Kortom, partijen en ideologen die zich keren tegen het toelaten van migranten en vluchtelingen bedienen zich ten onrechte van het argument van de westerse cultuur. Ze moeten er eigenlijk weinig van hebben.

Tot pak weg 2000 werd het als onbeschaafd beschouwd te pleiten voor nationalisme.  Teveel men­sen hadden op school geleerd of konden zich herinneren hoe op macht beluste politici gevoelens van nationale trots plegen aan te moedigen en te gebruiken om “volksvreemde elementen” als vijand af te schilderen en de wil van het volk naar hun hand te zetten.

In 2005 werd Geert Wilders’ Partij voor de Vrijheid opgericht, in 2007 Trots op Nederland van Rita Verdonk. Marijnissen (SP) en Verhagen (CDA) pleitten in 2006 samen voor een Nationaal Historisch Museum, Balkenende prees de VOC-mentaliteit en Wouter Bos van de PvdA brak een lans voor een “beschaafd nationalisme”. En daarmee was nationalisme, 60 jaar na de verschrikkingen van WO II weer acceptabel geworden.

Volgens artikel 33 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (1951) is het verboden vluchte­lin­gen terug te sturen naar een land waar hun leven of vrijheid wordt bedreigd. Vluchtelin­gen beletten uit landen te vluchten waar zij gevaar lopen en beletten de Middellandse Zee over te steken komt op hetzelfde neer als terugsturen. Dat druist in tegen het Verdrag uit 1951, maar stuit bij de huidige generatie politici in Nederland en de EU nauwelijks op kritiek.

Volgens artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) heeft iedereen, waar ook ter wereld, recht op onderdak, voeding, kleding en medische zorg. Ruim 60 jaar later lijdt, volgens de FAO (UN organisatie voor voeding en landbouw) 1 miljard mensen aan ondervoeding. Volgens Unicef sterven er elk jaar 10 miljoen kinderen onder de 5 jaar, in de meeste gevallen door honger.

Wat maakt dat ondervoeding in de wereld niet uitgebannen wordt maar juist toeneemt? Het Westen dwingt arme landen handelsbelemmeringen achterwege te laten, zodat de agrobusiness uit de VS en Europa (met sub­sidies en belastingvoordelen) de lokale landouw in arme landen kapot kan concurreren om vervolgens de prijs van hun geïmporteerde voedingsmiddelen op te schroeven. Westerse mogendheden houden of brengen dicta­to­riale regimes in arme landen aan de macht die bereid zijn westerse ondernemingen te laten profiteren van goedkope grondstoffen, goedkope arbeid en vruchtbare grond. Honger is vaak het gevolg van klimaatverande­ring en van oorlogen die vooral een gevolg zijn van de obsessie van het westen met economische groei en de geopolitiek met betrekking tot met name aardolie.

De westerse cultuur, waarin de rechten van de mens en de democratie volgens Cliteur een belangrijke plaats in­nemen, wordt niet door vreemdelingen bedreigd maar door de welgestelde elites in het westen die kennelijk menen dat universele mensenrechten alleen gelden voor mensen in het westen en dat alleen voor de mensen daar die niet in armoede leven en voor hun rechten kunnen opkomen.

Wie de westerse cultuur als een argument tegen de komst van vreemdelingen gebruikt verwart de strijd voor het behoud van de westerse cul­tuur met die voor de bevoorrechte positie van de welgestelde elite in het wes­ten. Wat de westerse cultuur werke­lijk voor hen betekent valt af te leiden uit wat zij de mensen verwijten die vinden dat de rechten voor de mens voor iedereen gelden, namelijk, in de woorden van Cliteur, dat het nuttige idioten zijn, die niet in “wij/zij” willen denken en niet eurocentrisch en westers arrogant willen zijn, geen liefde voelen voor hun eigen land, de slavernij en het kolonialisme overmatig beklemtonen en lijden aan zelfhaat.

 

*http://politiek.tpo.nl/column/prof-paul-cliteur-over-occidentofobie-haat-tegen-westerse-cultuur/
** http://www.vormen.org/sites/www.vormen.org/files/activiteiten/files/2010_uvrm.pdf

Politieke discriminatie ING

Aan het College voor de Rechten van de Mens,

Het ING heeft tot tweemaal toe geweigerd een bedrag van 25 euro over te maken van mijn rekening bij de ING naar de Belgische vereniging Initiativa Cuba Socialista. Dat bedrag was bedoeld als contributie omdat ik lid wil worden van die vereniging. ING motiveert haar weigering als volgt:

“ING om zakelijke redenen geen klantrelaties wenst aan te gaan c.q. te continueren of transacties wenst te faciliteren met directe of indirecte betrokkenheid van bepaalde landen, personen of bedrijven. Deze beslissing is van invloed op: de landen: Cuba, Iran, Noord Korea, Sudan en Syrië”, enz.

Ik heb mij over de weigering bij de ING beklaagd op 25-1-2017. Op 8 februari 2017 heeft de ING mij geantwoord en aan de motivering toegevoegd dat het landen betreft die “zijn onderworpen aan verschillende sanctieregelingen, met name van de EU en/of de VS”.

De kwestie heb ik laten rusten totdat ik ontdekte dat de Nederlandse Stichting “Cuba Glasnost” een ING-rekening heeft.

Net als de de Belgische vereniging Initiativa Cuba Socialista heeft de stichting Cuba Glasnost een “directe of indirecte betrokkenheid” met Cuba. Dat ING een overschrijving weigert te doen aan Initiativa Cuba Socialista, maar er kennelijk geen probleem in ziet om Cuba Glasnost als rekeninghouder te accepteren is niet consequent.

Het enige verschil tussen Initiativa Cuba Socialista enerzijds en Cuba Glasnost anderzijds is een verschil in appreciatie van de zittende regering. Initiativa Cuba Socialista is pro de socialistische regering van Cuba, Cuba Glasnost is tegen die regering. Met andere woorden: het verschil is een verschil in politieke voorkeur. ING weigert mijn overschrijving naar Initiativa Cuba Socialista maar accepteert Cuba Glasnost als rekeninghouder omdat, zo moet ik aannemen, ING de politieke voorkeur van Initiativa Cuba Socialista (en die van mij) niet en die van Cuba Glasnost wél deelt.

Ik ben van mening dat het voor ING niet zou mogen uitmaken wat mijn politieke voorkeur is en dat ik met mijn voorkeur voor het Cubaans socialisme op dezelfde manier behandeld moet worden als Cuba Glasnost die niets moet hebben van het Cubaans socialisme. Door te weigeren mijn contributie over te maken aan Initiativa Cuba Socialista maakt ING inbreuk op mijn recht om mij aan te sluiten bij de vereniging van mijn politieke voorkeur (recht van vereniging) en op mijn recht mijn politieke voorkeur te volgen.

Hoewel dat aan de principiële kant van de zaak niets afdoet wil ik er op wijzen dat banken die zich niet schuldig maken aan politieke discriminatie in de praktijk van het internationaal betalingsverkeer veelal van de ING afhankelijk zijn.

Ik verzoek u de handelwijze van ING te veroordelen omdat die in strijd is met het grondrecht op vereniging en politieke overtuiging.

C. van Oosten
Amsterdamsestraatweg 83 bis
3513 AB Utrecht

Dit bericht wordt u tevens per post toegestuurd
aan het adres Kleine Singel 1-3, 3572 CG Utrecht

Reactie op Cliteur: haat tegen westerse cultuur *

Voor wie het ernstig neemt met westerse waarden als democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten moet het moeilijk zijn om het Westen niet te haten.

“Wij zijn de ‘Ben’ in ons kwijtgeraakt,” aldus Cliteur. Ben is een Chanees die Cliteur 30 jaar geleden ontmoette op het strand van Labadi beach (Ghana) en erg trots was op zijn land. “Ghana is sweet as a mango,” herinnert Cliteur zich.

“We zijn gaan denken dat we niet meer van ‘wij’ mogen spreken, immers is ‘wij/zijn denken’. We zijn gaan denken dat we niet arrogant mogen zijn, niet eurocentrisch.” ”De afkeer van het Westen daarentegen is een groot probleem”.

“Occidentofobie is nu zo wijd verbreid dat het vreet aan de grondslagen van Europese samenlevingen” en moet daarom volgens Cliteur bestreden worden, want anders overleeft het Westen niet.

´Occidentofobie´ noemt Cliteur niet alleen de haat tegen de westerse cultuur, maar ook “die haat jegens wat we zijn”. Als Cliteur zegt dat wij de Ben in ons zijn kwijtgeraakt, bedoelt en schrijft hij: “die liefde voor het eigen land en de eigen cultuur is men in Europa kwijt geraakt”.

Op de column van Cliteur valt o.m. af te dingen dat hij liefde voor het eigen land verbindt met liefde voor de westerse cultuur. Om aan te geven wat hij met westerse cultuur bedoelt, noemt hij de Verlichting, democratie, rechtsstaat en mensenrechten.

Ik ben ook gehecht aan de westerse cultuur zoals Cliteur die aanduidt, maar ik voel geen liefde voor en ben niet trots op het land waar ik toevallig geboren en opgegroeid ben. Ik zie ook niet waarom het één noodzakelijk met het ander verbonden is.

Sterker nog: juist omdat ik de idealen van de Verlichting, de democratie, het ideaal van de rechtsstaat en de mensenrechten liefheb, ben ik niet trots op Nederland, Europa en het Westen. Onze regeringen hebben de mond vol over westerse waarden, maar handelen daar niet naar.

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel verworpen dat een eind moest maken aan de strafrechtelijke immuniteit van overheidsdienaren. Ambtenaren en bestuurders mogen dus liegen en bedriegen zolang dat plaatsvindt in het kader van de uitoefening van een exclusieve overheidstaak. Moet ik trots zijn op een land waar men dat accepteert?

Als je democratie, rechtsstaat en mensenrechten (bijvoorbeeld het recht op voeding en medische zorg) superieure waarden vindt, waarom zou je dan liefde moeten voelen voor je eigen land, dat zich er nauwelijks om bekommert dat er talloze mensen buiten, maar ook in het Westen zijn ten aanzien van wie die waarden niet worden nageleefd.

Voor wie het ernstig neemt met westerse waarden als democratie, rechtsstaat en mensenrechten moet het moeilijk zijn om het Westen niet te haten.

* http://politiek.tpo.nl/column/prof-paul-cliteur-over-occidentofobie-haat-tegen-westerse-cultuur/

Hoe Niger wordt onderontwikkeld door het IMF en het rijke Westen

Een duidelijk voorbeeld van hoe arme landen onderontwikkeld worden gemaakt en gehouden door het rijke Westen en instellingen als het IMF is Niger. Onderstaande tekst is een samenvatting van een hoofdstuk uit Destrucción Masiva van Jean Ziegler*. Zeer aan te raden voor politici die maar niet willen begrijpen waarom er zoveel mensen het Afrikaanse continent proberen te ontvluchten.

Niger, dat deels in de Sahara ligt en deels ten zuiden daarvan, hoort tot de armste landen, tot de landen waar sprake is van wat door VN beschouwd wordt als “protracted crises”: waar honger een structureel én een conjunctureel probleem is. Het aantal inwoners was in 2016 ruim 18,5 miljoen. Slechts 4% van de grond is geschikt voor akkerbouw. Dat betekent een grote afhankelijkheid van veeteelt en visserij. Niger heeft 20 miljoen stuks vee: kamelen, zeboes, geiten, ezels. Niger gaat gebukt onder schulden en gaat gebukt onder de ijzeren wet van het IMF.

Om geld van het IMF te kunnen lenen moest Niger zijn nationale veterinaire dienst afschaffen, wat voor multinationale ondernemingen die zich toeleggen om veterinaire producten betekende dat de boeren  volledig van hen afhankelijk werden, dat zij konden rekenen wat ze wilden en dat er geen enkel toezicht is van de staat op de kwaliteit van vaccins, medicamenten en middelen om parasie­ten te bestrijden. Het klimaat is hard en de kosten om het vee gezond te houden zijn dankzij het IMF dus niet meer op te brengen. Boeren wachten niet tot het vee sterft, maar proberen er voor die tijd nog wat voor te vangen. Met hun families trekken ze vervolgens naar sloppenwijken rond de steden in de hoop daar wel in hun onderhoud te kunnen voorzien.

Honger is in Niger een regelmatig terugkerend probleem, namelijk elke keer als het land door extreme droogte of sprinkhanenplagen geteisterd wordt. Miljarden sprinkhanen vreten in korte tijd alles kaal: bomen, struiken, akkers. De boeren met hun familie kunnen niets anders doen dan schuilen in hun hutten en wachten tot het voorbij is. Hetzelfde gebeurt overigens in het Midden-Oosten, de Magreb, Pakistan en India. Er valt weinig tegen te doen want bestrijding met giftige pesticiden maakt ook de akkers voor jaren onbruikbaar.

Niger stelde zich op de onvermijdelijke sprinkhanenplagen in door grote voorraden gerst, gierst en tarwe aan te leggen. Het IMF heeft het land echter gedwongen die voorraden af te stoten die de regering dus achter de hand hield voor rampen. Volgens het IMF leverden die grote voorraden een beperking op voor de vrije markt. Dankzij het IMF wordt Niger nu gemiddeld om het jaar door ernstige hongersnood getroffen.

Niger is een neokolonie van Frankrijk. Het land is rijk aan uranium. Dat uranium wordt gewonnen door Areva, een Franse staatsonderneming. Daar profiteert Niger nauwelijks van, want vrijwel de hele opbrengst is winst voor Areva. In 2007 besloot president Mamadou Tanja in te gaan op een voorstel van China om samen het bedrijf Somina op te zetten. Niger zou daardoor ook wat aan de eigen uraniumvoorraad kunnen verdienen. Prompt volgde een legercoup onder leiding van Salou Djibo, die meteen een streep haalde door het plan en ervoor zorgde dat het Franse Areva het monopolie be­hield van de uraniumwinning in Niger.

Al jaren is sprake van een enorm irrigatieproject, waardoor 440.000 hectare grond agrarisch zou kunnen worden gebruikt en een einde zou kunnen worden gemaakt aan de honger van 10 miljoen inwoners. Daar heeft Niger dus geen geld voor doordat de winst op de winning van uranium in de zak van de Franse staatsonderneming  Avera verdwijnt.

De ellende waarin de bevolking leeft heeft in het noorden van Niger geleid tot het ontstaan van groepen terroristen behorend tot het netwerk van Al Qaeda del Magreb Islámico, die het met name op Europeanen hebben voorzien. Het kost Al Qaeda niet de minste moeite soldaten te werven onder de talloze jongeren die dankzij het IMF en het Franse neokolonialisme een permanent miserabel leven leiden.

* Jean Ziegler was 8 jaar speciale rapporteur van de VN over honger in de wereld. Van het boek, oor­spronkelijk in het Frans geschreven, bestaat geen Engelse vertaling.

Het morele gelijk van Jesse Klaver

In een NRC-column van 16 juni 2017 beklaagt politiek filosoof en hoogleraar Europees recht Luuk van Middelaar zich over het ‘makkelijke morele gelijk van Jesse Klaver’. Eigenlijk ben je een grote slapjanus als je vasthoudt aan morele waarden, internationale vluchtelingenverdragen en aan mensenrechten, is de strekking het betoog van Van Middelaar.

Je moest eens weten hoe ontzettend moeilijk politici als Samsom, Rutte, Asscher en Timmermans het er mee hadden (Turkije-deal) en hebben vluchtelingenverdragen te ontduiken en vluchtelingen te laten verhongeren, te laten verdrinken en in handen te laten vallen van wrede mensenhandelaren om rechtse populisten te verhinderen hetzelfde te doen en om Europa van de ondergang te redden. Aldus in het kort het misnoegen van Van Middelaar over de rechte rug van Klaver.

Maar zijn morele gelijk zal Klaver spoedig opbreken want straks moet Rutte de PvdA binnen halen om aan een meerderheid te komen en dan gaat minister Samsom  goeie sier maken met het klimaat. Aldus Luuk van Middelaar.

Om met het laatste te beginnen. Samsom liet de tegenstanders van de verbreding van de A27 bij Utrecht weten dat hij vierkant achter die verbreding stond en onder de regering Rutte-Samsom werd groen licht gegeven voor nieuwe kolencentrales, beroep ingesteld tegen de Urgenda uitspraak en werden alle zeilen bijgezet om de Europese regelgeving voor schone lucht te ontduiken. Klaver hoeft zich dus niet echt zorgen te maken over een goeie klimaatsier van Samson en de PvdA.

Wat de Turkije-deal betreft die volgens Van Middelaar, de VVD, de CU, het CDA, D66 en de PvdA een goed voorbeeld is voor afspraken die ook met regeringen en dictaturen gemaakt zouden moeten worden ten noorden en ten zuiden van de Sahara, die heeft bepaald geen einde gemaakt (zoals Van Middelaar beweert) aan het aantal verdrinkingsdoden in de Middellandse Zee. Het feit dat de korte route tussen Turkije en Griekenland hermetisch afgesloten werd heeft tot gevolg dat er meer gebruikt wordt gemaakt van de langere en dus gevaarlijker route in het midden van de Middellandse Zee. Maar het massale aantal vluchtelingen dat in de Middellandse Zee nog steeds verdrinkt is duidelijk niet waar Van Middelaar het meest over in zit.

Waar Van Middelaar ook niet over in zit is het feit dat de Turkije-deal door te bedenker daarvan, Klaus, inmiddels beschouwd wordt als totaal mislukt. In de eerste plaats omdat Turkije helemaal geen veilig land is. In de tweede plaats omdat ook landen als Nederland Griekenland voor de opvang van vluchtelingen laat opdraaien en dus vluchtelingen in Griekenland in de steek laat. Van de bescheiden opvang van 10.000 vluchtelingen door Nederland, toegezegd in het kader van de Turkije-deal komt niets terecht.

Soms zijn “hogere waarden” in het geding, aldus Van Middelaar, en moeten de rechten van vluchtelingen dus maar wijken. Kennelijk moet ook de waarheid over het ‘succes’ van de Turkije-deal dan maar wijken. Die hogere waarheid zou dan volgens Van Middelaar zijn dat Europa een eiland blijft van vrijheid, een heuse rechtstaat. Maar wel alleen voor ons soort wel doorvoede mensen en niet voor uitgemergelde mensen en mensen die voor oorlogen op de vlucht slaan.

Willen wij met oorlogen en armoede “om ons heen” onze vrijheid, rechtsstaat en waarden bewaren, dan moeten wij een grens trekken. Aldus Van Middelaar, die daarmee impliciet beweert dat wij part noch deel hebben aan al die oorlogen en armoede “om ons heen”. Die oorlogen zijn er echter om het Westen van goedkope olie (klimaat!) en grondstoffen te blijven voorzien en de machtige wapenindustrie te gerieven. En die uitgemergelde mensen zijn er omdat arme landen een regime van vrijhandel en corruptie wordt opgedrongen waar zij steeds armer van worden en wij steeds rijker.

Kortom, de woede die Jesse Klaver over zich heeft afgeroepen door aan zijn morele gelijk vast te houden is volstrekt begrijpelijk: zijn opstelling maakt pijnlijk duidelijk hoezeer politici, kranten en commentatoren in Nederland zelf opgeschoven zijn naar extreem-rechts en in feite niet meer van Trump en Wilders te onderscheiden zijn. En dat moet met veel heilige verontwaardiging over Jesse Klaver aan het publieke oog onttrokken worden.

Niet religie maar discriminatie maakt terroristen

Wie zich een beetje in de theorie van Kruglanski * verdiept zal al snel begrijpen dat er geen betere manier is om extremisme en terrorisme aan te wakkeren dan het voortdurend beschimpen van de religie van een gediscrimineerde bevolkingsgroep. Dat ligt ook eigenlijk zo erg voor de hand, dat je je moet afvragen of het beschimpen van de Islam en het aanwakkeren van afkeer tegen moslims niet eigenlijk de bedoeling heeft extremisme en terrorisme uit te lokken om daardoor het volk bang te maken, wat bepaalde politieke partijen in de kaart speelt en de overheid de mogelijkheid biedt de schuld voor armoede, woningnood, criminaliteit en werkloosheid af te schuiven op de islamitische gemeenschap.

Inleiding
Dat het geloof mensen ertoe brengt terroristische acties te bedenken en uit te voeren is grote onzin. Dat het islamitisch geloof gelovigen tot terroristen maakt is net zo min het geval als dat het christelijk geloof of het joodse geloof dat gedaan zou hebben of nog zou doen.

Wie denkt dat het een bepaald orthodox of fundamentalistisch geloof is dat mensen ertoe brengt terrorist te worden zou er goed aan doen zich meer in de psychologie van het extremisme te verdiepen in plaats van in de teksten en preken van religieuze leiders.

Een expert op het gebied van de psychologie van het extremisme is sinds jaar en dag de Amerikaanse hoogleraar Arie Kruglanski. Volgens hem spelen drie factoren een belangrijke rol:

1. “need for personal significance, the desire to matter in one’s own eyes and those of significant others“.

2. “ideological narrative that justifies violence

3. “social network that validates the ideology and rewards is adherents“.

1. Need for personal significance
In veel gevallen blijken het losers te zijn die zich ontwikkelen tot terrorist. Verwarde geesten, sociale isolatie, geen maatschappelijk perspectief, behorend tot een verachtte bevolkingsgroep / religieuze gemeenschap.

Om twee redenen kunnen deze losers zich ontpoppen als gewelddadig extremist. De eerste is dat zij niets te verliezen hebben. Ze raken hun baan niet kwijt want die hebben en krijgen ze toch niet. Dat pers en publieke opinie negatief en vijandig op hun extremisme reageert doet ze niets, want dat deden ze ook toen zij alleen nog maar losers waren. De tweede is dat zij door iets verschrikkelijks te doen een daad kunnen stellen waarmee zij het gevoel hebben aan zichzelf en aan anderen te laten zien er wel degelijk toe te doen. Een motief waarbij ook een gevoel van wraak meespeelt: ik zal jullie wel eens leren om mij en mijn geloof te beschimpen en mij als oud vuil te behandelen. Nogmaals: belangrijk is de combinatie met het gevoel toch niets te verliezen te hebben.

2. Ideological narrative
Zoals Marx al leerde behoren opvattingen en religies tot de ‘bovenbouw’. Mensen passen hun opvattingen aan aan wat hen in bepaalde omstandigheden het beste uitkomt en aan wat zij denken dat hun sociale omgeving van hen verwacht, Een belangrijke functie van opvattingen en religies is dat zij het gedrag van mensen rechtvaardigen. Dat is waarom Marx van ideologieën spreekt.

Dat opvattingen en religies een belangrijke functie hebben als rechtvaardiging en makkelijk worden aangepast aan wat mensen het beste uitkomt is ook wat sociaal-psychologen als Philip Zimbardo (Stanford Prisoners Effect, het “Lucifereffect”) en Harald Welzers (“Daders”) betogen. Het ligt ook besloten in de theorie van de cognitieve dissonantie.

Volgens Kruglanski zijn het niet religies die mensen tot extremisme aanzetten, maar is het omgekeerde het geval: het hebben van extremistische aanvechtingen maakt dat mensen zich een religie eigen maken die dat rechtvaardigt, wat meestal betekent dat zij een religie voor zichzelf zo uitleggen dat die hun gedrag rechtvaardigt.

Elke religie valt door extremisten uit te leggen als een rechtvaardiging voor geweld. Volgens Jan Jaap de Ruiter (“Statistiek der religies”) leent ook het Oude Testament zich daarvoor, zelfs veel meer dan de Koran.

3. Social network
De functie van het sociale network voor extremisten is volgens Kruglanski tweeërlei. De eerste is dat de informatie op basis waarvan extremisten hun wereldbeeld vormen sterk bepaald wordt door het social network waartoe zij (willen) behoren. Hetzelfde zie je bij mensen die hun afkeer van de Islam en van vreemdelingen koesteren: die worden op facebook vrienden en lezen alleen nog maar wat andere islamofoben en vreemdelingenhaters posten.

De tweede functie van het social network is dat zij de extremist, in het bijzonder de “lone-actor” geven wat de maatschappij hen onthoudt: het gevoel erbij te horen en gerespecteerd te worden. En daar hebben mensen veel voor.

Het social network waar iemand met “extreme” ideeën en plannen zich toe voelt aangetrokken kan natuurlijk ook omvatten bevolkingsgroepen en zelfs volken waarmee hij lotsverbondenheid ervaart, die voor zijn gevoel in hetzelfde verdomhoekje zitten.

Conclusie
Wie zich een beetje in de theorie van Kruglanski verdiept zal al snel begrijpen dat er geen betere manier is om extremisme en terrorisme aan te wakkeren dan het voortdurend beschimpen van de religie van een gediscrimineerde bevolkingsgroep. Dat ligt ook eigenlijk zo erg voor de hand, dat je je moet afvragen of het beschimpen van de Islam en het aanwakkeren van afkeer tegen moslims niet eigenlijk de bedoeling heeft extremisme en terrorisme uit te lokken om daardoor het volk bang te maken,  wat bepaalde politieke partijen in de kaart speelt en de overheid de mogelijkheid biedt de schuld voor armoede, woningnood, criminaliteit en werkloosheid af te schuiven op de islamitische gemeenschap.

* http://www.radicalisationresearch.org/debate/kruglanski-2016-psychology/

Jean Ziegler: De haat tegen het Westen

kaft haat

Jean Ziegler was gezant van de Verenigde Naties speciaal belast met de bestrijding van honger in de wereld. In “De haat tegen het Westen” (2008) legt hij uit waarom het Westen in de rest van de wereld wordt gehaat. Het boek (Nederlandse vertaling) is uitverkocht en tweede hands valt er moeilijk aan te komen. Vandaar deze wat uitgebreidere samenvatting.

De Duitse versie “Der Hass auf den Westen” begint met een voorwoord dat in de Nederlandse vertaling is vervangen door een ander voorwoord. In dat Duitse voorwoord geeft Ziegler een gesprek weer met Sarala Fernado, diplomaat van Sri Lanka. Het gesprek gaat over hoe de VN een eind zou kunnen maken aan de volkerenmoord in Soedan. Er zou een resolutie moeten worden aangenomen om een humanitaire corridor te openen om water, medicijnen en voeding naar de getroffen gebieden te brengen.

Tot verbazing van Ziegler roept Fernado boos uit: “Why are they attacking us all the time? (…) The Germans, what did they do not so long ago? (…) En de Engelsen, wat hebben die met de Indische wevers gedaan? Om de Indische textielindustrie kapot te maken en het Engelse monopolie te verdedigen hebben ze de vingers van alle mannen, vrouwen en kinderen in de weefindustrie gebroken. En bij ons in Sri Lanka hebben de Engelsen honderdduizenden hectare van onze boeren afgenomen en de boeren verjaagd. Honderdduizend dorpsbewoners gingen dood van de honger. Op de massagraven hebben de Engelsen hun theeplantages aangelegd”

Wat Ziegler met de citaten wil laten zien is in de eerste plaats hoe sterk de herinnering leeft in  voormalige kolonies aan de extreme wreedheden en uitbuiting van het Westen. Die herinnering is zo sterk dat men in de wereld buiten het Westen vindt dat het Westen zijn grote mond moet houden als er schendingen van mensenrechten plaatsvinden ergens in de wereld en het grote moeite kost met resoluties akkoord te gaan die door het Westen in de VN worden ingediend ook al dienen die een humanitair doel.

Voorwoord
Het voorwoord van de Nederlandse uitgave staat Ziegler stil bij het presidentschap van Obama. Dat begon met hoop. In 2010, toen de Nederlandse uitgave verscheen, was de hoop verbrijzeld. Agenten van Amerikaanse veiligheidsdiensten gaan in gevangenissen buiten de VS door met het martelen van gevangenen. Er blijkt geen enkel verschil tussen Bush en Obama. Obama voert twee oorlogen tegelijk (Irak en Afghanistan)…en krijgt de Nobelprijs!. Speciale vrienden van de VS staan op de zwarte lijst van Amnesty: Israël, Saoedi-Arabië, Nigeria.

Vanwaar Obama’s mislukking? Ziegler: de VS is de grootste industrienatie ter wereld en is in hoge mate afhankelijk van olie uit het Midden-Oosten, Centraal Azië, de Nigerdelta. Gevolg: de VS moet een enorme strijdmacht op de been houden om de leverantie van olie veilig te stellen en moet over de hele wereld strategische allianties smeden met dictaturen. Sinds Obama aan de macht is, een Afro-Amerikaan, is de haat van het Zuiden tegen het Westen alleen maar nog groter geworden.

Een belangrijke factor is het groeiend verzet in het Zuiden tegen het Westers neokolonialisme, dat bloedige reacties, sabotages en moordcomplotten als reactie heeft, georganiseerd door groot grondbezitters en Westerse maatschappijen. Een andere factor is de economische crisis die in 2008 uitbrak in het Westen en niet alleen dramatische verarming tot gevolg had in het Zuiden maar Westerse staten er ook toe deed besluiten drastisch te korten op voedselhulp aan het Zuiden. Voorbeelden van de gevolgen: in Bangladesh zijn de schoolmaaltijden voor 1 miljoen ondervoede kinderen geschrapt, de rantsoenen voor 300.000 Somalische vluchtelingen zijn teruggebracht tot 1.500 calorieën per dag, een rantsoen waarbij mensen langzaam sterven.

De westerse staten beoefenen wat Maurice Duverger noemt het “buitenland fascisme”. Binnen de grenzen van hun grondgebied streven ze naar democratie, maar tegenover het Zuiden praktiseren zij de wet van de jungle. De ziekelijke obsessie met winst is het richtsnoer voor de buitenlandse politiek van het Westen.

Deel I De oorsprong van de haat
1.1. Rede en waanzin
Wat omvat de term het Westen? Het essentiële kenmerk van het Westen is zijn productiewijze, het kapitalisme (Fernand Baudel). En dat is meer dan ooit vastgeklonken aan de droom van wereldverovering. Volgens Immanuel Wallerstein ging/gaat de veroveringszucht gepaard met het aan het Zuiden opleggen van Westerse waarden, een geringschatting van niet-westerse culturen en de verkondiging van ‘wetenschappelijke’ inzichten in de universele wetten van de markt. Dus zou er voor de niet-westerse wereld niets anders opzitten dan zich aan de wetten van de markt te onderwerpen. Al deze pretenties wekken uiteraard haat op, want ze vormen de rechtvaardiging voor uitbuiting en onderwerping. Waarom, zo is de vraag, wordt de haat pas nu zo manifest, meer dan een eeuw na de afschaffing van de slavernij en vijftig jaar na het einde van de koloniale bezetting?

1.2. Kronkelpaden van het collectieve geheugen.
Volgens Maurice Halbwachs reageert een gemeenschap op ongehoorde gewelddadigheden door die te verdringen. Hoe traumatiserender hoe dieper ze in het collectieve geheugen worden weggestopt. De overlevenden van de Shoah hebben lang geweigerd om over hun ervaringen te spreken (Elie Wiesel) omdat ze bang waren niet te worden geloofd en niemand de monsterlijke ervaringen horen wilde. Hilberg kreeg zijn “The Bureaucrazy of Nazi-Germany” in 1955 niet gepubliceerd en zijn “Vernietiging van de Europese Joden” in 1961 vond nauwelijks weerklank. Pas 25 jaar laten was men bereid de verschikkelijke waarheid van de Shoa onder ogen te zien. In 1955 kwamen 27 voormalige koloniale landen bij elkaar om gezamenlijk het hoofd te bieden aan westerse koloniale mogendheden (Bandung conferentie). Het initiatief kwam niet van de grond. Het duurde tot 2006 voor dat dat wél het geval was: Beweging van niet-gebonden landen met 118 lidstaten.

1.3. De slavenjacht
Een bijzondere rol in het collectieve geheugen van de onderdrukten speelt de slavernij. Meer dan 20 miljoen Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen werden naar de andere kant van de oceaan verscheept en verhandeld om in mijnen en op plantages te werk gesteld te worden. Bij de overtocht liet 20% het leven. Tijdens de overtocht werden vrouwen door zeelieden verkracht. Een zwangere vrouw was op de slavenmarkt meer waard. De gemiddelde levensduur van een landbouwslaaf in Brazilië was 7 jaar. Om het gevaar van opstand te bezweren stelden plantage bezitters slaven aan om toezicht te houden op slaven (verdeel en heers), zochten zij slaven bij elkaar van dezelfde cultuur en moedigden zij de viering van alle riten aan die met hun traditie waren verbonden. Reden waarom niet alleen de cultuur met ook het geheugen aan volgende generaties werd doorgegeven.

1.4. De koloniale veroveringen
De geschiedenis van onze koloniën, vooral die in het Verre Oosten en in Afrika, begon met bloedige onderwerping en massamoorden. Frankrijk: verovering van Algerije (1830), Nieuw-Caledonië (1853), Senegal (1854), Zuid-Vietnam (1858), Djibouti (1862), Cabodja (1863), Tonkin (1873), Gabon (1878), Frans Congo (1880), Tunesië (1881), Mali (1893). Madagaskar (1895). In Algerije werd de techniek ‘enfumades’ toegepast: dorpsbevolking werd een grot ingedreven en uitgerookt, waarna de grot werd dichtgemetseld. Engels voorbeeld: systematisch uitmoorden  (Tasmanië): dorpen platbranden, waterbronnen vergiftigen, autochtone kinderen bij familie weghalen en steriliseren. Zoals ook in heel Australië en in Canada.

1.5. Durban
In 2001 was Kofi Annan secretaris-generaal van de VN en Mary Robinson hoge commissaris voor de Mensenrechten. Op hun initiatief vond een conferentie plaats die het Zuiden en het Westen zouden moeten verzoenen door hun zienswijzen over het koloniale verleden bij elkaar te brengen. De verwijten van woordvoerders van het Zuiden als Aloune Tine (“Wij eisen dat slavernij en kolonialisme worden erkend als een dubbele holocaust”), Abdelaziz Bouteflika (“gruwelijke aaneenschakeling” van onderdrukking en uitbuiting door het Westen), ontlokten echter aan westerse regeringen sarcastische reacties. De EU-lidstaten verwierpen elke gedachte aan financiële compensatie of zelfs maar excuus. De conferentie legde de intensiteit bloot van de haat tegen het Westen en de arrogante reactie daarop van het Westen.

1.6. Sarkozy in Afrika
In juli 2007 hield Sarkozy tijdens een bezoek aan Dakar de jeugd van Afrika voor: “ik ben niet gekomen om het met u te hebben over berouw”, “de kolonisatie was een fout die werd betaald met de verbittering en het lijden van hen die dachten alles te geven en die niet begrepen waarom men het zo op hen gemunt had”. Over het lijden van de Afrikanen geen woord. “Jeugd van Afrika, u bent de erfgenaam van alles wat het Westen in het hart en de ziel van Afrika heeft gedeponeerd”.”Zie de wereldbeschaving niet meer, zoals jullie voorouders al te vaak hebben gedaan, als een bedreiging voor je identiteit, maar als iets dat ook jullie toebehoort”. “Wilt u dat er op Afrikaanse bodem geen enkel kind meer sterft van de honger? Streef naar zelfvoorziening op het gebied van voedsel”. Aldus Sarkozy. (1) De redevoering van Sarkozy had volgens de Senegalese intellectueel een diepe wond geslagen. Hij verweet Sarkozy opvattingen uit racistische geschriften van de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw.

Algerije heeft een bevrijdingsoorlog achter de rug van zeven jaar, waarbij ruim twee miljoen mannen, kinderen en vrouwen zijn gedood. Sarkozy: “Met welk recht vraagt u zonen spijt te betuigen voor de fouten van hun vaders, fouten die de vaders vaak alleen in uw fantasie gemaakt hebben?”. Op de uitspraken van Sarkozy zijn van toepassing die van Gilles d’Elia, “De laatste daad van het kolonialisme bestaat in het koloniseren van de geschiedenis van het kolonialisme” en van Aimé Césaire in zijn Discours sur le colonialisme: kolonialisme is de combinatie van begeerte en geweld.

Deel II De weerzinwekkende afstamming
2.1. Van Slavenhouder tot allesverslindend roofdier
Eén van de belangrijkste oorzaken van de honger in Afrika is het dumpen van agrarische producten door westerse staten, die hun eigen boeren miljarden steun geven aan productie en export. Het streven naar zelfvoorziening wordt door het Westen door deze dumpingspraktijk en door het opdringen van open grenzen voor westerse ondernemingen onmogelijk gemaakt.

Vier systemen van overheersing hebben zich sinds Columbus 1492 opgevolgd. Na de verovering van Amerika en de genocide op de Indianen, de driehoekshandel: slaven naar Amerika, zilver e.d. naar Europa. Daarna het koloniale systeem en nu de door het Westen gedomineerde wereldorde met zijn ‘huurlingen’  GATT, IMF, Wereldbank en multinationals. De slavenhouders zijn niet dood, ze hebben de gedaante aangenomen van beursspeculanten.

Voorbeeld: de vernietiging van de Afrikaanse katoenmarkt door dumpen van gesubidiëerde katoen door de VS. In strijd met verdragen, maar daar trekt het Westen zich niets van aan. Om voor IMF- hulp in aanmerking te komen na het instorten van de katoenmarkt eist het IMF privatisering en vrijhandel. Gevolg: westerse multinationals nemen de economie en vragen excessieve prijzen voor kunstmest, pesticiden en zaaigoed.

Met het opheffen van tariefmuren voor import raken arme landen niet alleen het grootste deel van hun staatsinkomsten kwijt, maar bovendien moet hun onderontwikkelde landbouw en industrie concurreren tegen hoogontwikkelde regio’ s. Gaan arme landen niet akkoord met vrijhandel dan staken IMF en de EU financiële steun. Het cynisme en de arrogantie waarmee westerse leiders het verzet breken van arme landen draagt in hoge mate bij aan de haat tegen het westen.

2.2. In India, in China
Financiële oligarchieën in India en China maken deel uit van het kapitalistisch systeem. Oligarchen wonen in westerse metropolen, ‘economische ontwikkelingszone’s’ (bijv. ‘Cyberabad’) worden bezet door Dell, IBM, Google, Oracle, Capgemini, Westerse banken en Indiase giganten. Gunstgige vestigingsvoorwaarden: gratis grond, de eerste tien jaar geen belasting, afschaffen invoerrechten, elektriciteit voor niets, minimale arbeidsinspectie.

Lokale boeren raken land kwijt, zijn aangewezen op onbetaalbaar (want geprivatiseerd) zaaigoed, pesticiden en meststoffen. Tussen 2001 en 2007 maakten 120.000 boeren in India een eind aan hun leven. Groei sloppenwijken rond Calcutta, Mumbay, New Delhi.

In 1983 besloot China deel uit te maken van het westerse kapitalistische systeem. Schafte sociale zekerheid af, privatiseerde staatsbedrijven en liet buitenlandse investeringen toe. De oligarchie bestaat uit invloedrijke families van de Communistische Partij. Verzet wordt hard onderdrukt (Chengguan: speciale politiemacht). China is recordhouder doodstraffen.

Het lijden van de arme bevolking in India, China onder het uit het Westen overgenomen en daarmee verstrengelde kapitalisme voedt de haat tegen het Westen.

Deel 3 De schizofrenie van het Westen
3.1. Mensenrechten
De westerling meent anderen op de rechten van de mens te moeten wijzen, maar heeft daar zelf geen boodschap aan.

In het jaar (1948) dat de Universele Verklaring van de rechten van de mens door de VN werd vastgesteld (art. 3 Een ieder heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon‘) leefde driekwart van de mensheid onder het koloniale juk. In Gabon, Kameroen, Congo-Brazzaville sloegen opzichters van Franse bosbouwondernemingen houthakkers die de zwak of te ziek waren om het vereiste aantal bomen te vellen met zwepen voorzien van spijkers. In Kivu, Maniéma en Kasai werden mijnwerkers die van kruimeldiefstallen verdacht werden door Belgische opzichters aan hun polsen opgehangen; als het gangreen zijn werk had gedaan werden hun polsen geamputeerd. In dwangarbeiderskampen op de rubberplantages in Cambodja stierven kinderen door ondervoeding.

In 2006 besluit de Veiligheidsraad 20.000 blauwhelmen in te zetten om een eind te maken aan de volkerenmoord in Dafur. De troepen zouden in buurland Tsjaad worden gestationeerd. Onder druk echter van Sarkozy weigerde Tsjaad (ex- Franse kolonie) de VN-troepenmacht toe te laten. Sarkozy wilde dat niet de VN, maar Frankrijk de regie zou hebben bij de hulp vanuit Tsjaad. Frankrijk wilde bovendien geen militaire interventie (bang om bij een conflict te worden betrokken), maar alleen humanitaire hulp.

De VS hebben in 1988 de Conventie tegen martelen getekend. In 2004 echter besloot Bush dat Amerikaanse commando’s overal ter wereld ‘terroristen’ mochten arresteren, verhoren, martelen en zo nodig executeren. Omdat martelen in de VS zelf verboden bleef werd dat in clandestiene gevangenissen in andere landen gedaan (Guantanamo, 2008: 455 gevangenen).

Naar aanleiding van het Israëlische bombardement op Beit Hanoun besloot de VN Raad voor de mensenrechten een onderzoek ter plaatse in te stellen. De Israëlische bezetter weigerde echter visa te verstrekken en dus ging het onderzoek niet door. De ambassadeurs van de EU staken geen vinger uit, geen spoor van protest. De weigering van Israël om onderzoekers toe te laten wordt een paar maanden later door de Soedanese junta aangegrepen om VN onderzoekers te beletten onderzoek in Soedan te doen naar mensenrechtschendingen. Maar dan roepen de EU ambassadeurs dat het een schande is.

3.2. Cynisme, arrogantie en dubbelhartigheid

wordt aan gewerkt

 

 

Over de Damas de Blanco in Cuba

De Damas de Blanco worden regelmatig door de westerse pers als voorbeeld ten tonele gevoerd van de onderdrukking van het recht op vrije meningsuiting in Cuba.

Het uitgesproken anti-communistische Cuba Tips van de Stichting Cuba Glasnost schreef op 5 maart 2017 ‘een demonstratie van de mensenrechtengroep Damas de Blanco wordt bijna wekelijks met politie geweld onmogelijk maakt.

Anders dan Kees Kortenhof van Cuba Glasnost schrijft is er geen sprake van wekelijks politie geweld in het geval van de Damas de Blanco, ook volgens Berta de los Angelos Soler (één van de Damas) niet: “Ellos no nos golpearon. No hubo violencia”. {1)  Zulks in tegenstelling tot bijvoorbeeld de demonstraties in Nederland tegen zwarte piet of. om een ander voorbeeld te noemen het optreden van de politie tegen Turkse demonstranten die verontwaardigd zijn dat de Turkse minister de toegang tot Nederland en het Turkse consulaat werd ontzegd.

Salim Lamrani, docent verbonden aan de universiteit Sorbonne in Parijs, gespecialiseerd in Latijns-Amerika en in het bijzonder de verhouding Cuba-VS, schreef een artikel over deze Damas de Blanco waarin wordt afgerekend met de mythe dat het zou gaan om een groep die zich druk maakt over mensenrechten. Het artikel verscheen als hoofdstuk in het boek Cuba: lo que nunca le dirán los medios (Cuba: wat de media nooit vertellen). Nelson Mandela schreef een voorwoord bij het boek. (2)

Deze column biedt een verkorte en vrije vertaling van het artikel, waaraan ik hier en daar in schuine tekst commentaar aan heb toegevoegd. Ook de foto’s en illustraties heb ik toegevoegd.

De zaak van de Damas de Blanco

De Cubaanse Damas de Blanco hebben een zekere faam verworven in de westerse pers als symbool van de strijd voor vrijheid in Cuba. Het gaat om vrouwen die familie zijn van de 75 opposanten die in 2003 werden gedetineerd wegens ‘samenwerken met een buitenlandse mogendheid’. Elke zondag demonstreren zij in Havana en eisen zij de vrijlating van hun gevangen echtgenoten.

Om aan te geven dat zij zich inzetten voor een goede zaak en om de werkelijke redenen te verhullen van de gevangenschap van hun familielid imiteren zij de Argentijnse Madres de la  Plaza de Mayo (de ‘Dwaze moeders’), waarmee zij het doen voorkomen alsof hun strijd net zo’n rechtvaardige strijd is als die van Argentijnse Madres.

De Madres  zijn een voorbeeld van moed en volharding. Al 28 jaar komen zij elke donderdag bij e­l­kaar op de Plaza de Mayo in Buenos Aires om de waarheid te eisen over de verdwijning van hun kinderen en alle andere slachtoffers van de onderdrukking en zetten zij zich in om te bereiken dat de verantwoordelijken voor de militaire dictatuur 1976 – 1982 worden gestraft.

Desgevraagd veroordeelde Hebe de Bonafici, leidster van de Madres, het feit dat de Cubaanse Damas de Blanco de suggestie proberen te wekken iets met de Madres de la Plaza Mayo gemeen te hebben. “Onze hoofddoek symboliseert het leven, terwijl de vrouwen waarvan u spreekt de dood vertegenwoordigen”. “Die vrouwen komen op voor het terrorisme van de VS”.

Op 21 april 2008 zetten de Damas de Blanco een demonstratie op touw tegenover het ministerie van binnenlandse zaken op de Plaza de la Revolución in het centrum van Havana. De autoriteiten voerden hen af en bracht ze naar hun huizen. Niettemin schreven de westerse media over een repressief optreden. Het persbureau Reuters sprak van een gewelddadige aanval op de vrouwen van de gedetineerde dissidenten.

Foto’s (zie foto boven) en video’s laten echter een twintigtal vrouwelijke medewerkers van het ministerie zien zonder wapenstok o.i.d. Die droegen de Damas, nadat ze drie uur hadden gedemonstreerd, naar de toeristenbus die hen naar hun huis bracht. Eén van Damas, Berta de los Angeles Soler, verklaarde tegenover persbureau Associated Press dat er geen geweld was gebruikt: “Ze hebben ons niet geslagen. Er was geen geweld”.

Voor westerse media vormde het gebeuren op 21 april 2008 het bewijs van het repressieve karakter van de Cubaanse regering. Wat die media niet schrijven is dat het verbieden van demonstraties in het centrum van een drukke stad zónder toestemming in vrijwel alle landen in de wereld normaal is en dat er in landen als Frankrijk (en Nederland) niet zelden, en anders dan in het geval van de Damas, hardhandig door de politie een eind aan wordt gemaakt. Zie op de foto’s boven hoe er in Gouda een eind werd gemaakt aan de demonstratie tegen zwarte piet.

Miriam Leyva, een van de oprichtsters van de Damas verklaarde dat de demonstratie een zuiver humanitair doel had. “Wij hebben geen politieke agenda” verzekerde zij. Laura Pollan, die als woordvoerder van de groep fungeert bezwoer “Wij zijn vrije vrouwen en volgen geen ordes op van wie dan ook”. De Cubaanse regering, echter, veroordeelde het gebeuren als een provocatie op poten gezet door het extreem rechtse congreslid van Florida Ileana Ros-Lehtinen (dochter van na de revolutie uit Cuba naar Miami uitgeweken ouders) met financiële steun van de Amerikaanse regering,

De feiten laten zien dat er inderdaad reden is om aan de onafhankelijkheid van de Damas te twijfelen. De vertegenwoordiger van de VS in Havana, Michael Parmly, komt regelmatig samen met de leden van de Damas, zoals foto’s laten zien. Ook blijkt uit een (onderschepte) telefoon gesprek met Ileana Ros-Lehtinen dat de demonstratie van 21 april vanuit Florida is georganiseerd door haar en de Fundación Nacional Cubano Americana (FNCA).

Het is nuttig in herinnering te roepen wie Ilena Ros-Lehtinen en wat de FNCA is. Het Amerikaanse congreslid is een verbeten aanhangster van de harde lijn tegen Cuba. Ros-Lehtinen was betrokken bij de kidnapping van het 6-jarige Cubaanse jongetje Elián Gonzalez in 2000 (3), verdedigde de terroristen Orlando Bosch en Luis Posada Carriles (4), maakte zich sterk voor verscherping van de economische sancties tegen Cuba en riep op Fidel Castro te vermoorden. (“Yo apruebo la posibilidad de que alguien asasine a Fidel Castro”).

Wat de FNCA (5) betreft, de relatie met het terrorisme tegen Cuba is meer dan eens aangetoond, onder andere in het geval van de aanslagen in 1997 tegen de Cubaanse toeristenindustrie. Op 22 juni 2006 vertelde José Antonio Llama, ex directeur FNCA,  dat de FNAC beschikte over helikopters, tien op afstand bestuurbare vliegtuigen, zeven schepen, een speedboot en een enorme hoeveelheid explosieven. “Wij willen de democratisering in Cuba met alle middelen bespoedigen”.

Welk land ter wereld pikt het dat een groep burgers zich verbindt met iemand die oproept de president te vermoorden en met lieden en een organisatie met terroristische plannen? Wat zou de Franse regering doen als een groep Fransen zich verbindt met bijvoorbeeld Al-Qaeda?

Ex president George W. Bush, die meer dan eens liet weten de regering in Havana ten val te willen brengen, nam 6 mei 2008 de moeite zich met Berta Soler en Martha Beatriz Roque (beide lid van de Damas) in verbinding te stellen door middel van een videoconferentie, in aanwezigheid van Palmly, hoofd van de Amerikaanse vertegenwoordiging in Havana. Berta Soler drong in het gesprek aan op meer financiële steun. Bush gaf daags daarna te kennen dat het zijn bedoeling was alles te doen wat nodig is om de gevestigde orde in Cuba te breken.

Volgens de Cubaanse regering stelde de VS tussen 1996 en 2006 23.000 korte golf radio’s, talloze boeken, brochures en andere info beschikbaar voor de interne contrarevolutie in Cuba, gaf het 45,7 miljoen dollar uit aan groepen huurlingen voor provocaties zijnde een deel van de in totaal 116 miljoen besteed door de Bush regering om subversieve acties in Cuba te laten plaatsvinden.

De VS vertegenwoordiging in Cuba is, zo stelt de Cubaanse regering, een verdeelcentrum van waaruit groepen huurlingen worden geïnstrueerd en gefinancierd. En één van die groepen is op aanwijzing van Bush de Damas de Blanco. Eén van de Damas (Laura Pollán) ontving zelfs een bedankkaartje van Bush en geld om een boek uit te geven over de “contrarevolutionaire” (6) ervaringen van haar echtgenoot (Héctor Maseda Gutiérrez).

De Cubaanse regering maakte ook bekend dat Martha Beatriz Roque en de Damas de Blanco maandelijks 1500 dollar ontvangen – bijna tien maal het gemiddelde maandsalaris in Cuba – afkomstig van de organisatie Rescate Juridico de la Florida en nog wel ondanks de sancties van de VS die het verbieden meer dan 100 dollar per maand naar familie in Cuba te sturen.

De president van Rescate Juridico is niemand minder dan Santiago Alvarez Fernández Magriñat, erkend terrorist en goede vriend van de terrorist Luis Posada Carriles, degene die verantwoordelijk is voor de aanslag op het Cubaanse vliegtuig waarbij 76 mensen omkwamen. Alvarez zit een straf uit in de VS voor verboden wapenbezit, was betrokken bij de mislukte aanslag op Castro in Panama in 2000 en volgens Interpol verantwoordelijk voor de beraming van aanslagen op toeristische doelen in Cuba. Rescate Juridico ontvangt niettemin geld van de VS regering.
Fundación Rescate Juridico
Associated Press meldt dat deze Alvarez publiekelijk zijn militant gewelddadig verleden tegen Cuba erkende. Alvarez werd overigens door de CIA gerecruteerd in de zeventiger jaren voor diverse criminele acties, zoals de overval in 1972 op het kustplaatsje Boca de Samá in Cuba.

Kortom, de Damas de Blanco accepteren een financiële vergoeding van de organisatie Rescate Juridico die geleid wordt door een erkend terrorist. Hoe zou de Franse regering reageren als een oppositionele groep financiële steun accepteert van lieden die verantwoordelijk zijn voor terroristische aanslagen in Parijs? En zou Martha Beatriz Roque en de Damas de Blanco hun gang kunnen gaan als zij in de VS leefden en geld ontvingen van lieden die terroristische aanslagen beramen in de VS?

De financiële steun die de Damas ontvangen van Rescate Juridico én van de VS regering wordt aan hen overgebracht door diplomaten verbonden aan de vertegenwoordiging van de VS in Cuba. Volgens de Conventie van Wenen 1961 artikel 41 hebben diplomaten de plicht zich niet te mengen in de interne aangelegenheden van het gastland. Volgens de VS vroegere diplomaat Wayne S. Smith in Cuba (1979 – 1982) is het volstrekt illegaal geld over te brengen aan de Cubaanse dissidenten.

art. 41Naamloos
Alle landen verbieden in hun wetboek van strafrecht elke vorm van associatie met een vreemde mogendheid die de bedoeling heeft de belangen van het land te schaden, laat staan de wettige regering omver te werpen. (De VS regering heeft van die bedoeling nooit een geheim gemaakt.)
De Damas de Blanco hebben het volste recht te opponeren tegen de regering in Havana, maar ze handelen in strijd met het recht zoals dat in alle landen geldt door zich te verbinden met de vreemde mogendheid VS en zich dienstbaar te maken aan de buitenlandse politiek van de VS die er sinds 1959 op gericht is het regime in Havana omver te werpen. Met een nobele strijd voor vrije meningsuiting of voor mensenrechten heeft dat niets te maken.

(1) Vert:  “Ze hebben ons niet geslagen. Er was geen geweld”.

(2) Vrije vertaling en samenvatting van het artikel El caso de las Damas de Blanco in Cuba: lo que nunca le dirán los medios van Salim Lamrani. Editorial José Marti Havana 2011.
Het artikel verscheen in 2008 in het Frans: http://www.voltairenet.org/article157276.html. Het boek ver­scheen eerder in het Frans onder de titel Cuba: ce que les médias ne vous diront jamais, Edition Estrella 2008.

(3) ” Ros-Lehtinen played a prominent role in the unsuccessful attempt by relatives of Elian Gonzalez to gain custody of six-year-old from the Castro regime, describing Cuba as “that system of godless communism“. https://en.wikipedia.org/wiki/Ileana_Ros-Lehtinen. Zie ook: https://nl.wikipedia.org/wiki/Eli%C3%A1n_Gonz%C3%A1lez

(4) http://uspeacecouncil.org/?p=360. Samen met Luis Posada Carriles gaf Orlando Bosch leiding aan de sabotage van een Cubaans passagiersvliegtuig in 1976 waarbij alle 76 inzittenden omkwamen. Zie: http://www.afrocubaweb.com/roslehtinen.htm

(5) Zie voor info over de FNCA: https://en.wikipedia.org/wiki/Cuban_American_National_Foundation

(6) In het boek “Enterrados Vivos” beschrijft Héctor Maseda zijn berechting en zijn gevangenschap en niet zijn contrarevolutionaire ervaringen. Dat laatste zou ook niet voor de hand liggen, want een erkenning van wat hem ten laste werd gelegd.

De rechten van de mens in Cuba

En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? Mattheus 7:3

Als we de westerse pers moeten geloven is het slecht gesteld met de rechten van de mens in Cuba. De VS voert het aan als argument om de in 1959 ingestelde internationale economische blokkade van Cuba af te dwingen, waar ook de Nederlandse regering braaf aan meedoet. Ook het oordeel van Human Rights Watch en Amnesty International is negatief, net als dat van Reporters sans Frontières. Zeer negatief over het regime in Cuba is Cuba Glasnost die ons wekelijks met CubaTips op de hoogte brengt van alles wat er mis is met het communisme.

Wat opvalt in alle kritiek op de mensenrechtensituatie in Cuba is dat daarin de rechten van de mens min of meer worden vereenzelvigd met vrijheid van meningsuiting en de vrijheid om aan politiek te doen zoals dat in westerse landen gebruikelijk is: kiezen tussen en meedoen met politieke partijen die strijden om de meerderheid in het parlement. Op al die kritiek valt wel wat af te dingen. Dat is hoognodig om de mensenrechtensituatie in Cuba én bij ons in het westen eerlijker te beoordelen.

Sociale mensenrechten
Anders dan de in het westen gebruikelijke kritiek op Cuba doet denken zijn er veel meer mensen­rechten: recht op voeding, recht op een woning, recht op onderwijs, recht op gezondheid, recht op zinvolle arbeid, recht op rechtshulp, recht op sociale zekerheid.  Waarom worden die ‘sociale’ men­senrechten niet in de beoordeling betrokken?  Als dat wél zou gebeuren, dan zouden veel wes­terse landen misschien een lagere totaal score hebben dan Cuba.

Ziekenhuiszorg  en onderwijs in Cuba zijn gratis. Mensen die hun huur of hun hypotheek niet kunnen betalen en op straat worden gezet zijn in rijke welvarende  westerse landen niet ongewoon, in Cuba komt het vrijwel niet voor. Kindersterfte ligt lager dan in de VS. De levens­verwachting is gelijk aan die in Nederland. Vergeleken Nederland en de VS is Cuba echter een arm land. In 2010 was het BNP in dollars in Cuba 10.200, in Nederland 40,300 en in de  VS 47,200.[1]

Indrukwekkende prestaties voor een arm land dat sinds 1959 geplaagd wordt door een internatio­nale economische blokkade en bovendien gedwongen wordt veel geld uit te geven voor defensie en veiligheid omdat de VS er met alle middelen naar streeft, inclusief militaire middelen en sabotage acties, om de situatie van voor de revolutie te herstellen waarin het door de VS werd gekoloniseerd. [2]

Dat de sociale mensenrechten niet in de beoordeling worden betrokken door critici van het regime in Cuba valt met name  te verklaren doordat rechten die de vrijheid  moeten garanderen, de zo­ge­naam­de klassieke of liberale grondrechten, in het liberale westen hoger worden aan­gesla­gen en worden  be­schouwd als de essentie van de mensenrechten. Die vrijheid houdt in het niet te worden gedwars­boomd door de overheid. Niet bij het uiten van zijn mening en het zich politiek of anderszins organi­se­ren en niet bij het ondernemen en handel drijven.

Mensen die van honger dreigen om te komen en geen dak boven hun hoofd hebben zullen eten en onderdak echter belangrijker vinden dan het recht om hun mening te uiten, maar intellectuelen en politici in het westen die zich druk maken over mensenrechten in Cuba oordelen misschien teveel vanuit een positie van relatieve welvaart. Maar dat is niet alles.

Persvrijheid en onafhankelijke pers
Het is waar, de pers, de tv en radio in Cuba zijn in staatshanden. De media in westerse landen als de VS, Nederland en België zijn officieel onafhankelijk van de staat. Kranten worden uitgegeven door bedrijven die van de opbrengst moeten bestaan. De vraag is echter of de berichtgeving waar wij aan gewend zijn wel zó onafhankelijk is dat je inderdaad kan spreken van persvrijheid. Om een aantal redenen moeten we aan de persvrijheid en de onafhankelijke pers in het Westen sterk twijfelen.

Spindocters en woordvoerders
Cees Hamelink is emeritus hoogleraar Internationale Communicatie aan de Universiteit van Amster­dam en emeritus hoogleraar Media, Religie en Cultuur aan de Vrije Universiteit. In een filmpje dat te zien is op Youtube legt hij uit dat je niet moet geloven wat er in de krant staat.[3] De krant, zo valt zijn betoog samen te vatten, doet niet veel anders dan de leugens reproduceren van de overheid en het bedrijfsleven die door spindocters en reclamespecialisten worden bedacht om het volk om de tuin te leiden. Hamelink wijdt dat vooral aan het numerieke overwicht van spindocters en woordvoerders: op elke journalist zouden er daar vijftien van zijn.

Commerciële belangen
Noam Chomsky en Andre Vltchek schreven het boekje  On western terrorism, from Hiroshima to drone warfare. Eén van de hoofdstukken is gewijd aan de media in Europa en de VS. Hun voornaamste kritiek is dat de belangrijkste media niet geïnteresseerd zijn in nieuws en opvattingen die een ander verhaal vertellen dan dat van de overheid en dissidenten nauwelijks aan het woord laten. Voor de overheid is het helemaal niet nodig de pers te censureren, de media doen het zelf. Chomsky en Vltchek wijten dat vooral aan de commerciële belangen van de media: afhankelijkheid van inkomsten uit advertenties en het feit dat media vaak eigendom zijn van commerciële instellingen en miljonairs als Murdoch en Berlusconi.

Vriendschap en zelfcensuur
In een uitgebreid gesprek [4] met Cees Hamelink en Janneke Monshouwer, die de omroep 30 jaar van binnen uit heeft meegemaakt en daar kritisch boek over schreef [5], komt nog een ander aspect naar voren, namelijk de vooringenomenheid van de (hoofd)redacteur. Is hij lid van of heeft hij vrienden bij een bepaalde politieke partij, dan bepaalt dat in hoge mate de kleur van zijn verhaal. Woordvoerders en politici zijn er om die reden op uit goeie vrienden te worden met belangrijke verslaggevers. Vaak ook worden verslaggevers ingepakt doordat op hen druk wordt uitgeoefend feiten te verzwijgen of in strijd met de waarheid voor te stellen in het belang van de veiligheid of zelfs censuur te accepteren.[6]

Gedeelde ideologie
Nog een belangrijke factor die de onafhankelijkheid van de pers in de weg staat is de gedeelde ideo­logie. Dat gaat veel verder dan de verbondenheid van de (hoofd)redacteur met een bepaalde politieke partij. De ideologische verschillen tussen links en recht in Nederland zijn veel kleiner dan de overeenkomsten.  Aan een Cubaan is het verschil nauwelijks uit te leggen, want er is geen partij in Nederland die zich uitdrukkelijk tegen het kapitalisme keert. De PvdA deed dat nog in het beginselprogramma van 1977, maar wil daar niet meer aan herinnerd worden. De CPN bestaat niet meer, althans is op gegaan in GroenLinks. Noch in het verkiezingsprogramma van GroenLinks, noch in dat de SP kom je het woord ‘kapitalisme’ nog tegen.

Een paar zaken staan in de Nederlandse politiek niet of nauwe­lijks ter discussie:  de vrije markteco­no­mie, de afkeer van het communisme, de  vriendschap met / althans af­hankelijkheid van de VS (wie pleit er nog voor uit treden uit de NAVO?), het vertrouwen in officiële deskundigen, de integriteit van de overheid en het geloof dat iedereen die zijn best doet voldoende kansen heeft in onze maatschap­pij om te slagen en natuurlijk dat er geen land is waar de mensen zoveel redenen hebben trots te zijn op hun land als Nederland. Inmiddels behoort tot deze gedeelde ideo­logie ook de overtuiging dat on­ze normen en waarden superieur zijn, hoewel niemand precies weet wat die precies zijn, en die van moslims niet. De impact van die gedeelde ideologie is dat wat daar niet mee in overstemming is een geringe kans heeft op aandacht in de media en, omgekeerd, media sterk de neiging hebben in hun berichtgeving en commentaren bij die gedeelde ideologie aan te sluiten.

NRC.next, een uitgaven van de NRC, die in Nederland wordt beschouwd als één van de kwaliteits­kranten, maakt van haar steun aan de gedeelde ideologie in het geheel geen geheim. In de statuten staat met zoveel woorden dat zij voorstander is “van een verenigd Europa, van integere transatlan­tische banden en internationale vrijhandel”.

Experts in het legitimeren[7]
Een belangrijke rol bij de vorming en instandhouding van de gedeelde ideologie is weggelegd voor de media, maar ook voor talloze wetenschappers die werkzaam zijn bij de overheid, bij universiteiten en onderzoek- en adviesbureaus en die in feite als belangrijkste taak hebben wetenschappelijk te bewijzen dat het overheidsbeleid juist is. Een schokkend voorbeeld:

Leidse onderzoekers onder leiding van Prof. Joanna van der Leun kwamen in 2014 tot de conclusie dat de Haagse politie niet structureel etnisch profileert. Van der Leun was lid van de adviesraad van de politie Haaglanden. Met de politieleiding besprak Van der Leun: “Afbreukrisico kan zijn dat het de aan­dacht kan vestigen op (mogelijke) discriminatie door de politie. Dit risico is met prof. Van der Leun besproken. Zij begrijpt de onwenselijkheid hiervan en heeft aangegeven dat zij (en xx naam is zwart­gemaakt) dit punt expliciet zal bespreken met de studenten en dat zij hierop zal letten bij de tussen­tijdse besprekingen van de (concept) scripties.[8]

De overheid en het bedrijfsleven zijn vrijwel de enige opdrachtgevers voor beleidsonderzoek en zijn niet geïnteresseerd in resultaten die een al te kritisch licht werpen op het beleid en het gedrag van de overheid en het bedrijfsleven. Het gevolg is dat met het doen van echt onafhankelijk onderzoek geen droog brood valt te verdienen. Wat voor spindocters en woordvoerders geldt, geldt ook voor wetenschappelijke rapporten: journalisten zijn zo erg in de minderheid dat ze niet bij machte zijn om al die rapporten te lezen en daar kritisch over te schrijven, ook al zouden ze het willen. En dus doen de NOS en de (‘kwaliteits’-) kranten niet veel meer dan de persberichten overschrijven die door de opdracht­gevers van het onderzoek zijn opgesteld en verspreid.

Wat voor beleidsonderzoek geldt,  geldt niet minder voor de sociale- en geesteswetenschappen voor zover die zich meer met theorievorming bezighouden. Die spiegelen ons de maatschappij waarin wij leven voor als min of meer natuurlijk en alles wat daarvan afwijkt als problematisch of onderontwikkeld. De geschiedenisboeken waarmee wij allemaal worden grootgebracht laten ons het westen zien als het geciviliseerde deel van de wereld en hebben de bedoeling gevoelens van nationale trots en – saamhorig­heid te bewerkstelligen, wat onmiskenbaar ook de bedoeling is van het NOS en het Sportjournaal.

Om alle bovengenoemde redenen is het zeer de vraag of de pers zoals wij die kennen in het westen inderdaad zo onafhankelijk is als in het westen wordt gedacht en aan landen als lichtend voorbeeld wordt voorgehouden waar de pers in handen is van de staat. Chomsky en Vltchek zijn het er over eens dat zij voor de staatstelevisie van Iran en China heel wat meer ruimte krijgen om kritiek te uiten op de regimes in die landen dan zij krijgen bij de media in Europa en de VS om kritiek te uiten op de buitenlandse politiek van westerse regeringen.

Vrijheid van meningsuiting
Voor een beoordeling van de vraag of er in Cuba niet, maar in het westen wél  vrijheid van menings­uiting bestaat is het belangrijk stil te staan bij wat we eigenlijk moeten verstaan onder vrijheid van meningsuiting.

In veel gevallen is onze vrijheid van meningsuiting niet meer dan een formele vrijheid: je mag zeggen wat je wil, maar de pers, de politiek en de overheid neemt niet de moeite om er ook maar kennis van te nemen. De analogie dringt zich op met de ideeënbus  die lange tijd in veel bedrijven hing. Iedereen kon daar zijn ideeën in kwijt en aan het eind van de week werd die in de prullenbak geleegd. Maar de werknemers hadden tenminste het gevoel dat ze hun zegje konden doen.

De ideeënbus bij de overheid kennen we in Nederland in de vorm van inspraak- en participatieprocedures. Ontwerp besluiten moeten volgens de Algemene wet bestuursrecht ‘ter visie’ gelegd worden. Burgers mogen dan gedurende zes weken zienswijzen kenbaar maken. De praktijk is echter dat die zienswijzen zelden of nooit leiden tot een aanpassing van het besluit. Burgers mogen, nadat het besluit is genomen, ook bezwaar maken. Maar ook daarvoor geldt dat die bezwaren zelden of nooit worden gehonoreerd. De voornaamste functie van inspraak- en participatieprocedures is bij het volk de suggestie te wekken te worden gehoord om, nadat de overheid zich niets van de mening van het volk heeft aangetrokken, het volk voor te houden dat het besluit geaccepteerd moet worden omdat het volk geparticipeerd heeft in de besluitvorming.

De ideeënbus bij de pers kennen we in de vorm van ‘brieven aan de redactie’. Er worden door lezers heel  veel brieven geschreven aan de redactie, zodat de redactie daar een selectie uit moet maken.  Reacties die vallen buiten wat ik heb genoemd de gedeelde ideologie vallen bij die selectie snel af.  Ook hier geldt dus dat het formeel inderdaad mogelijk is om je mening te geven, maar dat dat er niet toe leidt dat die gehoord wordt, laat staan in overweging wordt genomen. Je kunt net zo goed tegen de muur praten.

Burgers die het niet kunnen verdragen dat er niet naar ze geluisterd wordt nemen soms hun toevlucht tot demonstraties. Voor een demonstratie heb je toestemming nodig van de gemeente en die je krijg je vaak niet als je wilt demonstreren in het centrum van de stad waar iedereen je kan zien. De demonstratie verstoort dan namelijk de openbare orde en dat mag niet. Demonstraties die plaatsvinden zonder toestemming hebben vaak hard politie optreden tot gevolg. De wijze waarop Cubaanse autoriteiten optreden tegen de rituele demonstraties van de Damas blancas zijn heilig als je die vergelijkt met de manier waarop de politie in Nederland ingrijpt tegen anti- zwarte piet demonstranten om maar te zwijgen van de manier waar in de VS wordt ingegrepen tegen de demonstraties die zich keren tegen de aanleg van de oliepijpleiding door North Dakota.

Een bijzondere vorm van meningsuiting is het ‘klokkenluiden’: mensen die tot een organisatie horen worden geacht misstanden in de organisatie niet naar buiten te brengen. Doen ze dat wél, dan wordt dat beschouwd als een zeer ernstig vergrijp. Fred Spijkers was maatschappelijk werker bij het leger en kreeg de opdracht aan de vrouw van een bij een explosief ongeluk omgekomen soldaat te gaan vertellen dat het de schuld van de soldaat zelf was. Die zou zich niet aan de instructies hebben gehouden. De waarheid was echter dat de explosieven niet deugden en dat de superieuren ernstig in gebreken waren gebleven. Spijkers weigerde, werd ontslagen en toen hij naar de pers liep werd zijn leven min of meer verwoest. Ad Bos, oud-directeur van Koop Tjuchem, deed een boekje open over de corruptie in de bouwwereld bij overheidsprojecten. Zijn vrijheid van meningsuiting had tot gevolg dat Bos compleet werd geruïneerd.

Kortom, formeel bestaat in het westen het recht op vrije meningsuiting, maar wee degene die daar gebruik van maakt op een manier waarop dat de overheid niet uitkomt.

Politieke rechten
De Cubaanse regering wordt in de westerse pers vrij algemeen als ondemocratisch aangeduid omdat het geen rivaliserende politieke partijen kent. Dat de leden van het hoogste orgaan, de Asamblea National, rechtstreeks gekozen wordt door de bevolking is bij de meeste commentatoren onbe­kend omdat er weinig zijn die de moeite nemen om de Cubaanse Constitución[9]  en de Ley Electo­ral de 1992[10] te raadplegen. Het is makkelijker westerse regeringswoordvoerders na te praten die het ook niet weten. Als beweringen maar vaak genoeg worden herhaald gaan ze vanzelf deel uitmaken van wat ik de gedeelde ideologie heb genoemd. Die westerse gedeelde ideologie is zo krachtig en wordt ook door zoveel door de VS gefinancierde radiostations rond Cuba verspreid, dat er ook Cubanen zijn die geloven dat de democratie zoals die in het westen wordt gepraktiseerd superieur is. En als je dan vertelt dat wij in Nederland ons staatshoofd helemaal niet zelf kunnen kiezen en ook onze pre­mier niet en dat er steeds meer burgers zijn die zich helemaal niet vertegenwoordigd voelen, dan willen ze dat maar nauwelijks geloven.

“Tegen verkiezingen”
Om mijn Cubaanse vrienden uit de droom te helpen vertel ik ze dat de Belgische schrijver David Van Reybrouck een boekje geschreven heeft getiteld “Tegen verkiezingen”, waarin hij ervoor pleit leden van de volksvertegenwoordiging aan te wijzen door middel van loting in plaats van door verkiezin­gen. Loting heeft het voordeel dat iedereen dezelfde kans heeft om gekozen te worden en bij verkie­zingen is dat geenszins het geval. Om gekozen te worden als volksvertegenwoordiger moet er een politieke partij zijn om jou kandidaat te stellen en om door een partij kandidaat gesteld te worden moet je vrienden hebben in die partij, moet je tegenwoordig hoog opgeleid zijn,  welbespraakt en mediageniek, moet je met je ellebogen kunnen werken en geen last hebben van al teveel scrupules. Kortom, ons op verkiezingen geba­seerd systeem waarbij je als kiezer moet kiezen tussen kandida­ten die door politieke partijen zijn ge­selecteerd is een bijzonder elitair systeem waarin het gewone volk geen schijn van kans maakt om zichzelf te vertegenwoordigen en waarvan het bovendien zeer de vraag is of het inderdaad mensen selecteert die geschikt zijn om de belangen van het gewone volk te behartigen en niet alleen die van de intelligentsia, van invloedrijke en financieel krachtige belangengroepen, de ambtelijke bureaucratie of een combinatie daarvan. [11]

De ijzeren wet van de oligarchie
Klassieke sociologen als Vilfredo Pareto, Gaetano Mosca en Roberto Michels wezen er op dat er van echte democratie in wat wij als democratieën beschouwen nauwelijks sprake is omdat wij geregeerd worden door elites die permanent verwikkeld zijn in een strijd om macht en rijkdom. Opkomende of alternatieve elites proberen gevestigde elites te verdringen en doen dat steevast door zich op te werpen als behartigers van het volk dat niet gehoord wordt. Zijn ze eenmaal aan de macht of mogen ze delen in de macht, dan blijkt al gauw dat er geen enkel  verschil is met de oude elite en dat ook de nieuwe elite zichzelf van riante inkomens voorziet en zich weinig gelegen laat liggen aan het volk. Aldus de ijzeren wet van de oligarchie van Roberto Michels die het best geïllustreerd wordt door de fabel “De dierenboerderij” van George Orwell.

Of er van politieke rechten in het westen meer terecht komt dan in het Cubaanse politieke systeem is de vraag. Zoals gezegd wordt de Asamblea Nacional del Poder Popular rechtstreeks gekozen (evenals de Asamblea Municipal en de Asamblea Provincial). Dat gebeurt doordat elk district afgevaardigden kan aanwijzen. Kandidaten waaruit gekozen kan worden, worden geselecteerd door Comisiones de Candidaturas waarin vertegenwoordigers zitten van de Central de Trabajadores, de Comités de Defensa de la Revolución, de Federación de Mujeres Cubanes, de Asociación Nacional de Africultores Pequeños, de Federación Estudiantil Universitaria en de Federación de Estudiantes de la Enseñanza Media. (Articulo 68).

Commentatoren die beweren dat Cuba een dictatuur is zouden toch eerst de moeite moeten nemen om kennis te nemen van de Constitución en de Ley Electoral de 1992 en zich vervolgens moeten afvragen of het op rivaliserende politieke partijen gebaseerde systeem zoals wij dat kennen beter garandeert dat de regering doet wat het volk wil. Getuige het sterk opkomend populisme in westerse ‘democratieën’ denkt alleen de welvarende en hoogopgeleide elite dat dat zo is en overheerst bij het volk de opvatting dat het niets uitmaakt of je door de hond of door de kat gebeten wordt.

Waarom moet Cuba zwart gemaakt worden?
Het antwoord is eenvoudig: het gewone volk in de VS en Europa zou zich kunnen afvragen: waarom hebben wij geen gratis onderwijs en gratis gezondheidszorg? Waarom accepteren wij extreme inkomensverschillen, Cuba laat zien dat het ook anders kan. Waarom accepteren wij dat multinationals bij ons de dienst uitmaken, in Cuba hebben ze niets te vertellen. Waarom heeft iedereen in het arme Cuba een dak boven zijn hoofd en is niemand ondervoed, terwijl er in het rijke westen mensen dakloos zijn en uit de vuilnisbak moeten eten? Als gewone mensen in het rijke westen zich zulke vragen zouden gaan stellen breekt er opstand uit. Om dat te voorkomen en om het volk er van te overtuigen dat ze in de best denkbare maatschappij leven moet Cuba worden afgeschilderd als een dictatuur waar de mensen geen leven hebben. Daar komt bij dat het nietige Cuba het machtigste land ter wereld sinds 1959 voor schut zet door niet naar de pijpen van de VS te dansen.  Nederland behoort tot de landen die de meest vriendschappelijke banden hebben met de VS en ook de media in Nederland zijn trouw  aan de transatlantische vriendschap en het systeem van vrijhandel, behalve dan wat Cuba betreft want de VS wil niet dat wij daar handel mee drijven.

[1] http://www.indexmundi.com/g/g.aspx?v=67&c=us&l=nl

[2] Vanaf 1898, het einde van de Spaanse kolonisatie.

[3] https://www.youtube.com/watch?v=_tf1FA3gqWE

[4] https://www.youtube.com/watch?v=8V93dg7mM7Y

[5] Janneke Monshouwer, Ander Nieuws, wat het Journaal niet uitzond, http://www.andernieuws.eu/

[6] http://media-ombudsman.nl/embedded-journalism-is-een-oneigenlijke-tak-van-journalistiek-door-jan-van-groesen/

[7] Noam Chomsky. Intellectuals and the state, 1977  http://www.ditext.com/chomsky/is.html

[8] http://www.republiekallochtonie.nl/onderzoek-naar-etnisch-profileren-door-haagse-politie-om-diverse-redenen-dubieus

[9] http://www.cuba.cu/gobierno/cuba.htm

[10] http://pdba.georgetown.edu/Electoral/Cuba/cuba.html

[11] Zie ook Thomas Decreus in Een paradijs waait uit de storm. Over markt, democratie en verzet. 2013

Cuba Glasnost : tendentieuze info over Cuba

Cuba, althans het politiek systeem, heeft weinig vrienden in Nederland. Aan die indruk valt moeilijk te ontkomen als je leest hoe de Nederlandse pers reageerde op het overlijden van de grondlegger van dat systeem. NRC, 30-12-2016: “Fidel Castro dictator, staatsman”. NOS 30-11-2016: Op Cuba hebben tienduizenden Cubanen met een grote ceremonie afscheid genomen van de overleden oud-dictator Fidel Castro”.

Als je op internet “vrienden Cuba” intikt kom je voornamelijk op Belgische sites terecht. In zowel Gent, Antwerpen als Brussel tref je vriendenclubs aan. Het Belgische “Initiativa Cuba Socialista” telt 750 leden en organiseert tal van steunacties. Waarom in België wél en in Nederland niet? Ik heb daar maar één verklaring voor: Nederland is de meest volgzame en kritiekloze vriend van de VS. De steun voor de Atlantische vriendschap is ook bij de PvdA altijd onomstreden geweest.

Wat je wél in Nederland hebt is het in 1989 opgerichte “Cuba Glasnost”, maar dat is, zoals de naam ook aangeeft, niet erg vriendelijk over het regime in Cuba. Te oordelen naar de website en de facebook pagina van Cuba Glasnost (169 volgers) vindt oprichter/redacteur Kortenhof dat het hoog tijd is dat er een eind komt aan wat hij beschouwt als een communistische dictatuur. Kortenhof verkondigt al jaren dat dat niet lang meer zal duren.

Ik ben één van 169 volgers van de facebook pagina Cuba Glasnost en geabonneerd op de nieuwsbrief daarvan (CubaTips). Niet omdat ik de mening van Kortenhof deel. Ik probeer te begrijpen waarop het negatieve oordeel is gebaseerd over het Cubaanse socialistische systeem en Cuba Glasnost is een rijke bron van vooral negatieve informatie. Wie in zijn opvatting wil worden bevestigd dat het Cubaanse socialistische systeem verderfelijk is kan bij de wekelijkse nieuwsbrief CubaTips van Cuba Glasnost terecht.

Groot was de verontwaardiging van Kortenhof toen Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren zich op de verkiezingsposter had laten portretteren in Che Guevara outfit. Che Guevara predikte volmondig het geweld, aldus Kortenhof, hoe had Thieme zich zo kunnen afbeelden? Alsof de citaten van Che Guevara nog niet genoeg waren om Thieme te overtuigen stuurde hij een lijst mee met ‘216 gedocumenteerde dodelijke slachtoffers van Che Guevara 1957 – 1959’.
CubaTips 12 februari 2017.pdf
Op 12-2-2017 stuurde ik een mail aan kortenhof met het verzoek mij het document van de 216 dodelijke slachtoffers te sturen plus de vindplaats van de citaten van Che Guevara en Fidel Castro. Daags daarna ontving ik antwoord. Zie ook mail aan kortenhof.

Als Kortenhof aan een brief van Guevara aan zijn vader refereert waarin hij zou hebben geschreven van moorden te houden, dan mag je verwachten dat Kortenhof over een kopie van die brief beschikt. Veel van wat Guevara heeft geschreven is gepubliceerd, ook van zijn brieven. De uitspraak is echter, zo reageerde Kortenhof, opgediept uit een boek van ene Nicalás Marques Marquez: El canalla, la verdadera del Che (Het tuig, de waarheid van Che).

Zo goed als Kortenhof citeert uit een brief die hij kennelijk niet zelf onder ogen heeft gehad, zo goed kan dat ook het geval zijn met Nicolás Marques Marquez. Wikipedia.es schrijft dat deze Marques er van beschuldigd wordt het staatsterrorisme in Argentinië te rechtvaardigen en dat hij bevriend was met dictador argentino Reynaldo Bignone. De titel van zijn boek “Het tuig, de ware geschiedenis van Che” wijst niet op een geschiedschrijving die beoogt objectief te zijn.

De lijst met 216 dodelijke slachtoffers van Che bevat namen van mensen die gedood werden tijdens de gevechten die plaatsvonden tussen 1956-1959 met troepen van Battista én namen van mensen die in 1959, na de machtsovername door Castro, werden terechtgesteld. Volgens de geschiedschrijving zou het gaan om leden van het regime Battista, onder andere van de  geheime dienst die zich op grote schaal aan folteringen hadden schuldig gemaakt. Of je Che Guevara om die reden moet beschuldigen van moordlust hangt er, lijkt mij, erg vanaf hoe je oordeelt over het op grote schaal vermoorden van onschuldige burgers door daartoe door de CIA gerekruteerde en opgeleide doodseskaders onder andere in Zuid- en Midden Amerikaanse landen.

“Revolutionairen moeten koude dodende machines zijn, gemotiveerd door pure haat”, zo citeert Kortenhof Che Guevara. Opnieuw zonder vermelding van vindplaats.
el odio

Het citaat is afkomstig uit het “Bericht aan de organisatie van solidariteit met de volken van Azië, Afrika en Latijns Amerika” april 1967. Guevara beschrijft hoe het ene na het andere land (op dat moment met name Vietnam) door de VS militair worden belaagd en hoe bondgenoten van de VS (waaronder Europese landen als Nederland) en de VN niets doen om de VS daarvan af te houden. Onder die omstandigheden staat landen als Vietnam, dat destijds dagelijks door de VS werd gebombardeerd en met napalm en agent orange (producent Monsanto) werd bestookt, niets anders te doen dan zich met alle geweld te verdedigen, waarbij de haat tegen de vijand en de wil om een effectieve koude moordmachine te zijn belangrijk helpt om de ongelijke strijd vol te houden. Lijkt mij niet dat het citaat kan worden gebruikt om de bijzondere moordlust van Guevara aan te tonen. Niet alleen omdat de training van soldaten er in het algemeen op gericht is van soldaten moordmachines te maken, maar ook en vooral omdat er voor landen die onder de militaire agressie van de VS gebukt gaan niets anders op zit dan zo effectief mogelijk terug te vechten.

Dat Kortenhof niet vermeldt in welke context Guevara revolutionairen (in deze context dus vrijheidsstrijders) oproept zich door haat te laten leiden en effectieve dodende machines te zijn, dat hij niet vermeldt dat de 216 dodelijke slachtoffers van Guevara leden waren van het wrede Battista regime (onder andere folteraars) en dat hij uit brieven van Guevara citeert alsof hij die onder ogen heeft gehad terwijl die citaten afkomstig zijn van een schrijver met sympathie voor het Argentijnse kolonelsregime, wijst erop dat Kortenhof er op uit is de figuur van Che Guevara in een kwaad daglicht te stellen door ‘feiten’ te releveren die geen feiten blijken te zijn. Het is goed om daar bij de berichtgeving door Kortenhof via Cuba Glasnost rekening mee te houden.

 

 

De onzin van anti-Islam fanaten

Theun de Vries beschreef in “Ketters” hoe mensen sinds het begin van het Christendom telkens in opstand kwamen tegen het officiële heersende van bovenaf opgelegde geloof en ook vrijwel altijd vervolgd en uitgeroeid werden.

Ketters, zo is het betoog van De Vries, grepen ook altijd terug op wat Christus volgens hen eigenlijk gezegd en bedoeld had, de Christus figuur die het opnam voor de verdrukten, de armen en de vreemdelingen.

De Vries liet duidelijk zien dat de Christus figuur een ketter variant heeft én een heersers variant. De heersers variant roept op tot gehoorzaamheid aan de keizer en aan de paus, stelt  hemel en een hel in het vooruitzicht voor de gelovigen en de afvalligen en spoort de armen aan om zich voor de rijken uit te sloven.

De ketter variant ziet in Christus juist een bondgenoot van het arme volk in de strijd tegen het gezag, staat aan de kant van de vreemdelingen en de opstandelingen. Ketters wezen en wijzen er altijd op dat Christus zelf een revolutionair was en werd gekruisigd omdat Hij een gevaar was voor de gevestigde orde.

De vervolging van de Joden in Europa tijdens de WO 11 werd uit naam van het Christendom gelegitimeerd, maar ook bestreden. De Paus en de Evangelische Kirche in Duitsland keken de andere kant uit, maar figuren als Bonhoeffer keerden zich er fel tegen en moesten dat met de dood bekopen.

Niet alleen het Christendom heeft een ketter- én een heersers variant, dat geldt voor vrijwel alle godsdiensten. Dat ligt ook voor de hand, want het geloof is een bijzonder effectief middel om mensen te mobiliseren. Als je erin slaagt mensen wijs te maken dat God het zo gewild heeft krijg je ze aan je kant.

De bewering dat het de Islam is die mensen aanzet tot allerlei gewelddadig gedrag en dat de Islam zich in dat opzicht onderscheidt van het Christendom en/of het Jodendom, is volstrekt onzinnig omdat de Islam, net als het Christendom en het Jodendom, allerlei varianten heeft.

Natuurlijk zijn er varianten van de Islam, het Christendom en het Jodendom die oproepen tot expansie en geweld, maar er zijn ook varianten die dat helemaal niet doen en juist oproepen tot verdraagzaamheid, barmhartigheid en liefde voor de vreemdeling.

Wat de anti-Islam fanaten niet (willen) weten is dat geloof slechts een werktuig is. Roept het geloof op tot verheerlijking van het eigen volk en gehoorzaamheid aan autoritaire leiders dan ligt dat niet aan dat geloof maar aan politieke leiders die geloof daarvoor inzetten. En alles wat je dan doet om dat geloof in diskrediet te brengen speelt die politieke leiders in de kaart.

Discussies over de vraag of DE Islam, HET Christendom of HET Jodendom de mensen nu wel of niet aanzetten tot wat dan ook miskennen volledig dat het geloof slechts doet met mensen wat politieke leiders (of opstandelingen) willen dat het geloof met mensen doet.

Wat maakt het uit of je door de hond of door de kat gebeten wordt?

 

Door mijn werk als rechtshulpverlener ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat er weinig verschil is tussen de overheid en een criminele organisatie. Voor het kleinste vergrijp wordt de burger keihard gestraft, maar de overheid kan burgers straffeloos het leven enorm zuur maken, straffeloos de wet overtreden en straffeloos vriendjespolitiek bedrijven. En dat doet de overheid ook en daar valt door de burger weinig tegen te doen.

Als je als burger een klacht indient bij de politie of de officier van justitie dan wordt die doorgaans niet in behandeling genomen. Daar kan je tegen in beroep bij het gerechtshof, maar dat haalt niets uit want 10 tegen 1 beslist het gerechtshof dat de overheid niet vervolgd kan worden voor wat ambtenaren en bestuurders doen in de uitvoering van de overheidstaak. Het gerechtshof zal zeggen: de politiek is er om de overheid te controleren, niet het strafrecht.

Maar als je als burger klaagt bij de gemeenteraad of bij leden van de tweede kamer stuit je op een enorme onverschilligheid. Dat de overheid het leven kapot maakt van meneer of mevrouw X, dat interesseert, is mijn ervaring, het gros van de raadsleden of kamerleden geen moer. Ze zouden het volk moeten vertegenwoordigen, het voor het volk op moeten nemen, maar dat is precies wat ze niet doen. Ze zitten in de politiek ter meerdere glorie van zichzelf en voor de baantjes.

Dat er steeds meer mensen een gruwelijke hekel hebben aan de overheid en aan de politiek daar kan ik dus goed inkomen want dat heb ik ook. En dat steeds meer mensen een diep wantrouwen hebben tegen de NOS, de NRC, de Volkskrant, de Trouw en andere zogenaamde kwaliteitsmedia daar kan ik ook goed inkomen, want die brengen het nieuws zoals de overheid wil dat die gebracht wordt en mensen die daar kritiek op hebben krijgen nauwelijks aandacht.

Dat Wilders, Jan Roos en andere zogenaamde populisten een groeiende aanhang hebben ligt voor de hand en daar hebben de partijen die vanouds de dienst uitmaken het naar gemaakt. Stemmen op Wilders, Jan Roos en andere populisten is een manier om wraak te nemen met name op de PvdA, GroenLinks, D66, CDA en VVD, op arrogante politici die neerkijken op het gewone volk en elkaar mooie baantjes toespelen.

Wat ik echter niet begrijp van mensen die op Wilders, Jan Roos of andere populisten willen stemmen is dat ze niet zien of niet willen zien dat dat net zulke egoïstische baantjesjagers en leugenaars zijn als andere politici en dat het echt niets uitmaakt of je door hond of door de kat gebeten wordt. Dat Wilders e.a. handig inspelen op de afkeer van het volk van de gevestigde politiek is helemaal geen reden om aan te nemen dat zij niet liegen en niet op baantjes uit zijn.

Hoe de macht veroverd wordt door mensen met ambitie die ook bij de regerende elite willen horen is uitvoerig onderzocht door klassieke sociologen als Pareto, Mosca en Michels (de “ijzeren wet van de oligarchie”). Het is altijd hetzelfde patroon. Het begint ermee dat er hevig op de elite gescholden wordt, dat men zich zoveel mogelijk woordvoerder maakt van alles waar het volk zich aan ergert. En het eindigt ermee dat het volk opnieuw en nog veel meer belazerd wordt. Zie hoe het ging met NieuwLinks in de PvdA  (1966-1971) of lees de klassieker “De dierenboerderij” van George Orwell.

Kortom: wie niet door de overheid en de politiek bedrogen wil worden doet er goed aan geen enkele politieke partij en geen enkele politicus te vertrouwen. Ook niet politieke partijen en politici die munt slaan uit de afkeer van de politiek, want die zijn geen haar beter. Opkomen voor jouw belang moet je zelf doen en nooit overlaten aan vrome praters die daar een mooi baantje mee in de wacht proberen te slepen.

All governments lie

Dat ook ik Trump een weerzinwekkende figuur vind, laat ik daar maar mee beginnen. Anders krijg ik misschien het verwijt dat ik het voor hem opneem. Je moet tegenwoordig erg uitkijken met wat je schrijft, want steeds vaker wordt alleen de eerste regel gelezen.

Wat ik zeggen wou is dat ik de verontwaardiging nogal hypocriet vind over het gemak waarmee Trump leugens rondstrooit en er zelfs openlijk voor uitkomt schijt te hebben aan de feiten. Logen zijn voorgangers dan niet? En is liegen niet zó gewoon in de politiek dat liegen en politiek gewoon op hetzelfde neerkomt?

De Amerikaanse journalist I.F. Stone, die als eerste de leugens van president Johnson naar aanleiding van het incident in de golf van Tonkin (Vietnam 1964) aan de kaak stelde ging er vanuit dat “all governments lie”. Noam Chomsky voerde tijdens zijn Huizingalezing in 1977 aan dat het bedenken en onderbouwen van leugens de voornaamste taak is van intellectuelen die voor de overheid werken.

Dat er zo’n enorme ophef wordt gemaakt over de leugens van Trump heeft een aantal redenen. De eerste is dat hij zo openlijk liegt. Niet eens de moeite doet om zijn leugens te maskeren. De tweede reden van de opwinding is dat politici en journalisten, door zich zo tegen Trump af te zetten de indruk willen vestigen dat zij zelf wél eerlijk zijn.

Wat is nu precies het verschil tussen de leugens van Trump en de leugen van wethouder Lot van Hooijdonk dat de lucht in Utrecht 25% schoner wordt door de milieuzone? Dat beweerde ze in 2014 en daarop is ze nooit teruggekomen. Ze weigert daar ook over te debatteren. Het verschil is dat Trump een rechtse populistische president is en Lot van Hooijdonk van GroenLinks. Maar als dat de reden is om Trump zijn leugens te verwijten en Van Hooijdonk niet, dan wordt er wel heel erg met twee maten gemeten.

Dat de leugen door de overheid aan de orde van de dag is komt omdat de leugenaar er zo makkelijk mee wegkomt. De ambtenaar die liegt kan, als hij tegen de lamp loopt, aanvoeren dat hij loog in opdracht van de wethouder en de wethouder voert gewoon aan dat hij zich heeft verlaten op zijn ambtenaren. De praktijk is bovendien dat de gemeenteraad zich heel gemakkelijk voor laat liegen, want er is altijd een meerderheid die het college steunt.

De leugen is bovendien buitengewoon effectief. Het bedenken van een leugen kost een paar seconde, de weerlegging ervan kost daarentegen zoveel dagen dat niemand meer weet waar het over ging. De leugen haalt dus wél de actualiteit, de weerlegging niet. Daarbij komt dat de wethouder wél de krant en het NOS haalt en de kritische burger niet. Elke wethouder weet dat je ongestraft kan liegen, want de waarheid haalt je toch niet in.

Als de leugen door de overheid niet gewoon zou zijn, dan zou de overheid ook  niet zo gebeten zijn op klokkenluiders en ze zoveel mogelijk het leven zuur maken. Bestuurders en politici houden de schijn op van eerlijkheid, maar zijn er ondertussen van overtuigd dat er zonder leugens, misleiding en geheimhouding niet valt te regeren en te besturen.

Het is zo erg gesteld dat liegende bestuurders en ambtenaren, in elk geval in Nederland, door het strafrecht uitdrukkelijk in bescherming worden genomen, zolang dat liegen maar gebeurt bij de uitoefening van een exclusieve overheidstaak. Zie het Pikmeerarrest. Wolfsen nam ooit het initiatief om aan die strafrechtelijke immuniteit een eind te maken, in 2015 werd dat door de Eerste Kamer afgeschoten. Liegen moet immers kunnen. Althans door de overheid.

Rafael Correa, president van Ecuador, had een voorkeur voor Trump boven Clinton. Zijn argument is dat Trump geen geheim maakt van zijn rechtse en imperialistische opvattingen en dat dat het verzet in Latijns Amerika tegen de VS erg ten goede komt. Dat kan je inderdaad beter hebben dan een politicus met een rechtse agenda die zich redelijk en links voordoet. De geraffineerde leugen is gevaarlijker dan de brutale leugen.

“Het volk heeft elites hard nodig”

 

Volgens prof.dr.Beatrice de Graaf (terrorisme expert) heeft het volk elites hard nodig. Dat schreef zij in de NRC van 21 januari 2017 en nog wel in de katern ‘wetenschap’. Ik denk dat het omgekeerde het geval is: de elite heeft een volk nodig en bij voorkeur een heel dom volk.
          
Wat de politiek in de tijd tussen de eerste en tweede wereld goed begreep was dat het volk elites nodig heeft, die in parlementaire vertegenwoordiging geloven. Over één ding was men het eens, dat democratie een zaak van vertegenwoordiging was, en dat het parlement de arena was voor mensen van verstand en fatsoen die daar met elkaar gereguleerd van mening mochten verschillen. De Kamer beschermde de politieke arena tegen  buitenparlementair geschreeuw  en desnoods werden media gecensureerd.  Aldus prof. dr. Beatrice de Graaf in NRC 21 januari 2017.

Hoewel de column als titel heeft “Het volk heeft elites hard nodig”, wordt in de column niet uitge­legd waarom dat zo zou zijn. Of het moet zijn dat De Graaf met instemming verwijst naar de opvattingen van de politiek in het interbellum (de tijd tussen de twee wereldoorlogen). Maar of het parlement toen bestond uit mensen van verstand en fatsoen is de vraag, zoals het ook de vraag is of dat tegenwoordig het geval is. Waarom we daarvan uit zouden moeten gaan maakt De Graaf niet duidelijk.

Jaren geleden riep Guusje ter Horst (destijds minister binnenlandse zaken PvdA) “Een opstand van de elite is hard nodig”. Dat zou nodig zijn omdat het volk zich steeds minder door de elite laat leiden en het politiek bedrijf wantrouwt. “Mensen denken kennelijk dat we hier ter meerdere eer en glorie van onszelf zitten. Hoe komen ze daarbij? Dit kabinet is bezig de problemen van Nederland op te lossen”, aldus Ter Horst.

Wat niet bij Beatrice de Graaf en ook niet bij Guusje ter Horst opkomt is de vraag: wie anders dan de politieke elite kunnen wij een verwijt maken van grote problemen in onze samenleving? Of, om het anders te stellen: “Heeft de politieke elite ons land nu altijd zó naar tevredenheid geregeerd, dat wij het regeren met een gerust hard aan de elite kunnen overlaten”?

Over het succes van de wijze waarop de “mensen van verstand en fatsoen” de economische crisis in de 30-er jaren meenden te moeten bestrijden, met groeiende armoede en werkloosheid als ge­volg, bestaat weinig verschil van mening: de aanpak van harde bezuinigingen op de lonen heeft die crisis alleen maar verergerd. Ook over de “politionele acties” tegen de vrijheidsstrijd in Indonesië is tegenwoordig weinig verschil van mening. Mensen die echt verstand hebben en fatsoenlijk zijn schamen zich daarover. Over de deelname van Nederland aan de Amerikaans/Engelse agressie tegen het Irak van Hoessein, de Nederlandse steun aan de strijd van de VS in Afghanistan, Libië, Syrië, idem. De opslag van Amerikaanse kernraketten in Woensdrecht, idem. Recentelijk werd de regering in het ongelijk gesteld in een procedure die was aangespannen door Urgenda, die klaagde dat Nederland ernstig tekort schoot in het nakomen van internationale afspraken om de uitstoot van CO2 terug te dringen. Tot zover enkele  voorbeelden van beleid op grond waarvan je toch moeilijk tegen het volk kunnen zeggen: “laat het maar aan de politieke elite over dan komt het wel goed, want die beschikt immers over verstand en fatsoen”.

Om ook wat voorbeelden te noemen  van lokaal niveau. De politieke elite van Utrecht besloot in 2001 vrijwel unaniem om 10.000 sociale huurwoningen te slopen waardoor de woningnood die toen al schrijnend was verder toenam. Diezelfde politieke elite besloot vanaf het jaar 1999 waar­in de EU normen vastlegde voor schone lucht om zich daar niets van aan te trekken. Die normen worden nog steeds niet gehaald. Jaarlijks gaan er naar schatting 300 Utrechters een paar jaar te vroeg dood door luchtverontreiniging. De elite besloot ook om het dure muziekcentrum Vredenburg te bouwen, waar jaarlijks vele miljoenen aan moet worden bijgelegd om de tekorten te dekken. En de elite besloot om naast het NS-station een parkeergarage te bouwen van ruim 60 miljoen. De burgemeester laat traditiegetrouw elk nieuwjaar weten dat de criminaliteit al weer is afgenomen terwijl die juist toeneemt. Tot zover wat lokale voorbeelden.

Waar haalt Beatrice de Graaf het eigenlijk vandaan dat het volk de oplossing van problemen  maar het beste aan de politieke elite kan overlaten, de “mensen van verstand en fatsoen”? Laat Beatrice de Graaf haar oordeel niet teveel bepalen door hoe de politieke elite daar zelf over denkt? Zoals de geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars, zo wordt het succes van het beleid beschreven door de elite die daarvoor verantwoordelijk is. Maar het volk ziet dat vaak anders. De elite sterft niet bij militaire missies, raakt zijn baan niet kwijt en is zelden dakloos. Dat wil de elite graag zou houden en dat is één van de redenen waarom de elite vindt dat het volk de politiek beter kan overlaten aan de elite.

De opvatting van Beatrice de Graaf verdraagt zich slecht met het feit dat de politieke elite in hoge mate wordt beïnvloed door machtige lobbygroepen: bouwend nederland, de wapenindustrie, de farmaceutische- en de agroindustrie, door banken en financiële instellingen. Die beïnvloeding impliceert dat er “verstand en fatsoen” bij de politieke elite juist ver te zoeken is. Anders zou de politieke elite zich niet voor allerlei karretjes laten spannen. Verstand bij de politieke elite is sowieso ver te zoeken, want de dienst in het openbaar bestuur wordt uitgemaakt door de “vierde macht” (het ambtenarenapparaat) en politici hebben geen idee wat dat ambtenarenapparaat allemaal doet en ze willen het ook niet weten.

Kortom: het volk kan de elite missen als kiespijn. De elite lost de problemen namelijk niet op, maar schept juist voortdurend nieuwe problemen. Door een gebrek aan verstand én om haar bestaans­recht te bewijzen. Dat het volk de politieke elite die aan de macht is wantrouwt is begrijpelijk en terecht. Dat het volk de ene politieke elite kwijt wil maar vervolgens de politieke elite omarmt die zich als alternatief aanbiedt is natuurlijk stom, want die is geen haar beter. Ook daar krioelt het van de baantjesjagers. Het beste zou zijn als het volk zich helemaal niet meer door een elite laat besturen.  Dat het volk een elite nodig heeft is fabeltje, de elite heeft een volk nodig, een dom volk.

Dictatuur van de reclame

 

Eén van de meest opvallende verschillen tussen Cuba en Nederland is het vrijwel ontbreken van com­merciële reclame. Ook op radio en tv. Net zo min als in de krant Granma. Nederland kent sinds 1965 reclame op de tv en sinds 1968 op de radio. Dat is al zo lang geleden dat niemand in Nederland zich er een voorstelling van kan maken hoe het is om te leven zonder reclame. Daarvoor moet je dus naar Cuba toe.

In Nederland verdienen zo’n 50.000 mensen hun brood in de reclamebranche. Kranten zijn voor ruim 50% afhankelijk van reclame, de publieke omroep voor ruim 25%. Daarnaast wordt er een kleine miljard door bedrijven uitgegeven voor sponsoring van sport en cultuur, wat ook een vorm van reclame is.

Het effect van reclame is dat de consument geld uitgeeft aan het product waar goeie reclame voor gemaakt wordt en dus minder aan producten waarbij dat niet het geval is. Met andere woorden: het effect van reclame is een verplaatsing van koopkracht van het ene naar het andere product, waarbij bovendien een deel aan de strijkstok van de reclamemaker blijft hangen.

Dat reclame belangrijk is voor de economie valt moeilijk in te zien. Immers, mensen kunnen nu eenmaal niet meer geld uitgeven dan ze hebben en dat wordt niet meer door reclame. Integendeel. Als je 1 euro betaalt voor een fles frisdrank, dan wordt 10 cent daarvan gebruikt om de kosten van reclame te dekken. Dus hoe meer reclame, hoe minder frisdrank je krijgt voor je geld.

Waarom doen bedrijven dan aan reclame? Het antwoord is: om niet achter te blijven. Als de concurrent reclame maakt moet je meedoen, anders ga je failliet. En dus doen alle bedrijven aan reclame. De kosten van reclame worden uiteindelijk betaald door de consument die uiteraard mét reclame duurder  uit is dan zonder reclame.

Een overheid die de kosten van levensonderhoud voor haar burgers zo laag mogelijk wil houden zou het maken van reclame dus eigenlijk tegen moeten gaan. In elk geval door die niet op radio en tv toe te staan. Dat zou het luister- en kijkgenot ook zeer ten goede komen. Een meerderheid van de luisteraars/kijkers schakelt naar een andere zender zodra er reclame komt of gaat even naar de w.c. of de keuken om koffie te halen.

Reclame heeft nog meer nadelen. Kranten, radio en tv zijn erg afhankelijk van reclame inkomsten. Het gevolg daarvan is dat zij aantrekkelijk proberen te zijn voor adverteerders en dat adverteerders op die manier dus ook invloed hebben op wat de media uitzenden en afdrukken. Een krant, radio of tv station dat nieuws brengt dat kritisch is over de macht van multinationals of de overheid raakt adverteerders kwijt. De verrechtsing van de media heeft zonder twijfel ook met de opkomst van reclame te maken.

In de Nederlandse pers waren dissidenten en kritische schrijvers uit de Sovjet-Unie erg populair, maar dissidenten in de Nederlandse politiek worden in de Nederlandse kranten en op de Nederlandse radio en tv doodgezwegen, zoals Noam Chomsky in de VS door de media wordt doodgezwegen. Van een onafhankelijke en vrije pers is in Nederland dus geen sprake en dat heeft heel veel met reclame te maken.

Reclame maakt mensen ook ongelukkig. Reclame is er namelijk op gericht mensen ervan te over-tuigen dat zij gelukkiger zouden zijn als zij een bepaald product zouden kopen. De consument zal zich dus, als de reclame effectief is, ongelukkig voelen als hij dat product niét kán kopen. Hij zal in elk ge­val het gevoel hebben dat hij wat mist, een gevoel dat hij alleen verhelpen kan door de aankoop te doen. Voor mensen met weinig geld moet reclame dus een voortdurende kwelling zijn.

Een bijzonder kwalijk aspect van reclame is dat het mensen een idee opdringt hoe zij zouden moeten zijn. Als je een goede moeder bent koop je voor je kind alleen nog maar Pamper luiers. Als je een goede huisvrouw bent gebruik je alleen nog maar het dure wasmiddel  Robijn. Als je een leuke man bent rijd je alleen nog maar Volvo. En als je een aantrekkelijke vrouw wil zijn zorg je dat je slank bent en er jong uitziet. En wie niet aan die ideaalbeelden kan voldoen, jammer dan.

In Cuba is reclame verboden, waardoor vrouwen niet hoeven te voldoen aan een schoonheidsideaal. Sunny Bergman maakte hierover een documentaire, waarin zichtbaar is dat wegens dit gebrek aan een vast schoonheidsideaal, vrouwen zichzelf mooi vinden, ongeacht hun huidskleur of lichaams­vorm. https://www.youtube.com/watch?v=47fmSUcCM_0

Ewoud Sanders (NRC ) over Fidel Castro: vooringenomen flutstukje

 

Ewoud Sanders schrijft elke week een stukje in de ‘kwaliteitskrant’ NRC. Op 30 november ging dat over de kort daarvoor overleden Fidel Castro. Kop boven het stukje: “Revolutionair of oud-dictator ?”

Waarom Castro als een revolutionair of een oud-dictator beschouwd zou moeten worden, daar gaat het stukje totaal niet op in. De kop van het stukje slaat dus nergens op.

Dat Sanders Castro een oud-dictator vindt lijdt geen twijfel: “met de meeste oud-dictators loopt het niet goed af. Fidel was een uitzondering”.

Hij schrijft ook: “Dat je, als onderdrukker met pensioen, in het land kunt blijven waarvan je de bevolking hebt onderdrukt, is bij mijn weten uitzonderlijk. Waarschijnlijk kan dat alleen als de nieuwe machthebbers je niet als onderdrukker afficheren, zoals is gebeurd bij Fidel Castro”.

Dat Castro een onderdrukker was en een oud-dictator heeft Ewoud Sanders kennelijk op gezag van de NOS aangenomen.  “De aanduiding oud-dictator werd onder meer gebruikt door het NOS-Journaal”.

Wat iemand tot een dictator maakt wordt uit het stukje van Ewoud Sanders ook niet duidelijk. Als je iemand als dictator aanmerkt, maak dan duidelijk wat je daaronder verstaat.

Desgevraagd liet Sanders mij weten niet met het Cubaanse staatsrecht bekend te zijn. Of en hoe Castro gekozen is weet Sanders dus niet. Had hij makkelijk even kunnen opzoeken, want de “Consitución de la República de Cuba” staat op internet en daar staat dat in.

Maar, zo liet Sanders mij weten, “Iemand kan democratisch gekozen zijn, maar zich ontpoppen als dictator”. Dat en hoe Castro zich als een dictator ontpopt heeft wordt door Sanders echter ook niet toegelicht, net zo min als de vraag of en hoe hij gekozen werd.

Geprikkeld door de vraag waarom iemand in de NRC de ruimte krijgt een stukje te schrijven over een onderwerp waar hij kennelijk niets van af weet ging ik op internet zoeken wie deze Ewoud Sanders eigenlijk is.

Sanders blijkt gespecialiseerd te zijn in taal en het zoeken in grote datacollecties. Daar geeft hij ook les in. Hoe hij dat stukje over Castro even snel geschreven heeft is mij nu wel duidelijk.

Hij heeft op internet “oud-dictator” ingetikt (zo werd hij immers door de NOS genoemd). Daar trof hij wat voorbeelden van dictators aan: het Romeinse Rijk, het Griekse kolonelsregiem, ene Tijssowskij uit Krakau en Primo de Rivera uit Spanje.

Over elk van de door hem op internet aangetroffen dictators vermeldt hij in een paar regels wat daarover wordt gezegd om te laten zien dat onder het begrip dictator vaak niet het zelfde wordt verstaan. Een reden temeer om aan te geven waarom je Castro een dictator vindt!

Kortom: Ewoud Sanders schrijft een ‘stukkie’ (even surfen op internet) over een figuur als Castro waar hij, te oordelen over de informatie in het stukje, niets van af weet, maar hij reproduceert wél het negatieve oordeel van de NOS. En bij de NOS gaat het net zo.

En wij maar denken dat we goed en zorgvuldig geïnformeerd worden door onze media.

 

 

De staat verdrukt, de overheid is een plaag

Op school, door de krant en de NOS wordt ons dagelijks voorgehouden: zonder overheid zou onze samenleving een grote chaos zijn, een oorlog van allen tegen allen ( Thomas Hobbes 1588-1679). Wij leren dat de moderne overheid er is voor het algemeen be­lang. Dat de overheid en de rechtspraak onpartijdig zijn en dat wij allemaal, wit of zwart, man of vrouw of iets anders en ongeacht etniciteit en geloof, gelijk zijn voor de overheid en dat de politie ook de vriend is van onze zwarte en gekleurde medemens. Wij leren dat de overheid voor ons zorgt en er is om grote problemen op te lossen. De werkelijkheid is helaas anders.

In Utrecht zou niemand in armoede hoeven leven als de gemeente de honderden miljoenen die over de balk worden gegooid voor het muziekpaleis, de ondergrondse parkeervoorziening onder het Jaarbeursplein, de opwaardering van de Noordelijke Randweg Utrecht , de instandhouding van de vele nut­teloze beleidsambtenaren en managers zou gebruiken voor schuldhulpverlening en structurele inkomenssteun

In Utrecht zou geen woningnood bestaan als de gemeente niet vele duizenden betaalbare so­ciale huurwoningen had laten slopen om die te vervangen door koopwoningen. In 1996 was het aandeel sociale huur 47%. Het beleid van de gemeente is sinds 2000 om dat terug te bren­gen naar 30%. In steden als Den Haag, Rotterdam en Amsterdam idem. Het creëren van woningnood heeft geen ander doel dan het opdrijven van de  prijs van woningen. Daar verdienen de banken aan (hypotheken), bouwend nederland en de gemeente zelf (leges op bouwvergunning, stijgende grondprijzen, onroerende zaak belasting).

Om de gemeenteraad en het publiek zo gek te krijgen dat ze met de sloop van sociale huurwo­ningen akkoord gingen besloot de gemeente Kanaleneiland, Overvecht, Zuilen en Hoograven in persberichten en nota’s af te schilderen als wijken die onveilig en onleefbaar zijn doordat er zoveel Turken en Marokkanen wonen. Van der Laan (destijds staatssecretaris) en Vogelaar (destijds minister) en in Utrecht de wethouders Van Kleef en Bosch (allemaal van de PvdA) hebben met hun stigmatiserende verhalen over de eenzijdige bevolkingssamenstelling van “achterstandswijken” belangrijk bijgedragen aan afkeer tegen alloch­tonen om een argument te hebben om sociale huurwoningen te kunnen slopen.

In Nederland hebben we de ene na de andere onderwijshervorming gehad, hebben enorme fusies plaatsgevonden die een heel leger van managers en bestuurders aan een riant salaris geholpen hebben. En steevast met het verhaal dat kansarmen meer kansen moeten hebben. Dat het onderwijssysteem kinderen uit kansarme milieus nauwelijks kansen biedt en ervoor zorgt dat kinderen uit de gestudeerde elite worden bevoordeeld, daar is sinds de 60-er jaren niets aan veranderd. Allochtone kinderen van nu zijn net als arbeiderskinderen van toen zwaar oververtegenwoordigd op lagere beroepsopleidingen en voorbestemd voor ongeschoold werk en werkloosheid.

Als je bewoners vraagt wat zij het grootste probleem vinden, dan antwoordt een grote meer­derheid: onveiligheid en criminaliteit. Dat weet de overheid, maar die doet niets om de on­veiligheid terug te dringen, behalve aan de hand van politiestatistieken aantonen dat de onvei­ligheid elk jaar weer wat is afgenomen. Maar geen burger gelooft dat. En terecht want die po­litiestatistieken zijn gebaseerd op aangiften. En steeds minder mensen doen aangifte, want de politie komt in de meeste gevallen toch niet kijken. Wat burgemeesters wél doen is de stad vol hangen met camera’s, maar dat is slechts is om de indruk te wekken dat er iets wordt gedaan tegen de onveiligheid. Of, zoals in Utrecht lange tijd het geval is geweest, in achterstandswijken als Kanaleneiland mosquito’s plaatsen om het samenscholen van Marokkaanse hangjongeren te voorkomen. Dat paste in het stigmatiseringsbeleid waar ik het eerder over had.

In 1999 sprake EU-landen af dat in 2010 aan norm voor stikstofdioxide (NO2) zou wor­den voldaan. Het RIVM berekende in 2005 dat bij de gestelde norm van 40 microgram/m3 nog steeds elk jaar 16.000 Nederlanders enkele jaren te vroeg zouden sterven door luchtverontreiniging en tien keer zoveel mensen astma en copd zouden hebben. De overheid deed niets om die normen te halen behalve het produceren van stapels dure rapporten en actieplannen. Sterker nog, het Nationaal Samenwerkingprogramma  Luchtkwaliteit werd bedacht om de EU-normen te ontduiken. Het gevolg is dat de norm die in 2010 moest worden gehaald in 2015 nog steeds niet is gehaald en dat er sinds 2005 in Nederland pakweg 100.000 Nederlanders voortijdig zijn overleden door luchtverontreiniging.

In 1997 spraken landen, waaronder Nederland, af dat de uitstoot van CO2 teruggebracht zou worden tot 6% onder het niveau van 1990. De gemeente Utrecht deed net als andere grote steden niets om die afspraak na te komen en doet nog steeds niets. Het autoverkeer in een stad is goed voor 40% van de CO2 uitstoot in de stad, maar het autoverkeer en de parkeergelegenheid terugdringen is er niet bij want de gemeente raakt de grond voor kantoren in het stationsgebied niet kwijt als er niet meer parkeervoorzieningen komen. Recentelijk zijn er in Nederland drie nieuwe steenkoolcentrales in gebruik genomen. Op het bezwaar dat de biowarmteinstallatie die Eneco wil bouwen in Utrecht veel CO2 uitstoot en dat niet eens is berekend hoeveel is de rechtbank Utrecht (UTR 16/1787) niet ingegaan. Alsof het er niet toe doet dat zich een klimaatramp aan het voltrekken is.

Om te verbergen dat de overheid problemen als woningnood, werkloosheid, armoede, luchtverontreiniging, onveiligheid niet oplost maar juist erger maakt worden die problemen geweten aan de komst van vreemdelingen en migranten. Dat mes snijdt aan twee kanten. De schuld van alles wat verkeerd gaat kan gelegd worden bij allochtonen en de discriminatie die daar het gevolg van is zorgt ervoor dat allochtonen in grote getale beschikbaar zijn voor ongeschoold en slecht betaald werk én uitgespeeld kunnen worden tegen ongeschoolden met een hollandse achtergrond die daardoor ook genoegen moeten nemen met een karig loon. Het tegen elkaar opzetten van bevolkingsgroepen en het aanwijzen van zondebokken is een beproefd middel van de overheid om de aandacht af te leiden van wat de overheid verkeerd doet en ervoor te zorgen dat de woede van de mensen zich niet tegen de overheid richt maar tegen minderheden die toch al in de verdrukking zitten.

De afkeer van vreemdelingen wordt door de overheid overigens ook sterk bevorderd (zie de stringente door Cohen van de PvdA ontworpen vreemdelingenwet) onder druk van de Europese wapen-en bewakingsindustrie (Xenofobie business, À quoi servent les contrôles migratoires van Claire Rodier). Racistische propaganda om vluchtelingen en migranten aan de grenzen van Europa tegen te houden blijken vooral bedoeld om de Europese burger steeds meer belasting te laten afdragen waar de snel groeiende wapen- en bewakingsindustrie blij mee kan worden gemaakt.

De overheid die geacht wordt onze veiligheid te beschermen staat toe dat er nog steeds Amerikaanse kernwapens in Nederland liggen opgeslagen, laat zich door Amerika en de NAVO betrekken bij oorlogen in Irak, Syrië, Libië, Afghanisten en helpt bombardementen uit te voeren op onschuldige burgers die die oorlogsgebieden ontvluchten richting Europa, waar ze op voorstel van onder andere Diederik Samsom meteen (dus zonder asiel te kunnen aanvragen, wat in strijd is met mensenrechtenverdragen)  worden teruggestuurd naar Turkije. Dat het Westen, dus ook Nederland, wordt gehaat en dat dat een voedingsbodem is voor wraak en terrorisme ligt voor de hand, maar dat is voor een overheid die er op uit is de belangen van de wapen- en bewakingsindustrie te behartigen en argumenten zoekt om de eigen bevolking steeds meer af te luisteren en in de gaten te houden geen punt van overweging.

Wat al deze voorbeelden duidelijk maken is dat de overheid er niet op uit is problemen op te lossen maar juist problemen maakt en ze in stand houdt. Dat heeft twee redenen. De eerste is dat de overheid er op uit is zich onmisbaar te maken. Dat zorgt immers voor werk op de plank voor een leger van ambtenaren en het schept carrièremogelijkheden voor ambitieuze politici. De tweede is dat er enorm aan die problemen wordt verdiend door bouwend nederland, banken, de asfaltindustrie, de wapen- en bewakingsindustrie. Pro­blemen oplossen is vanuit de optiek van de overheid en haar vrienden het domste wat je kan doen, het zoiets als het slachten van de kip die gouden eieren legt.

Het spreekt vanzelf dat de overheid alles uit de kast moet halen om haar burgers wijs te blijven maken dat de overheid de belangen van het volk behartigt. Er zijn steeds meer mensen die niet meer geloven dat de overheid er voor hun is en dat de overheid hun problemen eerder erger maakt dan ze oplost. Het wantrouwen tegen de overheid en de politiek wordt door de politieke elite opgevat als een gebrek aan algemene ontwikkeling en het antwoord daarop is steeds meer propaganda. Propaganda verpakt in ‘wetenschappelijke’ adviezen en rapporten, die met behulp van ‘onafhankelijke’ ‘kritische’ ‘kwaliteitsmedia’ die uit de hand van de overheid eten, dagelijks aan de man wordt gebracht.

Dankzij internet zijn burgers voor hun informatie steeds minder afhankelijk van de overheid en van de mainstream media. Met name door facebook komen ze in contact met websites en blogs die totaal andere informatie bieden. Informatie waaruit bijvoorbeeld blijkt dat Amerika en zijn medestanders doen alsof zij Al Qaida en ISIS bestrijden, maar ze ondertussen van wapens voorzien. Dat de NAVO en Amerika om het hardst roepen dat Rusland een agressor is, terwijl de waarheid is dat Rusland omsingeld wordt door legerbases van Amerika en de NAVO. De sociale media brengen ons op de hoogte van het schandalig optreden van de politie tegen zwarte demonstranten en actiegroepen die zich verzetten tegen de uitzetting van vluchtelingen. En om nu te zorgen dat wij ons niet meer kunnen laten informeren anders dan door informatie die de goedkeuring van de overheid heeft is in het EU-parlement met grote meerderheid het voorstel Elżbieta Fotyga aangenomen om regeringsonwelgevallige informatie te censureren.

Laatst zei een goede vriend tegen mij: als het duidelijk is dat de overheid problemen maakt en in stand houdt in plaats van ze op te lossen, waarom verdoen we onze tijd dan met inspraak, juridische procedures tegen de overheid en participatietrajecten?  Vroeger, toen de overheid nog klein was, losten we zelf onze problemen zelf op. Dat eigen initiatief hebben we ons laten afnemen. Wij hebben makke schapen van ons laten maken door een overheid die steeds meer over alles en iedereen de baas is gaan spelen en bepaald niet om dienstbaar te zijn, althans niet aan het volk.

Inderdaad. Waarom al die moeite doen om een onwillige wethouder ervan te overtuigen dat de biowarmteinstallatie en de stadsverwarming van Eneco een rendement heeft van niks en schadelijk is voor het milieu? Het is veel effectiever en veel minder werk als we met zijn allen ons contract met Eneco opzeggen en een andere leverancier zoeken. Dan laat Eneco het wel uit zijn hoofd om die biowarmteinstallatie te bouwen en dan komt er snel een eind aan die veel te dure stadsverwarming.

Veel bewoners zijn het zat dat er in hun buurt overlast wordt bezorgd en dat klagen bij de ge­meente en de politie niet helpt. Die organiseren zelf een soort buurtwacht. Met whatsapp is dat heel makkelijk. Het aantal inbraken in een buurt met een actieve buurtwacht daalt spectaculair. Laat Toezicht&Handhaving maar wegblijven, want die komen toch niet. Die kan je ’s avonds laat trouwens niet eens meer bellen.

In verschillende buurten beginnen mensen buurtzorg op te zetten om elkaar te helpen. Met veel bureaucratische ellende kan je van de gemeente 10 minuten zorg krijgen. Dan is het veel makkelijker om elkaar te helpen. Als de gemeente toch niets doet dan moeilijkheden maken, laat ze dan een flink aantal leidinggevenden en beleidsambtenaren eruit gooien. Dat scheelt in de tegenwerking en het is goedkoper ook.

De overheid heeft ons leven duur gemaakt. Wij moeten steeds langer werken voordat we met pensioen kunnen gaan. En wat krijgen we er voor terug? Een overheid die het oplossen van problemen voornamelijk in de weg staat en ons bestaan juist onveilig maakt. We moeten het initiatief weer terugnemen. Minder overheid maakt het leven goedkoper, prettiger, veiliger en gezonder. Liberaal, maar waar.

Utrecht wil niet weten wat luchtkwaliteitsbeleid van 75 miljoen heeft opgeleverd

De gemeente Utrecht heeft sinds het jaar 2005 naar schatting een slordige 75 miljoen euro uitgegeven aan luchtkwaliteitsonderzoek en -beleid. Daar zijn actieplannen voor gemaakt. Er is veel onderzoek verricht. Er zijn veel dure advocaten en adviesbureaus aan te pas gekomen. Er is jarenlang een luchtcoördinator van betaald, die 315.000 euro per jaar declareerde. Toen die vertrok kregen we daar een programma manager luchtkwaliteit voor in de plaats. Bij de afdeling Milieu zijn sinds jaar en dag meerdere luchtkwaliteitsdeskundigen werkzaam. Dat kost allemaal handen vol geld.

En ja, er zijn ook maatregelen genomen: bijvoorbeeld communiceren over luchtkwaliteit, verbeteren inzet transferia, verbeteren doorstroming, optimaliseren goederenvervoer, intensiveren mobiliteitsmanagement, verplaatsen touringcarterminal, stimuleren fietsverkeer. Maatregelen die of geen effect hadden en alleen maar mooi klinken, of niets met luchtkwaliteit te maken hadden zoals de verplaatsing van de touringcarterminal of in feite maatregelen waren om de autobereikbaarheid te bevorderen (asfalt voor betere doorstroming). En recentelijk de milieuzone voor personen- en bestelwagens waarvan inmiddels is gebleken dat die geen enkel effect had. Kosten 10 miljoen.

In 1999 werd in de EU afgesproken dat in 2010 aan de norm voor NO2 (stikstofdioxide) zou worden voldaan. NO2 werd gekozen niet alleen omdat het schadelijk is voor de gezondheid, maar ook omdat het beschouwd wordt als een indicatorgas: als er veel NO2 in de lucht zit is dat een aanwijzing dat er ook veel PAK’s, benzeen, ultrafijnstof en andere schadelijke stoffen in de lucht zitten. De bedoeling was in 1999 om de norm waaraan in 2010 moest worden voldaan, 40 microgram/m3, in 2010 aan te scherpen zodat die dezelfde zou worden als die van de WHO: 20 microgram/m3. Daar is nooit iets van terecht gekomen. De norm van 40 microgram/m3 werd In 2015 niet eens gehaald.

Als je als gemeente in de loop van 10 jaar 75 miljoen uitgeeft om de luchtverontreiniging te bestrijden, dan is natuurlijk een belangrijke vraag: wat heeft dat nu geholpen, is die 75 miljoen goed besteed? Ook uit een oogpunt van gezondheid behoor je als gemeente na te gaan of je er wel alles gedaan hebt om de luchtverontreiniging terug te dringen. Volgens berekeningen van het RIVM (2005) zouden er elk jaar pakweg 300 Utrechters in de orde van 10 jaar te vroeg sterven door luchtverontreiniging. Dus ook als die 75 miljoen je niets kan schelen behoor je na te gaan of de getroffen maatregelen effectief zijn geweest en of er geen aanvullende maatregelen nodig zijn.

In 2011 stelde de Rekenkamer vast dat het effect van twee van de belangrijkste maatregelen niet kon worden aangetoond: schone bussen en de in 2007 ingestelde milieuzone vrachtverkeer. Volgens het Rekenkamerrapport “Geen vuiltje aan de lucht” (p. 21) gaf de ambtelijke organisatie aan “dat het belang van zicht op de geleverde prestaties en resultaten relatief is” omdat de gemeente slechts de plicht had om maatregelen uit te voeren. De vraag of al die miljoenen goed besteed waren en of de maatregelen effectief waren boeide de ambtelijke organisatie in het geheel niet. Met andere woorden: wat maakt het de ambtelijke dienst nu uit honderd doden meer of minder?

Om te kunnen beoordelen of er inmiddels iets in de opstelling van de gemeente veranderd was deed ik op 18 januari 2016 een wob-verzoek. Ik vroeg wat al die rapporten en actieplannen sinds 2005 hadden gekost én of de gemeente inmiddels wél onderzocht had wat het effect was van alle rapporten, actieplannen en maatregelen. Kennelijk nog steeds een hele lastige vraag, want ik kreeg pas op 23 juni antwoord. Dat wil zeggen, een gedeeltelijk antwoord. Wél  een overzicht van een deel van de kosten, maar geen antwoord op de vraag wat die 75 miljoen aan rapporten en maatregelen nu had opgeleverd.

Op 27 juni maakte ik bezwaar tegen het onvolledige antwoord. Dat bezwaar had uiterlijk 27 oktober behandeld moeten zijn. Daar staan 18 weken vanaf de datum van het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt. Ik heb op 18 november de gemeente in gebreke gesteld want ik had nog steeds geen antwoord op mijn vraag. Gisteren kreeg ik bericht dat de gemeente geen document heeft waaruit blijkt dat er ooit is uitgezocht wat die 75 miljoen hebben opgeleverd aan schone lucht. Of het ook maar iets geholpen heeft, al die actieplannen, al dat onderzoek en al die rapporten dat weet de gemeente niet, omdat de gemeente zich die vraag ook na het Rekenkamerrapport in 2011 kennelijk niet heeft willen stellen.

Laat het even tot je doordringen wat dat betekent: gerekend vanaf 2005 zijn er elk jaar volgens het RIVM (2005) dus pakweg 300 Utrechters voortijdig overleden door luchtverontreiniging. Dat maakt tussen 2005 en 2015 dus 3000 sterfgevallen. Dat zou op zichzelf toch een hele urgente reden moeten zijn om het effect van de maatregelen voortdurend te monitoren. Want als het niet genoeg blijkt te zijn moet er nodig een flinke schep bovenop. Maar bovendien is er dus 75 miljoen gestoken in plannen, maatregelen, onderzoek en dure deskundigen. Dan is het toch onvoorstelbaar dat de gemeente zich de vraag niet stelt of het luchtkwaliteitsbeleid iets heeft opgeleverd?

Het onvoorstelbare is dus waar. Of die 3000 Utrechters langer hadden kunnen leven door een beter beleid boeit de gemeente kennelijk totaal niet. De gemeente heeft trouwens ook nooit onderzocht hoe het is gesteld met de ongezondheid van de mensen die langs de meest vervuilde straten in Utrecht wonen. Of daar meer astma en copd voorkomt en of mensen die langs vieze drukke straten wonen eerder doodgaan. Onze gezondheid en dat wij eerder doodgaan door luchtverontreiniging interesseert de gemeente en ook de gemeenteraad dus niets. En of er 75 miljoen wel of niet over de balk zijn gegooid ook niet. Het is immers toch maar belastinggeld.

Het feit dat de NO2-norm in 2015 nog steeds overschreden werd in Utrecht terwijl daar al in 2010 aan had moeten worden voldaan wijst erop dat al die actieplannen, maatregelen en deskundigen de lucht geen spat schoner hebben gemaakt en dat die 75 miljoen dus inderdaad niets hebben opgeleverd. Behalve dan een goed belegde boterham voor de onderzoekers, plannenmakers, programma managers en juristen van de gemeente. Maar de waarheid is waarschijnlijk nog veel verschrikkelijker.

De NO2- uitstoot van auto’s, fabrieken, verwarmingsketels is in de loop van de jaren afgenomen doordat motoren, machines en apparaten geleidelijk schoner werden. Maar dat is niet het gevolg van gemeentelijk beleid. Dat heeft met voorschriften te maken die door de EU zijn opgelegd. Stads- en streekbussen zijn ook schoner geworden. Maar dat is ook geen gemeentelijk beleid. Dat is beleid van het Bestuur Regio Utrecht. Het schoner worden van auto’s, bussen, fabrieken en verwarmingsketels zou ook plaatsgevonden hebben als de gemeente geen actieplannen had opgesteld en geen deskundigen en programma managers in dienst had genomen en niet 75 miljoen had uitgegeven.

Wat nu zo verbazingwekkend is, is dat er ondanks het schoner worden van auto’s, fabrieken, verwarmingsketels in 2015 nog steeds overschrijdingen waren van de norm! Dat kan maar één ding betekenen: het autoverkeer in Utrecht moet in de loop van 10 jaar sterk zijn toegenomen. Als auto’s schoner worden, maar het aantal auto’s (eigenlijk het aantal autokilometers) neemt sterk toe, dan blijft de lucht natuurlijk even smerig en ongezond. Dát het autoverkeer sinds 2005 sterk is toegenomen in Utrecht kan goed kloppen, want de gemeente heeft een groot aantal plannen vastgesteld die het autoverkeer krachtig hebben bevorderd.

in 2006 werd het structuurplan stationsgebied vastgesteld.  Dat voorzag in een toevoeging van 1000 woningen, 205.000 m2 kantoren, 45.000 m2 winkels, 70.000 m2 (casino en megabioscoop), 24.000 m2 hotel, 8.800 m2 horeca, 33.500 m2 cultuur en 6460 parkeerplaatsen. Het college en de gemeenteraad wisten dat dat tot een sterke stijging zou leiden van het autoverkeer van en naar het stadscentrum. Daar koos gemeente ook uitdrukkelijk voor, want om al dat extra autoverkeer op te kunnen vangen werd de capaciteit van de invalswegen Europalaan-Zuid, Kinglaan (fly-over) en Vleutenseweg (Majellaknoop) drastisch vergroot.

Wisten het college en de gemeenteraad in 2006 dan niet dat het volstrekt onmogelijk zou zijn om de NO2-norm in 2010 te halen als ondertussen het autoverkeer van en naar het stadscentrum krachtig werd bevorderd? Natuurlijk wisten ze dat. Het bleek uit de Luchtrapportage Stationsgebied Utrecht die opgesteld was om te laten zien wat de gevolgen zouden zijn voor de luchtkwaliteit van het structuurplan stationsgebied. Uit die rapportage bleek dat door al die plannen de NO2-norm ook in 2015 op alle grote wegen van en naar het stationsgebied ruimschoots zou worden overschreden.

En nu het Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht en al die andere actieplannen, rapporten en maatregelen. Wat was daar eigenlijk de bedoeling van? De bedoeling daarvan was om het publiek en de rechtbank (tegen de plannen de invalswegen te verbreden werd door actiecomité’s beroep ingesteld) wijs te maken dat het met de toename van het autoverkeer helemaal niet zo’n vaart liep én dat er bovendien maatregelen genomen zouden worden met zo’n wonderbaarlijke waskracht dat de lucht ondanks de sterke toename van het autoverkeer in 2015 alsnog aan de EU-norm voor NO2 zou voldoen.

Hoe de statistieken door de gemeente Utrecht eenvoudig worden aangepast aan wat het publiek en de rechtbank moet worden wijsgemaakt blijkt bijvoorbeeld uit de ‘Rapportage CO2-uitstoot mobiliteit Utrecht 2010‘ . Vóór 2006 zouden lichte voertuigen samen dagelijks 4.138.499 km in de stad afleggen. Dat levert natuurlijk niet alleen een enorme uitstoot op aan CO2, maar ook aan NO2. En dus besloot de gemeente dat aantal, ondanks de groei van het autoverkeer, voor 2010 te stellen op nog maar 2.605.608. Dat zou het beslist makkelijker maken, althans op papier, niet alleen in 2015 aan de NO2-norm te voldoen, maar ook in 2030 een klimaatneutrale stad te worden.

In 2011 kwam de Rekenkamer tot de conclusie dat het effect van al die wonderbaarlijke maatregelen niet kon worden aangetoond én dat de gemeente ook geen moeite wenste te doen om te onderzoeken of de door de gemeente genomen maatregelen uberhaupt effect hadden gehad. Kortom, de bedoeling van het Utrechtse luchtkwaliteitsbeleid en van die 75 miljoen was en is niet om de lucht schoner te maken, maar om het publiek en de rechtbank wijs te maken dat er best nog meer autoverkeer bij kan en dat het stationsgebied dus vol gebouwd kan worden en de invalswegen verbreed, waardoor de lucht nog net zo smerig en ongezond is als in 2005.

De invoering van de milieuzone voor personen- en bestelwagens is ook niet bedoeld om de lucht schoner te maken, maar om het WTC, de megabioscoop en de nieuwe ondergrondse parkeervoorziening (60 miljoen) te kunnen bouwen. Ook de milieuzone voor personen- en bestelwagens wordt door de gemeente namelijk gebruikt om te “salderen”: het effect daarvan zou voldoende zijn om de extra NO2-uitstoot te compenseren die het gevolg is van de bouw van het WTC, de megabioscoop, de parkeergarage Jaarbeursplein. Inmiddels is gebleken dat het effect in de milieuzone (naar het effect daarbuiten is geen onderzoek gedaan!) na een jaar miliieuzone niet kon worden aangetoond en dat de NO2-norm in 2015 nog steeds wordt overschreden. Het ouwe liedje dus.

Actieplannen, maatregelen en onderzoek hebben in de gemeente Utrecht niet de bedoeling de lucht schoner te maken, maar moeten ervoor zorgen dat de gemeente de lucht juist vuil en ongezond kan blijven maken door plannen te realiseren die veel extra autoverkeer genereren. De “ruimtelijke ontwikkeling” en de autobereikbaarheid van het stationsgebied zijn voor het college en de gemeenteraad veel en veel belangrijker dan schone lucht en gezondheid. Zó belangrijk dat de gemeente er 75 miljoen voor over heeft om het publiek en de rechtbank wijs te maken dat de gemeente er alles aan doet om de lucht schoon te maken. Geen wonder dat de gemeente er niet de minste behoefte aan heeft het effect van die 75 miljoen te beoordelen, althans niet in termen van schone lucht en afname van het aantal door luchtverontreiniging veroorzaakte sterfgevallen en gevallen van astma en copd. Dat interesseert het college en de gemeenteraad immers niets.

Een interessante vraag is tenslotte: waarom doet de gemeenteraad niets tegen al die misleiding en de verspilling van 75 miljoen? Weet de gemeenteraad dat dan allemaal niet. Het antwoord is: voor zover leden van de gemeenteraad het niet weten, willen ze het ook niet weten. De Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht houdt de gemeenteraad sinds haar oprichting in 2005 nauwkeurig op de hoogte van alles wat er niet deugt in de actieplannen en luchtrapportages van de gemeente, maar daar is het gros van de politieke partijen helemaal niet van gediend. In dat opzicht is er geen enkel verschil tussen de VVD, CDA, GroenLinks, D66, CU en PvdA. Onze volksvertegenwoordiging ziet het in grote meerderheid niet als haar taak het volk te vertegenwoordigen en het belang van de volksgezondheid te behartigen. Zij ziet het als haar taak het gemeentelijk wanbeleid en de enorme verspilling van belastinggeld aan het volk te verkopen met hypocriete verhalen over schone lucht en gezondheid.

Over de slaafse achterban van linkse en groene politici

Een vraag die mij vaker bezighoudt is waarom de achterban van idealistisch organisaties zo slaafs is en waarom juist in die organisaties figuren die geen tegenspraak dulden de kans  krijgen om de lakens uit te delen. In mijn studietijd had ik al wel eens iets gelezen over hoe het in religieuze sektes toe gaat. Daar doet het erg aan denken.

De eerste baan die ik had was bij de kerk. Zelden zo’n asociale en autoritaire werkgever meegemaakt. In mijn studietijd een jaar bij de vakbeweging gewerkt. Daar werden leden als onmondige kinderen behandeld. Mochten de leiders toejuichen maar moesten verder hun kop houden. In het welzijnswerk was het niet veel beter. De buurt had niets te vertellen, de welzijnswerkers die zich voor hun emancipatie inzetten waren niet gediend van kritiek.

Eerlijk gezegd voelde ik mij bevrijd toen ik daarna terecht kon bij een paar rechtse werkgevers. Eerst bij een commercieel adviesbureau. Zoets als TNO, DHV en Haskoning. En daarna, nog erger, bij Nijenrode. Mischien had ik het toevallig erg getroffen. Maar die rechtse werkgevers hielden er een hele simpele filosofie op na: als jij het naar je zin hebt, dan plukken wij daar de vruchten van. Toen ik rechts echt sympathiek begon te vinden dacht ik: nu moet ik weg wezen, want diep van binnen was en ben ik links.

Jaren geleden kreeg het aan de stok met een sociaal anarchistische club in Utrecht. Die hadden in de 80-er jaren een paar woningen gekraakt en door trouwe aanhangers laten opknappen. Die kregen daar niets voor behalve dat ze er mochten wonen. Pure uitbuiting dus. Ik kreeg er mee te maken toen er een paar bewoners te horen kregen dat ze onmiddellijk de woning moesten verlaten. Die vroegen of ik voor ze naar rechter wou gaan. Ze hadden kritiek gehad op de grote Leider en in een anarchistische club is dat natuurlijk volstrekt taboe. Huurrecht daar hadden deze sociaal anarchisten schijt aan, want zij erkenden geen wet en geen gezag.

Waarom vertel ik dat allemaal? Oh ja. GroenLinks daar houden de leden ook angstvallig hun mond. Toen Giesberts als wethouder de kapvergunning wilde afschaffen bleef het stil, toen GroenLinks instemde met de fly-over 24 OP bleef het stil. Het bleef ook stil toen GroenLinks instemde met de sloop van 10.000 sociale huurwoningen, instemde met de bouw van de parkeergarage naast het station (60 miljoen), toen de gemeente een kapvergunning gaf voor 720 monumentale bomen voor de golfclub De Haar, toen Eneco een kapvergunning kreeg voor 152 bomen Cremerpark en zelfs nadat bleek dat de milieuzone geen enkel effect had, ook niet voor roet.

Maar o wee als je kritiek durft te hebben op “onze Frits” of op “onze Lot”. Dan sluiten zich de rijen. Dan ben je de vijand. Kritiek op Rutte, hoe meer hoe beter. Maar als je als lucht- of boomactivist kritiek uit op “onze wethouder” dan wordt dat beschouwd als verraad, als een dolk in de rug. Milieudefensie hetzelfde laken en pak. Zakelijke kritiek op een artikel van dr. Anne Knol werd opgevat als grievend en kwetsend. “Wil je daar onmiddellijk mee ophouden” werd me per kerende mail te verstaan gegeven. Ingaan op kritiek, laat staan debatteren is er natuurlijk ook niet bij, want ongelovigen daar praat je niet mee.

Ik heb er wel een verklaring voor. Die kwam bij me op toen ik geconfronteerd werd met de terreur in die sociaal-anarchistische club. Organisaties die een programma hebben om de hemel op aarde te realiseren of een groene revolutie in gang te zetten, daar melden zich altijd zachtmoedige mensen voor aan die zich aangesproken voelen door de boodschap van liefde, groen en solidariteit. En die kunnen zich niet verplaatsen in de geest van bazige op carrière beluste types. En dat maakt dat uitgerekend in zulke idealistische organisatie bazige baantjesjagers vrij spel hebben. Die komen dus ook op idealistische organisaties af.

Net als tientallen jaren eerder bij de PvdA hebben de idealistische en activistisch ingestelde leden bij GroenLinks het veld moeten ruimen voor hoogopgeleide carrièrejagers. Hadden nooit iets met groen of links. Zaten eerst in het klasje voor de buitenlandse dienst om diplomaat te worden en waren tekstschrijver en woordvoerder voor de minister van het autobolwerk verkeer en waterstaat. Of zaten als senior consulent bij Berenschot aan hun plafond. Trekken een spijkerbroek aan, melden zich aan bij een idealistische partij en worden binnen de kortste keren wethouder en lid van de Eerste Kamer. De geschiedenis herhaalt zich in elke linkse partij opnieuw.

Studies naar hoe het in sektes toegaat maken ook begrijpelijk waarom leden niet weglopen ook al zien ze zelf best dat het met hun partij de verkeerde kant opgaat. Dan raken ze namelijk de meeste van hun vrienden kwijt. En dat is ook waarom ze niet al te kritisch willen zijn: het zijn toch je eigen mensen, we hebben toch allemaal één en hetzelfde doel en we moeten wel aardig voor elkaar zijn. En dus moeten we elkaar niet afvallen en achter de wethouder gaan staan. Ook al doet ze helemaal niet wat wij willen.

Maar die lieve en aardige achterban moet wel bedenken dat ze op zo’n manier de hemel op aarde wel kunnen vergeten en dat ze door niet flinker te zijn er belangrijk aan bijdragen dat hun leiders de partij steeds meer de verkeerde kant uit laten gaan. De kant van het pluche, de baantjes en steeds meer autoverkeer. Lid zijn van een groene of linkse club of van Milieudefensie geeft het gevoel aan de goede kant te staan, maar als je niet flink genoeg bent om tegen de fractie, de wethouder en het bestuur op te staan, dan sta je snel aan de verkeerde kant en dan maak je net zulke vuile handen als die lui van de VVD.

Deze column verscheen eerder op www.nieuws030.nl

Ook beschaafd nationalisme is gevaarlijk

Nationalisme is om het volk te onderdrukken en op te zetten tegen vreemdelingen, migranten en lastige critici.

Dat Asscher over beschaafd nationalisme begint tekent het einde van de PvdA. In 2009 gaven Wouter Bos, Lilliane Ploumen, Jeroen Dijsselbloem en Ahmed Aboutaleb al een aanzet in de Integratienota “Verdeeld verleden, gedeelde toekomst”, waarin hun medeleven breed werd uitgemeten voor iedereen die ons land met bezorgdheid zag veranderen door de komst van migranten. “Dat is een akelig gevoel als het gaat over het land waar je geboren en getogen bent, en dat jij, je ouders en hun ouders daarvoor, mee hebben opgebouwd”.

De strategen van de PvdA dachten de PVV de wind uit de zeilen te nemen, maar in plaats daarvan gaven ze met hun medeleven met dat “akelig gevoel” aan dat ze ook best begrip hadden voor mensen die zich door de PVV aangetrokken voelen. Als er nu verkiezingen zouden plaatsvinden zou de PVV op 23 zetels uitkomen en de PvdA nog niet op de helft daarvan. Kortom, dat beschaafd nationalisme daar zou Asscher zich beter verre van kunnen houden, anders is het einde van de PvdA nabij.

Hoe dom het is om dat beschaafd nationalisme te omarmen blijkt ook als je bedenkt dat de PvdA daar niet alleen de weg mee effent naar de PVV maar ook allochtonen tegen zich inneemt die zich door dat herlevend nationa­lisme steeds meer buitengesloten voelen. Zoals dat ook het geval is met het vluchte­lin­genbeleid, dat er van uit­gaat dat er mensen zijn die geen recht hebben op een fatsoenlijk bestaan omdat ze niet van hier en dus anders zijn.

In 2007 werd aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid WRR de opdracht gegeven nauwkeurig te omschrijven wat onze nationale identiteit is. Dat was onder het Balkenende IV, waar ook de PvdA in zat. De bedoeling was de harten van het volk te winnen voor de VOC-mentaliteit. Dat zagen Maria Grever en Kees Ribbens van de WRR echter niet zitten.

Niet alleen gaven Grever en Ribbens, net als Maxima, en tot grote woede van alle oranje verenigingen, als hun mening dat ze niet zouden weten wat die Ne­derlandse natio­nale identiteit precies voorstelt, ze betoogden boven­dien dat zo’n nationale identiteit iets kunstmatigs is, iets wat door de politieke elite van een land aan het volk wordt opgedrongen.

Met onmiskenbare instemming wordt in dat WRR rapport “Nationale identiteit en meervoudig verleden” de  historicus Hobsbawm aan het woord gelaten. Volgens Hobsbawn wordt de liefde voor het vaderland er bij het volk ingepompt om de elite die aan de macht is en zich ten koste van het volk verrijkt, wijs te maken dat zij uit nobele idealisten bestaat die zich inzetten voor het volk dat daardoor eerder bereid zal zijn voor het vader­land te sterven. Of bij politionele acties in Nederlands Indië te worden ingezet om kam­pongs uit te moorden.

Om de liefde voor het vaderland aan te kweken worden er nationale tradities in stand ge­houden zoals het vor­stenhuis en zwarte piet en worden kinderen onderwezen over grote witte vaderlanders en de heldenrol van ons kleine landje in de wereld. In 2006 kwamen Marijnissen (SP) en Verhagen (CDA) met het idee een Nationaal Historisch Museum op te richten. Na een hoop ruzie over de vraag in welke stad dat zou moeten komen besloot men in 2011 het idee op te geven omdat het ook eigenlijk een beetje duur was.

Inherent aan die nationale identiteit en dat nationalisme is nog een ander kwalijk aspect, namelijk het zich afzet­ten tegen andere mensen en landen die die identiteit niet hebben. Identiteit is immers iets wat je van anderen onderscheidt. Dus hoe meer identiteit, hoe groter het verschil met vreemde­lingen, migranten en mensen met een andere kleur, geloof en etniciteit. De grote vaderlanders waar onze straten naar genoemd zijn waren allemaal wit en als regel godvruchtige christenen.

Waarom is het benadrukken van die verschillen zo kwalijk? Omdat dat onvermijdelijk met zich mee brengt dat lieden die op macht uit zijn het volk op­hitsen tegen groepen en mensen die anders zijn: Moslims, Turken, Zi­geu­ners, Suri­namers, Antil­lianen, Marokkanen, Polen. Politici (bepaald niet alleen Wilders) maken het volk bang door erop te hame­ren dat allochtonen en vluchtelingen voor problemen zorgen, onaangepast zijn, geneigd tot crimineel gedrag en een ver­keerd geloof hebben. Want lieden die op macht uit zijn moeten het hebben van een bang volk dat zich achter leiders schaart die roepen minder­heden en zondebokken keihard aan te zullen pakken.

Het beschaafd nationalisme van Asscher en de zijnen, om maar te zwijgen van dat van Monasch, maakt niet alleen de haat tegen mi­granten, vreem­delingen en vluchtelingen normaal, waar de PvdA dan steeds meer in mee moet gaan om niet door de PVV en de VVD weggevaagd te worden, maar maakt ook dat de politiek (1) voor alles wat er fout gaat de schuld kan leg­gen bij vreemdelingen en vluchtelingen, (2) de verdeeldheid tussen autochtone en allochtone bevolkings­groepen kan aanwakkeren om een gemeenschappelijk front tegen het neoliberale beleid te verhin­deren en (3) een extreem veiligheidsbeleid door te voeren waarmee het laatste beetje oppositie kan worden gecriminaliseerd en de kop ingedrukt.

Kortom: beschaafd nationalisme leidt tot onbeschaafd nationalisme. Wie dat niet ziet en zich laat opzetten tegen al­lochtonen en migranten begrijpt niet dat hij daarmee een politieke elite aan de macht helpt die geen andere bedoeling heeft dan ook hem uit te buiten en van zijn vrijheid te beroven.

Ontgroening: legitimering van sadisme

Het Stanford Prisoners Experiment, waarbij een groep studenten een andere groep studenten als gevangenen mag behandelen, wordt uitgebreid beschreven in “Het lucifer effect, hoe gewone mensen zich laten verleiden tot het kwaad” van Philip Zimbardo. Het experiment dateert uit 1971 en werd na zes dagen stopgezet omdat het uit de hand liep: de studenten die voor cipier moesten spelen begonnen zich steeds meer te misdragen.

In hetzelfde boek gaat Zimbardo ook in op de mishandelingen waaraan Amerikaanse militairen zich te buiten gaan in de Abu Ghraib gevangenis. Volgens Zimbardo een min of meer identieke situatie.

Veel commentatoren hebben, zoals gebruikelijk in kranten en op  TV,  de klok horen luiden maar weten niet waar de klepel hangt. Zo ook wat betreft het Stanford experiment waar de laatste tijd naar verwezen naar aanleiding van excessen die plaatsvinden onder studenten uit de betere milieus, in het bijzonder tijdens de ontgroening. “Dachautje spelen” e.d.

Inderdaad, de beschrijving van het Stanford experiment door Zimbardo doet sterk denken aan het ontgroeningsritueel. Maar anders dan de subtitel van het boek suggereert en anders dan de eerder genoemde commentatoren schrijven, zijn het niet gewone mensen die zich tot het kwaad laten verleiden maar gaat het, zoals gewoonlijk, om een handjevol psychopaten.

In het Stanford experiment zijn het een paar studenten die duidelijk genieten van de macht die zij over de “gevangenen” hebben. Maar niet alleen over de “gevangenen”, ook over de andere studenten die voor cipier moeten spelen maar daar niet van genieten en proberen zich aan de sadis­tische spelletjes te onttrekken.

De vraag die door Zimbardo opgeworpen wordt is of je de schuld voor excessen niet in de eerste plaats moet leggen bij autoriteiten die situaties creëren waarvan zij kunnen weten dat die bij sommige mensen de lust oproepen om te pesten, te martelen en te doden én de lust om mensen die daar een afkeer van hebben ertoe aan te zetten om daar aan mee te doen.

Voor de excessen in de Abu Ghraib gevangenis werden eenvoudige militairen gestraft. Niet Donald Rumsfeld en niet de hoge legerleiding. En voor de excessen tijdens de ontgroening worden, als er al gestraft wordt, niet de bestuursleden van de corpora, laat staan de bestuurders van de universiteit gestraft. Terwijl zij allemaal kunnen weten dat als je psychopaten een zweep geeft, ze daarin een aansporing zien er mee te slaan en hun laffe omgeving ertoe aan zetten om daar dan aan mee te doen.

Wat zo huiveringwekkend is aan het Stanford experiment is dat het laat zien hoe makkelijk een handjevol mensen dat geniet van macht en van treiteren het in een groep voor het zeggen krijgt. Zoals dat het geval is bij een willekeurig samengestelde groep zoals in het Stanford experiment is dat ook het geval in politieke partijen, universiteitsbesturen en bedrijven. Dat verklaart wellicht waarom er niet hard dat tegen dat ontgroenen wordt opgetreden: heimelijk begrijpen de meeste politici, bestuurders en managers kennelijk hoe fijn het is macht te hebben en genieten de meeste ook van zulk getreiter.

Hoe de elite in het westen zijn slag slaat na het uit elkaar vallen van de Sovjet Unie

Wat weinig mensen zich misschien realiseren is wat de neoliberalisering die zich vanaf eind 80-er jaren heeft voorgedaan te maken heeft met het uit elkaar vallen van het Sovjetblok. De Amerikaanse socioloog Parenti heeft daar een stuk over geschreven dat hieronder is samengevat. *

De leiders van de VS hebben jarenlang gestreden met het communistische blok om de gunst van arbeiders en arme landen om te laten zien dat zij veel beter af waren en zou­den zijn met de op de vrije markt gebaseerde economie dan met de communistische sovjet economie. En natuurlijk wezen ze daarbij niet op het onbetaalbare onderwijs, de onbetaalbare gezondheidszorg en de onbetaalbare huis­vesting in het “vrije” westen.

Om te laten zien dat het leven voor gewone mensen in het westen beter is dan onder het communisme werd de 8-urige werkdag ingevoerd, de  sociale zekerheid, het mini­muminkomen, invaliditeitspensioen, verlof voor vakantie en zwangerschap. En om het imago van de VS in Azië, Afrika en Latijns-Amerika op te poetsen werd gedurende de koude oorlog in de VS campagne gevoerd tegen rassendiscriminatie.

Het uit elkaar vallen van de Sovjet Unie bracht grote vreugde in het westen: de supe­rio­riteit van de vrije markt was nu toch wel voor iedereen zichtbaar. Maar dat was het rechtse conservatieve kamp niet genoeg. Die vroeg zich af: nu het communisme aan de verliezende hand is, waar zijn dan al die collectieve voorzieningen, dat minimum inko­men en al die regulering in het westen dan nog voor nodig?

In 1992 (de Berlijnse muur werd in 1989 verwijderd) was het voor het conservatieve kamp duidelijk dat de tijd gekomen was om de klasse van arbeiders zijn plaats te wij­zen. Door het wegvallen van het communistisch al­ternatief was het immers niet meer nodig arbeiders voor zich te winnen. Inschikkelijkheid was dus overbodig geworden.

Door de geschiedenis heen hebben mensen die de baas zijn maar één ding gewild: alles. De beste grond, de beste kudde, alle rijkdom, alle belangrijke posities in de overheid, alle subsidies en privileges, onschendbaarheid, alle luxe en voordelen van de beschaafde samenle­ving en dat allemaal uiteraard zonder zelf belasting te betalen.

Derde wereld toestanden ook in het westen

Na het uit elkaar vallen van het sovjetblok begreep de rijke elite in het westen dat het niet meer nodig was de werkloosheid terug te dringen. Een hoog niveau van werkloos­heid kwam juist goed uit. De vakbeweging moest een toontje lager zingen, arbeiders moesten met minder genoegen nemen en het maakte groei moge­lijk zonder inflatie.

Groei zonder inflatie klinkt mooi, maar brengt wel met zich mee dat de VS bezig een derde wereld land te wor­den doordat ook in de VS de mensen armen worden. De rijke elite ziet niet waarom miljoenen arbeiders een fatsoenlijk bestaan zouden moe­ten heb­ben, een eigen huis en vast inkomen. Ook zien die niet waarom de midden­klasse niet wat kleiner zou kunnen.
Als mensen veel hebben, zo weet de rijke elite uit eigen ervaring, willen ze altijd meer en zou je zomaar in een social democratie terecht kunnen komen. Beter is het dus de massa harder te laten werken voor minder geld, zoals het in de 19e eeuw was en nu in de derde wereld is. Het ideaal van de rijke elite is een massa armen en werklozen om de lonen laag te kunnen houden en een kleine middenklas­se die naar de pijpen danst van de steenrijke elite.

Voor de elite is het moment daar om te snijden in het onderwijs, de medische zorg, de bi­bliotheken, het openbaar vervoer en andere publieke diensten. De vakbewe­ging wordt aange­pakt, vaste banen verdwijnen, het minimum inkomen gaat op de helling, het milieu hoeft niet meer te worden beschermd en de belasting op investeringen gaat omlaag. Zij die al veel hebben, krijgen nog veel meer

De rechtse reactie in de VS is overgewaaid naar Europa, Canada, Australië en Nieuw Zeeland, waar het nu ook deregulering, privatisering en denivellering is wat de klok slaat. Terwijl het com­munisme in Oost-Europa en de sociaaldemocratische partijen in West-Europa terrein verliezen, aangemoedigd door commentatoren die daarin het ein­de van de klassenstrijd zien, wordt de klas­senstrijd door de rijke elite juist met meer verbetenheid gevoerd.

Derde wereld wordt vierde wereld
Hand in hand met de verslechtering van de leefomstandigheden in de VS en in het overige wes­ten, vindt er een economische ineenstorting plaats in veel derde wereld landen.

In de tijd van de koude oorlog was de Amerikaanse politiek er immers op gericht het communisme in te dammen door de economische groei in niet-communistische staten een handje te helpen. Maar de economische ontwikkeling in de derde wereld begon de winstgevendheid te bedreigen van Amerikaanse multinationals. Aan het eind van de 70-er jaren voelden o.a. Brazilië, Mexico, Tai­wan, Zuid Korea zich sterk genoeg om niet meer afhankelijk te zijn van Amerikaanse investerin­gen en begon hun export te con­cur­reren met die van de VS en bovendien in de VS binnen te dringen. Leiders van de derde wereld begonnen ook meer en meer gezamenlijk op te trekken.

Reeds in de 80-er jaren begonnen steeds meer Amerikaanse politici te vinden dat het Amerikaanse kapitalisme eigenlijk geen belang had bij welvaart en economische ont­wik­keling in de derde wereld. Er werd een eind gemaakt aan hulpprogramma’s. Het buitenlands be­leid zou veel meer worden gericht op een wereld van vrije handel, zon­der belemme­ringen voor Amerikaanse en westerse multinationals en ongeacht de ge­volgen voor mens en milieu in de derde wereld.

Een machtig middel om landen arm en afhankelijk te maken is die landen schulden aan te laten gaan die dan haast niet afbetaald kunnen worden, zodat telkens nieuwe kre­die­ten nodig zijn die dan worden verstrekt door het IMF en de Wereldbank (waarin de VS de dienst uitmaakt), maar alleen als die landen bereid zijn ingrijpende neoliberale maatregelen te nemen: bezuiniging op sociale zekerheid, afschaffen van belemmerin­gen voor bui­ten­landse in­vesteringen, privatiseren van pu­bliek bezit en staatsbedrij­ven.

Deze neoliberale maatregelen worden de landen opgedrongen om inflatie af te rem­men, ex­port te bevorderen en de financiële positie van de schuldlanden te verbeteren. In feite zijn deze maatregelen er echter op gericht multinationals toegang te verschaf­fen: voor een appel en een ei grond en particuliere- en staats­bedrijven op te kopen. Talloze boeren raken hun grond kwijt doordat de grond die zij in gebruik hadden door de staat aan buitenlandse bedrijven wordt verkocht. Mas­sale werkloosheid, armoede, onder­voeding en epidemieën zijn het gevolg.

Landen als de Filipijnen, Brazilië, Mexico, Haïti, Zaïre zijn als gevolg van het buitenlands beleid van Amerika en het westen sinds de 80-er jaren aanzienlijk verarmd. De onder­voeding in een stad als Mexico is in korte tijd verzesvoudigd. Eén vijfde deel van de be­volking van Mexico stad is ernstig ondervoed. Ziektes als cholera, knokkelkoorts en an­dere ziekten die met onder­voeding samenhangen namen binnen een jaar met een fac­tor tien toe. De gezondheidszorg in Mexico is in elkaar gestort. Allemaal als gevolg van de aan Mexico opgelegde maatregelen om de economie weer “gezond” te maken zo­dat Mexico aan zijn schuldverplichtingen zou kunnen voldoen.

Om het nog erger te maken hebben de rijkste geïndustrialiseerde landen, het voor­beeld van de VS volgende, aanzienlijk bezuinigd op wat zij uitgeven aan ontwikkelings­hulp aan arme landen voor onderwijs, milieubescherming, familieplanning en gezond­heids­zorg. Zoals de Los Angeles Times op 13-6-95 schreef: met het verdwijnen van de sovjet dreiging is het niveau van de hulp teruggebracht. Het rijkste land ter wereld, de VS, geeft minder dan 0,02% van het bruto natio­naal pro­duct uit aan hulp, het laagste percentage van alle geïndustrialiseerde landen.

Landen waarvan de regering probeert de natuurlijke hulpbronnen en het milieu te beschermen, de eigen bedrijvigheid te stimuleren, publieke gezondheidszorg uit te bouwen en de laagste lonen op te trekken worden daarin aanzienlijk gehinderd door het GATT (Wereldovereenkomst voor Tarieven en Handel) omdat maatregelen die zij zouden moeten om de economie in hun land te stimuleren worden aangemerkt als ongeoorloof­de belemmeringen van de vrije internationale handel.

Regeringen die in hun land hervormingen tot stand willen brengen worden niet alleen via het GATT, het IMF en de Wereldbank tegengewerkt, maar zo nodig ook met militair geweld. Daar zijn veel voorbeelden van zoals Libië, Panama, Irak, Granada, Mozambi­que, Nicaragua, Joego­slavië, Zuid-Jemen. De industriële vooruitgang van Joegoslavië bijvoorbeeld mocht niet al te concurrerend worden voor het westen. De oorlog tegen Joegoslavië en de opdeling van het land hadden de bedoeling er een paar kleine staten van te maken waarin rechts het voor het zeggen zou krijgen en westerse multina­tio­nals hun gang konden gaan.

Voor derde wereld landen is de weg naar economische ontwikkeling die van nationale econo­mische ontwikkeling, maar die wordt in de nieuwe wereldorde niet getolereerd, die stuit op de strategie van de rijke elite van de VS waar­van het doel is een we­reld te scheppen waarin haar winsten gemaximaliseerd worden ten koste mens en milieu.

Gaan armoede en economische groei samen?
Als de lonen overal ter wereld lager worden doordat een steeds kleinere elite alle rijkdom naar zich toetrekt, is er dan nog wel voldoende koopkracht om de economie aan de gang te houden? Als er massaal producten worden gemaakt en mensen hebben het geld niet om die te kopen, dan valt er met die productie immers niets meer te ver­dienen? Met dat argument wordt betoogd dat het met de dreigende verpaupering in de wereld wel mee zal vallen omdat het in het eigen belang van de rijke elite is om armoede tegen te gaan. Dat argument gaat om een aantal redenen niet op.

Dat lonen zowel in de arme landen als in de geïndustrialiseerde landen voortdurend omlaag gaan wordt gecompenseerd doordat er voortdurend nieuwe slecht betaalde banen worden ge­­creëerd. Waar voorheen de man de kost verdiende voor het hele gezin moeten nu ook vrouw en kinderen helpen de kost voor het gezin te verdienen. Per saldo blijft de koopkracht van het gezin min of meer gelijk maar er moet veel meer voor gewerkt worden. Datzelfde is het geval waar mensen door verlaging van lonen gedwongen worden twee of drie banen te nemen, zo­dat ze niet 8 maar 14 of 16 uur per dag moeten werken om hun koopkracht vast te houden.

Minder inkomsten betekent in veel gevallen dat mensen zich steeds meer in de schul­den gaan steken en op afbetaling gaan kopen. Er worden dus nog steeds woningen, auto’s, koelkasten e.d. ge­kocht, maar tegelijk neemt de schuldenlast toe. Wat ook weer betekent dat er meer gewerkt moet worden.

De koopkracht en de vraag van de rijken neemt toe. Tijdens de recente economische crisis steeg de omzet in juwelen, antiek, kunst, luxe appartementen, landgoederen, luxe auto’s, luxe cruises. Met andere woorden: verlies aan koopkracht per hoofd van de bevolking bij arme men­sen wordt gecompenseerd door een groei van koopkracht bij de rijken waardoor de economie per saldo kan blijven groeien terwijl de armoede toeneemt.

Dat de lonen van de grote massa van minima omlaag gaan neemt niet weg dat er een middenklas­­se bestaat die voldoende draagvlak oplevert voor de afzet van producten en diensten. In een land als India met 900 miljoen inwoners zijn er altijd nog 80 miljoen die niet in armoede leven, een markt groot genoeg om de economie te doen groeien.

(Noot: wat Parenti niet noemt is de enorme toename van de oorlogs- en veiligheids­industrie. Weliswaar stagneert door de groeiende armoede de vraag naar producten en diensten die mensen nodig hebben om in hun eerste levensbehoeften te voorzien, maar onder­nemers die winst willen ma­ken kunnen zich toeleggen op de wapenindus­trie, geprivatiseerde gevangenissen en het weren van vluchtelingen. Het buitenland-, veiligheids- en vluchtelingenbeleid van westerse landen garandeert groeiende omzet).

Arme mensen moeten ook aan het algemeen belang denken
Terwijl onze planeet en de wereldbevolking door een kleine steenrijke elite wordt ge­plunderd krijgen arme mensen van hogerhand het advies om minder egoïstisch te zijn. Gehuld in een schitterend met goud versierd gewaad, veroordeelt paus Johannes Pau­lus II (de pool Karol Józef Wojtyła) in 1995 het egoïsme, de begeerte naar macht en de­genen die hun hoop vestigen op wapens (New York Times, 17-4-95).

De paus doelde daarmee niet op de brutale plutocraten en rechtse militairen die de dienst uitmaken en zoveel landen hebben geruïneerd en evenmin op de bloeddorstige bendes die met hulp van de CIA honderdduizenden mensen in Mozambique, Angola, Nicaragua, Afganistan, Guatemala en vele andere landen hebben uitgemoord en even­min op de bazen van multinatio­nals die de planeet uitputten en het milieu verwoesten.

Nee, de paus doelde op de Koerden, de Palestijnen en de inheemse volken van Latijns Amerika die behoren tot de armsten der aarde. Zij zijn het die volgens paus Johannes Paulus II van geweld moeten afzien en moeten kiezen voor de vreedzame dialoog. En daarmee brengt deze paus goed onder woorden hoe de steenrijke elite het ziet.

Zij die menen onze leiders te zijn maken zich schuldig aan het grootst mogelijk bedrog. Hoop voor de wereld is alleen mogelijk als mensen gaan begrijpen dat de omstandig­heden waar ze het hoofd aan moeten bieden niet veroorzaakt worden door ‘moeilijke tijden’ maar het resultaat zijn van weloverwogen roofzucht van de rijken, van het be­werkstelligen van hun armoede en machteloosheid door de rijken.

* Samenvatting en bewerking van “La caída” uit Sucias Verdades (2011) van de Amerikaanse socioloog Michael Parenti. Het boek verscheen in 1998 in Engelse versie onder de titel “Dirty Truths”.

 

Christenunie is de krakers spuugzat

Volgens fractievoorzitter Maarten van Ooijen is de Christenunie het kraken van woningen spuugzat”. Ze zouden de broodnodige vernieuwing in Kanaleneiland tegenwerken die een gebalanceerde mix van bewoners beoogt en dat zou juist niet in het belang zijn van kwetsbare mensen. Hij roept de SP-wethouder, ooit zelf kraker, op om er wat aan te doen.

De Christenunie was de laatste waar ik nog een beetje geloof in had, althans wat betreft de sociale agenda. GroenLinks besloot haar idealen al in 2006 prijs te geven, de SP deed dat in 2014. Je moet toch wat als je per sé in het college wil zitten. De Christenunie staat nu kennelijk ook te trappelen.

Sinds 2000 is Utrecht bezig om zoveel mogelijk sociale huurwoningen te slopen dan wel over te he­velen naar de vrije sector. In 1996 was het aandeel sociale huur 46%, het beleid is erop gericht dat terug te dringen naar 30%. Marie Louise van Kleef (PvdA) begon ermee, Harrie Bosch (PvdA) en  Gil­bert Isabella (PvdA) zetten het voort. Datzelfde beleid wordt nu door Paulus Jansen (SP)uitgevoerd. Het maakt echt niets uit van welke politieke kleur de wethouder is.

Het beleid om sociale huur terug te dringen wordt verpakt met borrelpraat, terwijl het domweg een kwestie is geld. Sociale huur levert weinig op. De gemeente verdient meer aan grond onder de vrije sector. Daarbij komt dat het slopen van sociale huur en het renoveren voor de vrije sector aan vast­goedcowboys en bouwend nederland ten  goede komt, wat in feite de groep is waar elk college in Utrecht zich voor uitslooft.

Die borrelpraat houdt in dat de samen­stelling van de stad en de wijkbevolking gevarieerder moe­t zijn: meer midden inkomens en minder kansar­men en allochtonen. Een “gebalanceerde mix” zoals Maarten van Ooijen dat noemt. Vreemd genoeg wordt dat verhaal nooit aangevoerd om meer sociale huur te realiseren (of vluchtelingen te huisvesten) in het Wilhelminapark of in andere gegoede wijken en buurten.

Dat een homogeen samengestelde buurt problemen geeft is niet per sé het geval. In het verleden zijn  veel homogene arbeidersbuurten gebouwd en veel van die buurten waren een toonbeeld van sociale saamhorigheid. En, zoals gezegd, over de homogene samenstelling van het Wilhelminapark maakt niemand zich druk. Dat in Kanaleneiland en Overvecht veel armoede voorkomt is waar, maar doe dáár wat aan in plaats van die arme mensen ook nog eens hun sociale huurwoning af te pakken.

Kansarm en allochtoon in Nederland is helaas vrijwel synoniem. Spanjaarden, Grieken, Turken en , Marok­kanen zijn immers door de regering en het bedrijfsleven naar Nederland gehaald om het sme­rige en zware werk te doen waardoor je vroeg of laat in de wao en de bijstand terechtkomt. Daarbij komt dat allochtonen zowel in het onderwijs als op de arbeidsmarkt aanzienlijk minder kansen heb­ben dan witte nederlanders.

Of het nog zo is weet ik niet, maar jarenlang heeft de gemeente bij de toewijzing van sociale huur­woningen ook een “maatwerk”-beleid gevoerd, wat inhoudt dat je alleen voor een sociale huurwo­ning in aanmerking komt als je niet kansarm bent. Ook al met het argument dat het beter is voor de buurt dat er minder kansarmen wonen. Dat bouwen voor de vrije sector voor door­stroming zorgt waardoor goedkope woningen beschikbaar komen voor kansarmen is dus een leugenachtig argu­ment, want de gemeente wil kansarmen ook uit de sociale huur weren.

Gegeven het feit dat kansarm en allochtoon in Nederland helaas maar al te vaak samengaat, komt het standpunt van de “uitgebalanceerde” mix (relatief meer middenklassers) domweg neer op een beleid om allochtonen te weren.  Dat is precies wat Wilders propageert. Overigens, of het beleid er  op gericht is Marokkanen of kans­armen de stad uit te werken, in beide gevallen is het dis­criminatie.

Wat mij in het geval van Maarten van Ooijen van de Christenunie zo ontzettend stoort is dat de Christenunie zich uitdrukkelijk, meer dan het CDA waarbij iedereen al lang vergeten is waar die “C” voor staat, op de Bijbel beroept.

De Bijbel roept op de vreemdeling lief te hebben (“Iemand die als vreemdeling in jullie land verblijft, mag je niet onderdrukken. Behandel  vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte” (Lev. 19:33-34). Ook roept de  Bijbel op het voor de kansarme op te nemen. “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” (Mattheus 25:40). Mij dunkt dat de krakers meer in de geest van de Bijbel handelen dan Maarten van Ooijen van de Christenunie.

Fascisme in streepjespak

Een samenvatting van het gelijknamige hoofdstuk uit Dirty Truths (1996) van Michael Parenti. 

De smerige waarheid is dat veel mensen denken dat het fascisme wel meevalt, dat het niet iets is om je echt ongerust te maken. Desgevraagd lieten business mensen die het Iran onder de Sjah hebben meegemaakt zich er zelfs lovend over uit: “het was prima”. Goedkope arbeidskrachten, hoge winsten. Zeker is echter dat het fascisme lang niet voor iedereen prima is.

Voor Duitsers die geen jood waren en niet arm of werkloos, niet actief links of openlijk anti-nazi, viel het leven tussen 1933 en het uitbreken van de oorlog ook best mee. Als je maar je belasting betaalde, je aan de wet hield, je zoon afstond voor het leger, je verre hield van opvattingen die in strijd waren met de heersende opvattingen en de andere kant uitkeek als vakbonden werden geëlimineerd en kritische mensen verdwenen.

De omstandigheden in het huidige Amerika zijn niet veel anders dan die van het Duitsland tussen 1933 en de oorlog. Veel middenklasse Amerikanen hebben daar geen probleem mee en zouden het ook best uithouden in een fascistische staat.

Door mensen die de dreiging van fascisme in Amerika ontkennen wordt wel beweerd dat ze meer vrijheid hebben dan ooit. Of je het daar mee eens bent hangt er vanaf of je tot de klasse hoort die het goed heeft en zich alleen met de politiek bemoeit als er een verkiezing is. Behoor je echter tot de lastige critici dan word je in de gaten gehouden, lastig gevallen en geïntimideerd. *

De FBI en de lokale politie houden organisaties in de gaten die ijveren voor sociale rechtvaardigheid, milieu, vrede en ontwapening, breken daar in om documenten te stelen, zitten die organisaties dwars en behandelen ze als terroristen.

De snelst groeiende markt gedurende de laatste tientallen jaren was de markt voor pistolen, wapenstokken, kogelvrijevesten e.d. en de snelst groeiende bedrijfstak was die geweest van politie en gevangenissen. In 1995 gaf de staat Californië meer uit aan gevangenissen dan aan onderwijs.

Dat er steeds meer politie bij is gekomen wil niet zeggen dat misdaad meer wordt bestreden. Er wordt weinig gedaan tegen grote drugshandelaren, gangsters, ondernemers van ateliers waar mensen als slaven worden behandeld, corrupte politici, mannen die hun vrouwen mishandelen, misbruikers van kinderen, aanranders en verkrachters, overvallers, haatzaaiers.

Wat de politie wél doet is voornamelijk sociale controle: greep houden op lieden die mogelijk problemen kunnen maken voor de groep die aan de macht is.

Sociale controle en handhaving vindt plaats op drie manieren. Ten eerste op straat­niveau, uitgevoerd door een teveel aan politie, die hun politiepenning en vuurwapens gebruiken om hun racistische vijandigheid en afwijkingen af te reageren. De meeste gevallen van onrechtmatig politiegeweld worden zonder straf afgedaan, als ze al voor de rechter worden gebracht.

In de tweede plaats de nationale en internationale narcoticahandel, waarbij de politie samen met federale instellingen als de CIA een actieve rol speelt als distributeur, zoals aangetoond door drie verschillende commissies van het congres en onder ede afgelegde verklaringen van piloten die drugs en wapens voor de CIA vervoerden. Racistische politie en drugshandelaren krijgen groen licht van hogerhand om samen te werken en federale autoriteiten bedienen zich ervan.

In de derde plaats is er sprake van gecoördineerde systematische inzet door autoriteiten van hoog tot laag om protest organisaties te ondermijnen omdat de gevestigde macht er op uit is organisaties die door collectieve actie radicale veranderingen willen bereiken onschadelijk te maken door ze te demoraliseren  en onder invloed van drugs te brengen (wat dan weer een argument is om mensen vast te zetten).

Leden van uiteenlopende afroamerikaanse- en latino groepen, zoals de Young Lords, Black Panthers, Brown Berets, Black Men Against Crackt kunnen getuigen dat zij minder problemen hadden met de politie zolang zij betrokken waren bij misdaad dan toen zij politieke actie gingen voeren tegen drugs, tegen uitbuiting en het gewelddadige optreden van de politie.

Bij het optreden tegen de Black Panthers door lokale en federale autoriteiten werden hun kantoren aangevallen en vernield, hun geld in beslag genomen en de aanwezigen gevangen genomen of doodgeschoten. Honderden Black Panthers werden vastgezet op basis van inventieve aanklachten. Verschillende daarvan zitten nog steeds (1996) vast.

Het lijkt erop dat de meerderheid van blanke middenklassers de fascistische trekken van de Amerikaanse maatschappij niet onderkent. Niet alleen omdat zij niet in de buurten en klasse zitten waar zich dat fascisme doet voelen, maar ook omdat de gevestigde politieke cultuur voor hen vanzelfsprekend en legitiem is.

Bij het vergelijken van de Amerikaanse maatschappij met de maatschappij van anderen meten ze met twee maten. Totalitaire praktijken, misbruik van geweld door de politie bijvoorbeeld, die zich in de VS voordoen worden beschouwd als geïsoleerde incidenten, maar gaat het om andere landen dan beschouwen zij die als bewijs van de totalitaire aard van de daar heersende regimes.

De invasie van Polen door de nazi’s wordt algemeen beschouwd als fascistisch, de Amerikaanse invasie in Vietnam wordt echter beschouwd als dwaasheid of hoogstens als een immorele uitoefening van macht. De indoctrinatie van kinderen in Duitsland met behulp van nationalistische mythe’s en rituelen wordt gezien als een kenmerk van fascisme. Terwijl Amerikaanse kinderen met vrijwel diezelfde mythe’s en rituelen te maken krijgen  heet het geen fascistische indoctrinatie maar opvoeding tot burgerschap.

Veel tradities en conventies in andere naties die door Amerikaanse middenklas­sers geassocieerd worden met totalitarisme worden, wanneer daarvan in de VS sprake is, niet met totalitarisme geassocieerd om de reden dat men er aan gewend is en omdat het dichtbij huis is.

De heersende politiek wordt beschouwd als gematigd, het midden houdende tussen extreem rechts en extreem links. Echter, een blik op de geschiedenis laat zien dat wat beschouwd wordt als het politieke midden (het centrum) altijd geneigd is gemene zaak te maken met rechts en zich tegen links te keren.

Het samengaan van het politieke midden en rechts is begrijpelijk. Ondanks de verschillen delen zij een gemeenschappelijke doel, namelijk de maatschappij in stand te houden zoals die is. Hervormingen, dat wel, maar geen totaal andere orde.

Praten over ‘centrum’, ‘rechts’ en ‘links’ wekt de suggestie dat je het politieke spectrum langs een lineaal kunt leggen en dat ‘rechts’ en ‘links’ wél maar het ‘centrum’ niet extreem kan zijn. Het ‘extreme centrum’ lijkt een contradictie. Door te denken en te doen alsof het politieke centrum het midden houdt tussen links en rechts, maak je de betekenis van ‘links’, ‘rechts’, ‘centrum’ los van waar deze politieke oriëntaties inhoudelijk voor staan. ‘Centrum’ wordt dat waar iedereen zich min of meer in moet kunnen vinden.

Stel dat ‘links’ staat voor een schoon milieu, produceren wat nodig is, zorgen dat de kinderen van de kinderen van onze kinderen in een leefbare wereld terecht komen, basale voorzieningen gratis en voor iedereen, een huis, werk en een fatsoenlijk inkomen voor iedereen, gelijke kansen in het onderwijs en voor de rechter, geen oorlogsgeweld en geen industrie die daarvan profiteert. Je zou zeggen: dat is toch alles behalve extreem? Extreem kan je dit alleen maar vinden als je de huidige maatschappij waarin een kleine groep rijken zich verrijkt ten koste van een grote meerderheid armen tot norm verheft. Vanuit die optiek is het politieke midden, dat immers alles min of meer bij het bestaande laten wil, extreem.

Om in te zien dat het Amerikaanse politieke centrum wel degelijk (bijzonder) extreem is is het goed te bedenken dat Vietnam niet werd platgebombardeerd door lieden die voor rechtsextremist worden gehouden (bijvoorbeeld de Ame­rikaanse Nazipartij en de Klu Klux Clan), maar door de regering van de VS die daarbij gesteund werd door het brede politieke midden.

De republikeinse partij laat zien hoe een politieke hoofdstroom afglijdt naar het fascisme. Het programma van de Republikeinen verschilt nau­welijks van dat Hitler en Mussolini: weg met de vakbonden, salarissen omlaag, het mediamonopolie van rechts, afschaffen van belasting voor de grootste onderneming en de rijken, afschaffen van regelgeving voor de veiligheid van werkers, consumenten en het milieu, plunderen van publieke bezittingen, privatiseren publieke diensten, elimineren van sociale zekerheid en het wegvagen van iedereen die zich tegen deze maatregelen opstelt.

Wat betreft het laatste punt, één van de belangrijkste tactieken van het fascisme is het afleiden van legitieme klachten van de bevolking in de richting van zonde­bokken: joden, communisten, zigeuners, vakbonden, zodat de ei­genlijke boos­doeners buiten schot blijven: het leger en het grote bedrijfsleven. De bevolking die klaagt over economische achteruitgang wordt opgehitst tegen afroamerika­nen, latino’s, joden, armen, immigranten, homo’s, feministen, verdedigers van abortus, atheïsten, media die kritiek uiten op het regime, de Verenigde Naties en het vijandige buitenland.

Terwijl Amerikaanse leiders  en de media, die in handen zijn van grote bedrijven, gewoonlijk geen aandacht schenken aan legitieme klachten van sociaal gedepri­veerde groepen, lijken ze heimelijk sympathie te hebben voor de Ku Klux Clan, verontruste nazi’s en militairen, vrijwel allemaal rechts, racistisch en gewapend tot de tanden. Ze vinden het tenminste niet nodig om daar hard tegen op te treden. De mensen die zich op laten hitsen vragen zich  niet af of het echt de illegale immigranten zijn die verantwoordelijk zijn voor de enorme staatsschuld, de hoge belastingen, de inflatie en de misdaad, de werkloosheid en de verwoesting van het milieu.

Net als toen het fascisme opkwam in Italië en Duitsland, toonde het politieke centrum zich tolerant en meegaand naar de ultrarechtsen toe terwijl die zich schuldig maakten aan intimidatie en onderdrukking van links. Veel van hen die de antidemocra­ti­sche maatregelen tegen dissidenten steunen hebben geen oog hebben voor het dreigende fascisme in de VS. Het fascistisch gevaar komt niet van een handjevol skinheads of militairen, maar van diverse veiligheidsdiensten die er op uit zijn ons onze rechten te ontnemen onder het motto van een beter Amerika. En van politici en kiezers van het politieke midden die zich door rechts en ultra-rechts op sleeptouw laten nemen.

  • Werd Roel van Duijn niet jarenlang door de BVD bespioneerd?